Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1772

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
14/04458
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3437, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie vd: 81.1 RO. Cassatie OM. Art. 1.2 Sr en 36f.1 Sr. Ovar en tbs met verpleging van overheidswege. Geen schadevergoedingsmaatregel. Verandering in de regels van sanctierecht. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2004: AO3233. HR: art. 36f.1 Sr houdt m.i.v. 1 januari 2014 in dat de in die bepaling bedoelde maatregel ook kan worden opgelegd indien de verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging en hem een maatregel of een last als bedoeld in art. 37 Sr wordt opgelegd. De wet bevat geen overgangsbepaling. De aanvulling van art. 36f. 1 Sr houdt een wijziging in van wetgeving t.a.v. de toepasselijke regels van het sanctierecht. In zo een geval dient de rechter op grond van art. 1.2 Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepalingen toe te passen. Het oordeel van het Hof dat ingevolge art. 1.2 Sr de voor de verdachte minder gunstige wijziging van art. 36f.1 Sr buiten toepassing dient te blijven, is juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/ 04458

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 19 augustus 2014, met aanvulling van gronden, bevestigd het vonnis d.d. 27 november 2013 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, waarbij het bewezenverklaarde strafbaar is verklaard als “poging tot moord” en de verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging op de grond dat het feit hem niet kan worden toegerekend. Voorts heeft de rechtbank gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Tevens heeft de rechtbank de teruggave gelast van een aantal onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, één en ander zoals nader in het vonnis omschreven. Ten slotte heeft de rechtbank de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 13.905,19 en de gemeente Almelo als benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens het openbaar ministerie heeft mr. H.H.J. Knol, advocaat- generaal bij het ressortsparket, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft mr. R. J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, het middel van de advocaat-generaal schriftelijk tegengesproken.

3. Namens de verdachte is cassatie ingesteld en heeft mr. R. J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

Beoordeling van het door de advocaat-generaal bij het ressortsparket voorgestelde middel

4. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van verandering van wetgeving in het sanctierecht blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

5. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende gang van zaken. De verdachte is vervolgd wegens poging tot moord vanwege het meermalen met een hamer slaan op het hoofd van een medewerker van de gemeente Almelo. Dit delict vond plaats op 6 februari 2013. De rechtbank heeft dit delict bewezenverklaard, de verdachte ter zake ontslagen van alle rechtsvervolging, de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en de vordering van benadeelde partij, het slachtoffer, gedeeltelijk toegewezen.

6. Het vonnis d.d. 27 november 2013 houdt omtrent de vordering tot het opleggen van de maatregel van art. 36f Sr. het volgende in:

“9.2 De schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr op te leggen. De rechtbank zal de officier van justitie daarin niet volgen waartoe zij het volgende overweegt.

De schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd als de verdachte wegens het schadeveroorzakende feit wordt veroordeeld. Volgens de Hoge Raad laten de bewoordingen "wordt veroordeeld" in artikel 36f lid 1 Sr niet toe dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd in het geval de verdachte van alle rechtsvervolging is ontslagen, ongeacht of daarnaast de maatregel van TBS is opgelegd (HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3233 en HR 25 januari 2005 Nb Sr 2005/51).”

7. Art. 36f, eerste lid, Sr is met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd.1 Daardoor luidt die bepaling sindsdien voor zover relevant als volgt (wijziging gecursiveerd):

“1. Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel of een last als bedoeld in artikel 37 wordt opgelegd, of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering. (…)”

De wijzigingswet heeft niet voorzien in een voor art. 36f Sr relevante overgangsbepaling.

8. Het arrest van het hof van 19 augustus 2014 houdt, voor zover hier voor de beoordeling van het middel van belang, in:

De schadevergoedingsmaatregel

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dient te worden opgelegd nu oplegging van de schadevergoedingsmaatregel sinds 1 januari 2014 ook mogelijk is bij een dader die is ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft zich tegen de oplegging van die maatregel verzet nu oplegging daarvan in strijd is met het bepaalde in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij Wet van 26 juni 2013 tot aanpassing van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof in verband met de introductie van de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op het vermogen van de verdachte ten behoeve van het slachtoffer is artikel 36f, eerste lid, Sr gewijzigd in dier voege dat ook indien een maatregel aan verdachte wordt opgelegd, verdachte de verplichting kan worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Stb 2013, 278). Deze wet is op 1 januari 2014 in werking getreden (Stb. 2013, 336).

In voornoemde wet zijn geen bijzondere bepalingen van overgangsrecht opgenomen. De in die wet neergelegde wijziging van artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is een wijziging van materieel strafrechtelijke aard zodat die wijziging niet zonder meer dadelijk na inwerkingtreding van de wet worden toegepast.

Naar het oordeel van het hof betreft de wijziging een wijziging in het sanctierecht terwijl deze in werking is getreden na het tijdstip waarop het tenlastegelegde is begaan, te weten op 6 februari 2013. Nu geen sprake is van bijzonder overgangsrecht of van een voor de verdachte gunstigere bepaling dient, gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, het recht te worden toegepast zoals dat gold ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde.

Het hof zal daarom, conform de rechtbank, geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.”

9. Blijkens de toelichting roept het bestreden oordeel volgens de steller van het middel de volgende twee vragen op. Allereerst de vraag of de schadevergoedingsmaatregel onderworpen is aan het regime van art. 1, tweede lid, Sr en of daardoor sprake is van een wijziging van het sanctierecht. Ten tweede moet naar het inzicht van de steller van het middel ook worden beoordeeld of de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr kan worden aangemerkt als “penalty” in de zin van art. 7, eerste lid, EVRM.

10. Zoals gezegd voorziet de wijzigingswet niet in enige bepaling van overgangsrecht. De vraag rijst dus welk overgangsrechtelijk regime van toepassing is. Als hoofdregel wordt doorgaans aangenomen dat aan een nieuwe wettelijke regeling onmiddellijke werking toekomt: op het geval dat hem wordt voorgelegd past de rechter eenvoudigweg de vigerende wet toe. In dit regime is een wettelijke bepaling niet uitsluitend van toepassing op hetgeen na haar inwerkintreding is voorgevallen, maar tevens op hetgeen bij haar inwerkingtreding reeds existeert, zoals bestaande rechtsposities en rechtsverhoudingen.2

11. Een belangrijke uitzondering vloeit voort uit het legaliteitsbeginsel dat is geworteld in art. 16 Gw en art. 1, eerste lid, Sr. Overeenkomstig die gelijkluidende voorschriften worden de strafbaarheid van een gedraging (een “feit”) en de daarmee corresponderende strafbedreiging uitsluitend beoordeeld naar de wettelijke bepalingen zoals die golden ten tijde van dat feit. De maatstaf waaraan een gedraging op haar strafbaarheid wordt getoetst, moet dus op het moment van die gedraging reeds voldoende nauwkeurig in de wet zijn vastgelegd. Het individu is daardoor in staat zijn gedrag op een voor hem kenbare norm af te stemmen, en hij kan alleen onder die conditie strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld, aldus de ratio van deze regel.

12. Art. 1, eerste lid, Sr heeft overgangsrechtelijke implicaties. Anders dan waartoe de hierboven bedoelde hoofdregel noopt, tasten wijzigingen in (de omvang van) de strafbaarheid of (de soort en mate van) de strafbedreiging die na het begaan van het delict zijn ingetreden, de rechtspositie van de verdachte niet aan.

