Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1774

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
14/04494
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2917, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04494

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 29 juli 2014 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 16 januari 2014, waarbij verdachte ter zake van “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte heeft mr. H.C. Meijer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat in hoger beroep het voorschrift van art. 51 Sv niet is nageleefd. Daartoe is aangevoerd dat het Hof, vaststellende dat verdachte niet is verschenen, de zaak ter terechtzitting van 29 juli 2014 heeft behandeld en afgedaan, terwijl de raadsman van de verdachte geen afschrift van de appeldagvaarding heeft ontvangen voor de terechtzitting in hoger beroep van 29 juli 2014 en niet kan blijken dat het Hof verder onderzoek heeft ingesteld naar de reden voor de afwezigheid van de raadsman ter terechtzitting alsmede of aan het gestelde in art. 51 Sv was voldaan, op grond waarvan het onderzoek ter terechtzitting nietig is.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 29 juli 2014 houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“(…)

De verdachte (…) is niet verschenen.

De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend en de verdachte niet is gedetineerd.

Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De advocaat-generaal vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

(…)

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

(…)”

5. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding houden niets in waaruit kan volgen dat voor de behandeling van de zaak van de verdachte een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan een voor de verdachte optredende raadsman is verzonden. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dat niet is geschied.

6. Ter ondersteuning van de stelling dat in hoger beroep het genoemde voorschrift niet is nageleefd, vermeldt de toelichting op het middel – geadstrueerd door aan de cassatieschriftuur gehechte kopieën van de onder (ii) te noemen brief (productie 1) en het onder (iii) te noemen begeleidend schrijven (productie 2) – dat de raadsman van de verdachte, mr. R.T.P.H. Jacobs:

(i) op 22 januari 2014 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 16 januari 2014;

(ii) bij brief van 28 januari 2014 aan de strafgriffie van het Gerechtshof Amsterdam zich in hoger beroep als raadsman heeft gesteld en het Hof heeft verzocht hem van de verwikkelingen in deze zaak op de hoogte te houden;

(iii) medio maart / april 2014 telefonisch contact met de Rechtbank Amsterdam heeft opgenomen, waarbij hij de Rechtbank heeft geïnformeerd dat hij verdachte in hoger beroep als raadsman zal bijstaan en om die reden heeft verzocht om toezending van een afschrift van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, en dat hij naar aanleiding van dit telefonisch verzoek op 9 april 2014 de verzochte stukken met een begeleidend schrijven heeft ontvangen.

7. Anders dan in de zaken die hebben geleid tot HR 23 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1188, NJ 1998/772 m.nt. J. de Hullu, HR 21 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZE0253 (niet gepubliceerd) en HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2231 (niet gepubliceerd), is bij de cassatieschriftuur niet overgelegd een schrijven van de griffier van het Hof waarin de ontvangst is bevestigd van voormelde onder (ii) genoemde brief.

8. De als bijlagen aan de cassatieschriftuur gehechte brief, genoemd onder 6 (ii), en het begeleidend schrijven, genoemd 6 (iii), bevinden zich niet bij de ingevolge art. 434, eerste lid, Sv door de griffie van het Hof aan de griffier van de Hoge Raad gezonden stukken van het geding.

9. Nu een ontvangstbevestiging als hiervoor bedoeld niet is overgelegd en ook anderszins aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, moet het er voor worden gehouden dat de in cassatie overgelegde brief zoals genoemd onder 6 (ii) niet aanwezig was in het dossier dat het Hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in hoger beroep, terwijl onvoldoende grond bestaat voor het ernstige vermoeden dat voormelde brief ter griffie van het Hof is ontvangen en vervolgens in het ongerede is geraakt.1 Voor zover het middel ervan uitgaat dat de raadsman zich door middel van de onder 6 (ii) genoemde brief als raadsman in hoger beroep heeft gesteld, kan het dus niet slagen.

10. Dat art. 51 Sv in hoger beroep is geschonden, wordt in de toelichting op het middel, zoals weergegeven onder 6 (iii), voorts geadstrueerd met een beroep op het, zich eveneens niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindende en naar aanleiding van een, aldus de steller van het middel, telefonisch onderhoud met de Rechtbank aan de raadsman toegezonden, begeleidend schrijven van de Rechtbank Amsterdam van 9 april 2014 met als kenmerk het parketnummer van onderhavige zaak in eerste aanleg, waarin het vakje “om te behouden” is aangekruist en als onderwerp “appel” is genoemd. Indien reeds zou moeten worden aangenomen dat dit begeleidend schrijven aanwezig was in het dossier dat het Hof ter beschikking stond, vormt dit schrijven, dat niet veel meer inhoudt dan het woord “appel”, onvoldoende grond om aan te nemen dat mr. R.T.P.H. Jacobs als raadsman van de verdachte fungeerde, zodat dit begeleidend schrijven, ware het aanwezig geweest in het dossier dat het Hof ter beschikking stond, het Hof niet noopte tot een onderzoek naar de naleving van art. 51 Sv. Daarbij merk ik op dat de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding noch de als bijlagen aan de cassatieschriftuur gehechte stukken gewag maken van (de inhoud van) het onder 6 (iii) genoemde telefonisch onderhoud.

11. Voor zover voorts nog wordt gewezen op de omstandigheid, zoals genoemd onder 6 (i), dat de raadsman van verdachte hoger beroep heeft ingesteld, treft het middel ook geen doel. Uit de enkele omstandigheid dat namens een verdachte door een advocaat een rechtsmiddel is ingesteld kan immers niet worden afgeleid dat die advocaat de verdachte ook bij de daaropvolgende behandeling als raadsman zal bijstaan, waardoor er voor het Hof geen aanleiding bestond te onderzoeken of de in de appelakte genoemde advocaat op de hoogte was van het tijdstip van de behandeling van de zaak ter terechtzitting van het Hof, dan wel de zaak aan te houden.2

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. HR 20 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4400 en HR 25 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1937, NJ 2003/541. Zie ook: HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:OA8811, HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9212 en HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1375.

2 HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161.