Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1788

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
14/06204
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3689, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Conservatoir beslag en verbeurdverklaring. Art. 94a Sv en art. 33a Sr. Voor de v.v. a.b.i. art. 33a Sr is het niet nodig dat op het voorwerp waarvan de v.v. wordt uitgesproken ex art. 94 Sv beslag is gelegd. Ex. art. 34 Sr zal in zo’n geval het voorwerp moeten worden uitgeleverd of de geschatte waarde daarvan moeten worden betaald. Voor uitlevering zal verdachte, indien op hetzelfde voorwerp een ander dan het in art. 94 Sv vermelde beslag is gelegd, afhankelijk zijn van de medewerking van de beslaglegger. Een conservatoir beslag a.b.i. art. 94a Sv staat derhalve niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurdverklaard. Een andersluidende opvatting zou ook tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat de strafrechter door een beslaglegger in zijn sanctiemogelijkheden wordt beperkt. CAG anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06204

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 12 september 2014 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde, verdachte vrijgesproken ter zake van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde en verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde ‘medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een geldboete van € 15.000,- (te vervangen door 110 dagen hechtenis) en een taakstraf van 80 uren (te vervangen door 40 dagen hechtenis).

  2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (14/05907), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Mr. S.M.L.S. Spoor, advocaat-generaal bij voormeld Gerechtshof, heeft beroep in cassatie ingesteld en mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het ressortsparket, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens verdachte is het beroep in cassatie tegengesproken door mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam.

4. Het eerste middel richt zich tegen de motivering van de vrijspraak en valt uiteen in twee klachten: 1. Het ontbreken van bijzondere redenen voor een beslissing die afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt; 2. De vrijspraak is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van de vaststelling van het Hof met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde feit.

5. Onder 1 primair is gewoontewitwassen van A. een personenauto, B. een geldbedrag van 350.000 euro (een verstrekte hypothecaire lening en/of een woning) en C. een zevental geldbedragen (in totaal 170.675,20 euro) ten laste gelegd en onder 1 subsidiair (meermalen) witwassen van hetgeen vermeld is onder A, B en C.

6. Onder het opschrift ‘Vrijspraak’ heeft het Hof in het bestreden arrest als volgt overwogen:

“ Het hof acht de feiten en omstandigheden die blijken uit het dossier van dien aard dat zonder meer sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van (gewoonte)witwassen. Het hof heeft de verdachte en zijn medeverdachte ter terechtzitting echter in de gelegenheid gesteld over de herkomst van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en het geldbedrag waarmee de BMW X3 is aangeschaft, een verklaring af te leggen. De verdachten hebben vervolgens verklaard dat zij regelmatig speelwinsten behaalden in Holland Casino. Als de verdachte of zijn medeverdachte een speelwinst behaalde van meer dan € 10.000,00, werd het bedrag van de depotrekening van het Holland Casino overgeboekt naar de privérekeningen van de verdachten. Ten aanzien van het bedrag € 16.109,20 hebben de verdachten verklaard dat dit bedrag afkomstig is uit omgewisselde guldens (ongeveer fl. 35.000,00) uit het ‘potje’ bij hen thuis, terwijl het bedrag van € 14.566,00 omgewisselde Italiaanse lires betreft, zijnde speelwinst gemaakt in Italiaanse casino’s o.a. in San Remo. Voorts hebben de verdachten verklaard dat de BMW X3 is gefinancierd uit de opbrengst van de ingeruilde auto’s en geld van de privérekening van verdachte.

Het hof is van oordeel dat de verdachten daarmee concrete, min of meer verifieerbare en, naar het oordeel van het hof, niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken verklaringen omtrent de herkomst van het geld hebben afgelegd, nu bovendien uit nader onderzoek door het openbaar ministerie is gebleken dat Holland Casino bescheiden heeft geleverd waaruit blijkt dat de verdachten een aantal van de onder C genoemde geldbedragen inderdaad als speelwinst op de privérekeningen hebben ontvangen. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs voor (gewoonte)witwassen in het dossier voorhanden is, zodat de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.”