13. Het tweede lid van art. 1 Sr (het ‘lex mitior’-beginsel) strekt er niettemin toe de verdachte (onder voorwaarden) te laten profiteren van voor hem gunstige wijzigingen in de wettelijke strafbaarstelling en/of strafbedreiging die na het begaan van het strafbare feit in werking zijn getreden. Deze bepaling heeft geen betekenis voor de onderhavige zaak.3

14. Zo beschouwd komt de kernvraag die het middel oproept goed in beeld. Zij betreft het beschermingsbereik van art. 1, eerste lid, Sr.

15. Doordat voorschriften die nauw verwant zijn aan art. 1, eerste lid, Sr een verdragsrechtelijke en rechtstreeks werkende status hebben verworven in art. 7, eerste lid, EVRM en art. 15, eerste lid, IVBPR, dwingt art. 94 Gw ertoe dat het bepaalde in art. 1 Sr verenigbaar is met deze verdragsvoorschriften. Voor zover dat in concreto niet het geval is, zal art. 1 Sr geen toepassing kunnen vinden. Dit betekent in de eerste plaats dat art. 1 Sr wel méér, maar niet minder bescherming mag bieden dan waarvoor de artikelen 7 EVRM en 15 IVBPR instaan. Het ligt daardoor bovendien in de rede dat de Nederlandse rechter art. 1 Sr verdragsconform uitlegt, althans voor zover de bewoordingen van het artikel zulks toelaten.

16. Illustratief daarvoor is het arrest van 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, waarin de Hoge Raad zijn jurisprudentie wat betreft verandering in regels van het sanctierecht heeft “aangescherpt”, zulks als gevolg van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 september 2009 (Scoppola vs. Italië).4 Uit dit arrest van de Hoge Raad valt inderdaad op te maken dat de uitleg van art. 1 Sr (in dit geval: het tweede lid) mede plaatsvindt op geleide van de rechtspraak van het EHRM over art. 7 EVRM.

17. De vraag die thans meer concreet voorligt is of de wijziging van art. 36f, eerste lid, Sr wordt bestreken door art. 1, eerste lid, Sr. Met andere woorden, behoort de (gewijzigde) regeling van de schadevergoedingsmaatregel tot de materie waarop art. 1 Sr het oog heeft? Aangezien de meerbedoelde wetswijziging geen uitbreiding in de omvang van de strafbaarheid heeft teweeggebracht, spitst deze vraag zich toe op de deelvraag of met ingang van 1 januari 2014 de strafbedreiging van delicten is veranderd.

18. Die vraag is relevant, want het is vrij evident dat de toepassing van het gewijzigde art. 36f, eerste lid, Sr de verdachte materieel benadeelt. De wijziging in de randvoorwaarden voor de toepassing van art. 36f, eerste lid, Sr biedt - anders dan ten tijde van het delict - de mogelijkheid om ook in het geval waarin een verdachte wegens de ontoerekenbaarheid van het delict niet is veroordeeld, maar hem uitsluitend een (vrijheidsbenemende) maatregel c.q. last is opgelegd, tevens een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Deze wijziging heeft in de onderhavige zaak naast een toename van de verhaalsmogelijkheden tot gevolg dat nu ook op basis van art. 36f, achtste lid, Sr in verbinding met art. 24c Sr, sprake kan zijn van vervangende hechtenis wanneer de verdachte na oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in gebreke blijft, zonder dat tenuitvoerlegging van die hechtenis de schadevergoedingsverplichting opheft.

19. De crux van de hier besproken wetswijziging is derhalve op zichzelf niet gelegen in een verandering van de inningsmogelijkheden, maar in een verruiming van het toepassingsbereik van de schadevergoedingsmaatregel.5 Voor de situatie waarop die wet het oog heeft (geen schuldigverklaring, wél een (vrijheidsbenemende) maatregel c.q. last), is deze wetswijziging daardoor goed vergelijkbaar met de generieke introductie in 1993 van de schadevergoedingsmaatregel in het Wetboek van Strafrecht.6 Daarop kom ik terug.

20. Tot welke uitleg van art. 1, eerste lid, Sr dwingt art. 7, eerste lid, EVRM? Die verdragsbepaling luidt als volgt:

"No one shall be held guilty of any criminal offence on account of any act or omission which did not constitute a criminal offence under national or international law at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than the one that was applicable at the time the criminal offence was committed."

In het bijzonder de tweede volzin is thans van belang, aangezien die volzin betrekking heeft op wijzigingen in de strafbedreiging.

21. Het EHRM overwoog in zijn arrest van 9 februari 1995, NJ 1995/606 (Welch vs. Verenigd Koninkrijk)7 ten aanzien van de vraag wat moet worden verstaan onder "penalty" als bedoeld in art. 7, eerste lid, tweede volzin, EVRM:

"27. The concept of a "penalty" in this provision is, like the notions of "civil rights and obligations" and " criminal charge" in Article 6 § 1, an autonomous Convention concept (see, inter alia, - as regards "civil rights" - the X v. France judgment of 31 March 1992, Series A no. 234-C, p. 98, § 28 and - as regards " criminal charge" - the Demicoli v. Malta judgment of 27 August 1991, Series A no. 210, pp. 15, 16, § 31). To render the protection offered by Article 7 effective, the Court must remain free to go behind appearances and assess for itself whether a particular measure amounts in substance to a "penalty" within the meaning of this provision (see, mutatis mutandis, the Van Droogenbroeck v. Belgium judgment of 24 June 1982, Series A no. 50, p. 20, § 38, and the Duinhof and Duijf v. the Netherlands judgment of 22 May 1984, Series A no. 79, p. 15, § 34).

28. The wording of Article 7 § 1, second sentence, indicates that the starting point in any assessment of the existence of a penalty is whether the measure in question is imposed following conviction for a "criminal charge offence". Other factors that may be taken into account as relevant in this connection are the nature and purpose of the measure in question; its characterisation under national law; the procedures involved in the making and implementation of the measure; and its severity."

22. Het vertrekpunt bij het beoordelen van de vraag of een sanctie moet worden aangemerkt als een “penalty” in de autonome betekenis van art. 7, eerste lid, EVRM, is of de sanctie in kwestie wordt opgelegd in vervolg op de veroordeling wegens een strafbaar feit. Een veroordeling houdt in dat de verdachte schuldig is bevonden (“held guilty”), met andere woorden: de rechter oordeelt het feit bewezen en strafbaar, en hij acht de verdachte strafbaar.

