Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1778

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
14/04558
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2918, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04558

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 29 augustus 2014 verdachte in de zaak met parketnummer 19-910712-12 onder 1 primair wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en in de zaak met parketnummer 18-920149-13 wegens “in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij wist dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld. Alvorens ik toekom aan de bespreking van de middelen zal ik eerst de bewezenverklaring, de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en de overweging van het Hof met betrekking tot het bewijs weergeven.

3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“Zaak met parketnummer 19-910712-12:

feit 1 primair:

hij in de periode van 20 oktober 2011 tot en met 4 juli 2012 te Dwingeloo, gemeente Westerveld, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat 1]) een aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Zaak met parketnummer 18-920149-13 (gevoegd):

feit 1:

hij in de periode van 20 oktober 2011 tot en met 30 juni 2012 te Appelscha, gemeente Ooststellingwerf, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een WWB-uitkering via de gemeente Ooststellingwerf, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, aan (de afdeling sociale dienst van) de gemeente Ooststellingwerf opzettelijk in het geheel niet gemeld dat hij in genoemde periode werkzaamheden heeft verricht in verband met hennepteelt.”

4. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL0033E 2011034774-8 (pagina 3 t/m 7 van een dossier met het nummer PL0033E 2011034774), in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 26 juli 2012 door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring/bevindingen van verbalisant:

Op 4 juli 2012 is onderzoek gedaan in een woning aan de [a-straat 1] te Dwingeloo. In een kweekruimte in voornoemde woning zijn 1000 nagenoeg volgroeide vrouwelijke hennepplanten aangetroffen. Uit eigen waarneming herkende ik, verbalisant, deze aangetroffen planten als zijnde hennepplanten van het geslacht cannabis. De toegang tot de kweekruimte kon alleen bereikt worden middels de voordeur van het woongedeelte van de woonboerderij.

In de woonkamer lag een getekende ontvangstbevestiging van de huur betreffende de huurperioden januari 2012 en juni 2012 ten name van [verdachte].

Uit onderzoek is gebleken dat de woning door makelaardij [A] te Dwingeloo is verhuurd. Makelaardij [A] verstrekte desgevraagd een kopie van de huurovereenkomst van voornoemde woning.

Gelet op de periode van verhuur en inrichting van de kweekruimte is het aannemelijk dat over de periode maart 2011 tot 4 juli 2012 rekening houdende met de inrichtingsperiode kweekinrichting 5 oogsten hebben plaatsgevonden.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met het nummer PL0033E 2011034774-12 dossierpagina 40-41 van het onder 1 genoemde dossier), in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 19 juli 2012 door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Blijkens onze informatie heeft u het pand [a-straat 1] te Dwingeloo gehuurd. Is dat correct?

A: Ja, dat klopt.

V: Waarom heeft u dat pand gehuurd?

A: Eerst om te wonen.

V: Bij de huurovereenkomst heeft u een paspoort getoond voorzien van het nummer [001] ten name van [verdachte], geboren [geboortedatum] 1948. Is dat correct?

A: Dat zal kloppen.

V: Ik toon u nu de huurovereenkomst. Heeft u deze getekend?

A: Ik herken mijn handtekening, dat klopt.

V: De huur voor het pand werd maandelijks contant betaald bij de makelaardij in Dwingeloo. Is dat correct?

A: Ja.

3. Een geschrift, zijnde een huurovereenkomst, (dossierpagina 14-37 van het onder 1 genoemde dossier), zakelijk weergegeven inhoudend dat door makelaardij [A] te Dwingeloo een woning aan de [a-straat 1] te Dwingeloo is verhuurd met ingang van 19 februari 2011 voor een periode tot 28 februari 2014 aan [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats], die zich legitimeerde met een geldig paspoort met het nummer [001]. Hiervan is een kopie (met pasfoto) aan de overeenkomst gehecht.

4. Een geschrift, zijnde een ontvangstbevestiging (dossierpagina 39 van het onder 1 genoemde dossier), d.d. 27 juni 2012 waarin staat vermeld dat [verdachte], [a-straat 1] te Dwingeloo € 1.130,- huurpenningen over de maand juni 2012 heeft voldaan op kantoor.

5. Een geschrift, zijnde een verklaring oplevering (dossierpagina 38 van het onder 1 genoemde dossier), zakelijk weergegeven inhoudende dat aan [verdachte], zijnde huurder van het pand aan de [a-straat 1] te Dwingeloo, het pand is opgeleverd per 19 februari 2011 en dat aan hem de sleutels zijn overhandigd.

