Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1767

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
14/04188
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2981
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Bijzondere voorwaarde. Art. 14c.2 onder 5° (oud) Sr (thans art. 14c.2 onder 14° Sr). 2. Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden. Art. 14e Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1968:AB6079 m.b.t. het feit dat een bijz. voorwaarde a.b.i. art. 14c.2 onder 5° (oud) Sr (thans art. 14c.2 onder 14° Sr) het gedrag van veroordeelde dient te betreffen en dat als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. De bijz. voorwaarde “dat gedurende de proeftijd geen minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig mogen zijn in de manege (waaronder de stallen en/of de rijbak en/of de kantine) van veroordeelde” is i.s.m. genoemde bepaling omdat het niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van veroordeelde of in de manege (waaronder de stallen en/of de rijbak en/of de kantine) minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig zullen zijn. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:537 m.b.t. het feit dat de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk dient te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan en dat hij meer in het bijzonder in een uitspraak waarin ten laste van verdachte een misdrijf is bewezenverklaard dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als zijn oordeel tot uitdrukking dient te brengen dat en waarom ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan. Het bestreden arrest en in het bijzonder ’s Hofs strafmotivering voldoen niet aan deze eis. HR doet om doelmatigheidsredenen de zaak zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2015/208 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04188

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 29 juli 2014 verdachte wegens 3. “Verkrachting, meermalen gepleegd” en 4. en 5. “Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven, met het bevel dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, vier middelen van cassatie voorgesteld.1Alvorens ik toekom aan de bespreking van de middelen zal ik eerst de bewezenverklaring, de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging van het Hof weergeven.

3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“3.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 te Naaldwijk, gemeente Westland, door feitelijkheden (te weten: het grote leeftijdsverschil) en bedreiging met een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] , hebbende verdachte meermalen zijn vinger in de vagina van [slachtoffer 1] geduwd en bestaande die bedreiging met die andere feitelijkheid hierin dat verdachte tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze de paarden kwijt zou raken als ze verdachte tegen zou werken;

4.

hij in de periode van 1 april 2008 t/m 1 mei 2009 te Naaldwijk, gemeente Westland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1993, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het telkens op de mond zoenen van [slachtoffer 2] en het telkens knijpen in de billen van [slachtoffer 2] en het telkens betasten van de billen van [slachtoffer 2] ;

5.

hij in de periode van 1 augustus 2003 tot en met 3 oktober 2005 te Naaldwijk met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1989, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het telkens op de mond zoenen van [slachtoffer 1] .”

4. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2014 verklaard - zakelijk weergegeven -:

De meiden (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) kwamen mijn paarden elke dag verzorgen.

De verhouding van [slachtoffer 2] met mijn paard was heel goed. Ik begrijp dat het paard heel belangrijk voor haar was. Het klopt dat [slachtoffer 1] voor wat betreft het rijden van wedstrijden van mij afhankelijk was. Ik begreep dat de stal en de paarden belangrijk voor [slachtoffer 1] waren.

2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 oktober 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2011222675-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 37 t/m 78):

als de op 21 oktober 2011 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :

Plaats delict: Naaldwijk, binnen de gemeente Westland

Achternaam: [achternaam slachtoffer 1]

Voornamen: [voornamen slachtoffer 1]

Geboren: [geboortedatum] 1989

Ik wil aangifte doen tegen [verdachte] . [verdachte] is een staleigenaar van een pensionstal in Naaldwijk. [verdachte] vroeg mij of ik zijn paarden wilde gaan rijden. Op 24 augustus 2003 heb ik mijn voet verbrijzeld. [verdachte] bracht mij dan naar huis en wilde een zoen hebben. Dat is na augustus 2003 begonnen. Al snel wilde hij een zoen op zijn mond hebben. Dat sloop er zeg maar een beetje in. Ik denk dat dit zeker wel 1 jaar tot 1,5 jaar heeft geduurd. Ik hield hem ook vaak af, maar dan ging hij heel narrig doen. Dan ging hij dreigen dat ik niet meer op zijn paard mocht rijden. Dan dacht ik laat ik er maar mee doorgaan want anders ben ik hier alles kwijt. Hij wilde dat ik op schoot kwam zitten. Soms zaten wij alleen en dan trok hij mij naar zich toe en dan hield hij mij ook echt vast. Op den duur ging hij ook mijn broek los maken en mij vingeren en dat soort dingen. Ik was toen 16 of 17 jaar oud. Wij gingen naar de garage en toen trok hij zijn broek naar beneden en ook deed hij mijn broek naar beneden en wilde hij mij vingeren. In het begin hield ik dat heel erg tegen. Ik hield gewoon mijn broek vast zo van dat wil ik niet. Maar dan deed hij gewoon zijn hand in mijn broek want de rijbroeken zijn vrij flexibel. Dus dan stopte hij hem er alsnog zo naar binnen. En dan begon hij te vingeren. Ik liet het eigenlijk maar toe. Ik heb hem heel vaak weggeduwd. Ik denk dat hij vanaf januari 2006 begon met vingeren. Ik liet het gebeuren omdat ik anders alles kwijt zou raken met de paarden. Van het jaar 2003 tot 2006 was het zoenen en van het jaar 2006 totdat ik weg ging het vingeren.

3. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage van 26 maart 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 26 maart 2012 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer 1]:

U vraagt mij kort aan te geven wat ik bij [verdachte] moest doen. Ik moest hem aftrekken en hij vingerde mij. Ik moest [verdachte] wekelijks aftrekken, zeker in het laatste jaar, in 2008. Ik spreek over tientallen keren. Meestal als ik hem moest aftrekken dan wilde hij mij ook vingeren, dat ging samen. Dus ook in dezelfde aantallen. In juli 2008 is het gestopt. Als ik afhield was hij boos en zorgde hij wel dat ik de paarden niet kon rijden. Als ik hem tevreden hield kon ik de paarden rijden en anders niet. Het vingeren gebeurde op stal. Het gebeurde soms, als zijn vrouw weg was, in de garage.

4. Een proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 20 november 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2011222675-15. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 107 t/m 110):

als de op 20 november 2011 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :

Het vingeren door [verdachte] gebeurde gemiddeld één keer in de week. Ik voelde dat hij zijn vinger naar binnen stak in mijn vagina. Ik liet één vinger toe omdat ik anders zo bang was dat ik de paarden niet meer mocht doen. Ik moest hem echt tevreden houden anders mocht ik de paarden niet meer doen. De emotionele waarde van het paard was zo groot en dat wist hij ook.

5. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 26 september 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2011188007-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 27 t/m 34):

als de op 26 september 2011 afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :

Plaats delict: Naaldwijk, binnen de gemeente Westland

Achternaam: [achternaam slachtoffer 2]

Voornamen: [voornaam slachtoffer 2]

Geboren: [geboortedatum] 1993

Ik wil aangifte doen tegen [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ). Hij woont in Naaldwijk. [verdachte] is 70 jaar oud. In april 2008 zijn we een weekendje uit geweest. Ik was toen met [verdachte] , zijn vrouw en met [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ). Toen we het weekend achter de rug hadden ging [verdachte] steeds meer aan me zitten. Hij vroeg ook steeds om een kus. Op een gegeven moment wilde [verdachte] me iets vragen en nam me mee naar de kastjes. Hij vroeg me toen om een kus en hield me ook steeds vast. Hij wilde eerst een kus op de wang en daarna een zoen op zijn mond. Ik gaf hem die kus eerst wel en daarna gaf hij me die zoen. Hij had me zo knel dat ik mijn hoofd niet meer weg kon draaien. Ik keek hem raar aan en hij zei toen tegen mij dat ik anders het paard wel kon vergeten. Toen moest ik met hem zoenen en toen liet hij me los. [verdachte] zat daarna wel eens aan mijn kont. Dat deed hij wel elke dag. Hij knijpt dan in mijn kont. Hij deed dat dan als ik me aan het omkleden was en in mijn onderbroek stond en mijn rijbroek aan deed. Het gebeurde vanaf het weekend weg tot [slachtoffer 1] van stal ging, in februari/maart 2009, bijna elke dag. Een keer op een zondag gaf [verdachte] me weer een zoen. Ergens in oktober 2008 stond hij ineens achter me en toen zoende hij me weer en onderging ik dat. Ik heb gezien dat [verdachte] [getuige 1] een zoen op de mond gaf. Hij had zijn armen ook om haar heen net zoals hij bij mij deed. Hij heeft ook een keer geprobeerd zijn hand in mijn broek te stoppen maar dat lukte niet, want ik had een broek aan met een strakke riem.

6. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 8 augustus 2013 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Het klopt dat [verdachte] mij twee keer heeft gezoend.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 november 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2011222675-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 101 t/m 103):

als de op 11 november 2011 afgelegde verklaring van [getuige 2] :

Ik heb gezien dat [verdachte] heel handtastelijk is geweest. Dat was ongeveer zes jaar geleden. Hij zat heel vaak aan [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) haar kont en haar borsten en kuste haar vol op de mond. Ze kon geen kant op, het is de manege eigenaar. De paarden waren haar lust en haar leven en ik denk ook dat dat de reden is dat ze het heeft laten gebeuren. Ik kan me nog herinneren dat [slachtoffer 1] altijd aan mij vroeg of ik bleef voeren, daarna kon [slachtoffer 1] ook naar huis want dan was ze klaar.

8. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 8 augustus 2013 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 3]:

Er waren dingen gebeurd tussen [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) en [verdachte] waarvan ik dacht: wat gebeurt hier? Maar ik kon er de vinger niet op leggen. Ze heeft mij verteld dat ze seksueel misbruikt was door [verdachte] . Dit moet zijn gebeurd in de periode dat wij er ook stonden. Ik heb vanaf 2005 ongeveer tweeënhalf jaar bij [verdachte] op stal gestaan. U vraagt waar mijn vermoedens vandaan kwamen. Ik kwam iedere dag bij [verdachte] op stal, 7 dagen per week en dan in de ochtend en in de avond. Ik kwam een keer onverwachts - vroeger of later dan ik daar normaal aanwezig was - binnen in de zadelkamer. [slachtoffer 1] en [verdachte] stonden heel dicht bij elkaar in de zadelkamer. Ze stonden face to face. Ze schrokken van mij toen ik binnenkwam. De één ging links de deur uit en de ander ging rechts de deur uit. Ik had zoiets van: hé, dit klopt niet. Ik heb ook meerdere keren gezien dat [verdachte] tikken op de kont van [slachtoffer 1] gaf.

9. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 8 augustus 2013 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 4]:

Ik weet nog dat ik in mijn eerdere verklaring heb gezegd dat ik wel eens een gevoel had van: wat gebeurt hier? Hiermee bedoel ik dat ik bijvoorbeeld op een bepaald moment binnen kwam, en dat ik het gevoel had dat ik niet gewenst was. [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) waren aan het dollen, zij speelden een soort tikkertje. Toen heb ik ook zoiets gezegd van: hallo, wat zijn jullie aan het doen? [slachtoffer 1] liep toen de stal uit. Ik dacht toen echt: wat is dit? Ik vond het een beetje vreemd.

10. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 8 augustus 2013 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 5]:

In 2005 heb ik op de stal van [verdachte] gestaan. Ik zag bepaalde aanrakingen van [verdachte] richting [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) die ik als ouder niet zo correct vind. Dat waren aanrakingen als aan haar kont zitten, gewoon te handtastelijk. Hij zat ook aan haar lichaam. Ik had dit als ouder echt niet goed gevonden. Met aanrakingen bedoel ik een tikje of duwtje tegen haar kont. Ik heb dit zelf meerdere malen gezien. Wat mij opviel is dat [slachtoffer 1] ook heel vaak vroeg of mijn dochters mochten blijven tot na het voeren. Zij zei dat zij hen daarna wel zou thuisbrengen op de fiets. Soms vond ik het wel vreemd als ze dit vroeg, omdat ze erg bleef aandringen als ik een keer zei dat het niet zo goed uitkwam.

11. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 8 augustus 2013 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 6]:

Ik heb vanaf ongeveer mei 2007 een jaar op de stal bij [verdachte] gestaan. Soms vroeg [verdachte] [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) om een zoen en soms gaf ze die zelf. [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] zat soms ook bij [verdachte] op schoot. Ik heb één keer gezien dat er gezoend werd op de wang.

12. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank ‘s-Gravenhage van 26 maart 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 26 maart 2012 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 7]:

Ik stond vanaf begin 2008 op stal bij [verdachte] . U vraagt mij of er wel eens meiden bij [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) op schoot zaten. Ja. [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) bijvoorbeeld. U rechter-commissaris, vraagt mij of het op schoot zitten vrijwillig ging. Niet echt. [verdachte] trok de meisjes meestal een beetje op schoot. Hij zei dan bijvoorbeeld: "Kom maar even, we moeten even praten". Ze kwamen dus niet spontaan bij hem op schoot zitten.

13. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 8 augustus 2013 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 8]:

Ik ben in 2003 bij [verdachte] op stal gekomen. Ik heb gezien dat [verdachte] meisjes zoende. Het was in mijn beleving een vieze zoen op de wang. Hij heeft mij ook wel eens geprobeerd te zoenen. U houdt mij pagina 91 voor uit het dossier, waar ik verklaar dat ik vaker heb gezien dat iemand bij [verdachte] op schoot zat en dat er geknuffeld werd. U vraagt wat ik met knuffelen bedoel. Hij sloeg dan zijn armen om het betreffende meisje heen terwijl zij op zijn schoot zat en drukte haar tegen zijn borst aan in een soort omhelzing. Het kwam op mij smerig over.”

5. Met betrekking tot het bewijs heeft het Hof nader het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman, overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen, aangevoerd dat de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring bij haar aangifte onbetrouwbaar is en dat de verdachte derhalve van het onder 3 en 5 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof acht enerzijds niet aannemelijk geworden dat deze verklaring is gestuurd door getuige [getuige 7] of dat deze tot stand is gekomen doordat [slachtoffer 1] woorden in de mond zijn gelegd, terwijl de verklaring van [slachtoffer 1] naar het oordeel van het hof anderzijds steun vindt in de verklaringen van andere getuigen over het grensoverschrijdend gedrag van de verdachte tegenover zowel [slachtoffer 1] als andere meisjes en vrouwen die bij de stal kwamen. Daar komt bij dat de verklaring van [slachtoffer 1] bij haar aangifte op relevante punten voor wat betreft de aan de verdachte verweten feiten overeenkomt met hetgeen [slachtoffer 1] in het eerdere, informatieve gesprek tegenover de politie heeft verklaard.

Het hof is derhalve van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verklaring van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar is. Het verweer wordt verworpen.”

6. Het eerste middel, dat in drie klachten uiteen valt, heeft betrekking op het onder 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. De eerste deelklacht houdt in dat het Hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging in hoger beroep strekkende tot vrijspraak, nu de verklaring van de getuige [slachtoffer 2] niet betrouwbaar is en ook overigens wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van dit feit ontbreekt.

