Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1761

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
14/03247
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3365, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 184.1 Sr. Blijkens de bewezenverklaring is een “onbekend gebleven persoon als verdacht van overtreding van art.184 Sr” op heterdaad aangehouden. De in het kader van deze aanhouding verrichte handelingen zijn ondernomen ter uitvoering van het in art. 53 Sv bepaalde. De tll. en de bewezenverklaring hebben betrekking op gedragingen van verdachte waarmee hij die aanhouding opzettelijk heeft belemmerd a.b.i. art. 184.1, tweede zinsdeel, Sr, en zien derhalve niet op gedragingen a.b.i. in het eerste zinsdeel van die bepaling (niet voldoen aan bevel of vordering). Gelet op de tekst van art. 184.1 Sr heeft het niet voldoen aan een bevel alleen betrekking op het eerste zinsdeel van die bepaling. De beoordeling van de rechtmatigheid van dat bevel staat dus niet ten toets bij het in het tweede zinsdeel omschreven strafbare feit. De in de klacht aan de orde gestelde vraag naar de rechtmatigheid van het gegeven bevel, behoeft hier dan ook geen beantwoording.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03247

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 juni 2014 de verdachte ter zake van “opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren te vervangen door twintig dagen hechtenis waarvan twintig uren voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. W.H. Jebbink, eveneens advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. De feiten die aan de onderhavige zaak ten grondslag liggen, kunnen als volgt worden geschetst. Op 1 mei 2012 heeft in Amsterdam een “anarchistische anti-kapitalistische demonstratie” plaatsgevonden. Van deze betoging is aan de burgemeester geen kennisgeving gedaan. Voor deze betoging heeft de burgemeester van Amsterdam op 1 mei 2012 vastgesteld “Voorschriften en beperkingen van de burgemeester op basis van artikel 5 van de Wet op de openbare manifestaties”. Een van de daarin opgenomen beperkingen houdt in dat “het dragen van gezichtsbedekkende kleding of middelen, zoals in ieder geval bivakmutsen en helmen niet is toegestaan”. Tijdens de betoging heeft de politie van alle personen die zich in de demonstratie bevonden, gevorderd “alle gezichtsbedekking en andere voorwerpen die verboden zijn met de demonstratie mee te voeren, af te doen of te verwijderen”. Nadat aan de vordering door een groot aantal personen geen gevolg werd gegeven, zijn meerdere verdachten aangehouden wegens overtreding van art. 184 Sr. De verdachte is aan arrestanten gaan hangen en aan de armen van ambtenaren die aanhoudingen verrichtten.

4. De verdachte is niet vervolgd wegens passieve wederspannigheid (art. 184, eerste zinsnede, Sr) maar wegens actieve wederspannigheid (art. 184, tweede zinsnede Sr). Het gaat in deze zaak dus niet om de vraag of de verdachte zich heeft gehouden aan de beperkingen die de burgemeester (aan deelnemers aan/bij de betoging) heeft gesteld, zodat zich evenmin de vraag voordoet hoe de strafbaarstelling van passieve wederspannigheid in art. 184, eerste zinsnede, Sr zich verhoudt tot de zelfstandige strafbaarstelling van het niet-nakomen van voorschriften en beperkingen die berusten op de Wet openbare manifestaties (Wom) zoals de burgemeester die had gesteld.1

5. De verdachte is veroordeeld wegens – kort gezegd – het opzettelijk belemmeren van een opsporingsambtenaar bij het aanhouden van een onbekend gebleven persoon en het overbrengen van die persoon naar een plaats van verhoor. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 1 mei 2012 te Amsterdam toen politieambtenaren werkzaam bij politieregio Amsterdam Amstelland, belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten een onbekend gebleven persoon als verdacht van overtreding van artikel 184 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden teneinde de voornoemde onbekend gebleven persoon ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, deze door die opsporingsambtenaren ter uitvoering van het bepaalde in artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering ondernomen handeling opzettelijk heeft belemmerd door de aangehouden persoon vast te houden”.

6. Het eerste middel klaagt over de bewijsconstructie en een onderdeel van de bewijsoverweging. In twee klachten wordt aangevoerd dat de bewijsconstructie onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. De eerste klacht houdt in dat het tweede en derde bewijsmiddel niet redengevend zijn. De tweede klacht houdt in dat twee door het hof gebruikte bewijsmiddelen elkaar tegenspreken. De derde klacht houdt in dat de overweging van het hof dat de verdachte zich heeft gemengd in de aanhouding “van één van de betogers” onbegrijpelijk is.