6. Een geschrift, zijnde een door de raadsman ter zitting van het hof d.d. 15 augustus 2014 overgelegde kopie van een logboek van [A] Makelaardij met betrekking tot de [a-straat 1] (het hof begrijpt: te Dwingeloo), waarin staat vermeld dat:

Op 20 oktober 2011 is [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1], medewerker makelaardij) is met [verdachte] door het pand geweest. De huurder was bezig een zolder te maken.

7. Een geschrift, onderdeel uitmakend van een dossier van de Sociale Recherche Fryslan, met het nummer 89433 (pagina 20), zijnde een rapportage van de gemeente Ooststellingwerf, opgemaakt op 31 juli 2012 door [verbalisant], waarin zakelijk weergegeven staat vermeld:

Wietkwekerij Dwingeloo: uit informatie van de sociale recherche blijkt dat belanghebbende het betreffende pand op naam heeft gehad. [verdachte] zegt dat dit klopt. Dan is hij er volgens rapporteur dus bij betrokken, belanghebbende geeft rapporteur hierin gelijk. [verdachte] stelt dat hij niets aan de hennepteelt heeft verdiend. ‘De mensen’ hebben gesteld dat hij er niets voor zou krijgen, omdat dat al in de gevangenis verrekend zou zijn.

8. Een proces-verbaal (pagina 1 t/m 5 van een dossier van de Sociale Recherche Fryslan, met het nummer 89433 ), in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 11 februari 2013 door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring/bevindingen van verbalisant:

Aan verdachte [verdachte] is met ingang van 9 december 2010 onafgebroken een bijstandsuitkering Wwb verstrekt, tot 1 juli 2012. Ik zag dat in het dossier van verdachte geen wijzigingsformulieren aanwezig waren. Ik zag dat op het aanvraagformulier voor een bijstandsuitkering Wwb, kennelijk door verdachte ondertekend op 9 december 2010 vermeld stond: Ik weet dat ik alle veranderingen in mijn omstandigheden meteen moet doorgeven aan de gemeentelijke Sociale Dienst (artikel 17 Wwb).

9. Een geschrift, zijnde een aanvraagformulier bijstandsuitkering Wwb, ondertekend door [verdachte] op 9 december 2010. Op de vraag (nummer 6) heeft u een of meer banen, een zelfstandig bedrijf of freelance werk gehad is ingevuld als antwoord: nee. Op vraag 7: hoeveel uur per week stelt u zich beschikbaar om betaalde arbeid te verrichten is ingevuld: 40 uur. Op vraag 12: zijn er naast de gegevens die u al heeft ingevuld feiten of omstandigheden die van invloed kunnen zijn op uw uitkering ingevuld: ja: ivm onderhoud van mijn zoon [betrokkene 2] [geboortedatum]-94, plusminus 130 euro p/m.

10. Een proces-verbaal van verhoor verdachte (pagina 26 t/m 28) van een dossier van de Sociale Recherche Fryslan, met het nummer 89433), in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 31 oktober 2012 door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik heb een bijstandsuitkering aangevraagd bij de gemeente Ooststellingwerf. Ik kreeg daarna ook een uitkering. U toont mij formulieren van de sociale dienst. Ik herken daarop mijn handtekening. V: Uit onderzoek van de politie is gebleken dat u een boerderij hebt gehuurd op het adres [a-straat 1] te Dwingeloo. A: Ik heb de sociale dienst daarover bewust niet geïnformeerd. Ik betaalde elke maand de huur contant.”

5. Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“(…)

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad in de woning te Dwingeloo.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een huurovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot deze woning en maandelijks de huur betaalde door deze naar het kantoor van de makelaar te brengen. Uit de rapportage van rapporteur [verbalisant], bestaande uit een kennelijk zakelijke weergave van een gesprek in verband met het vermoeden dat verdachte zich schuldig maakt aan uitkeringsfraude, blijkt het volgende. Wanneer aan verdachte (die aanvankelijk ontkend heeft bij de wietkwekerij betrokken te zijn geweest) wordt voorgehouden dat hij het pand waarin de kwekerij is aangetroffen op naam heeft gehad en de rapporteur aangeeft dat verdachte “er dan dus bij betrokken is geweest” geeft verdachte de rapporteur gelijk. Het hof hecht aan dit schriftelijke stuk veel waarde, ondanks dat de processen-verbaal van verhoor een dergelijke bekentenis niet bevatten. Uit het door de raadsman ter zitting van het hof overgelegde logboek van de verhuurder blijkt dat verdachte ook daadwerkelijk toegang had tot die woning en daar na ondertekening van het huurcontract ook nog aanwezig is geweest. Verdachte had, als huurder, de hennep in de door hem gehuurde woning derhalve in zijn macht en hij had een einde aan de kwekerij kunnen maken.

