Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1769

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
14/04311
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2923, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04311

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft - onder gedeeltelijke bevestiging van het vonnis in eerste aanleg - bij arrest van 11 augustus 2014 de verdachte ter zake van “poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkernisse, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over de afwijzing van het verzoek om de niet verschenen getuige [betrokkene] (hernieuwd) te doen oproepen, ditmaal met een bevel medebrenging.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“op 20 november 2003 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, naar [betrokkene] is toegelopen en van korte afstand met een pistool in de rug van [betrokkene] heeft geschoten.”

5. Bij tijdige1 appelschriftuur heeft de verdediging verzocht het slachtoffer van de schietpartij en tevens getuige [betrokkene] te horen. De appelschriftuur houdt omtrent dit verzoek - voor zover hier van belang - het volgende in:

“(…)

Ten onrechte heeft de rechtbank cliënt veroordeeld terzake poging moord. Cliënt ontkent de schutter te zijn geweest. Ten onrechte heeft de rechtbank de verklaringen van aangever over de herkenning van cliënt als de schutter als betrouwbaar aangemerkt. Ten onrechte heeft de rechtbank uit de verklaringen van getuigen afgeleid dat cliënt wordt herkend als de schutter en niet enkele als degene die zij als kennis van aangever kennen. Ten onrechte heeft de rechtbank de mogelijkheid van een alternatieve dader terzijde geschoven en het verzoek van de verdediging tot nader onderzoek hiernaar - door het horen van aangever ter zitting - afgewezen.

Tevens wenst de verdediging de navolgende personen als getuige ter terechtzitting te doen oproepen, voor het geval deze niet voorafgaand aan de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting reeds door de rechter-commissaris zij gehoord ex art. 411a Wetboek van Strafvordering.

1. [betrokkene] , (…);

2. (…);

3. (…);

4. (…); en

5. (…).

(…) “

6. Kort gezegd heeft de verdediging tijdens de diverse terechtzittingen in hoger beroep gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene] , voor het laatst op de terechtzitting van 28 juli 2014. In het proces-verbaal van voornoemde zitting heeft het hof de gang van zaken omtrent dit getuigenverzoek kort samengevat en op het verzoek beslist. Het proces-verbaal houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

“(…)

De voorzitter deelt mede dat het hof op 29 juli 2013 heeft besloten tot benoeming van een onafhankelijke deskundige, zijnde een psychiater, opdat deze het hof in een rapport duidelijkheid zou verschaffen over de vraag of de gezondheid of het welzijn van de getuige [betrokkene] in gevaar zou worden gebracht wanneer hij (andermaal) als getuige in deze zaak zou worden gehoord.

Op 31 maart 2014 heeft het hof ontvangen de Pro Justitia rapportage betreffende [betrokkene] d.d. 19 maart 2014. Uit dit nieuw binnengekomen stuk blijkt dat [betrokkene] is uitgenodigd om op 15 januari 2014 te verschijnen voor een onderzoeksgesprek. De raadsman van [betrokkene] heeft op 15 januari 2014 aan de benoemde psychiater Van de Laar kenbaar gemaakt dat [betrokkene] niet op de afspraak zou verschijnen, omdat hij “het niet aan kan om over hetgeen gebeurd is te praten”. Door de deskundige Van de Laar is vervolgens het voorstel gedaan het onderzoek te laten plaatsvinden op het kantoor van de raadsman van [betrokkene] en het onderzoek in aanwezigheid van de raadsman voor te bespreken, maar op dit voorstel is geen reactie ontvangen.

De heer psychiater Van de Laar heeft in de Pro Justitia rapportage geconcludeerd dat, gelet op de weigering van betrokkene om aan het onderzoek mee te werken, het niet mogelijk is om de door het hof geformuleerde onderzoeksvragen te beantwoorden.

De voorzitter vraagt de raadsman om zijn standpunt kenbaar te maken ten aanzien van het horen van de getuige [betrokkene] .

De raadsman verklaart, kort en zakelijk weergegeven:

Uw hof heeft in het verleden beslist dat [betrokkene] gehoord dient te worden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de [betrokkene] onwillig is om mee te werken aan een getuigenverhoor en dit niets te maken heeft met zijn psychische toestand. Er zijn geen stukken waaruit blijkt dat [betrokkene] geen verklaring kan afleggen. Mijn voorstel is om een bevel medebrenging af te geven om aldus [betrokkene] alsnog aan een getuigenverhoor te onderwerpen.