7. Andere klachten zijn mij in dit middel niet voldoende duidelijk geworden. Zo wordt sub 2 van het eerste middel geklaagd dat “dit oordeel en/of de bewezenverklaring” onbegrijpelijk is, zonder dat duidelijk wordt waarop “dit” terugslaat. Voor zover het middel afzonderlijk bedoelt te klagen over de onder 1.3 van het eerste middel aangewezen vrijspraken moet het buiten bespreking blijven omdat het verder niet is onderbouwd.

8. De eerste en tweede klacht hebben betrekking op het tweede en derde door het hof gebruikte bewijsmiddel. Beide bewijsmiddelen zijn ook van belang voor de beoordeling van het tweede middel, reden waarom ik de inhoud van beide hier weergeef:

2. Een ongenummerd proces-verbaal van aanhouding (aanhoudingskaart) van 1 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten:

Ik zag dat de verdachte tijdens meerdere aanhoudingen deze probeerde te belemmeren door aan de arrestanten te hangen en aan de armen van de aanhoudende ambtenaren te hangen. Tevens maakte de verdachte slaan en schoppende bewegingen richting de ambtenaren c.q. agenten.

3. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer 2012116410-2 van 1 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten:

Op 1 mei bevonden wij ons in burger gekleed op de openbare weg, de Jan Evertsenstraat, in Amsterdam. Wij maakten op dat moment deel uit van de aanhoudingseenheid Romeo 20 van de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland. Wij waren belast met toezicht op de openbare orde in verband met een krakersdemonstratie.

Wij bevonden ons aan de rand van de groep (demonstranten) en konden van dichtbij goede waarnemingen doen. Wij zagen dat verscheidene demonstranten gezichtsbedekkende kleding droegen. Wij hoorden dat de commandant van de Mobiele Eenheid vorderde dat de demonstranten deze gezichtsbedekking af moesten doen, anders zouden zij worden aangehouden. Wij zagen dat zij hier geen gevolg aan gaven. De demonstranten met deze gezichtsbedekking mochten worden aangehouden op grond van de Wet Openbare Manifestatie. Tijdens deze aanhoudingen zagen wij dat de verdachte, [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) deze aanhoudingen trachtte te belemmeren. Wij zagen dat de verdachte de aan te houden persoon bij armen en romp vastpakte en in tegengestelde richting van de aanhoudende agenten aan de verdachte (het hof begrijpt: de aan te houden persoon) trok, om zodoende te voorkomen dat de aanhoudende agenten hun werk naar behoren konden verrichten. Tevens zagen wij dat de verdachte schoppende en slaande bewegingen maakte in de richting van de aanhoudende collega’s. Teven[s] zagen wij dat de verdachte de armen van de aanhoudende agenten vastpakte om zodoende de aanhouding te verijdelen.

9. Met betrekking tot de eerste klacht, te weten dat het tweede en derde bewijsmiddel niet redengevend zijn, merk ik op dat te hoge eisen worden gesteld aan de bewijsconstructie en wordt miskend dat de gebruikte bewijsmiddelen ertoe dienen om de bewezenverklaring te dragen en niet op elk onderdeel behoeven aan te sluiten. Het is een algemene ervaringsregel dat het relaas van waarnemingen die betrekking hebben op dezelfde, hectische gebeurtenis, op onderdelen uiteen kunnen lopen.

10. Het onder 2 gebruikte bewijsmiddel zou niet redengevend zijn omdat het hof heeft nagelaten “met voldoende precisie aan te geven om welke in dit bewijsmiddel bedoelde aanhouding het gaat”. Dit onderdeel van de klacht faalt reeds omdat dit bewijsmiddel uitwijst dat de verdachte meer aanhoudingen heeft belemmerd. Daaruit heeft het hof moeiteloos kunnen afleiden dat de verdachte (ten minste) één aanhouding heeft belemmerd.

