Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1775

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
14/04520
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2982, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolging door het OM van verdachte ondanks toezending “kennisgeving sepot”. Vertrouwensbeginsel. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte aan de inhoud van de door de OvJ aan verdachte verstuurde "kennisgeving sepot" in dit geval niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij ter zake van "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" niet verder zou worden vervolgd. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen de ernst van de zaak alsmede de omstandigheid dat de verdachte kort na ontvangst van genoemde kennisgeving in het kader van de onderhavige strafzaak uitgebreid heeft gesproken met een psychiater, een psycholoog en de reclassering over de strafzaak en over de strafrechtelijke afdoening daarvan. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2015/209 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04520

Mr. Harteveld

Zitting 30 juni 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij arrest van 26 augustus 2014 wegens 1.“bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 2. “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,- toegewezen en aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd.

2. Namens de verdachte heeft mr. D. Greven, advocaat te Enschede, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van verdachte.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt mede dat de politierechter het openbaar ministerie in eerste aanleg niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel en dat het openbaar ministerie hiertegen in hoger beroep is gegaan. De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het hoger beroep toe te lichten en voert daartoe – zakelijk weergegeven – als volgt het woord:

Het openbaar ministerie heeft op 25 september 2012 een brief met een kennisgeving van niet verdere vervolging doen uitgaan aan verdachte. Deze kennisgeving betreft een administratieve fout. De zaak was ingevoerd in twee administratieve computersystemen en moest administratief uitgeboekt worden uit het GSP-systeem omdat verdachte vervolgd werd en de zaak dan in het computersysteem Compas ingeschreven moet worden. Om die reden is de zaak in GSP administratief geseponeerd. Deze sepotbeslissing had niet verzonden moeten worden aan verdachte en het openbaar ministerie is daarvoor excuses verschuldigd. Het gaat hier om een evidente misslag, nu het een volstrekt bewijsbare zaak betreft. Bovendien betreft het geweld tegen een hulpverleenster in de psychiatrie, terwijl geweld binnen de GGZ nu juist een grote prioriteit geniet bij het openbaar ministerie.

Deze administratieve fout is ook heel erg zuur in de richting van de benadeelde, want zij heeft geen kennisgeving van niet verdere vervolging gekregen zodat zij ook geen procedure ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering kon instellen.

Ik verzoek het hof, met de argumenten die ik zojuist genoemd heb en die in de appelmemorie staan genoemd het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren en de zaak af te doen.

De raadsvrouw voert het woord overeenkomstig de overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota. De raadsvrouw voert aanvullend daarop nog – zakelijk weergegeven – als volgt het woord:

Ik heb net aan cliënte gevraagd wat zij dacht toen ze de brief met de sepotbeslissing ontving. Ze zei dat ze opgelucht was dat daarmee de zaak af was. Ze heeft de brief destijds ook besproken met mr. Oude Breuil. Toen zij alsnog een dagvaarding ontving schrok ze.

Verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – het volgende:

Ik heb de sepotbeslissing ontvangen. Ik denk dat ik de dag na ontvangst van de sepotbeslissing bij mr. Oude Breuil ben geweest om te vragen wat de brief betekende. Hij vertelde me dat de zaak hiermee afgedaan was. Het klopt dat ik daarna nog met de reclassering, een psycholoog en een psychiater ben gaan praten. Ik heb dat gedaan omdat het moest. Ik moest daarheen, dus dat deed ik. We hebben toen gesproken over wat er gebeurd is en ik heb daar onderzoeken gehad. Ik heb toen geen contact meer gehad met mijn advocaat.

Op de dag dat de dagvaarding kwam lag ik in het ziekenhuis en werd ik gebeld dat ik naar de zitting moest komen. Ik snapte niet waarom dat moest want de zaak was geseponeerd. Ze zeiden dat ik toch moest komen en ik ben ook op de zitting geweest.

De advocaat-generaal voert –zakelijk weergegeven – als volgt het woord:

Ik wil graag nog het belang van het slachtoffer benadrukken. Het slachtoffer heeft door de gang van zaken niet de mogelijkheid gehad een procedure ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering te entameren. Dit is heel erg zuur en moet meewegen op de weegschaal met aan de andere kant het vertrouwensbeginsel.

