Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1780

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-10-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
14/04592
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3441, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verjaring. Ambtshalve beoordeling. Art. 70 en 72 Sr en art. 5, 6, 175, 176, 177 en 178 WVW 1994. Uit ECLI:NL:HR:2010:BK1998 vloeit voort dat voor de beantwoording van de vraag of het tlgd. feit is verjaard, de tll. moet worden beoordeeld naar de stand van het recht t.t.v. de beantwoording van die vraag en dus niet naar de stand van het recht t.t.v. het uitbrengen van de dagvaarding. Nu het Hof verdachte heeft vrijgesproken van het roekeloze rijgedrag en het beroep kennelijk niet tegen deze vrijspraak is gericht, staat dat onderdeel van de tll. niet ter toetsing in cassatie. E.e.a. brengt i.c. mee dat m.b.t alle tlgd. feiten, voor zover die aan het oordeel van de HR zijn onderworpen, het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen. HR verklaart, met vernietiging van de bestreden uitspraak, de OvJ alsnog n-o in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04592

Mr. Harteveld

Zitting 13 oktober 2015

Aanvullende conclusie inzake:

[verdachte]

1.1. Naar aanleiding van mijn conclusie, voor de zitting van de Hoge Raad van 30 juni 2015, strekkende tot (ambtshalve) niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie vanwege de verjaring van de tenlastegelegde feiten heeft de Hoge Raad mij de vraag doen stellen of ik aanvullend wens te concluderen, teneinde alsnog de cassatiemiddelen te bespreken. Daaruit valt op te maken dat de Hoge Raad vooralsnog niet van mening is dat de zaak is verjaard. Met het oog daarop zal ik graag tot bespreking van de middelen in de zaak overgaan. Toch wil ik de vraag van de verjaring in deze aanvullende conclusie niet helemaal onbesproken laten.

1.2. Bij nadere beschouwing moet ik toegeven dat mijn eerdere conclusie, om in verkeerstermen te spreken, bepaald te kort door de bocht was. Mijn conclusie kwam er immers op neer dat de in 2006, dus tijdens de toen nog openstaande verjaringstermijn in getreden wijziging van art. 175 WVW 1994, waarbij (onder meer) de strafverzwarende omstandigheid van roekeloosheid werd opgenomen in de wet, buiten beschouwing moest blijven aangezien uitgegaan dient te worden van de gunstigste regeling. Dat laatste punt is echter, zoals blijkt uit inmiddels stevig gevestigde jurisprudentie, op deze wijze gesteld niet juist. Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231, geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen.1 Deze jurisprudentie heeft betrekking op bijvoorbeeld het (tussentijds) verhogen van het op het tenlastegelegde feit gestelde strafmaximum, maar kan ook zijn uitwerking hebben bij het toevoegen van strafverzwarende omstandigheden, waardoor evenzeer het uiteindelijk te bereiken strafmaximum wordt beïnvloed. Ik nam inmiddels kennis van de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (ECLI:NL:PHR:2015:1600) waarin hij ten aanzien van de strafverzwarende omstandigheden in art. 11 Opiumwet het standpunt inneemt dat deze op het punt van de verjaring dezelfde ‘directe’ werking hebben als een eenvoudige verhoging van het strafmaximum. Ik citeer, met instemming, mijn ambtgenoot op dit punt:

“Voor de beantwoording van de vraag of het vervolgingsrecht van het OM ondanks een verhoging van de strafbedreiging tussendoor toch niet is uitgedoofd zal men kennis moeten nemen van de tenlastelegging, omdat daaruit is op te maken dat het gaat om een grote hoeveelheid. Maar ook wanneer de wijziging van de wetgeving er niet in heeft bestaan dat een nieuwe strafverzwarende omstandigheid is ingevoerd, maar dat eenvoudigweg de strafbedreiging is opgetrokken zal de vraag of er sprake is van verjaring niet kunnen worden beantwoord zonder dat wordt vastgesteld wanneer het feit volgens de tenlastelegging/bewezenverklaring is begaan. Er is volgens mij geen reden om de verandering van verjaringstermijnen anders te behandelen wanneer deze voortspruit uit de invoering van een nieuwe (zakelijke) strafverzwarende omstandigheid dan wanneer deze voortkomt uit een verhoging van het strafmaximum.”