7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 15 juli 2014 volgt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn aan het Hof overgelegde pleitaantekeningen. Door de verdediging is betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van onder meer het hem onder 4 tenlastegelegde, nu er teveel twijfel bestaat ten aanzien van onder meer de aangifte van [slachtoffer 2] en het aan overtuigend bewijs ontbreekt.2 Daartoe is, in de kern genomen, aangevoerd dat het opvallend is dat [slachtoffer 2] niet direct na haar vertrek uit de stal in verband met het misbruik aangifte heeft gedaan, dat andere getuigen nooit iets van de verdachte verweten handelingen hebben gezien of gemerkt en dat [slachtoffer 2] zelf heeft verklaard dat zij wel eens uit eigen beweging bij verdachte op schoot is gaan zitten.3

8. De verdediging heeft, het voorgaande in aanmerking genomen, niet toegelicht waarom het van oordeel is dat er, zoals in de pleitaantekeningen is gesteld, vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de aangifte van [slachtoffer 2] kunnen worden geplaatst. Het aangevoerde raakt de betrouwbaarheid van de aangifte van [slachtoffer 2] niet of nauwelijks en sluit hetgeen daarin is gesteld overigens ook geenszins uit. Het Hof heeft het door de verdediging aangevoerde kennelijk en niet onbegrijpelijk niet aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt omtrent de betrouwbaarheid van de aangifte van [slachtoffer 2] . Het standpunt dat ook overigens wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van feit 4 ontbreekt is algemeen van aard en niet aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Als daarover anders wordt gedacht geldt nog het volgende. In aanmerking genomen hetgeen door de steller van het middel te berde is gebracht, kan worden volstaan met de opmerking dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen mijns inziens voldoende gegevens bevatten waarin de nadere motivering waarom het Hof het standpunt niet heeft aanvaard besloten ligt.4 De eerste deelklacht faalt.

9. De tweede deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu deze in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv enkel berust op de verklaring van de getuige [slachtoffer 2] . Daartoe is aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] niet de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen betreffen en dat voor deze handelingen aan voornoemde verklaringen noch aan andere bewijsmiddelen enige steun valt te ontlenen.

10. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.5 De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen.6Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.7

11. Anders dan de steller van het middel lijkt te veronderstellen, behelst het vereiste van voldoende steun niet dat de tweede bewijsgrond de verklaring van de getuige moet bevestigen.8 Doorslaggevend is of de tweede bewijsgrond voldoende steun geeft aan de verklaring van de getuige. Het vereiste van voldoende steun lijkt het beste te kunnen worden omschreven als een eis van inhoudelijk verband. Die eis sterkt er vooral toe, dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.9

12. De getuige [getuige 6] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] soms op schoot zat bij verdachte en dat hij één keer heeft gezien dat er op de wang werd gezoend (bewijsmiddel 11) en de getuige [getuige 7] heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] wel eens op schoot trok (bewijsmiddel 12). Uit deze verklaringen kan grensoverschrijdend gedrag van verdachte jegens [slachtoffer 2] worden afgeleid. Daarnaast kan uit de bewijsmiddelen 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10 en 13 grensoverschrijdend gedrag van verdachte jegens anderen dan [slachtoffer 2] worden afgeleid. Voornoemd steunbewijs (in onderlinge samenhang bezien) brengt mee dat aan het vereiste van voldoende steun mijns inziens is voldaan. Gelet hierop geeft het (impliciete) oordeel van het Hof dat de aangifte van [slachtoffer 2] voldoende steun vindt in ander gebezigd bewijsmateriaal en dat aldus is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. De tweede deelklacht faalt.

13. De derde deelklacht, die inhoudt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd voor zover deze inhoudt dat de bewezenverklaarde handelingen “buiten echt” hebben plaatsgevonden, faalt reeds nu uit de bewijsmiddelen 3 en 5 volgt dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten een vrouw, niet zijnde [slachtoffer 2] , had.10 De bewezenverklaarde handelingen kunnen dan ook niet anders dan buiten echt zijn geschied.11

14. Het eerste middel faalt in al haar onderdelen.

15. Het tweede middel, dat in twee klachten uiteen valt, heeft betrekking op het onder 5 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. De eerste deelklacht houdt in dat het Hof, mede gelet op hetgeen door en namens verdachte in hoger beroep is aangevoerd, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de bewezenverklaarde gedraging(en) “ontuchtige handelingen” opleveren, zoals bedoeld in art. 247 Sr. Daartoe is, met een verwijzing naar HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2491, NJ 2011/264, aangevoerd dat de bewezenverklaarde gedraging “het telkens op de mond zoenen” niet zonder meer is aan te merken als ontuchtige handeling(en). Dit geldt te meer nu verdachte ter terechtzitting van het Hof van 15 juli 2014 heeft aangevoerd dat van seksueel getinte zoenen geen sprake is geweest12 en de raadsman van verdachte in hoger beroep heeft aangevoerd dat verdachte “wellicht niet altijd even verstandig [heeft] gehandeld door in zijn enthousiasme over een mooie rijprestatie meiden te omhelzen of op de wang te zoenen, maar daarmee is hij nog niet in strafrechtelijke zin over de scheef gegaan”.13

16. De tenlastelegging van feit 5 is toegesneden op art. 247 Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende uitdrukking “ontuchtige handelingen” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

17. “Ontuchtige handelingen” als bedoeld in art. 247 Sr zijn handelingen gericht op seksueel contact althans contact van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.14 Of een handeling kan worden gekwalificeerd als seksueel en strijdig met de sociaal-ethische norm hangt onder meer af van de omstandigheden van het geval, zoals de verhouding tussen de betrokkenen en de omgeving waarin zij voorvalt.15 Ook de wijze van handelen en het lichaamsdeel als object van de ontucht, zijn relevant.16Het kan van de bedoeling van de verdachte afhangen of een handeling die niet noodzakelijkerwijs een ontuchtig karakter heeft toch ontuchtig is.17 Een handeling kan door de context waarin deze is verricht, zoals door het uiten van begeleidende woorden, een ontuchtig karakter krijgen.18

