Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1779

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
14/04590
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3358, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vordering bp. Falende klacht over het oordeel van het Hof dat de bp als gevolg van de bewezenverklaarde feiten rechtstreekse schade heeft geleden. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de kosten van het herstel van de schade aan de woningen met adres A en B voor rekening komen van de bp. Dat oordeel is, gelet op het in proces-verbaal van aangifte ter zake van de poging tot inbraak in de woning met adres C, dat het Hof niettegenstaande de vrijspraak van die poging tot woninginbraak bij zijn beoordeling te dezen heeft kunnen betrekken, en het voegingsformulier, niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande is het oordeel van het Hof dat de bp rechtstreekse schade heeft geleden a.g.v. de bewezenverklaarde feiten evenmin onbegrijpelijk. V.zv. het middel daarover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld. Voorts kan in cassatie niet met vrucht voor het eerst worden geklaagd dat de vordering van de bp ten onrechte ook de in rekening gebrachte BTW omvat, aangezien dit een onderzoek van feitelijke aard vergt. Ook in zoverre faalt het middel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04590

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 10 juni 2014 de verdachte wegens primair “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.1

3. Het middel komt met diverse klachten op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

4. Blijkens de aan de Hoge Raad toegezonden stukken heeft [A] BV zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd voor een schadebedrag van in totaal € 3.764,89. In het “Schadeopgaveformulier Misdrijven” wordt voor de opgave van de schade verwezen naar de bijgevoegde offerte DSM van 13 februari 2013. Deze offerte houdt onder meer in: “Werkzaamheden. Leveren en plaatsen 3 noodcilinders nrs 158-160-162. Verwijderen en afvoeren WTD nr 160. Leveren en monteren WTD inclusief H&S nr 160. Herstel kozijn nr 160. Schilderwerk kozijn in bestaande kleur, nr. 160. Leveren en plaatsen 3 knopcilinders op certificaat nrs 158-160-162. Leveren en plaatsen 2 meerpuntsluitingen nrs 158-162. (…) Totaal inclusief BTW € 3.74,89”. Ook zijn handgeschreven aantekeningen op deze offerte geplaatst (die moeilijk leesbaar zijn, PV).

5. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de benadeelde partij niet verschenen. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de raadsman van de verdachte de vordering heeft betwist door aan te voeren dat het gevorderde bedrag nogal hoog is, dat er complete deuren zijn verwijderd en dat de vordering niet van eenvoudige aard is. De Rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen tot een bedrag van € 3.764,89.2

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 27 mei 2014 blijkt dat de benadeelde partij niet is verschenen. Voorts volgt uit voornoemd proces-verbaal dat van de kant van de verdediging de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij is betwist. In het proces-verbaal is het navolgende op dit punt opgenomen.

“Wat betreft de vordering van de benadeelde partij: ik vind het onbegrijpelijk dat dit schadeformulier klakkeloos wordt geaccepteerd. De vordering is onduidelijk en niet eenvoudig van aard. 'WTD' en ‘H&S' staan onder andere als kostenpost opgenomen, maar ik heb geen idee wat dit betekent. Bovendien is het een offerte, dus het is onduidelijk of deze kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Het is daarnaast de vraag of degene die dit schadeformulier heeft getekend gemachtigd was om op te treden. Mijn cliënt krijgt de volle schadeclaim in zijn schoenen geschoven, want de medeverdachten zullen niet in staat zijn dit op te brengen.
(…)
De raadsman voert het woord in dupliek en verklaart - zakelijk weergegeven -:

De voorzitter zegt dat WTD staat voor 'witte toegangsdeur '. Dat zou kunnen, maar we weten het niet zeker. Hang- en sluitwerk vind ik goed gevonden. Het is niet duidelijk geworden dat het nodig was de deur in zijn geheel te vervangen. In ieder geval is onvoldoende gespecificeerd welke kosten voor welk onderdeel zijn gemaakt. In hoger beroep had de benadeelde partij dit makkelijk uitgebreider kunnen specificeren, maar dit is nagelaten.”

