Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1762

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
14/03507
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2577, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Artt. 2, 5 en 8 Leerplichtwet (Lpw). Artt. 8, 9 en 14 EVRM. Art. 2 Eerste Protocol EVRM. Art. 1 Twaalfde Protocol EVRM. Het oordeel van het Hof dat in de onderhavige zaak art. 8 lid 2 Lpw geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op art. 9 en/of 14 EVRM en art. 2 Eerste Protocol EVRM getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De enkele omstandigheid dat toepassing van artt. 2, 5 en 8 Lpw uiteenlopende consequenties heeft voor ouders met overwegende bedenkingen die hun kind niet eerder op een school inschreven, en ouders die dat wél hebben gedaan, noopt niet tot een ander oordeel.

De HR overweegt voorts dat het bepaalde in art. 9 EVRM, art. 2 Eerste Protocol EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol EVRM niet tot gevolg heeft dat de mogelijkheid een beroep te doen op een vrijstelling a.b.i. in art. 5 Lpw jo. art. 8 lid 1 Lpw, niet aan een beperking kan zijn onderworpen a.b.i. art. 8 lid 2 Lpw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/03507

Zitting: 30 juni 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 10 juli 2014 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het vonnis van de kantonrechter in de Rechtbank Midden-Nederland van 2 december 2013, met aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf, bevestigd. Verdachte is veroordeeld voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet en het hof heeft hem daartoe een straf opgelegd van € 251,- te vervangen door vijf dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De zoon van verdachte is na zijn vierde verjaardag in februari 2012 gedurende een aantal maanden ingeschreven geweest bij een basisschool in [plaats], die bij nader inzien niet aansloot bij de holistische levensovertuiging van de ouders. De ouders hebben vervolgens de gemeente bericht een beroep te doen op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving in een school ingevolge art. 5b Leerplichtwet (Lpw), waarbij zij, overeenkomstig art. 8 lid 1 Lpw, hebben aangegeven overwegende bedenkingen te hebben tegen de richting van alle scholen die zich op redelijke afstand bevinden. Vanaf juli 2012 heeft de zoon thuisonderwijs gekregen. Het beroep op vrijstelling is afgestuit op art. 8, tweede lid, Lpw waarin is bepaald dat een dergelijk beroep niet meer kan worden gedaan indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school van de richting waartegen bedenkingen worden geuit. Ten overstaan van de kantonrechter en het hof heeft verdachte betoogd dat de uitsluiting van de mogelijkheid om een beroep op vrijstelling, zodra een kind eenmaal als leerling ingeschreven is geweest op een school waartegen bedenkingen bestaan, in strijd is met art. 9 EVRM, art. 2 Eerste Protocol bij het EVRM, art. 14 EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM.

  4. Het middel is toegespitst op de verwerping door de kantonrechter van het verweer dat art. 8 lid 2 Lpw buiten toepassing moet worden gelaten vanwege strijdigheid met art. 14 EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM. Toepassing van art. 8 lid 2 Lpw zou een schending van het discriminatieverbod opleveren omdat deze bepaling een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen ouders die een “onveranderlijke” overtuiging hebben en ouders die van overtuiging veranderen of hun overtuiging verdiepen.

  5. De voor de bespreking van het middel relevante verdrags- en wetsbepalingen luiden als volgt:

- Art. 14 EVRM:

"Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status."

- Art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM

“1.Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.”

- Art. 2, eerste lid, Lpw:

"Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van een andere school overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn onderwijsnummer zijn vermeld. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen."

- Art. 5 Lpw:

"De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang

a. de jongere op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten;

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben;

c. de jongere als leerling van een inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt."

- Art. 8 Lpw:

"1. Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

2. Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit."

6. Ten overstaan van het hof heeft de raadsvrouw van verdachte kort samengevat aangevoerd dat er geen objectieve of redelijke rechtvaardiging bestaat voor het maken van onderscheid tussen ouders, zoals verdachte, die aanspraak maken op vrijstelling op grond van de Lpw vanwege een gewijzigde of bijgestelde levensovertuiging en ouders die vanwege hun levensovertuiging van begin af aan voor vrijstelling van de verplichting ingevolge art. 2 Lpw in aanmerking komen. Daarom zou art. 8 lid 2 Lpw buiten toepassing moeten worden gelaten wegens strijdigheid met art. 14 EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM en verdachte moeten worden vrijgesproken.