(…)

Gelet op de bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep, kan tevens bewezen worden dat verdachte opzettelijk niet aan de sociale dienst heeft doorgegeven dat hij werkzaamheden heeft verricht in verband hiermee, zoals is ten laste gelegd onder 3.”

6. Het eerste middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 19-910712-12 onder 1 primair tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen heeft omkleed, nu uit de bewijsvoering niet (zonder meer) kan volgen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van hennep in de woning.

7. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat voor het begrip “aanwezig hebben” niet noodzakelijk is dat de verdovende middelen de verdachte toebehoren, noch dat hij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen heeft.1 Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de dader bevinden.2 Deze machtssfeer veronderstelt wetenschap van de aanwezigheid van de hennepplanten aan de kant van de verdachte.

8. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte met ingang van 19 februari 2011 de huurder was van de woning waarin de hennepplanten zijn aangetroffen (bewijsmiddelen 1 tot en met 7), dat bij oplevering van het pand op 19 februari 2011 de sleutels aan verdachte zijn overhandigd (bewijsmiddel 5), dat verdachte op 20 oktober 2011 met een medewerker van de makelaardij door het pand is geweest (bewijsmiddel 6) en dat verdachte heeft verklaard dat hij niets aan de hennepteelt heeft verdiend en dat “de mensen” hebben gesteld dat hij er niets voor zou krijgen, omdat dat al in de gevangenis verrekend zou zijn (bewijsmiddel 7).

9. Gelet op het voorgaande heeft het Hof mijns inziens niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de hennepplanten en dat verdachte – ook als de hennepkwekerij door anderen werd gedreven en ook als juist zou zijn dat verdachte de woning zelden of nimmer betrad – een zodanige macht kon uitoefenen over de aangetroffen hennepplanten dat hij, verdachte, geacht kon worden die hennepplanten in de door hem gehuurde woning aanwezig te hebben. Immers, uit bewijsmiddel 7 kan worden afgeleid dat “de mensen” het voornemen een hennepkwekerij te beginnen reeds eerder aan verdachte hebben voorgehouden en dat verdachte daar aldus van op de hoogte was en uit de bewijsmiddelen 5 en 6 kan worden afgeleid dat verdachte daadwerkelijk toegang had tot de woning. Aldus is de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 19-910712-12 onder 1 primair tenlastegelegde feit voldoende met redenen omkleed.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 18-920149-13 tenlastegelegde feit, voor zover inhoudende dat verdachte “werkzaamheden heeft verricht in verband met hennepteelt”, onvoldoende met redenen heeft omkleed.

12. Ten laste van verdachte is in de zaak met parketnummer 19-910712-12 onder 1 primair bewezen verklaard dat hij opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad. Van het telen/ bereiden/ bewerken/ verwerken daarvan is verdachte vrijgesproken. De vraag is of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid op welke werkzaamheden wordt gedoeld. Ik meen dat zulks nog net het geval is. Uitgangspunt is dat verdachte een pand huurt (bewijsmiddel 1) en, zoals bij de bespreking van het eerste middel naar voren kwam, weet dat zich daarin een hennepkwekerij bevindt. Daarin ligt kennelijk volgens het Hof besloten dat hij (op enig moment in de bewezenverklaarde periode) een woning huurt en ter beschikking stelt ten behoeve van de exploitatie van een hennepkwekerij. Het huren van een woning ten behoeve van bedrijfsmatig gebruik door derden kan onder omstandigheden worden aangemerkt als het verrichten van werkzaamheden. In de onderhavige zaak geldt dat verdachte enerzijds moet zorgen dat de huurpenningen elke maand contant aan de makelaar worden voldaan (bewijsmiddelen 4 en 10) en anderzijds moet hij zorgen dat het pand ook daadwerkelijk aan die anderen voor gebruik ter beschikking staat. Verdachte begeeft zich met zijn huur van de woning en ter beschikking stellen van die woning voor gebruik door derden in het economisch verkeer en hetgeen hij doet kan worden aangemerkt als werkzaamheden. De omvang van de werkzaamheden in een dergelijke situatie kan uiteenlopen, maar dat is niet bepalend en evenmin is bepalend of verdachte enig inkomen verwerft door zijn werkzaamheden die verband houden met hennepteelt.

13. Het middel faalt.

14. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie bijvoorbeeld HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903, NJ 1985/822 m.nt. Th.W. van Veen.

2 Zie bijvoorbeeld HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312, NJ 1987/359.