7. Ter terechtzitting van het Hof van 29 augustus 2014 heeft de advocaat-generaal, blijkens het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal, het woord gevoerd aan de hand van het schriftelijk requisitoir dat aan het Hof is overgelegd en waarvan de inhoud in het proces-verbaal als ingevoegd geldt:

“Tav feit 1 onder B: Dit betreft het bedrag dat verdachten hebben kunnen lenen van de Rabobank ten behoeve van de aanschaf van de [a-straat 1] te Badhoevedorp. Dit geld is verkregen door middel van valsheid in geschriften en derhalve door middel van misdrijf. De officier van justitie in eerste aanleg noemde reeds het arrest van de HR van 26 oktober 2010, BM4440. Er is sprake van witwassen omdat door valsheid in geschrift (en oplichting) geld is losgekregen van de Rabobank, welk geld is omgezet door er een huis van te kopen.”

8. Voor hetgeen onder B is ten laste gelegd bevat het arrest van het Hof geen bijzondere overwegingen. Aantekening verdient dat ook aan niet alle zeven geldbedragen als bedoeld onder C een bijzondere overweging is gewijd. Onder 2.2. bevat de schriftuur, na het hierboven onder 5 opgenomen citaat, de volgende zin: “Het Hof heeft aldus geen overweging gewijd aan de gegeven vrijspraak van het onderdeel B van het aan verdachte onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.” Ik lees hierin, gelet op de context, niet dat het arrest zo gelezen moet worden dat voor wat betreft feit 1 onder B elke motivering ontbreekt. Het Hof zal hebben bedoeld in het arrest tot uitdrukking te brengen, dat ook voor feit 1 onder B geldt dat dit niet wettig en overtuigend bewezen is. Het had de voorkeur verdiend dat het Hof dit duidelijker tot uitdrukking had gebracht, gelet op de gedetailleerde overwegingen omtrent de auto (onder A) en een aantal van de geldbedragen (onder C). Als ik het goed zie is dit ook het uitgangspunt van de steller van het middel. Het middel zelf spitst zich immers specifiek toe op het uitblijven van een reactie op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en de onverenigbaarheid van de vrijspraak met de vaststellingen inzake feit 2. De slotsom is dat in de aan de vrijspraak door het Hof gewijde overwegingen besloten ligt dat het Hof hetgeen in feit 1 onder B is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen acht.

9. Het Hof heeft dus volstaan met de bekende standaardformule. In het algemeen is de rechter niet gehouden een vrijspraak anders en daarmee uitvoeriger te motiveren dan met de bekende formule ‘niet wettig en overtuigend bewezen’. De toetsingsruimte in cassatie is bij een vrijspraak, ook al is slechts de algemene gebruikelijke standaardmotivering opgenomen, beperkt.1 Dat lijdt uitzondering ingeval sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Hetgeen de advocaat-generaal ter terechtzitting van het Hof heeft aangevoerd (zie onder punt 6 hierboven) is niet aan te merken als een zodanig standpunt. Er staat niet veel meer dan dat het feit kan worden bewezen, maar argumenten ontbreken en eerlijk gezegd is het standpunt ook overigens niet erg indringend geformuleerd. De laatste volzin uit het citaat onder punt 6 refereert kennelijk nog aan de zogenaamde kwalificatie-uitsluitingsgrond2, maar daar is het Hof in het geheel niet aan toegekomen. Er is immers niet sprake van een ontslag van alle rechtsvervolging, maar het ten laste gelegde aanwezig hebben, gebruiken, gebruik maken, overdragen en omzetten heeft het Hof niet bewezen geacht. Deze klacht treft dus geen doel.

10. De tweede klacht ziet op de begrijpelijkheid van de vrijspraak in het licht van een zin uit de strafmotivering ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

11. Onder 2 heeft het Hof bewezenverklaard dat:

“hij in de periode 01 juni 2003 tot en met 1 augustus 2003 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft gebruik gemaakt van geschriften als ware deze geschriften echt en onvervalst, te weten:

A) een salarisspecificatie van [A] B.V., adres [b-straat 1] te Amsterdam, gedateerd op 30 juni 2003 op naam van [medeverdachte], adres [c-straat 1] te Amsterdam en

C) een werkgeversverklaring ondertekend door [betrokkene] namens [A] B.V., gedateerd op 3 juli 2003 ten behoeve van [medeverdachte], adres [c-straat 1] Amsterdam