11. Het onder 3 gebruikte bewijsmiddel zou niet redengevend zijn omdat daaruit blijkt dat de verdachte aan de armen van aanhoudende ambtenaren heeft gehangen alsmede slaande en schoppende bewegingen in hun richting heeft gemaakt terwijl het hof de verdachte juist heeft vrijgesproken van het ten laste gelegde maken van slaande of schoppende bewegingen. Ook dit klachtonderdeel faalt. Uit het onder 3 gebruikte bewijsmiddel heeft het hof kunnen opmaken dat de verdachte aan de armen van aanhoudende ambtenaren heeft gehangen alsmede slaande en schoppende bewegingen in hun richting heeft gemaakt, en dat de verdachte zodoende de aanhouding van een onbekend gebleven persoon heeft belemmerd. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.

12. Met betrekking tot de tweede klacht, te weten dat het tweede en derde bewijsmiddel onderling tegenstrijdig zijn, merk ik het volgende op. De inhoud van het bewijsmiddel dat het hof onder 2 heeft gebruikt is relatief beknopt en komt inhoudelijk overeen met de inhoud van de door het hof onder 3 gebruikte bewijsmiddel. Van een tegenstrijdigheid is in zoverre geen sprake. Voor zover erover wordt geklaagd dat het derde door het hof gebruikte bewijsmiddel betrekking heeft op de aanhouding van één enkele demonstrant, berust het op een onjuiste lezing van dat bewijsmiddel waarin wordt gerelateerd dat “de verdachte […] deze aanhoudingen trachtte te belemmeren”.

13. Uit het maken van slaande en schoppende bewegingen in de richting van aanhoudende politieambtenaren alsmede het vastpakken van armen van aanhoudende politieambtenaren heeft het hof kunnen opmaken dat de verdachte opzettelijk de aanhouding belemmerde.

14. De derde klacht heeft betrekking op de overweging van het hof dat de verdachte zich heeft gemengd in de aanhouding “van één van de betogers”.

15. De nadere bewijsoverweging begint met een schets van de gang van zaken rond de betoging en houdt daar het volgende in:

De verdachte werd aangehouden omdat hij zich (fysiek) mengde in de aanhouding van een van de betogers.

16. Dit onderdeel van de nadere bewijsoverwegingen zou onbegrijpelijk zijn “nu het hof blijkens bewijsmiddel 2 heeft vastgesteld dat verzoeker meerdere aanhoudingen probeerde te belemmeren.” Inderdaad kan uit het tweede door het hof gebruikte bewijsmiddel worden opgemaakt dat de verdachte niet alleen de aanhouding probeerde te belemmeren van de onbekend gebleven demonstrant maar ook “meerdere aanhoudingen […] probeerde te belemmeren”.

17. De motiveringsklacht komt in feite neer op het volgende: uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich aan nog veel meer strafbare feiten schuldig heeft gemaakt want hij heeft ook de aanhouding van anderen belemmerd althans geprobeerd te belemmeren. Ik zie niet in waarom daardoor onbegrijpelijk is dat het onderhavige feit bewezen is verklaard.

18. Het middel faalt.

19. Het tweede middel richt zich tegen de motivering van de bewijsconstructie. Als ik het goed zie, komt het middel in de kern erop neer dat onvoldoende is gemotiveerd dat en waarom de processen-verbaal die het hof voor het bewijs heeft gebruikt daadwerkelijk betrekking hebben op de verdachte. In twee klachten wordt aangevoerd dat de “koppeling” met de verdachte onvoldoende is gemotiveerd. Als eerste klacht wordt aangevoerd dat de koppeling tussen twee door het hof voor het bewijs gebruikte processen-verbaal onvoldoende is gemotiveerd gelet op de daartussen bestaande discrepanties. Als tweede klacht wordt aangevoerd dat het hof op basis van eigen waarneming een koppeling heeft gelegd tussen het proces-verbaal met daaraan de zogenoemde “aanhoudingskaart” terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 mei 2014 niet blijkt dat die eigen waarneming “is verricht tijdens het onderzoek ter terechtzitting”.

20. Het hof heeft onder 2 een proces-verbaal voor het bewijs gebruikt dat de zogenoemde “aanhoudingskaart” betreft, waaraan een polaroid foto is gehecht. Aan het andere proces-verbaal, het “aanhoudingsproces-verbaal” dat het hof onder 3 voor het bewijs gebruikt, is geen foto gehecht. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van 28 mei 2014 aangevoerd dat beide processen-verbaal niet aan elkaar kunnen worden gekoppeld.