De advocaat-generaal verklaart, kort en zakelijk weergegeven:

Uit de stukken blijkt dat [betrokkene] bereid is geweest tot het afleggen van verklaringen. Hij is zowel door de politie als door de rechter-commissaris gehoord. In het dossier bevinden zich verschillende bescheiden waaruit blijkt dat [betrokkene] thans niet meer in staat is een verklaring af te leggen door zijn gezondheidstoestand. De gezondheidstoestand van de getuige weegt naar mijn mening zwaarder dan het belang van de verdediging om [betrokkene] aanvullende vragen te kunnen stellen over de eventuele betrokkenheid van deze getuige bij de handel in verdovende middelen. Het zou kunnen dat [betrokkene] zich bezig heeft gehouden met de handel in verdovende middelen, maar dat vind ik, gelet op het ten laste gelegde, niet zo interessant.

De raadsman reageert hierop, kort en zakelijk weergegeven:

De verdediging stelt dat de getuige actief was in de drugswereld, maar hij weigert hierover een verklaring af te leggen. Het hof heeft, zoals ik al eerder verklaarde, beslist dat het noodzakelijk is om deze getuige daarover nadere vragen te stellen. Het niet meewerken van [betrokkene] aan een onderzoek kan niet tot gevolg hebben dat het niet meer noodzakelijk is de getuige te horen.

Op vragen van de voorzitter antwoordt de raadsman, kort en zakelijk weergegeven:

De verdachte heeft een privédetective ingeschakeld om te achterhalen of [betrokkene] actief betrokken is geweest bij de handel in verdovende middelen. Als duidelijk wordt dat deze getuige zich bezighoudt met die handel dan is het mogelijk dat er een conflict in die sfeer aan het voorval op 20 november 2003 ten grondslag ligt. Dit raakt de betrouwbaarheid van de verklaringen [betrokkene] heeft afgelegd. De verdediging stelt zich daarnaast op het standpunt dat de overige getuigenverklaringen in het dossier op basis van de verklaring van [betrokkene] tot stand zijn gekomen, zodat het indirect ook de betrouwbaarheid van die verklaringen raakt.

Het feit dat de advocaat-generaal bij de behandeling van heden het standpunt inneemt dat het mogelijk zou zijn dat [betrokkene] zich bezig heeft gehouden met de handel in verdovende middelen doet niet af aan het standpunt dat [betrokkene] daarover zelf dient te worden bevraagd om dit ook vast te stellen.

De advocaat-generaal reageert hierop als volgt, kort en zakelijk weergegeven:

De verklaringen van deze getuige zijn niet doorslaggevend voor het bewijs. In het dossier bevinden zich meerdere getuigenverklaringen en er is met de verdachte matchend DNA aangetroffen op de patroonhulzen die zijn gevonden in de coffeeshop. Of de getuige actief was in de drugswereld is niet relevant voor het ten laste gelegde feit.

Het hof trekt zich terug voor beraad.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter mede dat er in deze zaak in hoger beroep diverse pogingen zijn ondernomen om [betrokkene] als getuige te horen. Op 28 juni 2010 is er door de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van deze getuige. Dit verzoek is toegewezen door het hof en de zaak is daartoe verwezen naar de raadsheer-commissaris. Op 17 januari 2011 heeft de raadsheer-commissaris geconcludeerd dat [betrokkene] niet kon worden gehoord gelet op zijn gezondheidssituatie. Vervolgens heeft de verdediging bij de behandeling op 3 april 2012 een hernieuwd verzoek gedaan tot het horen van deze getuige. Ter terechtzitting van 7 maart 2013 is gebleken dat [betrokkene] geen gehoor heeft gegeven aan de oproep om als getuige bij de raadsheer-commissaris te verschijnen. Op 15 juli 2013 heeft de raadsheer-commissaris een bericht ontvangen van de behandelend psychiater van [betrokkene] waaruit blijkt dat hij niet mee wil werken aan een verhoor, maar wel schriftelijk vragen wil beantwoorden. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting van 29 juli 2013 bezwaar gemaakt tegen het schriftelijk voorleggen van vragen. Op 29 juli 2013 is door het hof besloten tot benoeming van een onafhankelijk deskundige om onderzoek te laten verrichten naar de gezondheidstoestand van de getuige [betrokkene] . Uit de Pro Justitia rapportage van 19 maart 2014 is gebleken dat de getuige [betrokkene] weigert mee te werken aan een onderzoek. Het hof meent op grond hiervan tot de conclusie te kunnen komen dat het onaannemelijk is dat deze getuige binnen afzienbare tijd ter terechtzitting zal verschijnen.