De Hoge Raad besliste het opgeworpen punt in dezelfde zin (HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2842):

“3.3.

Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231, geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen. Dit is niet anders indien de verlenging van de verjaringstermijn een uitvloeisel is van de invoering van een strafverzwarende omstandigheid als de onderhavige, te weten de in het vijfde lid van art. 11 Opiumwet voorziene strafverhoging ingeval de daar genoemde gedraging betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het daar bedoelde middel. Hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof heeft derhalve ten onrechte toepassing gegeven aan art. 70 Sr zoals dat gold vóór de wetswijzigingen van 2006.”

Waar hetgeen ik hier omtrent het geldend recht opmerk mij volstrekt duidelijk voorkomt wil ik echter toch (nogmaals) de vraag opwerpen of ten aanzien van het toevoegen in 2006 van de strafverzwarende omstandigheid van de “roekloosheid” aan art. 175 lid 2 WVW 1994 de zaak wel zo duidelijk ligt als in het geciteerde geval. Het begrip “roekeloosheid” komt weliswaar in de tenlastelegging in de onderhavige zaak voor (in het primair tenlastegelegde), maar de kwestie is of die term zich laat gelijkschakelen met het later geïntroduceerde wettelijke begrip roekeloosheid in art. 175 WVW 1994. Daaromtrent heeft de Hoge Raad immers al meermalen het volgende overwogen: “Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.”2 Voor de vaststelling van die roekeloosheid gelden ook speciale eisen: “Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.” Het begrip roekeloosheid geeft aldus uitdrukking aan een specifieke, in de wettelijke strafbepaling voorkomende term. Bij de vraag of de rechter wel een juiste uitleg aan die term heeft gegeven zal de Hoge Raad dan ook – standaard – overwegen in de volgende trant: de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994. Het is zeer de vraag of de in de onderhavige tenlastelegging, aan het normale spraakgebruik ontleende term “ roekeloosheid” wel de door de Hoge Raad daaraan gegeven inhoud zal kúnnen hebben gehad, gelet op het gegeven dat deze tenlastelegging in 2002 is opgesteld, dus ver voordat de wettelijke term, met zijn specifieke inhoud in art. 175 WVW 1994 is terecht gekomen. De vraag ligt dus ook voor of men in deze – in wezen strafprocessuele – context anders moet oordelen over de vraag of de toevoeging van de wettelijke strafverzwaringsgrond gelet op de voorliggende tenlastelegging het effect kan hebben dat de verjaringstermijn wordt verlengd. Om bij wijze van voorbeeld aan te knopen bij de hierboven genoemde zaak, waarin mijn ambtgenoot Machielse concludeerde: een in de tenlastelegging opgenomen feitelijk gegeven- zoals een bepaalde hoeveelheid van een verdovend middel, opgenomen in lijst II van de Opiumwet, maakt een kwalificatie als (mede) opleverende de (latere) strafverzwarende omstandigheid van art. 11 lid 5 Opiumwet zonder veel problemen mogelijk. Voor de ‘omzetting’ van het begrip ”roekeloosheid” in een aan de wet anterieure tenlastelegging in het latere specifieke begrip is een grotere slag vereist. Naar mijn overtuiging is die slag te groot. Het eerder tenlastegelegde feit betreft naar mijn mening niet hetzelfde feit als dat is omschreven in de latere wettelijke regeling. Daarom handhaaf ik, zij het met een explicatie, die ik - zo geef ik met verontschuldigingen toe - eerder had moeten geven, mijn eerdere primaire conclusie dat het recht tot strafvervolging in de onderhavige zaak door verjaring is komen te vervallen. Niettemin kan ik me ook thans nog voorstellen dat uw Raad daarover anders denkt, en daarom zal ik tot bespreking van de middelen overgaan.

2.1. Het tweede middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat verdachte rechtsgeldig voor de in hoger beroep van 21 augustus 2014 is opgeroepen.

2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2014 houdt het volgende in:

“De verdachte, gedagvaard als

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

is niet verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.M.J. Comans, advocaat te Amsterdam, die verklaart door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd hem als advocaat te verdedigen.