23. Daarnaast bieden ook andere factoren een aanknopingspunt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een “penalty” als bedoeld in art. 7, eerste lid, tweede volzin, EVRM. Deze factoren zijn: (1) de kwalificatie van de maatregel naar nationaal recht, (2) de aard en het doel van de maatregel en (3) de toepasselijke procedure bij de oplegging en tenuitvoerlegging van de maatregel. Naar het oordeel van het EHRM moet het gewicht van de verschillende factoren en hun onderlinge verhouding casuïstisch worden ingevuld; het EHRM heeft geen allesbeslissende criteria geformuleerd.8 In zijn algemeenheid is doorslaggevend of een maatregel duidelijk punitief van aard en ingrijpend is.9

24. Ik loop deze factoren puntsgewijs langs. In de onderhavige zaak is de tenlastegelegde en bewezenverklaarde poging tot moord door zowel rechtbank als hof strafbaar bevonden, maar is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekenbaarheid. Daarmee vervalt in casu de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte en is hij dus niet schuldig bevonden.10

25. Bij de inwerkingtreding op 1 april 1993 van de Wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29, is de schadevergoedingsverplichting gerubriceerd als ‘maatregel’ en opgenomen in Titel IIA van het Wetboek van Strafrecht. Er is welbewust niet gekozen voor een ‘schadevergoedingsstraf’.11 De maatregel is gericht op herstel in de rechtmatige toestand, en niet op leedtoevoeging.12 Op het bij uitstek reparatoire karakter van deze maatregel wordt in de literatuur door Bleichrodt en Vegter gewezen.13 Waar dogmatisch het onderscheid tussen de geldboete als hoofdstraf en een andere (vermogens)maatregel, de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e Sr, in de praktijk steeds meer vervaagt,14 is dat onderscheid bij de schadevergoedingsmaatregel duidelijker in stand gebleven. Het betreft immers niet een zelfstandig op te leggen vermogensverplichting, maar een maatregel die accessoir is aan de (toegewezen) vordering van de benadeelde partij.

26. Ten slotte als laatste factor iets over de procedure bij de oplegging en tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel. De strafrechter kan de maatregel, binnen de grenzen van het materiële recht, naar eigen goeddunken opleggen.15 Dit kan op eigen initiatief, maar ook op verzoek van het slachtoffer of het openbaar ministerie. De hoogte van de maatregel wordt (vervolgens) bepaald door de rechter. Vanwege het reparatoire karakter van de maatregel heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter bij de bepaling van de hoogte van het schadebedrag geen rekening hoeft te houden met de draagkracht van de veroordeelde.16 Wel kan het gebrek aan draagkracht in “uitzonderlijke gevallen reden zijn om van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel af te zien”.17 Het openbaar ministerie is belast met de executie van de schadevergoedingsmaatregel.18 Aangezien de schadevergoedingsmaatregel enkel betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer inhoudt (en in die zin dus geen nieuwe vergoedingsplicht creëert) en de rechter naar goeddunken kan afzien van het opleggen ervan, hoeft de oplegging en tenuitvoerlegging in beginsel niet tot de situatie te leiden waarin de maatregel alsnog een punitief karakter krijgt.19 Indien die situatie zich dreigt voor te doen kan dat voor de rechter juist reden zijn om af te zien van het opleggen van de maatregel.

27. De steller van het middel verdedigt met deze en soortgelijke argumenten zijn standpunt dat art. 7, eerste lid, EVRM ruimte laat voor de onmiddellijke toepassing van de schadevergoedingsmaatregel op het voorliggende geval. Daarmee heeft hij m.i. een zeer verdedigbare positie ingenomen. Die conclusie dwingt echter niet tot de gevolgtrekking dat het bestreden oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het EVRM strekt namelijk niet tot de harmonisatie van het strafrecht in de lidstaten, maar tot het garanderen van een minimum aan rechtsbescherming.20 Het is dus zonder meer toelaatbaar wanneer de actieradius van art. 1, eerste lid, Sr verder reikt dan alleen tot het terrein van de ‘penalty’s’ in de betekenis van art. 7, eerste lid, tweede volzin, EVRM.

28. Nederlands recht. Waarop heeft art. 1, eerste lid, Sr in elk geval wel betrekking, en waarop niet? De in art. 1 Sr bedoelde “wettelijke strafbepaling” c.q. “wetgeving” ziet niet alleen op specifieke strafbaarstellingen en strafbedreigingen, maar tevens op alle meer algemene regels over de strafbaarheid en sanctieoplegging.21 Voor zover het wijzigingen betreft in regelingen die enkel zien op de executie van een straf oordeelde de Hoge Raad daarentegen dat deze niet als een wijziging van wetgeving in de strafbedreiging kunnen worden aangemerkt.22

29. Wat leert dat ons? Door plaatsing in titel IIA van het Wetboek van Strafrecht is de toepassing van art. 36f, eerste lid, Sr gerubriceerd als maatregel. Binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel heeft het zijn plaats gevonden naast - en dus niet onder - de hoofdstraffen en de bijkomende straffen als voorzien in art. 9 Sr. De strafrechtelijke schadevergoedings-maatregel, ofschoon niet strekkend tot vergelding van het delict, maar tot het afdwingen van de nakoming van een verplichting tot schadevergoeding die voortvloeit uit onrechtmatige daad, kan niettemin ingrijpend van karakter zijn. De oplegging ervan autoriseert het openbaar ministerie desnoods tot de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis. Dat pleit voor een ruimhartige aanwending van de bescherming die art. 1, eerste lid, Sr in huis heeft. Dit wordt niet anders indien, zoals hier, de wetswijziging uitsluitend betrekking heeft op de situatie waarin de schuldenaar niet is veroordeeld voor het delict (lees: de onrechtmatige daad), maar hem ter zake wel een (vrijheidsbenemende) maatregel is opgelegd.

30. Ik sluit mij dan ook aan bij mijn ambtgenoten Bleichrodt en Vegter die betogen dat het “in de lijn van de waarborgfunctie van het legaliteitsbeginsel is de nulla poena-regel meer in algemene zin van toepassing te achten op strafrechtelijke maatregelen, los van de vraag of deze zijn aan te merken als penalty in de zin van art. 7 EVRM”.23 Mevis had al eerder ervan blijk gegeven een dergelijke opvatting te zijn toegedaan.24

31. Het had overigens de voorkeur verdiend indien de wetgever ervoor had gekozen om aan de wetswijziging van 2014 uitdrukkelijk een gelijke overgangsbepaling te verbinden als aan de wet waarbij de schadevergoedingsmaatregel in 1993 werd geïntroduceerd, namelijk: de maatregel is niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan voor het tijdstip van inwerkingtreding.25

32. Het voorgaande brengt mee dat het oordeel van het hof dat de wijziging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr een wijziging van het sanctierecht betreft, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel faalt.

Beoordeling van de namens verdachte voorgestelde middelen

33. Het eerste middel valt uiteen in twee onderdelen en het klaagt blijkens de toelichting over de door het hof ter terechtzitting van 5 augustus 2014 gegeven beslissingen tot afwijzing van door de verdediging gedane verzoeken. Ten eerste klaagt het middel dat het hof het verzoek tot het horen van psycholoog R. Haveman en psychiater A. E. Grochowska onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Voorts klaagt het middel dat het hof het verzoek van de verdediging om psychiater C. van Gestel als deskundige te benoemen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

34. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2014 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota. De pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De deskundigen Haveman en Grochowska

De deskundigen van het PBC komen tot het advies van TBS met dwangverpleging.

Op blz. 75 van het PBC rapport wordt uitgelegd waarom deze maatregel en niet de maatregel van art. 37 Sr wordt geadviseerd. De maatregel van art. 37 Sr achten de deskundigen onvoldoende om recidivegevaar terug te dringen om de volgende redenen:

- [verdachte] heeft tijdens het huidige onderzoek geen openheid gegeven over zijn ziektegeschiedenis en het beloop van zijn behandeling bij GGZ;

- De problematiek van [verdachte] is complex en te verwachten is dat voor de langere tijd nodig zal zijn dan een jaar;

- Betrokkene heeft zich in het verleden aan de zorg onttrokken, waardoor het de vraag is of een GGZ-instelling een voldoende beveiligingsniveau kan bieden.

De voornoemde motivering leidt bij de verdediging tot de wens om de deskundigen onder meer op de volgende punten te ondervragen.