7. Het hof heeft dit verweer, waarbij het impliciet de overwegingen van de kantonrechter tot de zijne heeft gemaakt, als volgt verworpen:

“Het hof beseft dat sprake is van een zwaarwegende zaak. Maar de zaak is tevens overzichtelijk. De juridische vragen die voorliggen zijn niet nieuw. De feitelijke grondslag is duidelijk. Niemand twijfelt aan de beste bedoelingen van verdachte. Die staan niet ter discussie. In eerste aanleg heeft de kantonrechter keurig de lijn gevolgd van de Hoge Raad. Juridisch is daar weinig op af te dwingen. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen verdachte en anderen, zoals aangevoerd door de raadsvrouw van verdachte. Naar het oordeel van het hof moet voorzichtig worden omgegaan met de enkele uitzonderingen die er zijn. De uitzondering zoals neergelegd in artikel 5 van de Leerplichtwet 1969 gaat hier niet op.”

8. De voor het middel relevante overwegingen van de kantonrechter luiden als volgt:

“De verdediging heeft voorts een beroep gedaan op artikel 14 EVRM. Dat artikel verbiedt het maken van ongerechtvaardigd onderscheid bij de waarborging van de in het EVRM gegarandeerde basisrechten. In de onderhavige strafzaak zou de wetgever met artikel 8, tweede lid, Leerplichtwet ongerechtvaardigd onderscheid hebben gemaakt tussen jongeren, in het bijzonder jongeren uit hetzelfde gezin, van wie de ene wel en de andere niet van de vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Leerplichtwet kan profiteren. Ten aanzien van de zoon, dat reeds eerder ingeschreven is geweest voor een school waartegen bedenkingen bestaan, kan de inschrijvingsplichtige zich niet langer beroepen op vrijstelling, terwijl dat ten aanzien eventuele jongere kinderen uit hetzelfde gezin in voorkomende gevallen wel mogelijk zou kunnen zijn.

Hiervoor zette de kantonrechter reeds zijn oordeel uiteen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een beperking van de door artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM gegarandeerde rechten. Op de eerder uiteengezette gronden kan niet worden gezegd dat van enige daadwerkelijke beperking sprake is. Gevolg van artikel 8, tweede lid, Leerplichtwet is ontegenzeggelijk dat in bepaalde gezinnen de ene jongere wel en de andere jongere niet onder vrijstelling valt. Dit onderscheid is evenwel terug te voeren op een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Reeds omdat geen sprake is van gelijke gevallen, het ene kind is immers eerder ingeschreven geweest voor een school waartegen bedenkingen bestaan, het andere is dat niet, valt niet in te zien waarom het onderscheid in strijd zou komen met artikel 14 EVRM. Daarbij is opnieuw relevant dat de inschrijvingsplichtige voor de jongere ten aanzien van wie geen beroep kan worden gedaan op artikel 5 onder b. Leerplichtwet, de eerder genoemde alternatieven kan benutten. Van enig ongerechtvaardigd onderscheid is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, zodat ook dit onderdeel van het verweer dient te worden verworpen.

De verdediging heeft ten slotte een beroep gedaan op artikel 1 P12 EVRM. Daartoe is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat met een inhoudelijke beoordeling van de richting onderscheid wordt gemaakt op de enkele grond van de inhoud van de opvattingen van verdachte over schoolonderwijs of andere zaken, zonder dat daar een objectieve rechtvaardiging voor bestaat.

Voor zover de verdediging haar beroep op artikel 1 P12 EVRM baseert op de stelling dat de strafrechter de bedenkingen tegen de richting van een school in die zin inhoudelijk beoordeelt dat ook het gewicht van die bezwaren wordt beoordeeld, mist het verweer feitelijke grondslag. Zoals reeds door de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 1980, NJ 1980, 190, is duidelijk gemaakt, en is herhaald in zijn arrest van 30 oktober 2001, LJN AB2946, treedt de rechter niet in het gewicht van de tegen een school opgeworpen bezwaren. Wel dient de rechter te onderzoeken of de bezwaren de richting van het onderwijs betreffen. Voor zover het verweer ook het onderzoek van de richting van de bezwaren in strijd acht met artikel 1 P12 EVRM dient het te worden verworpen. Voor zover daarmee al onderscheid als bedoeld in die bepaling wordt gemaakt, is dat onderscheid inherent aan het door de wetgever gekozen systeem van leerplicht met beperkte mogelijkheden van vrijstelling op grond van richtingbezwaren, en daarmee aan te merken als een gerechtvaardigd onderscheid. Indien de opvatting van de verdediging zou worden gevolgd, zou het gevolg zijn dat het beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Leerplichtwet aan enige rechterlijke controle is onttrokken. Het is evident dat dit niet de bedoeling van de wetgever is geweest. Evenmin dwingt enige internationaalrechtelijke bepaling tot een dergelijk oordeel. Op het voorgaande stuit ook af de stelling van de verdediging dat voor een onderzoek naar de vraag of de bezwaren de richting van de school betreffen geen wettelijke grondslag bestaat. Deze bestaat, gezien het hiervoor overwogene wel degelijk, zij het niet zo expliciet als de verdediging kennelijk, maar ten onrechte, noodzakelijk acht.”