21. Het hof heeft een koppeling tussen beide processen-verbaal gelegd en in het arrest daarover het volgende overwogen:

“Voorts staat voldoende vast dat de verdachte degene is die vervolgens werd aangehouden vanwege het belemmeren van de aanhouding van die eerdergenoemde persoon. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de aan de aanhoudingenkaart gehechte foto, die kennelijk ter plaatse en vlak na de aanhouding is genomen en waarop de aangehouden persoon te zien is, met op de achtergrond een van de verbalisanten die hem hadden aangehouden. De persoon op die foto vertoont genoeg gelijkenis met foto’s van de verdachte in het dossier om te concluderen dat het om dezelfde persoon gaat. Voorts is door of namens de verdachte in eerste aanleg noch in hoger beroep betwist dat hij degene is die op de foto op de aanhoudingenkaart staat. De door de raadsman genoemde gebreken in de gegevens op de aanhoudingenkaart, zoals het signalement van de aangehouden persoon, kan daaraan niet afdoen, evenmin als de discrepantie tussen de aanhoudingenkaart en het proces-verbaal van aanhouding over het gebruik van handboeien.”

22. Het oordeel van het hof dat het aanhoudingsproces-verbaal betrekking heeft op de verdachte is feitelijk en acht ik niet onbegrijpelijk. Het oordeel komt erop neer dat de discrepanties tussen het aanhoudingsproces-verbaal en de aanhoudingskaart niet dusdanig zijn dat beide niet aan elkaar kunnen worden gekoppeld in die zin dat deze geen betrekking hebben op dezelfde persoon. De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof op discrepanties gewezen en desondanks heeft het hof geoordeeld dat beide processen-verbaal betrekking hebben op de verdachte. Dat oordeel is nu eenmaal aan de feitenrechter voorbehouden.

23. De eerste klacht van het tweede middel faalt.

24. De tweede klacht, te weten dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 mei 2014 niet blijkt dat de eigen waarneming van het hof is gedaan tijdens het onderzoek ter terechtzitting, stuit formeel af op hetgeen is bepaald in art. 417, eerste lid, Sv. Het proces-verbaal van de zitting van de politierechter van 12 juli 2012 houdt in dat de politierechter “mondeling de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek” mededeelt. De aanhoudingskaart is onderdeel van de stukken van het voorbereidend onderzoek. Op grond van art. 417, eerste lid, Sv mag de aanhoudingskaart in hoger beroep als besproken worden beschouwd.

25. Bovendien gaat het erom of de procespartijen door de eigen waarneming van het hof worden verrast.2 In dat geval mag van de rechter worden verwacht dat hij de ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake brengt en dat daarvan in het proces-verbaal melding wordt gemaakt. In deze zaak kan de verdediging echter niet zijn verrast, omdat de foto die aan de aanhoudingskaart is gehecht deel uitmaakt van het dossier waarvan ook de raadsman heeft kunnen kennisnemen, de inhoud van de aanhoudingskaart ter terechtzitting is medegedeeld, terwijl bovendien uit de processen-verbaal van de terechtzittingen blijkt dat de aanhoudingskaart daar uitvoerig is besproken. De klacht faalt.

26. Het middel faalt.

27. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de onbekend gebleven aangehouden persoon verdacht werd van overtreding van art. 184 Sr en dat het handelen van de opsporingsambtenaren geschiedde ter uitvoering van art. 53 Sv. Als ik het goed zie, worden hiertegen meer specifiek twee klachten aangevoerd. De eerste klacht houdt in dat in deze zaak slechts de opdracht had kunnen worden gegeven de demonstratie terstond te beëindigen en uiteen te gaan, welke opdracht enkel door of in opdracht van de burgemeester had kunnen worden gegeven. De tweede klacht houdt in dat het hof niet heeft vastgesteld dat de politie in opdracht van de burgemeester handelde.

28. Ter terechtzitting van 28 mei 2014 is aangevoerd dat de aanhouding van de onbekend gebleven demonstrant onrechtmatig was “omdat er geen sprake was van een handeling gebaseerd op een wettelijk voorschrift, zoals art. 184 Sr voorschrijft.” Aan dit verweer is ten grondslag gelegd dat het bevel “onbevoegd was gegeven en daarmee onrechtmatig was”. Met een beroep op een viertal vonnissen van de rechtbank Amsterdam is daarbij een beroep gedaan op de uitleg van art. 5 en 6 WOM. In aanvulling hierop wordt in cassatie ook nog een beroep gedaan op art. 7 WOM.