7. In het bestreden arrest heeft het Hof omtrent de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:

Vordering van de benadeelde partij [A] BV

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.764,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

De vordering is namens de bewoners van de betrokken woningen opgesteld op basis van pogingen tot het plegen van inbraken in drie woningen. Aangezien het hof enkel de pogingen tot het plegen van inbraken in twee woningen gelegen aan het [a-straat], te weten de nummers 160 en 162, bewezen acht, heeft het hof de hoogte van het toe te wijzen bedrag in redelijkheid vastgesteld op € 2.400,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het bedrag van € 2.4000,00 zal worden toegewezen. Aangezien de verdachte voor de poging tot het plegen van een woninginbraak bij nummer 158 wordt vrijgesproken, is de verdachte niet gehouden tot vergoeding van deze schade, zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

8. De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat het Hof de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen terwijl de vordering grotendeels is opgebouwd uit schade die niet rechtstreeks het gevolg is van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde poging tot inbraak. Uit het ‘Schadeopgaveformulier Misdrijven’ volgt niet dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de poging tot inbraak in de woningen aan het [a-straat] 160 en 162 noch dat de benadeelde partij de vordering namens de bewoners van de betrokken woningen heeft ingediend. De overweging van het Hof dat de vordering door [A] BV namens de bewoners van de betrokken woningen (is) opgesteld’ is dan ook onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.

9. Vooropgesteld wordt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces (art. 51a, eerste lid, Sv). Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers noch dat van derde belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces.3 De Minister voegde daaraan toe dat aan de voorwaarde dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit is voldaan als in de tenlastelegging de gedraging is omschreven die schade heeft veroorzaakt, zodat op basis van de tenlastelegging de vordering kan worden onderzocht. Maar niet nodig is dat ook de schade zelf in de tenlastelegging is vermeld.4

10. In de Memorie van toelichting bij het voorstel dat is uitgemond in de Wet van 17 december 2009, Stb. 2010, 1 haalde de Minister de omschrijving in het EU-Kaderbesluit van 15 maart 2001 (Pb EG 22 maart 2001, L 82, blz. 1-4) van wie slachtoffer is aan: “De natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn of economische schade heeft geleden”. Het gaat dus om een persoon aan wie door de pleger van een strafbaar feit materiële of immateriële schade is toegebracht. De Minister bracht in herinnering dat naar Nederlands recht sprake moet zijn van rechtstreekse schade die door het slachtoffer van een strafbaar feit is geleden.5

11. De vordering van de benadeelde partij [A] BV strekt ter vergoeding van de ten gevolge van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit geleden schade. De diefstalbepaling beschermt het vermogen, in het bijzonder de eigendom en het bezit van roerende zaken. Uit de door [betrokkene 3] gedane aangifte (het wel door de politierechter, maar niet door het Hof gebezigde bewijsmiddel 7) volgt dat hij namens [A] BV gerechtigd is tot het doen van aangifte ter zake van poging tot inbraak bij de woning [a-straat] 158 te Amsterdam. Noch uit deze aangifte noch uit de aangifte gedaan door de bewoners van de woningen aan het [a-straat] 160 en 162 (blijkens bewijsmiddel 6 en 4 resp. [betrokkene 2] en [betrokkene 1], zoals ook genoemd in de bewezenverklaring) volgt dat deze benadeelden aan [A] BV opdracht hebben gegeven om namens hen op te treden. Dit brengt mee dat het (kennelijke) oordeel van het Hof dat de benadeelde partij [A] BV degene is die rechtstreeks schade heeft geleden doordat er schade aan de woningen [a-straat] 160 en 162 is ontstaan niet begrijpelijk is. Dit klemt temeer nu het Hof verdachte heeft vrijgesproken van de poging tot diefstal in de woning aan het [a-straat] 158 en bewijsmiddel 7 niet voor het bewijs heeft gebruikt.

12. Gelet op het bovenstaande behoefde het oordeel van het Hof dat de vordering door [A] BV namens de bewoners van de betrokken woningen is opgesteld nadere motivering.

13. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Een afschrift van de schriftuur van de verdachte als bedoeld in art. V lid 1 van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad is pas op 10 juni 2014 aan de benadeelde partij toegezonden. Dit betekent dat er gelet op de termijn van dertig dagen vermeld in lid 2 van dit artikel nog een verweerschrift van de benadeelde partij kan binnenkomen. Mocht dit zich inderdaad voordoen dan ben ik desgewenst uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

2 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken heb ik geen wensenformulier van de benadeelde partij aangetroffen inhoudende dat zij haar eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding in hoger beroep wenst te handhaven.

3 Kamerstukken II, 1989/90, 21345, nr. 3, p. 11-12.

4 Kamerstukken II, 1989/90, 21345, nr. 3, p. 17.

5 Kamerstukken II 2004/05, 30143, nr. 3, p. 3.