De behandelend psychiater van [betrokkene] heeft op 15 juli 2013 aan de raadsheer-commissaris het volgende bericht: “Het is ongewenst dat mijn patiënt op de rechtbank verschijnt om te getuigen. Zulks in verband met grote kans op ontregeling met name van toename van angstklachten, herbelevingen en slaapstoornissen in verband met ernstige posttraumatische stress stoornis. Er is thans sprake van een wankel evenwicht. De medicatie is sinds het laatste bericht (zie bericht van januari 2013) onveranderd.” In het bericht van januari 2013 staat dat de verdachte is gediagnostiseerd met een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS). Het hof is van oordeel dat, gelet op de bevindingen van de behandelend psychiater van [betrokkene] , in combinatie met het karakter van een bevel medebrenging, het risico te groot is dat uitvoering van zo’n bevel de gezondheidstoestand van [betrokkene] zal schaden. Het hof zal om die reden geen bevel medebrenging afgeven.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat er niet tot hernieuwde oproeping van de getuige zal worden overgegaan omdat het onaannemelijk is dat de getuige ter terechtzitting zal verschijnen.

(…)”

7. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat onduidelijk is (gebleven) of het hof heeft afgezien van een hernieuwde oproeping van [betrokkene] op grond van art. 288, eerste lid onder a Sv, dan wel op grond van het bepaalde in het eerste lid onder b van dat artikel. In beide gevallen heeft het hof een verkeerde maatstaf aangelegd, en is de beslissing in elk geval onbegrijpelijk, aldus het middel.

8. Het hof heeft in zijn hierboven weergegeven overweging kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat een hernieuwde oproeping van de getuige [betrokkene] nutteloos was omdat niet te verwachten viel dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen. Dit is een beslissing op de voet van art. 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv in verbinding met art. 287, derde lid aanhef en onder b, Sv, welk artikel ingevolge art. 415 Sv hier van toepassing is. Dit artikel kent de mogelijkheid af te zien van de hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige die aan een eerdere oproeping geen gevolg heeft gegeven, indien het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Het hof heeft aldus de juiste maatstaf aangelegd.

9. Voorts meen ik dat het oordeel van het hof in het licht van het verhandelde op de terechtzittingen - zoals hiervoor is weergegeven - toereikend gemotiveerd en geenszins onbegrijpelijk is, met name niet in het licht van de omstandigheid dat [betrokkene] tot twee keer toe na verwijzing door het hof (ook) niet is verschenen bij de raadsheer-commissaris en voorts heeft aangegeven niet mee te willen werken aan het door het hof gewenste onderzoek naar zijn gezondheidstoestand. Verder kan dit oordeel, wegens verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet nader worden getoetst. In zoverre faalt het middel.

10. Hieraan doet niet af dat het hof heeft afgezien van het afgeven van een bevel tot medebrenging op de grond dat het risico te groot is dat de uitvoering van zulk een bevel de gezondheidstoestand van [betrokkene] zal schaden.2

11. Voor zover de steller van het middel zich op het standpunt stelt dat het hof heeft afgezien van een hernieuwde oproeping op de voet van het bepaalde in art. 288, eerste lid onder b, Sv, berust het op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest en mist het derhalve feitelijke grondslag.

12. Voor zover het middel de opvatting huldigt dat het hof niet had mogen afzien van het horen van de getuige [betrokkene] nu de verdediging niet in de gelegenheid was gesteld hem ter terechtzitting in hoger beroep nader te ondervragen, vindt het in z’n algemeenheid geen steun in het recht.3

13. Ik heb mij nog afgevraagd waarin het rechtens te respecteren belang van de verdachte ligt bij vernietiging. Immers, uit de stukken blijkt dat de verdediging de in eerste instantie reeds door de rechter-commissaris gehoorde [betrokkene] inmiddels niet meer wilde ondervragen over het schietincident zelf, maar alleen nog over zijn mogelijke betrokkenheid bij handel in verdovende middelen, teneinde een alternatief scenario te kunnen onderbouwen en de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene] aan te tonen. Wat dat alternatieve scenario inhoudt blijft duister. Volgens de verdediging is er ‘mogelijk’ een andere schutter. Wat de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene] betreft merk ik nog op dat er verschillende andere bewijsmiddelen zijn waarop het daderschap van verdachte valt te baseren.

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Toepassing van art. 80a RO laat zich denken.

15. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het vonnis van de rechtbank Amsterdam dateert van 10 november 2009, op welke datum tevens hoger beroep is ingesteld. De appelschriftuur is per fax ontvangen op 24 november 2009.

2 Vgl. HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:938, waaruit mogelijk valt af te leiden dat gezondheidsproblematiek (mede) grond kan vormen om te oordelen dat (hernieuwde) oproeping nutteloos is.

3 Vgl. HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3241, alsook de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voor HR 11 november 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1959.