Bovendien is het de vraag of verdachte ook echt het vertrouwen heeft gehad dat de strafzaak was afgedaan. Zij is immers ook naar de reclassering, de psycholoog en de psychiater gegaan en heeft zich door hen in het kader van deze strafzaak laten onderzoeken.

De raadsvrouw voert – zakelijk weergegeven – als volgt het woord:

Cliënte heeft echt het vertrouwen gehad dat de zaak klaar was. Zij heeft een brief ontvangen van het openbaar ministerie, zij begreep deze niet en heeft daar toen contact over opgenomen met haar advocaat.

Cliënte is inderdaad naar de gesprekken met de psychiater en psycholoog geweest, maar zij is psychiatrisch patiënte, zij wist niet dat deze gesprekken plaatsvonden in het kader van de strafzaak. Ze wist dat er iets heel erg mis was gegaan, maar voor haar was niet duidelijk dat de psycholoog en psychiater iets met de strafzaak te maken hadden. Daarom begreep zij ook niet dat ze een oproeping kreeg voor de zitting.

Na schorsing voor beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede:

Het hof is gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad van oordeel dat een justitiabele na ontvangst van een sepotbeslissing in een zaak als de onderhavige er niet per definitie op mag vertrouwen dat het niet meer tot een vervolging zal komen, nu sprake zou kunnen zijn van een administratieve fout. Niet alleen is daarbij van belang de ernst van de zaak maar tevens dat verdachte tijdens de kort na ontvangst van die beslissing in het kader van deze strafzaak gevoerde gesprekken met een psychiater, een psycholoog en de reclassering uitgebreid gesproken heeft over de strafzaak en de adviezen van deze deskundigen ten aanzien van de strafrechtelijke afdoening van deze zaak. Het had ook daarom op de weg van verdachte gelegen bij het openbaar ministerie navraag te doen. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte aan deze sepotbeslissing geen rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat zij niet verder vervolgd zou worden en verklaart het openbaar ministerie daarom ontvankelijk in de strafvervolging.”

3.3. De ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Vandaag staan wij voor de vraag of het Openbaar Ministerie terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het antwoord hierop kan niet anders dan 'ja' luiden. U kent de vaste rechtspraak van de Hoge Raad; er is plaats voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie als het Openbaar Ministerie tot vervolging overgaat, terwijl bij de verdachte op grond van door het Openbaar Ministerie gedane – of aan deze toe te rekenen - toezeggingen, de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij of zij niet zal worden vervolgd. Een dergelijke gerechtvaardigde verwachting staat slechts dan niet aan vervolging in de weg, indien nieuwe feiten of omstandigheden aan het licht komen die een herroeping van de sepotbeslissing rechtvaardigen. Ik voeg daar nog aan toe dat vervolging ook plaats kan vinden als het Gerechtshof na een artikel 12-procedure besluit dat het Openbaar Ministerie alsnog tot vervolging over moet gaan.

Vastgesteld kan worden dat van de door de Hoge Raad genoemde uitzondering op de hoofdregel geen sprake kan zijn. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden, laat staan van feiten of omstandigheden die een herroeping van de sepotbeslissing rechtvaardigen. Er heeft ook geen artikel 12-procedure plaatsgevonden, dus van deze uitzondering is eveneens geen sprake.

Dan blijft over de hoofdregel en aldus de vraag of bij cliënte door gedane toezeggingen de

gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat zij niet zal worden vervolgd. De sepotbeslissing is helder; de officier van justitie heeft besloten cliënte niet verder te vervolgen. Dat de sepotbeslissing op een misslag berustte, zoals de officier van justitie in het schriftuur heeft uitgelegd, zal zo zijn, maar dat doet niets af aan de verwachtingen die door deze beslissing bij cliënte zijn gewekt. Zij heeft alleen de sepotbeslissing ontvangen en niet de achterliggende gedachte daarvan. Cliënte ging er, na ontvangst van deze beslissing, van uit dat zij niet vervolgd zou worden. Deze sepotbeslissing kwam voor haar ook niet als een verrassing. Uit het dossier blijkt overduidelijk dat cliënte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het incident, zij wist niet wat zij deed, zij handelde in een psychose. Ze hoorde stemmen in haar hoofd dat ze [slachtoffer] en haarzelf moest doden. Dat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging wenste over te gaan, leek cliënte en haar raadsman dan ook niet meer dan logisch.