Ultimum remedium

Psychiater Heinsman-Carlier concludeerde bij rapport van 24 november 2010 in een eerdere zaak tot de oplegging van de maatregel van art. 37 Sr. welke maatregel volgens de verdediging (nog) niet ten uitvoer is gelegd. De verdediging meent dat bij de maatregel TBS met dwangverpleging sprake is van een ultimum remedium, waartoe slechts geadviseerd dient te worden indien geen ander 'lichter' alternatief voorhanden is.

Waarom menen de deskundigen anders dan psychiater Heinsman-Carlier in 2010 dat thans slechts de TBS met dwangverpleging volstaat als behandelings- en beveiligingsmodaliteit, zulks terwijl in een eerdere zaak een andere maatregel is geadviseerd, welke maatregel niet is ten uitvoer gelegd?

Zou het niet voor de hand liggen eerst de 'lichtere" maatregel een kans te geven?

Veiligheid

Uit de derde overweging op blz. 75 van het PBC-rapport zou kunnen worden afgeleid dat de deskundigen menen dat bij de oplegging van een maatregel ex art. 37 Sr de beveiliging van de maatschappij onvoldoende kan worden gewaarborgd.

Hoe komen de deskundigen tot deze mening?

Menen de deskundigen dat civiele verlenging in een gesloten setting een onveilige situatie oplevert? Zo ja, waarom?

Volgens de verdediging komen personen aan wie de strafrechtelijke maatregel van art. 37 Sr is opgelegd vaak terecht in een veilige gesloten setting van een FPK of een FPA of een psychiatrisch ziekenhuis, en geldt hetzelfde als civiel wordt verlengd krachtens art. 51 en art. 15-17 Wet BOPZ. Hoe verhoudt zich dit tot het door de deskundigen gestelde?

Volgens de verdediging wordt in de strafrechtelijke praktijk bij levensdelicten (soms zelfs bij voltooide levensdelicten) begaan door personen met een schizofrene stoornis met een hoog recidiverisico veelvuldig de maatregel ex art. 37 Sr opgelegd'. Daarbij wordt ook door strafrechters opgemerkt dat de opname na een jaar civiel kan worden gecontinueerd. Hoe verhoudt zich dit tot het door de deskundigen gestelde?

In hoeverre hebben de deskundigen in hun advisering rekening gehouden met het Wetsvoorstel forensische zorg., waarin de opname in een psychiatrisch ziekenhuis een prominentere positie lijkt te krijgen (zie ontwerptekst nieuwe art. 37 Sr), terwijl het veiligheidsaspect blijkens de Memorie van Toelichting nu juist een van de speerpunten is van deze nieuwe wet?

Behandeling langer dan een jaar

Volgens de verdediging wordt in de strafrechtelijke praktijk soms door rechters al rekening gehouden met het feit dat de behandeling langer dan een jaar zal duren en staat dit niet in de weg aan de oplegging van de maatregel ex art. 37 SP. Hoe verhoudt zich dit tot het door de deskundigen gestelde?

Medicatie en recidiverisico

Op blz. 74 van het rapport stellen de deskundigen dat de kans op herhaling van een soortgelijk delict zonder een adequate (medicamenteuze) behandeling en een stevig zorgnetwerk groot is. Hoe schatten de deskundigen de kans op herhaling in indien er wel sprake zou zijn van adequate medicamenteuze behandeling?

Passende setting

In afwijking van de mening van de deskundigen meent de verdediging dat de behandeling (die vooral gericht zal zijn op stabilisering door medicatie en netwerkversteviging) van de door de deskundigen gestelde problematiek beter “past" in een psychiatrisch ziekenhuis, nu van overige therapievormen bij de door de deskundigen gestelde problematiek doorgaans niet veel valt te verwachten. Wat is hierop de reactie van de deskundigen?

De deskundige Van Gestel

Bedoeling van de Wet deskundige in strafzaken die op 1 januari 2010 in werking trad was dat de positie van de verdediging zou worden versterkt: aan de verdediging wordt een uitdrukkelijk recht toegekend om te verzoeken om een tegenonderzoek.

De verdediging verzoekt het hof psychiater C. van Gestel als (tegen)deskundige te benoemen. Dhr. Van Gestel is directeur Zorg bij De Waag. onderdeel van de Forensische Zorg Specialisten te Utrecht.

Hij staat ingeschreven in het Nationaal Register Gerechtelijk Deskundigen en werkt ook in opdracht van het NIFP Midden-Nederland. De vraagstelling aan dhr. Van Gestel kan wat de verdediging betreft langs de gebruikelijk weg plaats vinden (zie vragen 1-6 op p. 4 van het PBC rapport), waarbij het de inschatting van de verdediging is dat dan ook op de hiervoor (bij de deskundigen Haveman en Grochowska genoemde punten en vraagtekens) genoemde onderdelen zal worden ingegaan.

Aanvullend zou de verdediging de volgende vraag aan de deskundige willen meegeven: 'zou, indien het hof zou komen tot de oplegging van de maatregel ex art. 37 Sr, door een forensische instelling, ook gedurende een langere periode dan een jaar. het aspect van de beveiliging van de maatschappij voldoende gewaarborgd kunnen worden'. Dhr. Van Gestel berichtte de verdediging dat hij bereid zou zijn om in deze zaak als deskundige op te treden.

Overigens zouden ook Prof. Koenraadt (als forensisch psycholoog) en Prof. R.J. van den Bosch (als schizofrenie autoriteit) bereid zijn in deze zaak te rapporteren.

Gezien de door het PBC genoemde punten heeft de verdediging ervoor gekozen een specialist 'uit het veld' voor te dragen, maar de verdediging heeft uiteraard geen bezwaar tegen de benoeming van meerdere deskundigen.”

7

35. De advocaat-generaal heeft blijkens voornoemd proces-verbaal van de terechtzitting als volgt gereageerd:

“De raadsman wenst de opstellers van de PBC rapportage ter terechtzitting te horen. De antwoorden op de vragen die de verdediging wil stellen aan deskundigen blijken reeds uit de PBC-rapportage. De deskundigen geven voldoende gemotiveerd aan waarom een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, onvoldoende wordt geacht om het recidivegevaar terug te dringen. Er is immers onvoldoende zicht op behandelbaarheid van verdachte binnen de GGZ, de complexiteit van de problematiek van verdachte vraagt een langere opname dan de duur van een jaar, en het is maar de vraag of het beveiligingsniveau afdoende is.

Uit de vruchteloze inspanningen die zijn verricht op het gebied van behandeling van verdachte, uit zijn documentatie, de aard en ernst van het onderhavige feit en de geschetste oorzaken daarvoor, blijkt mijns inziens voldoende dat een hoger veiligheidsniveau noodzakelijk is dan in de reguliere GGZ geboden kan worden. Los van het feit dat er geen rechtsregel is waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een 'ultimum remedium' is, het gaat immers om het opleggen van de meest passende maatregel in een specifieke situatie en niet om een opbouw in zwaarte zoals bij 'gewone' straffen, blijkt uit de PBC-rapportage dat verdachte in het verleden meermalen al dan niet gedwongen opgenomen is geweest en dat dit niet heeft geleid tot resultaat, mede gelet op het onderhavig strafbaar feit. Bovendien heeft verdachte zich reeds eerder aan een rechterlijke machtiging onttrokken door te vertrekken naar Turkije.