18. Uit eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat het zoenen op de mond niet zonder meer als ontuchtig kan worden aangemerkt.19 De seksuele intentie van verdachte in onderhavige zaak lijkt mij er evenwel te zijn, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen in onderhavige zaak volgt dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] niet alleen op de wang zoende, maar ook aan haar billen en borsten zat en haar op schoot trok (bewijsmiddelen 2, 7, 8 en 10). Maar ook de omstandigheid dat verdachte, enkele jaren later, de vagina van [slachtoffer 1] vele malen onzedelijk heeft betast (bewijsmiddelen 2, 3 en 4), draagt bij aan de overtuiging dat verdachte met het zoenen op de mond, ondanks dat dit reeds eerder in tijd plaatsvond, een seksuele bedoeling had en dat deze zoenen een ontuchtig karakter hadden. Aldus geeft het oordeel van het Hof dat het telkens zoenen op de mond van aangeefster [slachtoffer 1] kan worden aangemerkt als ontuchtige handeling(en), gelet op hetgeen de gebezigde bewijsmiddelen inhouden omtrent hetgeen feitelijk is geschied en mede in aanmerking genomen hetgeen door en namens verdachte in hoger beroep is aangevoerd, niet blijk van een te ruime, dus onjuiste uitleg van de in art. 247 Sr voorkomende uitdrukking “ontuchtige handelingen” en is dit oordeel voorts toereikend gemotiveerd. De eerste deelklacht faalt.

19. De tweede deelklacht, die inhoudt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd voor zover deze inhoudt dat de bewezenverklaarde handelingen “buiten echt” hebben plaatsgevonden, faalt reeds nu, zoals hiervoor bij de beoordeling van de derde deelklacht van het eerste middel reeds is besproken, uit de bewijsmiddelen 3 en 5 volgt dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten een vrouw had. Deze vrouw betrof blijkens deze bewijsmiddelen niet aangeefster [slachtoffer 1] . De bewezenverklaarde handelingen kunnen dan ook niet anders dan buiten echt zijn geschied.20

20. Het tweede middel faalt in beide onderdelen.

21. Het derde middel, dat in twee klachten uiteen valt, heeft betrekking op het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu deze in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv enkel berust op de verklaring van de getuige [slachtoffer 1] . Daartoe is aangevoerd dat de “verklaringen van andere getuigen”, waarnaar het Hof in zijn nadere bewijsoverweging, zoals hiervoor weergegeven onder 5, verwijst21, geen dan wel onvoldoende wettig steunbewijs behelzen voor de bewezenverklaarde verkrachting. De tot het bewijs gebezigde verklaringen van die getuigen staan in een te ver verwijderd verband van de bewezenverklaarde gedragingen. Voor zover de verklaringen wel van enige relevantie zijn voor het bewezenverklaarde, is het doordat zij weergeven wat de getuigen van [slachtoffer 1] hebben vernomen (dat zij is misbruikt), maar daarvoor geldt dat [slachtoffer 1] wederom de bron van informatie is.

22. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor onder 10 en 11 in verband met de bespreking van de tweede deelklacht van het eerste middel heb opgemerkt. Ook nu lijkt de steller van het middel te veronderstellen dat het vereiste van voldoende steun behelst dat de tweede bewijsgrond de verklaring van de getuige moet bevestigen. Dat is evenwel niet het geval. Zoals gezegd is doorslaggevend of de tweede bewijsgrond voldoende steun geeft aan de verklaring van de getuige.

23. De getuige [getuige 2] (bewijsmiddel 7) heeft verklaard dat verdachte vaak aan de billen en borsten van [slachtoffer 1] zat en dat hij haar vol op de mond kuste. Ze kon geen kant op. Ook vroeg [slachtoffer 1] de getuige altijd of hij bleef voeren, daarna kon zij ook naar huis. De getuige [getuige 3] (bewijsmiddel 8) heeft verklaard dat [slachtoffer 1] had verteld dat ze seksueel misbruikt was door verdachte. Ook heeft de getuige verklaard wel eens gezien te hebben dat [slachtoffer 1] en verdachte heel dicht bij elkaar stonden in de zadelkamer en dat ze schrokken toen de getuige binnenkwam. Voorts heeft de getuige meerdere malen gezien dat verdachte tikken op de billen van [slachtoffer 1] gaf. De getuige [getuige 4] (bewijsmiddel 9) heeft verklaard wel eens binnen te zijn gekomen en toen het gevoel gehad heeft niet gewenst te zijn. Verdachte en [slachtoffer 1] waren aan het dollen. De getuige [getuige 5] (bewijsmiddel 10) heeft bepaalde aanrakingen van verdachte richting [slachtoffer 1] gezien die zij niet correct vindt, zoals aan haar billen zitten. Verdachte was te handtastelijk, hij zat ook aan haar lichaam. Ook heeft de getuige verklaard dat [slachtoffer 1] vaak vroeg of de dochters van de getuige langer mochten blijven en dat ze soms erg bleef aandringen. De getuige [getuige 6] (bewijsmiddel 11) heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer 1] soms vroeg om een zoen. Uit deze verklaringen kan grensoverschrijdend gedrag van verdachte jegens [slachtoffer 1] worden afgeleid. Daarnaast kan uit de bewijsmiddelen 5, 6, 11, 12 en 13 grensoverschrijdend gedrag van verdachte jegens anderen dan [slachtoffer 1] worden afgeleid, waarbij ik opmerk dat bewijsmiddel 5 onder meer inhoudt de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] dat verdachte een keer heeft geprobeerd zijn hand in haar broek te stoppen, maar dat dat niet lukte. Voornoemd steunbewijs (in onderlinge samenhang bezien) brengt mee dat aan het vereiste van voldoende steun mijns inziens is voldaan. Gelet hierop geeft het (impliciete) oordeel van het Hof dat de aangifte van [slachtoffer 1] voldoende steun vindt in ander gebezigd bewijsmateriaal en dat aldus is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Dat de verklaring van de getuige [getuige 3] , voor zover deze inhoudt dat [slachtoffer 1] heeft verteld seksueel misbruikt te zijn door verdachte, gebaseerd is op de verklaring van [slachtoffer 1] , noopt niet tot een ander oordeel. De eerste deelklacht faalt.