De sepotbeslissing kan zeker niet als een voor cliënte evidente misslag worden bestempeld. Voor cliënte was de sepotbeslissing een evident juiste beslissing.

Het Openbaar Ministerie heeft in het schriftuur ook aangevoerd dat het belang van het slachtoffer eveneens moet worden meegewogen. Natuurlijk, bij het nemen van een vervolgingsbeslissing moet dit belang worden meegenomen. Het gaat hier echter niet om de vraag of cliënte vervolgd had moeten worden. Het gaat om de vraag of cliënte naar aanleiding van de sepotbeslissing de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat zij niet vervolgd zou worden. Ik vind in de jurisprudentie niet terug dat het belang van het slachtoffer een belang is waar in het kader van een beroep op het vertrouwensbeginsel rekening mee moet worden gehouden. De belangen van het slachtoffer, hoe zwaar die belangen ook wegen, doen niet ter zake als getoetst moet worden of cliënte de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat zij niet vervolgd zou worden. Ook de vraag of het slachtoffer de mogelijkheid heeft gehad om tegen de sepotbeslissing te ageren, doet niet ter zake. Het gaat om de verwachtingen die bij cliënte zijn gewekt en of die verwachtingen gerechtvaardigd zijn. Met een overduidelijke sepotbeslissing die geen ruimte voor twijfel over laat, moet geconcludeerd worden dat de verwachting van cliënte dat zij niet vervolgd zou worden, gerechtvaardigd was.

Gelet op het voorgaande, kan ik niet anders dan concluderen dat de uitspraak van de politierechter op juiste gronden is genomen en dat het Openbaar Ministerie terecht niet-ontvankelijk is verklaard.”

3.4. Het Hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het volgende overwogen:

“De politierechter heeft het openbaar ministerie in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel. Het openbaar ministerie is hiertegen in hoger beroep gegaan.

Het openbaar ministerie heeft op 25 september 2012 een brief met een kennisgeving van niet verdere vervolging doen uitgaan aan verdachte. Verdachte heeft deze brief ontvangen en is er – zo verklaart zij – vanaf dat moment van uitgegaan dat zij niet meer vervolgd zou worden. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte er op mocht vertrouwen dat zij niet meer vervolgd zou worden.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat deze kennisgeving van niet verdere vervolging een administratieve misslag betreft en dat het, gelet op de ernst van de zaak en het voorhanden zijnde bewijs evident is dat het om een misslag ging, zodat verdachte er niet op mocht vertrouwen dat zij niet verder vervolgd zou worden en het openbaar ministerie ontvankelijk is.

Het hof is gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad van oordeel dat een justitiabele na ontvangst van een sepotbeslissing in een zaak als de onderhavige er niet per definitie op mag vertrouwen dat het niet meer tot een vervolging zal komen, nu sprake zou kunnen zijn van een administratieve fout. Niet alleen is daarbij van belang de ernst van de zaak maar tevens dat verdachte tijdens de kort na ontvangst van die beslissing in het kader van deze strafzaak gevoerde gesprekken met een psychiater, een psycholoog en de reclassering uitgebreid gesproken heeft over de strafzaak en de adviezen van deze deskundige ten aanzien van de strafrechtelijke afdoening van deze zaak. Het had ook daarom op de weg van verdachte gelegen bij het openbaar ministerie navraag te doen. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte aan deze sepotbeslissing geen rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat zij niet verder vervolgd zou worden en verklaart het openbaar ministerie daarom ontvankelijk in de strafvervolging.”