Het advies tot plaatsing in een inrichting ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht is bovendien gegeven in 2010. Uit de recente PBC-rapportage blijkt op pagina 68 dat het ziektebeloop de laatste jaren chronisch is met verergering onder invloed van psychosociale factoren en na het staken van antipsychotische medicatie. Algemene meningen over jurisprudentie of toekomstige wetgeving zijn niet van belang voor deze specifieke zaak.

Kortom, ik zie geen belang bij de verdediging voor het horen van deze deskundigen. Het onderzoek is op dit punt volledig geweest en de procesdeelnemers zijn volgens mij voldoende geïnformeerd om de in deze strafzaak te stellen vragen te kunnen beantwoorden. Het verzoek dient te worden afgewezen nu het horen van de deskundigen niet noodzakelijk is.

Voorts heeft de raadsman verzocht om het benoemen van een (tegen)deskundige.

Uit de literatuur kan worden afgeleid dat een contra-expertise geen recht van verdachte is.

De resultaten van het beschikbare deskundigenonderzoek zijn onvoldoende gemotiveerd betwist en er zijn geen vragen omtrent de betrouwbaarheid van de gehanteerde methode. Ook is niet aangetoond dat de door de rechter benoemde deskundigen objectief bezien niet als onpartijdig kunnen worden beschouwd. Voorts is niet voldoende aangetoond dat de te benoemen deskundige een relevante bijdrage kan leveren aan het strafproces. Ten slotte is voldoende andere informatie waaronder het goed gemotiveerde rapport van het PBC, beschikbaar om tot een oordeel te komen in deze zaak. Het benoemen van een deskundigen is derhalve niet noodzakelijk.

De door verdachte gedane verzoeken zijn niet onderbouwd zodat deze verzoeken reeds om die reden dienen te worden afgewezen.”

36. Het proces-verbaal houdt voorts als beslissing van het hof op het verzoek het volgende in:

“Na gehouden beraad hervat de voorzitter het onderzoek en deelt de beslissing van het hof mede. Het hof zal de verzoeken van de verdediging toetsen aan het noodzakelijkscriterium. Het hof acht zich voldoende voorgelicht zodat de verzoeken van de verdediging worden afgewezen. In het nog uit te werken proces-verbaal zal de afwijzing van de verzoeken nader worden gemotiveerd waarbij grotendeels zal worden aangesloten bij hetgeen de advocaatgeneraal naar voren heeft gebracht.

(…)

Nadere motivering

1. Het verzoek tot het horen van de opstellers van het PBC rapport.

De antwoorden op de vragen die de verdediging wil stellen aan Haveman en Grochowska, de opstellers van het PBC-rapport, kunnen naar het oordeel van het hof genoegzaam worden gevonden in de rapportage van het PBC. Daarin wordt gemotiveerd aangegeven waarom naar het inzicht van de opstellers van het PBC-rapport een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, onvoldoende wordt geacht om het recidivegevaar terug te dringen en waarom de maatregel van terbeschikkingstelling wordt geadviseerd.

De verdediging heeft in dit verband gewezen op het gegeven dat psychiater Heinsman-Carlier bij rapport van 24 november 2010 wel heeft geadviseerd tot de oplegging van de maatregel van artikel 37. Blijkens de rapportage van het PBC hebben de deskundigen Haveman en Grochowska kennisgenomen van die 'rapportage, die in 2010 ten aanzien van een ander feit dan het onderhavige is opgesteld. Desondanks hebben zij geadviseerd tot oplegging van de Tbs-maatregel aan verdachte. Het is aan het hof om, indien wordt toegekomen aan de vierde hoofdvraag van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering, gegeven deze informatie, de overige informatie uit het dossier en hetgeen door de advocaat-generaal en de verdediging naar voren is gebracht, een oordeel te geven over de vraag welke straf en/of maatregel in deze specifieke zaak passend en geboden is.

Het hof acht zich, gelet op het vorenstaande, voldoende voorgelicht. Het verzoek van de raadsman wordt afgewezen omdat de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken.

2. Het verzoek tot het benoemen van een (tegen)deskundige.

Er zijn geen vragen vanwege de verdediging omtrent de betrouwbaarheid van de door het PBC gehanteerde (onderzoeks)methode. Ook is niet aangetoond dat de door de rechter benoemde deskundigen objectief bezien niet als onpartijdig kunnen worden beschouwd. Voorts is niet voldoende aangetoond dat de te benoemen deskundige een relevante bijdrage kan leveren aan het strafproces. Ten slotte is voldoende andere informatie over de persoon van verdachte beschikbaar. Het hof acht zich derhalve voldoende voorgelicht en overigens is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Hel verzoek van de raadsman wordt afgewezen omdat de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken.”

37. Blijkens de toelichting op het middel richt de eerste klacht zich op de afwijzing van het hof tot het horen van psycholoog R. Haveman en psychiater A.E. Grochowska, de opstellers van het Pro Justitia-rapport, nu deze afwijzing, naar stellers mening, onvoldoende met redenen is omkleed. Daartoe heeft de steller van het middel enkel betoogd dat bij de afwijzing van het verzoek “nadere redengeving ontbreekt”.

38. Het ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2014 gedane verzoek door de verdediging om psycholoog Haveman en psychiater Grochowska als deskundigen te horen is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415 Sv, eerste lid Sv. Gelet op de omstandigheid dat voornoemde deskundigen niet bij appelschriftuur als getuigen zijn opgegeven, is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek ingevolge art. 418, derde lid, Sv of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.26

39. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2014 bij de afwijzing van het verzoek om de getuige te horen geoordeeld dat de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken. Aldus heeft het hof terecht de in art. 418, derde lid, Sv voorziene maatregel gehanteerd. Het middel klaagt daarover dan ook niet.

40. In zijn op 1 juli 2014 gewezen overzichtsarrest overwoog de Hoge Raad met betrekking tot de toetsing in cassatie van de afwijzing van een verzoek als het onderhavige onder meer:27


“Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van- als waren het communicerende vaten- enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (…) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan (…).”

41. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman voor het eerst verzocht tot het horen van voornoemde deskundigen28 en daartoe concrete vragen voorgedragen. Aanleiding voor het verzoek kan, blijkens de overgelegde pleitnota, worden gevonden in het door de deskundigen gegeven advies tot terbeschikkingstelling (TBS), nu plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis, als bedoeld in art. 37 Sr, naar hun oordeel onvoldoende zou zijn om het recidivegevaar terug te dringen. Ter onderbouwing van het verzoek wordt aangevoerd dat TBS een ultimum remedium betreft “waartoe slechts geadviseerd kan worden wanneer geen “lichter” alternatief voor handen is”. Welke specifieke omstandigheden in de onderhavige zaak een “lichter” alternatief mogelijk zouden maken of op welke punten het voorliggende rapport in concreto mankementen vertoont, wordt door de raadsman echter op generlei wijze aangevoerd.

42. Het hof heeft in de afwijzing van het verzoek tot het horen van de deskundigen blijk gegeven van de inhoud van de vragen kennis te hebben genomen en voorts gemotiveerd dat een antwoord op deze vragen “genoegzaam kan worden gevonden in de rapportage van het PBC” waardoor het hof zich “voldoende voorgelicht acht”. Voor zover de verdediging in het kader van een mogelijk “lichter” alternatief een beroep heeft gedaan op een eerder ten aanzien verdachte, in verband met een ander feit, opgemaakte rapportage waarin werd geadviseerd tot opname in een psychiatrische inrichting, heeft het hof overwogen dat Haveman en Grochowska van dat rapport kennis hebben genomen maar desondanks de terbeschikkingstelling hebben geadviseerd.

43. Gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en het stadium waarin het is gedaan, is de afwijzing van het verzoek tot het horen van psycholoog Haveman en psychiater Grochowska - bij welke beslissing het hof de juiste maatstaf heeft toegepast - niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

44. Vervolgens klaagt het middel dat het hof het verzoek van de verdediging om psychiater C. van Gestel als deskundige te benoemen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

45. Het hof heeft het door de raadsman bij schrijven van 2 april 2014 en nadien ter terechtzitting herhaalde verzoek niet opgevat als een verzoek tot het doen oproepen van Van Gestel, maar als een verzoek dat ertoe strekt de deskundige Van Gestel nader onderzoek te laten doen. Die uitleg is, in het licht van de bewoordingen waarin dit verzoek is gesteld, niet onbegrijpelijk.

46. Het door de raadsman gedane verzoek is een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv om gebruik te maken van de in art. 316, eerste lid, Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf bij de beoordeling van dergelijke verzoeken is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht, is gebleken. Het hof heeft bij zijn beslissingen tot afwijzing van voornoemd verzoek dus de juiste maatstaf toegepast.

47. Voorts moet voorop worden gesteld dat de eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek tot het doen verrichten van een tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven. Of zich zo een geval voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde onderzoek in het licht van de resultaten van reeds verrichte onderzoeken, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een onderzoek nog mogelijk is, (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan.29

48. Ter onderbouwing van het verzoek tot benoeming van Van Gestel heeft de verdediging bij pleitnota enkel aangevoerd deze deskundige dezelfde vragen te willen voorleggen als de vragen die hij alsnog aan Havekamp en Grochowska had willen stellen. Het hof heeft het verzoek om contra-expertise afgewezen. In de afwijzing van het verzoek ligt besloten dat het verzoek in het licht van de door de Hoge Raad gegeven criteria onvoldoende is onderbouwd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk nu de raadsman in het verzoek niet concreet heeft aangegeven in welke opzichten het reeds verrichte onderzoek mankementen zou vertonen en op welke wijze de te benoemen deskundige wel een relevante bijdrage zou kunnen leveren. Bovendien heeft het hof blijkens zijn overweging ook waarde gehecht aan de omstandigheid dat de verdediging de onpartijdigheid van voornoemde deskundigen op geen enkel moment heeft betwist. Anders dan de steller van het middel betoogt, getuigt het bestreden oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en gaat de steller met een beroep op HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2966, NJ 2011/313 voorbij aan de omstandigheid dat de verdediging in die zaak de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten nu juist wel in twijfel had getrokken. Van schending van verdachtes recht op een eerlijk proces is dan ook geen sprake. In aanmerking genomen voorts dat uit de motivering van de afwijzing blijkt dat het hof zich voldoende voorgelicht achtte, is zijn beslissing ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.30

49. Het middel faalt in beide onderdelen.

50. Het tweede middel klaagt, mede gelet op de toelichting, dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, ontoereikend is gemotiveerd.

51. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 6 februari 2013 in de gemeente Almelo, in het gemeentehuis aan het Stadhuisplein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een medewerker van de gemeente Almelo, genaamd [slachtoffer] , van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] meermalen met kracht met een hamer op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

52. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 november 2013, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:

Op 6 februari 2013 bevond ik mij in mijn woning aan de [a-straat] te Almelo.

Omdat ik door de gemeente en de politie telkens werd bedreigd met de dood, zij mijn voedsel hadden vergiftigd en mij met hepatitis hadden ingespoten, besloot ik om de politie of iemand van de gemeente wat aan te gaan doen. Ik heb hierop een klauwhamer achter mijn broeksband gedaan en ben richting het gemeentehuis aan het Stadhuisplein te Almelo gelopen. Ik heb daar ongeveer een half uur over gedaan. In het gemeentehuis zag ik een man van wie ik dacht dat die wel bij de gemeente moest werken. Hij kwam namelijk van boven de trap af lopen en ging in gesprek met een baliemedewerkster. Ik dacht nog dat hij een hogere functie had omdat hij van boven kwam lopen. Ik heb toen mijn hamer achter mijn broeksband vandaan gehaald en heb de man daarmee op of tegen het hoofd geslagen. De man viel op de grond en terwijl hij op de grond lag heb ik hem nogmaals op of tegen het hoofd geslagen. Het kan best zijn dat ik daarbij heb gezegd: “Ik laat niet met mij sollen" .

U vraagt mij hoe ik precies sloeg. Ik deed dat door de arm van de hand waarin ik de hamer had, zo ver mogelijk naar achteren te doen en vervolgens uit te halen naar het hoofd van de man (verdachte toont aan de rechtbank op welke wijze hij het slachtoffer heeft geslagen. De rechtbank neemt waar dat verdachte zijn arm opheft, deze zo ver mogelijk naar achteren doet en vervolgens met die arm een neergaande beweging maakt).

U vraagt mij hoe ik zou hebben gereageerd als de man was overleden. Als dat was gebeurd dan had hij daar zelf om gevraagd.

2.

Het overige geschrift inhoudende een rapport van dr. J. Dekker, forensisch arts van de afdeling Forensische Geneeskundige van de GGD Twente, blz.69 tot en met 72, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Er zijn bij het letselonderzoek van [slachtoffer] letsels geconstateerd die het gevolg zijn van van buitenaf komende mechanische geweldsinwerking. De letsels bestaan onder andere uit twee barstwonden van de huid, respectievelijk aan de linker zijkant van het hoofd en rechts achter op het hoofd. Daarnaast werd op een CT-scan een indeukingsfractuur van het schedelbot waargenomen. Met betrekking tot het hersenletsel werd de diagnose hersenkneuzing gesteld.

3.

Het deskundigenverslag van dr. mr. C. Das, forensisch arts, hoofd afdeling Forensische Geneeskunde, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Aannemende dat de verdachte met de ronde botte kant van de klauwhamer op het hoofd van het slachtoffer geslagen heeft (zoals de verdachte zelf heeft verklaard), dan kan gesteld worden, dat met name de indrukkingsfractuur heel goed kan passen bij een slag met een stomp hard voorwerp zoals een hamer.

Het is algemeen bekend (zowel uit de praktijk overal ter wereld als uit de medische vakliteratuur) dat er niet heel erg veel kracht voor nodig is om met een hamer een schedelbreuk (van dit type) te veroorzaken, juist door het kleine ‘contactvlak'.

Bij schedelhersenletsel is het in het algemeen niet zozeer het schedelletsel, maar juist het hersenletsel de factor die de ernst van het letsel bepaalt. De ernst van het letsel wordt vooral bepaald door het hersenletsel. En dan is vooral van belang of er een bloedvat is beschadigd. Als er een bloedvat in de hersenen (of tussen het schedeldak en de hersenen) wordt beschadigd, dan ontstaat er een hersenbloeding, die vrijwel altijd levensbedreigend is. Het is dan van groot belang of er snel medische hulp (een hersenoperatie) kan worden geleverd.

Als een klap op het hoofd hard genoeg is om de schedel te breken dan is de klap ook hard genoeg om een bloedvat te beschadigen. Het is vaak een kwestie van toeval of er wel of niet een vat kapot gaat en of er snel hulp beschikbaar is. Een onbehandelde traumatische hersenbloeding leidt heel vaak tot de dood.