24. De tweede deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd voor zover deze inhoudt dat verdachte “door feitelijkheden (te weten: het grote leeftijdsverschil) en bedreiging met een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen (…) en bestaande die bedreiging met die andere feitelijkheid hierin dat verdachte tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze de paarden kwijt zou raken als ze verdachte tegen zou werken”, althans dat de bewezenverklaarde dwang door (bedreiging met) feitelijkheden niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen, althans dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van dergelijke dwang.

25. De steller van het middel heeft aangevoerd dat het Hof in zijn arrest ten onrechte geen expliciete aandacht heeft besteed aan de vraag of in het onderhavige geval sprake is van het bewezenverklaarde dwingen door (bedreiging met) een feitelijkheid, nu de rechtspraak van de Hoge Raad daarvoor sterke contra-indicaties bevat. Kort gezegd rechtvaardigt het feit dat [slachtoffer 1] bang was om het contact met de paarden te verliezen noch het gegeven dat verdachte (veel) ouder was dan [slachtoffer 1] de conclusie dat sprake was van dwang door (bedreiging met) feitelijkheden in de zin van art. 242 Sr.

26. Voor “door (bedreiging met) een feitelijkheid dwingen” in de zin van art. 242 Sr is vereist dat de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan.22 Het bestaan van dwang door een feitelijkheid kan niet enkel worden afgeleid uit de tussen de verdachte en het slachtoffer bestaande feitelijke verhouding en het daaruit voortvloeiende overwicht van de verdachte op het slachtoffer.23 Noch is voldoende dat de verdachte door misbruik van zijn uit feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht op het slachtoffer en/of door misleiding van het slachtoffer, deze heeft bewogen de handelingen te ondergaan.24 Voor het bewijs van ‘door een feitelijkheid dwingen’ in de zin van art. 242 Sr moet uit de bewijsmiddelen kunnen volgen dat de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend dan wel het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat deze zich daardoor niet tegen de handeling(en) kon verzetten25, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige, door hem opzettelijk veroorzaakte, (bedreigende) situatie dat het daardoor voor het slachtoffer dermate moeilijk was om zich aan de handelingen te onttrekken dat sprake was van dwang van de verdachte.26

27. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft gedreigd dat [slachtoffer 1] de paarden kwijt zou raken als ze zijn onzedelijke handelingen niet zou toelaten (bewijsmiddel 2). Als ze afhield was hij boos en zorgde hij dat [slachtoffer 1] de paarden niet kon rijden. Als zij hem tevreden hield, kon ze de paarden rijden en anders niet (bewijsmiddelen 3 en 4). In het begin hield ze het heel erg tegen. Ze hield haar broek vast, maar desondanks deed hij dan zijn hand in haar broek. [slachtoffer 1] heeft hem heel vaak weggeduwd. Ze liet het gebeuren omdat ze anders alles kwijt zou raken met de paarden (bewijsmiddelen 2 en 4). De paarden waren erg belangrijk voor [slachtoffer 1] (bewijsmiddelen 1, 2, 3, 4 en 7) en verdachte wist dat [slachtoffer 1] voor wat betreft het rijden van wedstrijden afhankelijk van hem was en begreep dat de stal en de paarden belangrijk voor haar waren (bewijsmiddelen 1 en 4). Bovendien was er sprake van een groot leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer 1] (bewijsmiddelen 5 resp. 2).

28. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat verdachte door te dreigen dat [slachtoffer 1] de paarden kwijt zou raken als zij zou tegenwerken, en de keren dat [slachtoffer 1] niet meewerkte ook de daad bij het woord heeft gevoegd, opzettelijk heeft veroorzaakt dat [slachtoffer 1] de handelingen van verdachte tegen haar wil heeft ondergaan. Verdachte heeft [slachtoffer 1] opzettelijk in een zodanige afhankelijkheidssituatie gebracht dat zij zich daardoor niet tegen de handelingen kon verzetten. De paarden waren immers zeer belangrijk voor [slachtoffer 1] . Bovendien was er sprake van een uit het behoorlijk grote leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer 1] voortvloeiend feitelijk overwicht. Aldus is het oordeel van het Hof dat sprake is van “door (bedreiging met) een feitelijkheid dwingen” als bedoeld in art. 242 Sr, gelet op hetgeen de gebezigde bewijsmiddelen inhouden, niet onbegrijpelijk en behoeft dat oordeel geen nadere motivering. De tweede deelklacht faalt.