3.3. De stukken van het geding houden onder meer het volgende in:

a. een aan verdachte gerichte dagvaarding om op 12 november 2012 te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo ter zake van parketnummer 08-185922-12 betreffende bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, gepleegd op 4 september 2012;

b. een op 21 september 2012 door mr. R. Oude Breuil aan de Rechtbank te Almelo verstuurde “stelbrief nieuwe strafzaak”, inhoudende dat mr. Oude Breuil zich in de strafzaak “waarin op 12 november 2012 de zitting bij de politierechter zal plaatsvinden”, stelt als de raadsman van verdachte;

c. een fax van mr. R. Oude Breuil van 21 september 2012 gericht aan het openbaar ministerie te Almelo, inhoudende een verzoek om de reclassering opdracht te geven een rapportage op te stellen van verdachte;

d. een beslissing van de rechter-commissaris van 21 september 2012 waarbij een door het openbaar ministerie gedane vordering tot inbewaringstelling van verdachte is afgewezen;

e. een op 24 september 2012 door de officier van justitie aan verdachte verstuurde “intrekking dagvaarding / (verkorte) oproeping”, inhoudende dat de dagvaarding in de zaak met parketnummer 08-185922-12 om te verschijnen bij de Politierechter in de Rechtbank Almelo op 12 november 2012 is ingetrokken;

f. een op 25 september 2012 door de officier van justitie aan verdachte verstuurde “kennisgeving sepot”, inhoudende:

“Geachte [verdachte] ,

Op mijn kantoor is een proces-verbaal binnengekomen, waarin u als verdachte bent aangemerkt.

Inmiddels heb ik besloten u daarvoor niet verder te vervolgen.

De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel:

de officier van justitie geen vervolgingsrecht (meer) heeft

Een eventueel eerder verstrekte dagvaarding / (verkorte) oproeping voor een terechtzitting komt hiermee te vervallen.

De zaak is hiermee afgedaan, tenzij

a. ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien;

b. het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld door een feit waarvan u nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te vervolgen.

De officier van justitie

Deze zaak met parketnummer 08-185922-12 betreft een proces-verbaal van Politie Twente, Rech. Team Cluster West ter zake van:

08-185922-12/18628274-BV0107

bedreiging met mes gepleegd 04 september 2012 te Almelo, gemeente Almelo”

g. een op 12 oktober 2012 door mr. R. Oude Breuil aan de Rechtbank te Almelo verstuurde “stelbrief na voorgeleiding”, inhoudende:

“In de strafzaak met bovenvermeld parketnummer tegen [verdachte] , geboortedatum [geboortedatum] 1965, stel ik mij, nu cliënte onlangs is voorgeleid bij de rechter-commissaris en de rechter-commissaris vervolgens de vordering tot inbewaringstelling heeft afgewezen.

In verband hiermee verzoek ik u vriendelijk om vanaf heden stukken in deze strafzaak aan mij toe te zenden alsmede om te zijner tijd een afschrift van de dagvaarding aan mij toe te sturen.”

h. een de verdachte betreffend “trajectconsult verdachte” van 19 oktober 2012 opgemaakt door een psychiater van het NIFP Oost op verzoek van de officier van justitie;

i. een de verdachte betreffend pro justitia rapport van 16 december 2012 opgemaakt door psychiater G.J.A.M. Bakkeren; uit het rapport blijkt dat de gesprekken met verdachte hebben plaatsgevonden op 20 en 27 november 2012;

j. een de verdachte betreffend “reclasseringsadvies ten behoeve van rechtszitting” opgemaakt op 17 december 2012; uit het rapport blijkt dat het gesprek met verdachte heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2012;

k. een de verdachte betreffende pro justitia rapport van 21 december 2012 opgemaakt door de GZ-psycholoog M. van Tongeren; uit het rapport blijkt dat de gesprekken met verdachte hebben plaatsgevonden op 7 en 13 november en 5 december 2012;

l. een aan verdachte gerichte dagvaarding om op 8 februari 2013 te verschijnen bij de Politierechter in de Rechtbank te Almelo ter zake van parketnummer 08-710534-12 betreffende 1. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 2. “iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en/of beroofd houden”.

3.5. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat die vervolging in strijd is met beginselen van een goede procesorde is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Daarbij valt te denken aan die gevallen waarin door het optreden van het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, alsmede aan het geval dat bij de verdachte op grond van door het openbaar ministerie gedane, of aan deze toe te rekenen, toezeggingen de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij niet zal worden vervolgd.1 Het handelen of nalaten van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan raakt in het algemeen niet het recht van het openbaar ministerie om tot strafvervolging over te gaan.2

3.6. Dat in de onderhavige zaak de sepotmededeling is gedaan door een voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan staat in cassatie niet ter discussie. De kennisgeving is immers verstuurd door de officier van justitie.3 De vraag die hier centraal staat, is of verdachte aan deze kennisgeving het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat zij niet zou worden vervolgd.