Ad A) in voornoemde salarisspecificatie staat vermeld dat [medeverdachte] een dienstverband had bij [A] B.V. in de functie van "Makelaar" per 01 januari 2002 en dat [A] B.V. loon heeft betaald en heeft overgemaakt op bankrekeningnummer [001] en is verontschuldigd aan [medeverdachte], terwijl in werkelijkheid daar geen sprake van was,

Ad C) in voornoemde werkgeversverklaring staat vermeld dat [medeverdachte] een dienstverband had bij [A] B.V. in de functie van "Makelaar O.G." per 01 november 2002 en dat [A] B.V. een bruto jaarsalaris inclusief vakantietoeslag ter hoogte van in totaal 51.000,00 euro heeft betaald en zal betalen aan [medeverdachte], terwijl in werkelijkheid daar geen sprake van was,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat voornoemde geschriften zijn verstrekt aan Rabobank Utrecht gevestigd te Utrecht ten behoeve van de verkrijging van een hypothecaire lening ter hoogte van 350.000,00 euro voor de woning op het adres [a-straat 1] te Badhoevedorp,

terwijl zij verdachte en haar mededader wisten dat deze geschriften bestemd waren tot gebruik als ware dat deze geschriften echt en onvervalst;”

12. In de aanvulling op het arrest wordt voor de bewijsmotivering verwezen naar de Promisredenering van de Rechtbank en het Hof heeft in het arrest met betrekking tot feit 2 de volgende bewijsoverweging opgenomen:


“Uit de door [betrokkene] ondertekende werkgeversverklaring en de onder A ten laste gelegde salarisstrook van de medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat zij als makelaar in dienst zou zijn geweest bij [A] B.V. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat zij een ‘blauwe maandag’ werkzaam is geweest voor [A] B.V., maar dat ze seksuele diensten heeft verleend aan [betrokkene]. [betrokkene] ontkent dat hij gebruik heeft gemaakt van haar seksuele diensten, maar stelt dat zij wel administratief werk deed bij [A] B.V. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat zij nooit als makelaar in dienst is geweest bij [A] B.V. en nooit een bezichtiging heeft gedaan. Uit de verhoren van verschillende medewerkers van [A] B.V. blijkt dat zij haar niet als collega-werkneemster of oud-werkneemster van [A] B.V. noemen.

Op basis van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte] geen dienstverband is aangegaan bij [A] B.V. en dat de onder A en C genoemde bescheiden derhalve vals zijn. De valse werkgeversverklaring en de salarisspecificatie betreffende [medeverdachte] zijn bij een tussenpersoon ingeleverd ter verkrijging van een hypotheek bij de Rabobank. Beide verdachten hebben de offerte waarin om dergelijke gegevens werd verzocht ondertekend. Dat verdachten van deze documenten gebruik hebben gemaakt, blijkt uit het feit dat deze stukken bij de aanvraag van een hypothecaire geldlening zijn gebruikt. Hieruit volgt dat beide verdachten tezamen de valse documenten voor het verkrijgen van de lening hebben aangewend. Het hof gaat er van uit dat verdachte, als echtgenoot van medeverdachte [medeverdachte], ervan op de hoogte moet zijn geweest dat zijn vrouw niet als makelaar werkzaam was bij [A] B.V. en dat hij zich daarmee samen met haar schuldig heeft gemaakt aan het gebruik maken van die valse geschriften.”

13. De strafmotivering bevat, voor zover daarnaar in de schriftuur wordt verwezen, nog de volgende overwegingen:

“Verdachte heeft zich samen met zijn echtgenote schuldig gemaakt aan het medeplegen van gebruik maken van valse geschriften. Samen met zijn echtgenote heeft hij een valse werkgeversverklaring en valse loonstrook ingediend bij de Rabobank Utrecht ter verkrijging van een hypotheek op de woning aan de [a-straat 1] te Badhoevedorp. Hierdoor werd de Rabobank in de waan gebracht dat sprake was van een betaald dienstverband. Op grond hiervan heeft de Rabobank de hypotheek aan verdachte en zijn vrouw verstrekt, ten gevolge waarvan zij de woning konden betrekken. In de samenleving moet erop kunnen worden vertrouwd dat geschriften die bedoeld zijn om tot bewijs te dienen, echt en onvervalst zijn. Dat vertrouwen heeft verdachte met zijn handelen geschaad.”