9. In de toelichting op het middel wordt terecht gesteld dat noch de kantonrechter noch het hof met zoveel woorden zijn ingegaan op de stelling die zowel ten overstaan van de kantonrechter als het hof is ingenomen, dat er een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen ouders met overwegende bezwaren die hun kinderen niet eerder op een school waartegen zij bedenkingen hebben, hebben ingeschreven en ouders die dat wel hebben gedaan. Het gaat dus om discriminatie van ouders, c.q. gezinnen in vergelijkbare situaties. De kantonrechter spreekt alleen over het onderscheid dat op grond van art. 8 lid 2 Lpw kan ontstaan tussen kinderen binnen een gezin, doordat alleen ten aanzien van één kind dat al ingeschreven is geweest op een school waartegen bedenkingen zijn, geen beroep meer kan worden gedaan op de vrijstellingsregeling terwijl een ander kind binnen hetzelfde gezin, dat niet eerder ingeschreven is geweest, wel vrijstelling kan krijgen. Het middel richt zich op discriminatoire karakter van de regeling ten opzichte van twee groepen ouders, hetgeen volgens de steller ervan in de jurisprudentie van de Hoge Raad nog niet aan de orde is geweest. Op de rechtsvraag die in het middel centraal staat is echter onlangs door de Hoge Raad beslist.

10. Na de indiening van de cassatieschriftuur heeft de Hoge Raad op 26 mei 2015 arrest gewezen in een zaak met een vergelijkbare achtergrond.1 Het ging om een situatie waarbij binnen hetzelfde gezin één kind niet vrijgesteld was en de andere kinderen wél vrijgesteld waren van de inschrijfplicht van art. 2 Lpw vanwege de levensovertuiging van hun ouders. Het niet vrijgestelde kind was gedurende een jaar ingeschreven geweest op een school waartegen bedenkingen waren en kwam daarom gelet op art. 8 lid 2 Lpw niet (meer) in aanmerking voor een vrijstelling. Door de verdachte was in cassatie onder andere gesteld dat er hierdoor een ongerechtvaardigde inbreuk werd gemaakt op de door art. 8 en 14 EVRM gewaarborgde rechten. De Hoge Raad overwoog ten aanzien van deze klacht als volgt:

“5.1. Het middel klaagt over 's Hofs verwerping van het verweer dat de verdachte op grond van art. 8 en 14 EVRM was vrijgesteld van de in art. 2, eerste lid, Lpw bedoelde inschrijfplicht, althans dat art. 2, eerste lid, Lpw buiten toepassing had moeten worden verklaard.

5.2. De memorie van antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Leerplichtwet 1969 houdt in:

"Artikel 8, tweede lid. Inderdaad betekent deze bepaling, dat, wanneer een kind eenmaal op een school is geplaatst, het niet meer voor de vrijstelling bedoeld in dit artikel in aanmerking komt, tenzij het verhuist of er geen school voor voortgezet onderwijs is binnen redelijke afstand van de woning van dezelfde richting als de school voor gewoon lager onderwijs."

(Kamerstukken II 1967-1968, 9039, nr. 5, p. 14)

5.3. Ingevolge het eerste lid van art. 2 Lpw zijn degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, verplicht te zorgen dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Slechts op de in art. 5 Lpw omschreven gronden kunnen de in art. 2 Lpw bedoelde personen een beroep doen op vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven. Daarbij dient het beroep op de in art. 5 onder b Lpw genoemde vrijstellingsgrond te voldoen aan de in art. 8 Lpw omschreven voorwaarden.