3.7. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte aan de bewuste kennisgeving niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij niet verder zou worden vervolgd. Het Hof heeft bij zijn oordeel in aanmerking genomen (i) de ernst van de zaak en (ii) de omstandigheid dat verdachte kort na de ontvangst van die beslissing in het kader van deze strafzaak gevoerde gesprekken met een psychiater, een psycholoog en de reclassering uitgebreid gesproken heeft over de strafzaak en de adviezen van deze deskundigen ten aanzien van de strafrechtelijke afdoening van deze zaak. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.8. Uit de stukken van het geding blijkt dat verdachte een hulpverleenster met een mes en verbaal met de dood heeft bedreigd en heeft verhindert dat zij de woning van verdachte zou verlaten. De onder 3.4.a. genoemde dagvaarding houdt in dat aan verdachte ten laste is gelegd “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”.4 Dat de zaak een ernstig feit betreft, is evident. Gelet daarop had verdachte, die bovendien werd bijgestaan door een raadsman, er niet zonder meer op mogen vertrouwen dat de kennisgeving niet berustte op een administratieve fout.5 Voor de in de brief genoemde reden om af te zien van (verdere) vervolging, te weten dat “de officier van justitie geen vervolgingsrecht (meer) heeft” is in het verloop van de strafzaak ook geen enkel aanknopingspunt aanwezig, wat het vermoeden dat sprake is van een administratieve vergissing nog kon versterken.

Daarbij komt nog dat, gelijk het Hof heeft overwogen, verdachte, naar uit de zich bij de stukken bevindende rapporten blijkt, zeven keer heeft gesproken met een psycholoog, een psychiater dan wel de reclassering en dat tijdens deze gesprekken het tenlastegelegde feit en de adviezen van deze deskundigen ten aanzien van de afdoening van de zaak zijn besproken. Ook gelet op (de inhoud van) deze gesprekken had verdachte er niet zo maar op mogen vertrouwen dat de strafzaak was beëindigd.

3.9. In het kader van het voorgaande verdient ook nog opmerking dat het, gelet op de stelbrief die de toenmalige raadsman van verdachte op 12 oktober 2012 aan de Rechtbank verstuurde en waarin tevens werd verzocht om hem te zijner tijd een afschrift van de dagvaarding te doen toekomen, voor de raadsman op enig moment tussen de kennisgeving van 25 september 2012 en de stelbrief van 12 oktober 2012 kenbaar moet zijn geworden dat verdachte voor de feiten wel degelijk zou worden vervolgd. Dat de raadsman op 12 oktober 2012 nog niet op de hoogte was van de op 25 september 2012 verstuurde kennisgeving acht ik niet waarschijnlijk. Tussen beide data zijn ruim twee weken gelegen en verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij de dag na ontvangst van de sepotbeslissing bij haar raadsman is geweest om de kennisgeving te bespreken.

3.10. Het middel faalt derhalve.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 1 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0678, NJ 1998/287.

2 HR 22 maart 1988, ECLI:HR:1988:AD0236, NJ 1989/161.

3 Weliswaar is de brief die zich in het dossier bevindt niet ondertekend door de officier van justitie, maar op het punt van de authenticiteit van het schrijven is geen reden voor twijfel, gelet ook op de uitlatingen van de advocaat-generaal bij het Hof.

4 Op enig moment is de tenlastelegging uitgebreid met “iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en/of beroofd houden”. De verdenking is kennelijk reeds op/voor 12 september 2012 uitgebreid. Dat kan worden afgeleid uit de vordering tot inbewaringstelling van 12 september 2012. Niet blijkt dat voor het uitgaan van de “kennisgeving sepot” de dagvaarding ook in die zin is aangepast. Uit de stukken blijkt dat dit eerst op de dagvaarding voor de zitting van 8 februari 2013 is geschied. Die dagvaarding vermeldt tevens een ander parketnummer dan het parketnummer genoemd in de eerdere dagvaarding, de “kennisgeving sepot” en de “intrekking dagvaarding”.

5 HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6661, NJ 2012/520.