14. Nu verdachte is vrijgesproken van het omzetten van de hypothecaire geldlening in een huis als bedoeld in feit 1 onder B (witwassen) is het, aldus de steller van het middel, onbegrijpelijk dat het Hof in het kader van feit 2 overweegt dat op basis van valse geschriften een hypotheek aan verdachte en zijn vrouw is verstrekt ten gevolge waarvan zij de woning konden betrekken. Ik merk op dat aan deze overweging in de strafmotivering van een ander feit geen (bewijs)waarde kan en behoort te worden toegekend.3 Uit de bewijsvoering blijkt overigens niets over het gebruik van het geleende geld voor de aanschaf van het huis. Er lijkt mij met de steller van het middel weliswaar sprake van tegenstrijdigheid, maar dat betekent in het licht van de vrijspraak van feit 1 dat de strafmotivering van het onder 2 bewezenverklaarde feit op een (ondergeschikt) onderdeel niet begrijpelijk is. Daarover wordt echter niet geklaagd en enig belang bij een dergelijke klacht heeft het openbaar ministerie niet.

15 Het eerste middelfaalt in beide onderdelen.

16. Het tweede middel klaagt dat het Hof geen beslissing heeft gegeven op de door de advocaat-generaal gevorderde verbeurdverklaring.

17. Het arrest bevat in dat verband de volgende overweging:

“De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de woning aan de [a-straat 1] te Badhoevedorp en de BMW X3 verbeurd worden verklaard. Het hof overweegt dat op de woning en het voertuig conservatoir beslag rust in de zin van artikel 94a Sv. Op basis van HR 19 februari 2008, NJ 2008, 129, is het onmogelijk om goederen waarop conservatoir beslag rust, verbeurd te verklaren. Gelet op het karakter van het gelegde beslag zal het hof daarom niet beslissen op het beslag.”

18. In het middel wordt een beroep gedaan op beschouwingen van mijn voormalig ambtgenoot C.J.G. Bleichrodt en de reactie van de Hoge Raad4 daarop. De conclusie houdt onder meer in:

“ 4.1 Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende.

Het Hof heeft onder meer verbeurdverklaard een bedrag van fl. 4054,10 en BEF 600.(4)

Het proces-verbaal van politie (blz. 194) houdt in dat deze bedragen op de voet van art. 94a Sv in beslag genomen zijn. Dat was mogelijk omdat de opzettelijke overtreding van art. 8.1 van de Wet Milieubeheer is bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie (art. 1a onder 1° in verbinding met art. 2, eerste lid en art. 6 onder 1° WED).

4.2

Het geld is dus voor een bepaald doel inbeslaggenomen, te weten met het oog op het verhaal van een eventueel op te leggen geldboete (of betalingsverplichting ex art. 36e Sr). Het kan daartoe in dit geval ook dienen, nu onder meer een geldboete van € 5000, - is opgelegd.

4.3

Het karakter van een dergelijk beslag verschilt van een beslag ex art. 94 Sv. Er is ook verschil voor wat betreft de toepasselijke wetsbepalingen (vgl. art. 94c Sv). Bij de einduitspraak hoeft de rechter noch in de hoofdzaak noch in een eventuele ontnemingszaak over een zodanig beslag een beslissing te geven; het beslag gaat bij het onherroepelijk worden van de uitspraak van rechtswege over in een executoriaal beslag (vgl. art. 574 Sv en HR 13 juni 1995, NJ 1995, 654). Op het inbeslaggenomen voorwerp kan dan een boete of een verplichting tot het betalen van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk voordeel worden verhaald. Daarbij past ook dat een zodanig beslag kan worden opgeheven indien zekerheid wordt gesteld.

Dat tussen de verschillende soorten beslagen moet worden onderscheiden volgt ook uit de rechtspraak die inhoudt dat een art. 94 Sv beslag op de juiste wijze zal moeten worden "omgezet" in een art. 94a Sv beslag wil men voor een boete etc. verhaal kunnen nemen op wat inbeslaggenomen is.(5) Ook in een beklagprocedure zal de status van het beslag moeten worden vastgesteld, omdat de criteria voor de beoordeling van een klaagschrift verschillen, al naar gelang er sprake is van een beslag ex art. 94 Sv of van een beslag op grond van art. 94a Sv.