5.4. Uit het hiervoor onder 5.2 en 5.3 overwogene volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school geregeld bezoekt en dat slechts in de in art. 5 in verbinding met art. 8 Lpw omschreven gevallen een beroep kan worden gedaan op vrijstelling van deze verplichting. Met deze regeling wordt beoogd het recht op onderwijs voor het kind te garanderen. Gelet op het belang dat een kind zich binnen een (scholen)gemeenschap, waaraan ook andere kinderen deelnemen, kan ontwikkelen en vormen, maakt in een geval als het onderhavige het tweede lid van art. 8 Lpw geen ongerechtvaardigde inbreuk op de door art. 8 en 14 EVRM gewaarborgde rechten. (Vgl. EHRM 11 september 2006, nr. 35504/03 (Konrad tegen Duitsland) en ECRM 9 juli 1992, nr. 19844/92 (Leuffen tegen Duitsland).)

5.5. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval het tweede lid van art. 8 Lpw geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op art. 8 en/of 14 EVRM, gelet op het perspectief van de overheid die met een primair op een schoolplicht gebaseerd systeem probeert het recht van alle kinderen op onderwijs te verwezenlijken. In het licht van het hiervoor onder 5.4 overwogene getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het Hof de verwerping van het verweer toereikend gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat - naar de verdachte heeft aangevoerd - toepassing van de in 5.3 bedoelde voorschriften in het onderhavige geval uiteenlopende consequenties heeft voor de kinderen van het gezin, noopt niet tot een ander oordeel.”

11. In mijn conclusie voorafgaand aan dit arrest heb ik, vergelijkbaar met de stellingen die in het middel in onderhavige zaak worden ingenomen, het standpunt verdedigd dat de beperking ingevolge artikel 8 lid 2 Lpw, voor zover het gaat om het verkrijgen van vrijstelling van de inschrijfplicht, niet kan worden gerechtvaardigd door een pressing social need, dus niet noodzakelijk is in een democratische samenleving en buiten toepassing zou moeten worden gelaten.2 Ik heb daarbij verwezen naar de wetsgeschiedenis, waaruit naar mijn mening niet kan worden afgeleid dat de regeling van art. 8 lid 2 Lpw primair is bedoeld om een recht op onderwijs te verwezenlijken, nu een tijdige kennisgeving aan de gemeente, zonder verdere inhoudelijke controle of voorwaarden volstaat om voor vrijstelling van de inschrijvingsplicht in aanmerking te komen. Verder heb ik betoogd dat de ratio van de regeling van art. 8 lid 2 Lpw gelet op deze ruime vrijstellingsmogelijkheid een puur administratieve lijkt, die de inbreuk op art. 8 EVRM niet kan rechtvaardigen. Gelet hierop ben ik op de gestelde schending van art. 14 EVRM niet meer ingegaan.

12. De Hoge Raad heeft zoals hiervoor is geciteerd echter anders geoordeeld en daarbij ook overwogen dat er geen ongerechtvaardigde inbreuk is gemaakt op art. 14 EVRM, met als rechtvaardigingsgrond dat de regeling van art. 8 lid 2 Lpw gebaseerd is op de verwezenlijking van het recht op onderwijs van alle kinderen. Van dit uitgangspunt zal ik bij de verdere bespreking van het middel uitgaan.

13. Hoewel het in bovengemeld arrest van 26 mei 2015 ging om een verschil van behandeling van kinderen binnen een gezin is het arrest ook van belang voor onderhavige zaak omdat het naar mijn mening voor de onderliggende vraag of de regeling van art. 2 eerste lid, juncto art. 8 tweede lid Lpw al dan niet ongerechtvaardigd discriminatoir uitwerkt - en dat is de stelling die in het middel wordt ingenomen - niet uitmaakt of het gaat om discriminatie binnen een gezin of discriminatie van verschillende groepen ouders.

14. De Hoge Raad gebruikt voor de verwerping van het beroep op art. 8 EVRM en art. 14 EVRM in zijn hierboven aangehaalde overweging 5.5 dezelfde rechtvaardigingsgrond voor de gemaakte inbreuk op deze verdragsbepalingen, namelijk de verwezenlijking van het recht op onderwijs. Dat lijkt me terecht, nu bij de toets aan art. 14 EVRM, net als bij de toets aan een inbreuk op het familieleven zoals beschermd in art. 8 EVRM, bezien moet worden of ongelijke behandeling op objectieve en redelijke gronden kan worden gerechtvaardigd.3 Ik zal eerst het toetsingskader hieronder uitwerken en vervolgens, met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2015, de bespreking van het middel afronden.