De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven:

Het verbaast me dat de verdachte niet is verschenen. In het kader van een CJIB-zaak was hij verplicht een adres op te geven. Hij heeft toen een adres aan de [a-straat] in Beverwijk opgegeven. Naar dat adres is geen dagvaarding voor de zitting van vandaag gezonden. Ik overhandig een kopie van een brief van het ressortsparket van 24 april 2014, met daaraan gehecht een beschikking van dit hof van 7 mei 2014 waarin dat adres is vermeld.

In de processen-verbaal van verhoor van de getuigen door de raadsheer-commissaris is een ander adres van de verdachte vermeld, ook daar is geen oproep naar gestuurd. Ik heb voor deze zitting geen contact met de verdachte kunnen leggen.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mee dat de verdachte rechtsgeldig voor deze terechtzitting is opgeroepen. De door de raadsman overgelegde correspondentie heeft betrekking op een andere zaak dan de onderhavige. Dat in die zaak een (ander) adres is opgegeven wil niet zeggen dat de verdachte ook in deze zaak op dat adres had moeten worden opgeroepen. Met name niet, nu de verdachte zich blijkens een ID-staat SKDB van 4 juli 2014 sinds juni 2008 op geen enkel adres – anders dan zijn detentie-adres – in de gemeentelijke basisadministratie heeft laten registreren. Dus evenmin in de periode tussen het wijzen van voormelde beschikking en 4 juli 2014. Terwijl het op de weg ligt van de verdachte zorg te dragen voor inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie. Tenslotte zij vermeld dat de raadsman, hoewel hij bekend is met het adres van de verdachte aan de [a-straat] in Beverwijk, hem daar niet heeft kunnen bereiken.

De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik heb niet geprobeerd de verdachte op enig adres te bereiken. Ik heb hem telefonisch niet kunnen bereiken.”

2.3. Voorop moet worden gesteld dat de raadsman van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2014 niet heeft bepleit dat de oproeping nietig moet worden verklaard en dat hij evenmin om aanhouding heeft verzocht. Het Hof heeft in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd dan ook kennelijk en niet onbegrijpelijk geen reden gezien om te onderzoeken of een afschrift van de oproeping, op grond van art. 588a Sv naar een feitelijke woon- of verblijfplaats is verstuurd. Het Hof heeft in het aangevoerde wel aanleiding gezien om te onderzoeken of de oproeping rechtsgeldig aan verdachte is betekend. Tegen het oordeel van het Hof dat de oproeping naar de eisen der wet heeft plaatsgevonden, keert het middel zich.

2.3. De stukken van het geding houden het volgende in.

(i) Na terugwijzing door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 17 februari 2011 verdachte veroordeeld. Tegen dit arrest heeft verdachte op 3 maart 2011 beroep in cassatie ingesteld. De cassatieakte vermeldt als adres van verdachte [c-straat 1] te Amsterdam. De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 februari 2013 het arrest van het Hof van 17 februari 2011 vernietigd en de zaak teruggewezen naar het Gerechtshof Amsterdam.

(ii) De opvolgende behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 16 januari, 7 februari en 21 augustus 2014. Verdachte is op de terechtzitting van 16 januari en 7 februari 2014 verschenen. Op de zitting van 7 februari 2014 is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst. Verdachte is op de terechtzitting van 21 augustus 2014 niet verschenen. De zaak is op laatstgenoemde datum inhoudelijk behandeld.

(iii) Blijkens de akte van uitreiking is de oproeping voor de zitting van 21 augustus 2014 op 4 juli 2014 betekend aan de Rechtbank te Amsterdam, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Een afschrift van de oproeping is op 15 juli 2014 verstrekt aan de raadsman. Bij de stukken van het geding bevindt zich tevens een dubbel van de “oproeping van verdachte” waarop als adres van verdachte vermeld wordt [b-straat 1] te Almere, voorts houdt het stuk in dat op 12 augustus 2014 een afschrift is verstrekt aan de raadsman. Bij de stukken bevindt zich geen akte van uitreiking die ziet op laatstgenoemde oproeping.

(iv) De ID-staten SKDB van 4 juli en 28 augustus 2014 houden in dat verdachte van 8 februari 2005 tot 13 mei 2005 was ingeschreven op het adres [b-straat 1] te Almere, dat van verdachte tussen 13 mei 2005 en 12 maart 2007 geen adres bekend was, dat verdachte van 12 maart 2007 tot 20 juni 2008 stond ingeschreven op het adres [c-straat 1] te Amsterdam, dat van 20 juni 2008 tot 22 januari 2013 van verdachte geen adres bekend was, dat verdachte van 22 januari 2013 tot 18 december 2013 stond ingeschreven op het adres H.J.E. Wenckebachweg 48 te Amsterdam en dat verdachte per 18 december 2013 is “vertrokken onbekend waarheen”.