4.4

Daarvoor vatbare voorwerpen kunnen worden verbeurdverklaard (art. 33a Sr). Die voorwerpen hoeven niet te zijn inbeslaggenomen, zoals ook volgt uit art. 34 Sr, al is dat bijna altijd wel het geval. De wettelijke regeling houdt in dat de veroordeelde ofwel het verbeurdverklaarde voorwerp (indien dat niet is inbeslaggenomen) alsnog uitlevert ofwel dat bij voorafgaande inbeslagneming de verbeurdverklaring wordt tenuitvoergelegd ten aanzien van het beslagen voorwerp.

Dat laatste kan echter mijns inziens niet ingeval het gaat om een beslag ex art. 94a Sv. Dat strekt immers tot het veiligstellen van het verhaal van een opgelegde vermogenssanctie en niet om het inbeslaggenomen goed voorwerp te maken van een afzonderlijke, toe te voegen, sanctie. Dat is in deze zaak uit het oog verloren. Met als gevolg dat de verdachte niet alleen een geldboete kreeg opgelegd, maar het Hof tevens de verbeurdverklaring heeft uitgesproken van een geldbedrag dat nu juist met het oog op het verhaal van een eventuele geldboete inbeslaggenomen was. Naar mijn mening is er dus sprake van een misslag in het bestreden arrest waardoor de verdachte daadwerkelijk is geschaad.”

19. De Hoge Raad overwoog als volgt:

“ Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat een brief van 22 september 2002 van de Officier van Justitie aan de raadsman van de verdachte inhoudt dat de Officier van Justitie heeft beslist dat de geldbedragen waarop conservatoir beslag is gelegd aan de verdachte dienen te worden teruggegeven. Een aantekening op het zich in het dossier bevindende bewijs van ontvangst houdt in dat het geld daadwerkelijk aan de verdachte is teruggegeven.”

20. Uit het arrest van de Hoge Raad lijkt mij (anders dan het Hof kennelijk meent) niet veel meer af te leiden dan dat enige beslissing op het ambtshalve aangestipte punt in de betreffende zaak niet meer noodzakelijk was. Aan het conservatoir beslag kwam immers door (de toezegging omtrent de) teruggave een einde. Als ik het goed zie is ook in het onderhavige geval het door mijn voormalig ambtgenoot ambtshalve aangestipte punt niet beslissend. Het Hof heeft immers een geldboete opgelegd en het conservatoir beslag is bedoeld en kan worden aangewend voor de tenuitvoerlegging daarvan. Waarom in een dergelijk geval een beslissing omtrent dat conservatoir beslag noodzakelijk zou zijn zie ik niet in. Integendeel geldt dat het conservatoir beslag bestemd is voor de tenuitvoerlegging van de boete, althans voor het geval dat, zoals hier, een boete wordt opgelegd. Het is dus niet onjuist of onbegrijpelijk dat het Hof (gelet op de oplegging van de geldboete) overweegt dat verbeurdverklaring van (ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een geldboete gelegd) conservatoir beslag niet mogelijk is. Wellicht kan dat in bijzondere (hier niet aanwezige) gevallen anders liggen wanneer vanwege het openbaar ministerie gegevens worden verstrekt die de schatting van de inbeslaggenomen verbeurd te verklaren voorwerpen op een geldelijk bedrag mogelijk maken zodat desgewenst, zo nodig onder toepassing van art. 33c Sr, voorwerpen kunnen worden verbeurd verklaard. Als tenslotte (schriftuur 2.4.1) wordt geklaagd over het ontbreken van een beslissing over verbeurdverklaring mist dat feitelijke grondslag. De vordering tot verbeurdverklaring is (impliciet) afgewezen en de rechter is niet gehouden die beslissing (expliciet) in het vonnis of arrest op te nemen of nader te motiveren.

21 De slotsom is dat ook het tweede middelfaalt.

22. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor de beperkte toetsingsruimte van een vrijspraak in cassatie bijvoorbeeld HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:AO5061, NJ 2004/480 en HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9410.

2 HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 m.nt. Keijzer.

3 Ook hier is de beperkte toetsingsruimte van een vrijspraak in cassatie van betekenis (bijvoorbeeld HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:AO5061, NJ 2004/480 en HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9410).

4 Zie HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4453, NJ 2008/129.