15. In de eerste plaats is het discriminatieverbod van art. 14 EVRM accessoir aan de andere vrijheden en rechten die in het EVRM worden toegekend. Dat betekent dat art. 14 EVRM in beginsel slechts in verband met de uitoefening van een ander inhoudelijk verdragsrecht kan worden ingeroepen.4 Dit is in de onderhavige zaak het geval. De beweerde schending van art. 14 EVRM houdt immers verband met de vrijheid van godsdienst die in art. 9 EVRM wordt gewaarborgd en de vrijheid van onderwijs ingevolge art. 2 Eerste Protocol bij het EVRM. De toegevoegde waarde van art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM voor art. 14 EVRM is dat het discriminatieverbod hierdoor wordt uitgebreid naar alle rechten die bij wet worden toegekend. Omdat naar mijn mening de kwestie die in onderhavige zaak speelt zonder meer onder het bereik van art. 14 EVRM valt, heeft het Twaalfde Protocol voor onderhavige zaak geen echte toegevoegde waarde. Ik laat de verwijzing hiernaar dan ook verder buiten beschouwing.

16. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een schending van art. 14 EVRM hanteert het EHRM het volgende toetsingsmodel:

1. Is er sprake van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen?

- Zo nee: dan is er geen sprake van schending van artikel 14 EVRM;

2. Zo ja: Bestaat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling, dat wil zeggen:

2.1. Heeft het onderscheid een gerechtvaardigd doel?

2.2. Is er sprake van een redelijke mate van evenredigheid tussen het gehanteerde middel (de ongelijke behandeling) en het nagestreefde doel?

Indien er geen sprake is van vergelijkbare gevallen, of ongelijke gevallen die dan ook ongelijk zouden moeten worden behandeld, komt het EHRM niet meer toe aan de vraag of er een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte onderscheid is.5

17. De kantonrechter heeft in zijn door het hof bevestigde vonnis geoordeeld dat er geen sprake is van gelijke gevallen, omdat het verschil in behandeling voortkomt uit het feit dat in het ene geval het kind eerder ingeschreven is geweest op een school waartegen bedenkingen bestaan en in het andere geval het kind niet ingeschreven is geweest. Daardoor ziet de kantonrechter niet in waarom het onderscheid in strijd zou komen met artikel 14 EVRM. Het verweer is dus verworpen op grond van de eerste vraag in het hiervoor aangegeven toetsingsmodel.

Ik vraag me af of dit niet wat kort door de bocht is, omdat het verschil dat door de kantonrechter wordt aangehaald nu precies het punt is waar de klacht betrekking op heeft. Het gaat er immers om dat de regeling van artikel 8 lid 2 Lpw leidt tot het verschil in behandeling waar verdachte bezwaar tegen heeft gemaakt als zijnde in strijd met art. 14 EVRM. Het zou mijns inziens beter zijn geweest als de kantonrechter c.q. het hof hadden gemotiveerd waarom dit verschil in behandeling al dan niet redelijk en proportioneel was. Een aanzet voor een motivering die betrekking heeft op de proportionaliteit wordt door de kantonrechter echter wel gedaan doordat hij overweegt “dat de inschrijvingsplichtige voor de jongere ten aanzien van wie geen beroep kan worden gedaan op artikel 5 onder b. Leerplichtwet, de eerder genoemde alternatieven kan benutten”6 en dat er daardoor “van enig ongerechtvaardigd onderscheid” geen sprake is. Daaruit blijkt dat de vraag van vergelijkbaarheid (van de situatie van het gezin van verdachte met die van een gezin waarin de ouders wel een geslaagd beroep op de vrijstellingsmogelijkheid kunnen doen) in feite met de rechtvaardigingstoets samenvalt. Dat dit gebeurt is op zichzelf ook wel te herkennen in de Straatsburgse rechtspraak waarin de beoordeling van de vraag of er sprake is van onderscheiden gevallen en de toets of daarvoor een rechtvaardiging geldt wel eens door elkaar heen lopen.7

18. Waar het in onderhavige zaak om gaat is of het verschil in behandeling op grond van art. 8 lid 2 Lpw bij het verkrijgen van een vrijstelling van de inschrijvingsplicht, bezien in het licht van het discriminatieverbod van art. 14 EVRM voldoende gerechtvaardigd is. Art. 14 EVRM kent geen uitdrukkelijke beperkingsclausule, maar op grond van de jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid dat de criteria waaraan wordt getoetst of een beperking gerechtvaardigd is vergelijkbaar zijn met de toets aan art. 8 lid 2 EVRM, namelijk of er sprake is van een legitiem doel en of de inbreuk noodzakelijk en proportioneel is. Gerards verwoordt het als volgt8:

“Een problematisch onderscheid is er niet als de ongelijke behandeling evident onvergelijkbare gevallen betreft of als er eigenlijk helemaal geen sprake is van een nadelige behandeling van de klager. Is zo’n prima facie problematische ongelijke behandeling er wel, dan nog is er niet meteen strijd met artikel 14 EVRM. Een ongelijke behandeling kan namelijk aanvaardbaar zijn als er een voldoende overtuigende rechtvaardiging voor wordt aangedragen. Dat betekent eerst en vooral dat er een legitieme doelstelling aan het onderscheid ten grondslag moet liggen. In de praktijk houdt dat in dat de ongelijke behandeling gericht moet zijn op het verwezenlijken van objectieve, niet overmatig generaliserende, voldoende concrete doelstellingen. Daarnaast moet de ongelijke behandeling proportioneel zijn in relatie tot het bereiken van dit doel. Die proportionaliteit beoordeelt het Hof meestal in het concrete, individuele geval: de vraag is of de concreet voorgelegde ongelijke behandeling eigenlijk wel nodig en redelijk was in het licht van de doelstellingen die ermee worden nagestreefd.”

19. Nu de Hoge Raad in zijn arrest van 26 mei 2015 heeft geoordeeld dat art. 8 Lpw geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op art. 14 EVRM en heeft aangenomen dat het doel van deze bepaling is gebaseerd op het perspectief van de overheid die met een primair op een schoolplicht gebaseerd systeem probeert het recht van alle kinderen op onderwijs te verwezenlijken, heeft het cassatiemiddel geen kans van slagen. Met name niet, omdat de Hoge Raad daarbij heeft overwogen dat de omstandigheid dat de toepassing van art. 8 Lpw uiteenlopende consequenties kan hebben voor kinderen binnen een gezin, niet tot een ander oordeel noopt. Ik ga ervan uit dat dit oordeel niet anders zal luiden voor de situatie dat de toepassing van art. 8 Lpw tot uiteenlopende consequenties leidt voor verschillende gezinnen c.q. ouders in gelijksoortige omstandigheden.

20. Ook al is de door het hof overgenomen motivering van de kantonrechter summier gemotiveerd, gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof en de motivering ervan niet van een onjuiste rechtsopvatting.

21. Het middel is vergeefs voorgesteld.

22. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1338.

2 ECLI:NL:HR:2015:1338, onder 31- 42.

3 Zie Harris, O’Boyle & Warbick, Law of the European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2009, p. 585 e.v. en J. Gerards, (losbladige) Commentaar EVRM, art. 14 EVRM, C.2.3, bijgewerkt tot 1 april 2013.

4 Overigens wordt de reikwijdte van art. 14 EVRM door het EHRM ruim geïnterpreteerd waardoor het werkingsbereik inmiddels ook buiten de standaard EVRM-rechten valt, zie EHRM (Grote Kamer) 6 juli 2005, Stec t. VK, nr. 65731/01 en 65900/01 en EHRM (Grote Kamer) 16 maart 2010, Carson t. VK,nr. 42184/05, EHRC, 2010/60 m.nt. Bollen-Vandenboorn. Op grond van deze jurisprudentie valt ook het sociale zekerheidsrecht, nationaliteitsrecht, erfrecht, financiering van onderwijs, vreemdelingenrecht onder het bereik van art. 14 EVRM, zie Gerards, a.w., C.1.1.

5 Het toetsingsmodel is ontleend aan Gerards, a.w. C.2.1.

6 Gedoeld wordt op de eerdere overweging van de kantonrechter met betrekking tot de vraag of art. 9 EVRM en art 2 Eerste Protocol bij het EVRM geschonden zijn. Hierbij overweegt de kantonrechter: “Het staat de inschrijvingsplichtige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Leerplichtwet immers vrij de jongere, indien binnenredelijke afstand geen school is te vinden waartegen geen richtingbezwaren bestaan, elders in het land voor een school in te schrijven of zelf een dergelijke school op te richten, dan wel om hem na schooltijd en in het weekend onderwijs te laten volgen dat in overeenstemming is met zijn levensbeschouwing.”

7 Zie Gerards, a.w., C.2.2.1.

8 Gerards, a.w., de verwijzingen naar de paragrafen in de tekst zijn in het citaat weggelaten.