(v) De processen-verbaal van de raadsheer-commissaris van 14 april 2014 inhoudende de verklaring van getuigen, vermelden als adres van verdachte [c-straat 1] te Amsterdam.

2.4. Ingevolge art. 588 lid 1 aanhef en onder b sub 3 Sv wordt een gerechtelijke mededeling, uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de mededeling te doen plaatsvinden op het uit de stukken blijkend – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden.3

2.5. Uit de stukken van het geding volgt dat verdachte ten tijde van de betekening van de oproeping voor de zitting van 21 augustus 2014 niet als ingezetene stond ingeschreven in de GBA. De vraag waar het hier op aan komt is derhalve of het Hof kon aannemen dat van verdachte geen feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was.

2.6. Uit de stukken van het geding volgt dat verdachte ten tijde van het instellen van het cassatieberoep op 3 maart 2011 niet stond ingeschreven in de GBA. De cassatieakte vermeldt als adres van verdachte [c-straat 1] te Amsterdam. Uit de ID-staten SKDB blijkt dat verdachte van januari tot en met december 2013 stond ingeschreven op het adres H.J.E. Wenckebachweg 48 te Amsterdam. Op dit adres is de Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel gevestigd. Het betreft dus, naar ook het Hof heeft vastgesteld, een detentieadres. Voorts houden de ID-staten SKDB in dat verdachte na verblijf in de penitentiaire inrichting is “vertrokken onbekend waarheen”. De processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 16 januari en 7 februari 2014, alwaar verdachte is verschenen, vermelden als adres van verdachte H.J.E. Wenckebachweg 48 te Amsterdam.

2.7. Het Hof is er kennelijk vanuit gegaan dat het adres vermeld op de cassatieakte achterhaald was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat verdachte na het instellen van het cassatieberoep op 3 maart 2011 heeft ingeschreven gestaan in de GBA op het adres Wenckebachweg 48 te Amsterdam, dat verdachte na verblijf in de penitentiaire inrichting is uitgeschreven en dat hij bij uitschrijving geen nieuw adres heeft opgegeven. Ten tijde van de betekening van de oproeping voor de zitting van 21 augustus 2014 was verdachte niet gedetineerd, zodat logischerwijs niet is getracht de oproeping uit te reiken op het adres H.J.E. Wenckebachweg 48 te Amsterdam.

2.8. Het middel faalt.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2. Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

“hij op 1 november 2002 te Diemen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, BMW, daarmede rijdende over de weg, de Ouddiemerlaan, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een verwonding aan haar kin ten gevolge waarvan zij een blijvend litteken heeft bekomen,

bestaande dat gedrag hieruit

- hij, verdachte, reed toen aldaar als bestuurder van die personenauto over de Ouddiemerlaan, komende uit de richting van de Rode Kruislaan en gaande in de richting van de Diemenpolderweg;

- hij, verdachte, is toen met die personenauto niet uitsluitend de voor hem bestemde rijstrook van die weg blijven volgen, doch is met die personenauto gedeeltelijk op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer gaan rijden;

aldus rijdende, bij nadering van een hem op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer tegemoetkomende bestelbus, Fiat, is hij, verdachte, met die door hem bestuurde personenauto niet uitgeweken voor die hem tegemoetkomende bestelbus, doch is met die door hem bestuurde personenauto in botsing gekomen met die hem tegemoetkomende bestelbus, door welk verkeersongeval aan [slachtoffer] voornoemd, die zich als passagier in die bestelbus bevond, voren omschreven letsel is toegebracht,

zulks terwijl hij, verdachte, op 2 november 2002 te Amsterdam, na het plegen van bovenomschreven feit, niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, 6e lid van de Wegenverkeerswet 1994, immers heeft hij, verdachte, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van die personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en van wie het aannemelijk was dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde Wet voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk was, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van genoemde Wet, niet had verleend, geen gevolg gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan verleend.”