Naast een traumatische hersenbloeding kan stomp geweld op het hoofd ook leiden tot beschadiging van het hersenweefsel (een hersenkneuzing of een hersencontusie). Het gevaar van dit letsel is dat het vaak tot zwelling van de hersenen leidt en dat is een levensgevaarlijke situatie, omdat er in de schedel heel weinig ruimte is voor zwelling. Door zwelling (oedeem) en hoge hersendruk ontstaat een levensbedreigende situatie.

Toegespitst op deze casus: de veronderstelde toegediende klappen met de hamer zouden naast de schedelbreuk in principe ook een hersenbloeding hebben kunnen veroorzaken. Een klap met een hamer op het hoofd die een schedelbreuk veroorzaakt, kan heel goed ook een hersenbloeding of een hersenkneuzing met hersenoedeem veroorzaken. Beide situaties zijn onbehandeld levensbedreigend.”

53. Het door het hof bevestigde vonnis houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van (poging tot) moord moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het nemen/genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij moet de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en daarvan rekenschap geven.

In deze zaak zijn de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij op 6 februari 2013 vanuit zijn woning aan de [a-straat] te Almelo richting het gemeentehuis aan het Stadhuisplein te Almelo is gelopen. Vanuit zijn huis nam hij een zogenaamde klauwhamer mee met de bedoeling om iemand daarmee iets aan te doen. Zijn gedachten gingen daarbij uit naar een politie- of een gemeenteambtenaar, omdat die hem in zijn beleving in het verleden onrecht hadden aangedaan. Ongeveer een half uur nadat hij lopend uit zijn woning was vertrokken, kwam hij bij het gemeentehuis aan. Omdat hij onderweg geen politieagent was tegengekomen, besloot hij om dan maar een gemeenteambtenaar wat aan te doen. In het gemeentehuis zag hij op een gegeven moment een man naar de balie lopen van wie hij veronderstelde dat het een gemeenteambtenaar was. Zelf zegt hij daarover dat hij er van uit ging dat het een belangrijk persoon was omdat hij van boven kwam lopen. In het gemeentehuis heeft hij de gemeenteambtenaar twee maal met kracht op of tegen het hoofd geslagen.

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte meerdere keren de gelegenheid heeft gehad om de uitvoering van de door hem gepleegde gewelddadige handelingen te staken. Hij heeft, gelet op de afstand tussen zijn woning en het gemeentehuis en de tijd die gemoeid was met het afleggen die afstand, meermalen de gelegenheid gehad zich te beraden op het nemen en/of door hem genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis van de eventuele gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarnaast heeft verdachte weloverwogen het slachtoffer uitgezocht. De rechtbank is daarom, evenals de officier van justitie, van oordeel dat er sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg hetgeen ertoe leidt dat de rechtbank de voorbedachte rade bewezen acht.

(…)”

54. Voorts heeft het hof in het bestreden arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, nog het volgende overwogen:

De voorbedachten rade

De raadsman heeft bepleit dat er contra-indicaties zijn waardoor het bestanddeel 'voorbedachten rade' niet kan worden bewezen. Niet kan immers worden uitgesloten dat verdachte in een korte tijdsspanne en/of in hevige drift heeft gehandeld. Daarbij heeft de raadsman gewezen op de verklaringen van verdachte, de verklaringen van een tweetal getuigen ( [getuige 1] en [getuige 2] ) en de bevindingen van de deskundigen, zoals neergelegd in de PBC rapportage.

(…)

Wat betreft de verklaring van verdachte heeft de raadsman bepleit dat hieruit enkel kan worden afgeleid dat verdachte het slachtoffer wilde slaan, niet dat hij hem wilde doden. De rechtbank heeft al uitvoerig overwogen dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, en het hof sluit zich bij deze overweging aan.

Dat verdachte zich over zijn besluit gedurende enige tijd ook heeft kunnen beraden volgt uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, waarin hij aangeeft dat hij op enig moment besloot om iemand van de politie of de gemeente wat aan te doen, dat hij naar het gemeentehuis is gegaan, dat hij daar ongeveer een half uur over heeft gedaan, dat hij heeft vastgesteld dat zijn beoogd slachtoffer iemand van de gemeente was, en dat hij tweemaal heeft geslagen. Enige contra-indicatie in de zin van "hevige drift" of "korte tijdspanne" kan hieruit naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid.

(…)

Uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”

55. Blijkens de toelichting op het middel wordt in cassatie specifiek gedoeld op hetgeen de raadsman ter terechtzitting van 5 augustus 2014 bij pleitnota heeft aangevoerd, voor zover inhoudend:

“De verklaringen van [verdachte]

Bij de rechter-commissaris verklaart [verdachte] op 8 februari dat hij het slachtoffer alleen maar wilde slaan, hij wilde hem niet van het leven beroven.

Bij de politie verklaart [verdachte] op 14 februari 2013 dat hij iemand van de politie en of de gemeente Almelo wat aan wilde doen, hij wilde iemand met een hamer gaan slaan.

Op de zitting van 13 november 2013 verklaart [verdachte] dat hij besloot om de politie of iemand van de gemeente wat aan te doen.

Van belang is dat [verdachte] niet verklaart:

- Dat hij de bedoeling had iemand met een hamer op het hoofd te slaan.

- Dat hij de bedoeling had iemand te vermoorden;

(…)

Uit het voornemen iemand wat aan te doen c.q. met een hamer te slaan kan de voorbedachten rade niet worden afgeleid. [verdachte] heeft niet verklaard dat hij van plan was iemand te vermoorden c.q. iemand met een hamer op het hoofd te slaan;

(…)

[verdachte] dient mitsdien te worden vrij gesproken van de tenlastegelegde poging tot moord.”

56. Sinds zijn arrest van 28 februari 201231 is de Hoge Raad nadere eisen gaan stellen aan (het bewijs van) voorbedachte raad. De Hoge Raad heeft in dat arrest onder meer overwogen:

“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.”

57. In aanvulling daarop overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen32 het volgende”

“De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

58. In het middel wordt blijkens de toelichting geklaagd over de wijze waarop het hof invulling heeft gegeven aan het (bewijs) van voorbedachte raad. Als voornaamste pijnpunt vermeldt de schriftuur dat uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte dat hij “iemand van de politie of de gemeente “wat” aan zou doen” niet kan worden afgeleid dat de verdachte voornemens was het slachtoffer op zijn hoofd te slaan, laat staan hem van het leven te beroven.

59. Het hof heeft - mede vanwege het door de verdediging ingenomen standpunt - met aanvulling van gronden bijzondere overwegingen gewijd aan de voorbedachte raad. Die overwegingen lopen in het spoor van de recente jurisprudentie van de Hoge Raad.

60. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte te voet vanuit zijn woning is vertrokken richting het gemeentehuis. De verdachte had een klauwhamer bij zich gestoken - naar eigen zeggen - teneinde iemand iets aan te doen vanwege het onrecht dat hemzelf in het verleden was aangedaan. Geruime tijd later trof hij in het gemeentehuis iemand aan die volgens hem geschikt was om als slachtoffer te dienen. De verdachte heeft die persoon daarop meermalen met een klauwhamer op het hoofd geslagen. In cassatie is onbetwist dat de verdachte daarmee uitvoering heeft gegeven aan zijn - minst genomen: voorwaardelijk - opzet gericht op de dood van het slachtoffer. Het hof heeft bovendien vastgesteld dat er geen indicaties waren voor handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, naar ik het hof begrijp: bijvoorbeeld in reactie op een gedraging van het slachtoffer. Kortom, de verdachte heeft volgens ’s hofs vaststellingen simpelweg toegeslagen zodra de gelegenheid zich voordeed.