29. In zijn arrest is het hof uitvoerig ingegaan op het verweer dat de aanhouding van de onbekend gebleven persoon onrechtmatig was en derhalve niet gebaseerd op een wettelijk voorschrift, zoals overeenkomstig art. 184 Sr aan de verdachte is tenlastegelegd. Daarbij heeft het hof ook het wettelijk kader uiteengezet dat van belang is voor de beoordeling van het middel.3 Ik citeer:

De raadsman heeft beoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

[…]

b. De (onbekend gebleven) persoon werd aangehouden omdat hij geweigerd had te voldoen aan het bevel (van de burgemeester) gezichtsbedekkende kleding af te doen. Aangezien de burgemeester niet bevoegd was een dergelijk bevel te geven - hetgeen in andere strafzaken heeft geleid tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging - was de aanhouding van de (onbekend gebleven) persoon onrechtmatig en derhalve niet gebaseerd op een wettelijk voorschrift, zoals overeenkomstig artikel 184 Sr aan de verdachte is tenlastegelegd.

[…]

Ad b.

De voor de beoordeling van het verweer relevante bepalingen van de Wet openbare manifestaties (WOM) luiden als volgt:

Paragraaf II. Bepalingen voor openbare plaatsen

Artikel 2

De bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht (...) tot vergadering en betoging, kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en er bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 4

1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin voor vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving is vereist.

2. De verordening voorziet tenminste in:

a. de regels betreffende de gevallen waarin een schriftelijke kennisgeving wordt vereist van degene die voornemens is een vergadering of betoging te houden;

b. de regels betreffende het tijdstip waarop de kennisgeving moet zijn gedaan, de bij de kennisgeving te verstrekken gegevens, en het verstrekken van een bewijs van ontvangst aan degene die de kennisgeving doet.

3. Over de inhoud van de te openbaren gedachten of gevoelens worden geen gegevens verlangd.

Artikel 5

1. De burgemeester kan naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

2. Een verbod geven kan slechts worden gegeven indien:

a. de vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan;

b. de vereiste gegevens niet tijdig zijn verstrekt;

c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

3. Een voorschrift, beperking of gebod kan geen betrekking hebben op de (...) te openbaren gedachten of gevoelens.

4. Beschikkingen als bedoeld in het eerste lid worden zo spoedig mogelijk bekendgemaakt aan degene die de kennisgeving heeft gedaan.

Artikel 6

De burgemeester kan tijdens een (...) vergadering of betoging aanwijzingen geven, die degenen die deze houden of daaraan deelnemen in acht moeten nemen.

Artikel 7

De burgemeester kan aan degenen die een (...) vergadering of betoging houden of daaraan deelnemen opdracht geven deze terstond te beëindigen en uiteen te gaan, indien:

a. de vereiste kennisgeving niet is gedaan, of een verbod is gegeven;

b. in strijd wordt gehandeld met een voorschrift, beperking of aanwijzing; c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

De in artikel 4 WOM bedoelde regels zijn voor wat betreft de gemeente Amsterdam opgenomen in artikel 2.32 en 2.33 van de APV 2008. Artikel 2.32 houdt in, voor zover hier van belang, dat de organisator van een betoging op een openbare plaats de burgemeester van de betoging ten minste 24 uur vóór de aanvang daarvan in kennis stelt. Artikel 2.33 bepaalt dat bij die kennisgeving gebruik wordt worden vermeld, en dat de organisator een bewijs van de kennisgeving en het tijdstip waarop deze is gedaan, ontvangt.

De onderhavige betoging betreft een “anarchistische anti-kapitalistische demonstratie” op 1 mei 2012 die op internet was aangekondigd. Vaststaat dat van deze betoging geen kennisgeving aan de burgemeester was gedaan.

De burgemeester heeft op 1 mei 2012 voor deze betoging “Voorschriften en beperkingen van de burgemeester op basis van artikel 5 van de Wet op de Openbare Manifestaties” vastgesteld. Een van die voorschriften hield in dat “het dragen van gezichtsbedekkende kleding of middelen, zoals in ieder geval bivakmutsen en helmen niet is toegestaan”.