29. Het derde middel faalt in beide onderdelen.

30. Het vierde middel, dat in drie deelklachten uiteen valt, heeft betrekking op de (motivering van de) strafoplegging.

31. Met betrekking tot de strafoplegging heeft het Hof het volgende overwogen:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van twee meisjes. Het seksueel misbruik vond met name plaats in of bij de paardenstallen van de verdachte, waar de meisjes dagelijks waren om de paarden (van de verdachte) te berijden en te verzorgen. Voor het mogen berijden en verzorgen van de paarden waren de meisjes afhankelijk van de medewerking van verdachte.

De verdachte heeft aldus ernstig misbruik gemaakt van zijn positie als staleigenaar en van de grote liefde van de jonge slachtoffers voor (zijn) paarden. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers en heeft slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van delicten als de onderhavige daarvan nog lang de psychische gevolgen kunnen ondervinden; dit blijkt eveneens uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] . Uit de proceshouding van de verdachte blijkt voorts dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Het hof rekent de verdachte zijn gedragingen zwaar aan.

Het hof is - het voorgaande overwegende en tevens in aanmerking nemende dat verdachte thans van de feiten 1. en 2. wordt vrijgesproken - van oordeel dat slechts een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”

32. De eerste deelklacht houdt in dat het Hof ten onrechte aan de voorwaardelijke veroordeling de bijzondere voorwaarde heeft verbonden “dat gedurende de proeftijd geen minderjarige meisjes, behoudens familieleden, aanwezig mogen zijn in de manege (waaronder de stallen en/of de rijbak en/of de kantine) van de veroordeelde”, nu een dergelijke bijzondere voorwaarde niet toelaatbaar is. In het bijzonder betreft het geen “andere bijzondere voorwaarde[n], het gedrag van de veroordeelde betreffende” als bedoeld in art. 14c, tweede lid, Sr.

33. Naleving van een bijzondere voorwaarde moet uitsluitend in handen liggen van de veroordeelde.27 De bijzondere voorwaarde dient dan ook het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Van voormelde voorwaarde kan niet worden gezegd deze het gedrag van de veroordeelde betreft. De voorwaarde is aldus geformuleerd dat het het gedrag van derden, te weten minderjarige meisjes, betreft. De eerste deelklacht slaagt aldus.28

34. De tweede deelklacht houdt in dat het Hof ten onrechte de proeftijd op vijf jaren heeft vastgesteld, nu deze proeftijd niet meer dan twee jaren mocht bedragen.

35. Met ingang van 1 februari 200629 kan ingevolge art. 14b, tweede lid, tweede volzin, Sr de proeftijd ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.30 Nu de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten zijn begaan in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 respectievelijk 1 april 2008 tot en met 1 mei 2009 faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Dat het onder 5 bewezenverklaarde feit is begaan in de periode van 1 augustus 2003 tot en met 3 oktober 2005 maakt dat niet anders. De tweede deelklacht faalt.

36. De derde deelklacht houdt in dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden heeft bevolen, nu het heeft verzuimd te vermelden dat en op welke gronden er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in art. 14e, eerste lid, Sr. Ik merk op dat het de voorkeur verdient aan de dadelijke uitvoerbaarheid een afzonderlijke overweging te wijden waarin tot uitdrukking komt dat de wettelijke eisen zijn vervuld.

37. De strafmotivering van het Hof houdt in dat verdachte zich gedurende een lange periode schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van twee meisjes, welk seksueel misbruik met name plaatsvond in of bij de paardenstallen van de verdachte, waar de meisjes dagelijks waren om de paarden (van de verdachte) te berijden en te verzorgen, waarvoor de meisjes afhankelijk waren van de medewerking van verdachte. Door aldus te handelen heeft verdachte ernstig misbruik gemaakt van zijn positie als staleigenaar en van de grote liefde van de jonge slachtoffers voor (zijn) paarden en heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers en heeft slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Bovendien blijkt uit de proceshouding van de verdachte voorts dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

38. De bewezenverklaring van de feiten 3, 4 en 5 (verkrachting en ontucht met een kind) bevat gedragingen die onmiskenbaar zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van de aangeefsters.31 Hoewel met enige moeite concludeer ik dat in de strafmotivering besloten ligt, in het bijzonder waar het Hof overweegt dat uit de proceshouding van verdachte blijkt dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen, dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte “wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen”, zoals bedoeld in art. 14e, eerste lid, Sr. Daarbij neem ik in aanmerking dat de veroordeling betrekking heeft op twee slachtoffers en uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat nog een ander meisje door verdachte is lastig gevallen (bewijsmiddel 13). Het Hof heeft de beslissing aldus toereikend gemotiveerd.32De derde deelklacht faalt.

39. De eerste deelklacht van het vierde middel slaagt. De tweede en de derde deelklacht falen.

40. Alle voorgestelde middelen, met uitzondering van de eerste deelklacht van het vierde middel, falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen. De genoemde deelklacht slaagt.

41. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

42. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, in zoverre tot terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Een kennisgeving als bedoeld in art. 435 lid 2 Sv is eerst op 22 juni 2015 naar de benadeelde partijen verzonden. Dit betekent dat er gelet op de termijn van een maand vermeld in art. 437 lid 3 Sv nog (een) schriftu(u)r(en) houdende middelen betreffende de vordering(en) van (een van) de benadeelde partijen kan/kunnen binnenkomen. Mocht zich dit inderdaad voordoen dan ben ik desgewenst uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

2 Zie de pleitaantekeningen onder het kopje “I Inleiding” op p. 1 en onder het kopje “V Conclusie” op p. 14-15.

3 Zie de pleitaantekeningen onder het kopje “II Totstandkoming aangiften” op p. 1-3 en onder het kopje “IV Bespreking getuigenverklaringen” onder “a) [slachtoffer 2] ” op p. 4-8.

4 Vgl.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.8.2.

5 Het criterium dat de tweede bewijsgrond voldoende steun dient te geven aan de verklaring van de getuige heeft de Hoge Raad voor het eerst (expliciet) gehanteerd in HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3704, NJ 2009/495 en HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009/496 m.nt. M.J. Borgers. Zie over het criterium van voldoende steun bijvoorbeeld F.W. Bleichrodt, “Bewijsminima: een nieuwe invulling?”, in: P.H.P.H.M.C. van Kempen e.a. (red.), Levend strafrecht (bundel Buruma), Deventer 2011, p. 11-26 en M.J. Borgers, “De toepassing van de bewijsminimumregel”, DD 2012, p. 873-893.

6 Vgl. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512.

7 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6753 en HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3747.

8 Vgl. HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6458, NJ 2012/250. Zie ook Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, p. 800 en p. 802.

9 Zie ook Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, p. 800-801.

10 Bigamie is strafbaar gesteld in art. 237 Sr.

11 Zie voor een zelfde redeneerwijze HR 28 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9010, NJ 1993/208, waarin de Hoge Raad over het manco in de bewijsconstructie heenstapte omdat de slachtoffertjes nog geen 1 resp. 3 jaar oud waren. Zie ook Machielse in NLR, aantek. 2 bij art. 245 Sr (bijgewerkt tot 24 april 2014).

12 Zie p. 4 van het proces-verbaal van voormelde terechtzitting.

13 Zie p. 14 van de pleitaantekeningen van de raadsman.

14 Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 3 (MvT), p. 2. Zie ook Machielse in NLR, aantek. 5 bij art. 246 Sr (bijgewerkt tot 24 april 2014).

15 Vgl. Machielse in NLR, aantek. 5 bij art. 246 Sr (bijgewerkt tot 24 april 2014). Zie ook HR 7 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8880.

16 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4288, NJ 2012/573 m.nt. Schalken (PHR:2012:BX4288) met een verwijzing naar HR 4 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3321 (het Hof ’s-Hertogenbosch nam dit mede in overweging in de motivering van een vrijspraak, waarover in cassatie door het OM is geklaagd met een middel dat de Hoge Raad met een aan art. 81 RO ontleende motivering heeft afgedaan).

17 Vgl. Machielse in NLR, aantek. 5 bij art. 246 Sr (bijgewerkt tot 24 april 2014). Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4288, NJ 2012/573 m.nt. Schalken (PHR:2012:BX4288) met een verwijzing naar zijn conclusie vóór HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5563 (PHR:2010:BL5563).

18 Vgl. HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4825.

19 Vgl. HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2491, NJ 2011/264.

20 Kortheidshalve verwijs ik naar de voetnoten behorend bij de bespreking van de derde deelklacht van het eerste middel.

21 Ik merk op dat deze nadere bewijsoverweging een bespreking door het Hof behelst van het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer dat de verklaring van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar is.

22 Vgl. HR 29 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZD1101, NJ 1995/201, HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, NJ 2004/439 en HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767, NJ 2007/422 m.nt. Y. Buruma. Zie ook Machielse in NLR, aantek. 5 bij art. 242 Sr (bijgewerkt tot 24 april 2014).

23 Vgl. HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, NJ 2004/78 en HR 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5707, NJ 2007/288 m.nt. J.M. Reijntjes. Zie ook Machielse in NLR, aantek. 2 bij art. 242 Sr (bijgewerkt tot 24 april 2014).

24 Vgl. HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767, NJ 2007/422 m.nt. Y. Buruma en HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3627, NJ 2013/438 m.nt. N. Keijzer.

25 Vgl. HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1653, NJ 2000/125 en HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6940, NJ 2006/624 m.nt. Y. Buruma.

26 Vgl. HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1653, NJ 2000/125, HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767, NJ 2007/422 m.nt. Y. Buruma, HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7650, NJ 2008/126 m.nt. N. Keijzer en HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2833, NJ 2009/529.

27 Zie F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde, 1996, p. 81-86.

28 Zie ook Fokkens in NLR aantek. 16.2 bij art. 14c Sr (bijgewerkt tot 25 maart 2012) en de daarin genoemde jurisprudentie.

29 Besluit van 9 januari 2006 (Stb. 2006, 23).

30 Wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima (Stb. 2006, 11).

31 Zie bijv. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3379, NJ 2015/8, waarin de Hoge Raad ter zake belaging anders oordeelde.

32 Zie bijv. HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:910, NJ 2015/235 m.nt. F. Vellinga-Schootstra en HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537, NJ 2015/236 m.nt. F. Vellinga-Schootstra.