61. Uit deze vaststellingen heeft het hof afgeleid dat de verdachte reeds geruime tijd voornemens was om met de klauwhamer toe te slaan op het hoofd van een door hem uitgekozen slachtoffer. Ik acht dat oordeel geenszins onbegrijpelijk. Daardoor faalt het middel. Het oordeel dat de voorbedachte raad is bewezen, is toereikend gemotiveerd.

62. Alle middelen falen. De middelen van de verdachte kunnen naar mijn inzicht worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

63. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

64. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Met de ‘wijzigingswet’ bedoel ik hierna de Wet van 26 juni 2013 tot aanpassing van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof in verband met de introductie van de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op het vermogen van de verdachte ten behoeve van het slachtoffer, Stb. 2013, 278.

2 Zie aanwijzing 166, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, Circulaire van de minister-president van 18 november 1992. Deze circulaire heeft uiteraard geen kracht van wet, maar zij is leidend bij het concipiëren van nieuwe wetgeving. Uit het tweede lid van die aanwijzing volgt dat ‘onmiddellijke’ (ook wel: exclusieve) werking bij het concipiëren van wetgeving de standaard is, en dat afwijkingen daarvan zo nodig tot uitdrukking worden gebracht. Zie bijv. HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:493, NJ 2014/312 (onderstreping mijnerzijds, D.A.): “Gelet hierop en in aanmerking genomen dat toepassing van art. 14e Sr als zodanig geen wijziging brengt in de aard en de maximale duur van de mogelijk ten uitvoer te leggen straf, kan niet worden gezegd dat een onmiddellijke toepassing van deze bepaling in strijd is met het legaliteitsbeginsel dat is vervat in art. 1, eerste lid, Sr.”. Vgl. ook Keijzer in zijn noot onder o.m. HR 25 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1730, NJ 2012/80: “Uitgangspunt daarbij is dat de rechter in beginsel recht spreekt volgens het recht dat geldt ten tijde van zijn beslissing. Ook de strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt in beginsel bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van de berechting. (…)

3 Zie hieronder paragraaf 18, voor een korte schets van de wetswijziging.

4 EHRM 17 september 2009, 10249/03 (Scoppola vs. Italië).

5 Kamerstukken II 2011/12, 33 295, nr. 3, p. 12.

6 Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten, Stb. 1993, 29, inwerkingtreding op 1 april 1993.

7 EHRM 9 februari 1995, nr. 17440/90, NJ 1995/606, m.nt. Knigge (Welch vs. Verenigd Koninkrijk), § 26 t/m 28. Zie ook EHRM 8 juni 1995, nr.15917/89, NJ 1996/1, m.nt. Knigge (Jamil vs. Frankrijk) § 30; EHRM 12 februari 2008, nr. 21906/04, NJ 2009/90, m.nt. Schalken (Kafkaris vs. Cyprus) § 142, en het hierboven al genoemde arrest EHRM 17 september 2009, 10249/03 (Scoppola vs. Italië).

8 J. Vande Lanotte en Y. Haeck, Handboek EVRM, Deel 2; Artikelsgewijze commentaar, Volume 1, Antwerpen-Oxford: Intersentia:2004, p. 666. Zie ook EHRM 9 februari 1995, nr. 17440/90, NJ 1995/606 m. nt. Knigge (Welch vs. Verenigd Koninkrijk) en EHRM 8 juni 1995, nr.15917/89, NJ 1996/1, m.nt. Knigge (Jamil vs. Frankrijk).

9 H.F. Morre, ‘Art. 7 EVRM’, in: J.H. Gerards, Y. Haeck, P. de Hert, M.K.G. Tjepkema, J. van der Velde & A.J.Th Woltjer (red.), SDU@ommentaar: EVRM deel 1- Materiele bepalingen, Den Haag: SDU Uitgevers 2013, p. 518.

10 D. Harris, M. O’Boyle & Warbrick, Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: University press 2014, p. 494. Zie HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3233, NJ 2007/106, rov. 5.3.

11 Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3, p. 5.

12 Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de in de zaak Welch vs. Verenigd Koninkrijk opgelegde “confiscation order” ten aanzien waarvan het EHRM bepaalde dat uit de doelstellingen bleek dat de maatregel naast reparatoire ook bestraffende elementen bevatte, waardoor sprake was van een maatregel met een punitief karakter.

13 F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 320.

14 Zie de zaak Welch vs. Verenigd Koninkrijk en HR december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9449, NJ 2012/237, m.nt. Mevis, rov. 5.4. waarin de Hoge Raad overwoog dat de maatregel tot het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel op zichzelf beschouwd is aan te merken als een ‘penalty’ in de zin van art. 7, eerste lid, EVRM.

15 Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3, p. 8.

16 HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8788, NJ 2007/359, rov. 3.6.

17 HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1812, NJ 2009/293, rov. 2.6: “Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vast staat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis.

18 Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3, p. 18 en 20.

19 Dit zou wel het geval zijn wanneer bij oplegging het doel bij voorbaat gericht zou zijn op de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

20 Zie o.a. EHRM 12 februari 2008, nr. 21906/04 (Kafkaris vs. Cyprus), § 99, en EHRM 29 maart 2006, nr. 67335/01 (Achour vs. Frankrijk), § 51.

21 Zie HR 12 juli 2012, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, NJ 2012/78, rov. 3.6.1.

22 Zie HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5063, NJ 2013/190, rov. 4.3 en HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:493, NJ 2014/312, rov. 4.3.

23 F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 30.

24 P.A.M. Mevis, Hoofdlijnen van het strafrechtelijk sanctiestelsel, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 3.

25 Die overgangsbepaling van de wijzigingswet uit 1993, nl. art. IX, eerste lid, was kennelijk zo vanzelfsprekend dat zij geen nadere toelichting behoefde.

26 Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m. nt. Borgers, rov. 2.61.

27 Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m. nt. Borgers, rov. 2.76.

28 Dit terwijl het Pro Justitia-rapport dateert van 14 juni 2013 en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 13 november 2013 verdachte, in aanwezigheid van zijn raadsvrouw, door de rechtbank is voorgehouden. Alhoewel de verdachte na het instellen van hoger beroep nog twee keer van raadsman wisselde, stond de laatste hem ook bij ten tijde van de pro-formazitting op 13 mei 2014. De stukken van het geding houden voorts in dat het hof voorafgaand aan de pro-formazitting van 13 mei 2014 de raadsman begin april in de gelegenheid heeft gesteld zijn onderzoekswensen kenbaar te maken. Bij die gelegenheid heeft de raadsman niet de wens kenbaar gemaakt om psycholoog Haveman en psychiater Grochowska te willen horen.

29 Zie HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3886, NJ 2013/179, rov. 3.3.; HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7150, NJ 2013/248, rov. 4.2; HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4080, NJ 2009/423, rov. 3.3. HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228, NJ 2005/514, rov. 3.5.

30 HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302, rov. 3.3.

31 HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518, rov. 2.7.3.

32 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156, m .nt. Keulen, rov. 3.4.