3.3. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2014 overgelegde pleitnota heeft de raadsman van verdachte aldaar met betrekking tot de mate van schuld het volgende aangevoerd:

“Er is natuurlijk al helemaal geen opzet (mijn cliënt heeft nota bene door dit ongeval zelf aanzienlijk letsel opgelopen), maar er is ook geen sprake van schuld in de zin van het tenlastegelegde.”

3.4. Het Hof heeft overwogen dat het verweer dat verdachte geen schuld had aan het veroorzaken van het ongeval wordt verworpen en dat het verweer zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Uit die bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. Verdachte is op 1 november 2002 omstreeks 22.40 uur met zijn personenauto (BMW) betrokken geweest bij een aanrijding op de Ouddiemerlaan te Diemen. Verdachte reed met hoge snelheid en hield onvoldoende rechts waardoor de linker voorzijde van zijn auto in botsing is gekomen met de linker voorzijde van een hem tegemoetkomende Fiat bestelbus. Hierbij kantelde de Fiat, die op de rechter flank in de berm tot stilstand kwam. Er zaten drie personen in de Fiat. Een van die personen heeft als gevolg van de aanrijding een open wond aan haar kin opgelopen. Het litteken van deze wond is blijvend. Wanneer de politie op de plaats van het ongeval aankomt, neemt een van de verbalisanten waar dat de adem van verdachte naar alcohol ruikt, dat verdachte bloeddoorlopen ogen heeft en dat verdachte met dubbele tong spreekt. De verbalisant houdt verdachte daarop aan wegens overtreding van art. 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte wordt per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd en aldaar beveelt de hulpofficier van justitie hem om mee te werken aan een bloedonderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2 onder B WVW 1994. Verdachte weigert echter mee te werken. De hulpofficier neemt waar dat de adem van verdachte naar alcohol ruikt en dat hij enigszins met dubbele tong spreekt.

3.5. In het licht van de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden is het oordeel van het Hof dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, niet onbegrijpelijk. Hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de mate van schuld heeft aangevoerd, noopte het Hof niet tot een nadere motivering.

3.6. Het middel faalt.

4.1. Het derde middel keert zich tegen de strafmotivering.

4.2. Het Hof heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden. Het Hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

“De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis, en tot ontzegging van de rijbevoegdheid voor vierentwintig maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdveertig uren, subsidiair zeventig dagen hechtenis, en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van veertien maanden, met aftrek.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een tienjarig meisje zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft door zijn rijgedrag de verkeersveiligheid in algemene zin ernstig in gevaar gebracht en in het bijzonder de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en haar ernstig leed toegebracht. De verdachte heeft daarna niet meegewerkt aan een bloedonderzoek, terwijl tegen hem de verdenking was gerezen dat hij de auto onder invloed van alcoholhoudende drank had bestuurd. Hierdoor heeft de verdachte de waarheidsvinding belemmerd, hetgeen het hof de verdachte ernstig aanrekent.

Het hof acht, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vierentwintig maanden passend en geboden.

Het hof stelt echter vast dat tussen het instellen van het hoger beroep en het eerste arrest van het hof sprake is geweest van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, van het EVRM. Gelet voorts op de uitzonderlijk lange duur van de procedure in zijn geheel, zal het hof de op te leggen straf matigen tot een taakstraf voor de duur van honderdveertig uren, en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vierentwintig maanden.”

4.3. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat het Hof wel de duur van de taakstraf heeft gematigd, maar niet de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

4.4. Het Hof is kennelijk van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn voldoende gecompenseerd wordt door een vermindering van de duur van de taakstraf. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het Hof de taakstraf fors verminderd heeft, te weten met honderd uur. Nu ter terechtzitting niets is aangevoerd met betrekking tot de gevolgen die aan de overschrijding van de redelijke termijn moeten worden verbonden, behoefde het oordeel van het Hof geen nadere motivering. Opmerking verdient nog dat de Hoge Raad als uitgangspunt hanteert dat geen vermindering wordt toegepast op bijkomende straffen, zoals een ontzegging van de rijbevoegdheid.4

4.5. Het middel faalt.

5. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

6. Deze conclusie strekt primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging ter zake van het tenlastegelegde en subsidiair tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2013.

2 Zie. bijv. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960; HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:773.

3 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.24 sub b.

4 HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7086, NJ 2010/640.