De parlementaire geschiedenis van de Wet openbare manifestaties houdt onder meer het volgende in (i.h.b. Kamerstukken II 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 5-7, 9-11, 13, 19-20; 1986-1987, nr. 5, p. 9-10/11; 1987-1988, p. 4-5).4

Met de wet is onder meer beoogd nadere regels te stellen met betrekking tot de uitoefening van het recht tot vergadering en betoging. Bij vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen is (uiteindelijk) gekozen voor een kennisgevingsstelsel; de inrichting van dat stelsel is aan de gemeenten overgelaten teneinde deze gelegenheid te geven rekening te houden met de lokale noden en praktijken. Bij de door de burgemeester op grond van artikel 5 WOM te stellen beperkingen wordt een manifestatie “omlijnd”, bijvoorbeeld doordat datum, plaats en groepering worden aangeduid. Bij de te stellen voorschriften gaat het om meer concrete gedragsnormen met het oog op een goed verloop van de manifestatie, zoals het volgen van een bepaalde route, het voorkomen van excessieve geluidsoverlast en het al dan niet laten deelnemen van voertuigen. Indien de vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan, is het aan de burgemeester te bepalen of de manifestatie toch doorgang kan vinden, waarbij hij een ruime beoordelingsmarge heeft. Zo’n manifestatie kan alsnog worden “gelegaliseerd” doordat bijvoorbeeld ter plekke een kennisgeving wordt ingevuld. De ratio van de vereiste kennisgeving en de bevoegdheid van de burgemeester beperkingen en voorschriften uit te vaardigen, is gelegen in de wenselijkheid op lokaal niveau vooraf controle op de manifestatie te kunnen oefenen, zonder dat deze raakt aan de inhoud van de door de betogers uit te dragen denkbeelden.

Uit voormelde wettelijke bepalingen en de parlementaire geschiedenis valt af te leiden dat de vereiste kennisgeving van een voorgenomen betoging de burgemeester in staat stelt te beoordelen of en, zo ja welke beperkingen en voorschriften daaraan moeten worden verbonden, maar dat die kennisgeving geen (noodzakelijke) voorwaarde is voor het ontstaan van de bevoegdheid terzake van de burgemeester. De tekst van artikel 5 lid 1 WOM dwingt niet tot een andersluidende opvatting, zoals door de raadsman voorgestaan, nu daarin wordt gesproken van de burgemeester die voorschriften en beperkingen kan stellen “naar aanleiding van” een kennisgeving. Een andersluidende opvatting zou bovendien het kennisgevingssysteem illusoir maken doordat het de burgemeester onmogelijk kan worden gemaakt voorafgaand toezicht uit te oefenen door het enkele verzuim van de kennisgeving, hetgeen duidelijk niet de bedoeling van de wetgever is. Voorts zou het bijzonder ongerijmd zijn dat in zo’n geval de burgemeester, aan wie op het gebied van openbare manifestaties veel beleidsruimte is gelaten, wel bevoegd is de betoging te doen beëindigen (artikel 7 WOM), maar niet de betoging aan - voor de deelnemers veel minder verregaande - voorschriften te verbinden.

Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat de burgemeester van Amsterdam bevoegd was voor de betoging op 1 mei 2012 het voorschrift inzake de gezichtsbedekkende kleding te geven. De door de raadsman genoemde uitspraken van de rechtbank Amsterdam leiden niet tot een ander oordeel. Terzijde merkt het hof nog op dat niet aannemelijk is geworden, en evenmin is aangevoerd, dat met voormeld voorschrift inbreuk is gemaakt op het recht tot vergadering en betoging.

Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of in een zaak als de onderhavige de enkele omstandigheid dat het bevel geen gezichtsbedekkende kleding te dragen, naar achteraf zou moeten worden vastgesteld, onbevoegd was gegeven, meebrengt dat de opsporingsambtenaren die de betogers aanhielden ter zake van het niet opvolgen van dat bevel niet handelen op grond van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 184 Sr.

30. Het middel stelt de vraag aan de orde of de burgemeester op basis van de WOM “voorschriften en beperkingen” mag vaststellen indien geen kennisgeving is gedaan van de manifestatie – in casu: een demonstratie –terwijl die wel is vereist op grond van art. 2.32, tweede lid, APV Amsterdam.5 Aan het middel en de eerste klacht ligt de rechtsopvatting ten grondslag dat uit de tekst van art. 5, eerste lid, WOM volgt dat de genoemde voorschriften en beperkingen alleen mogen worden gesteld “naar aanleiding van een kennisgeving”, en dus niet als die kennisgeving niet is gedaan zoals in de onderhavige zaak. Het hof heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de tekst van art. 5, eerste lid, WOM op dit onderdeel niet letterlijk moet worden gelezen.6

31. Voor de beoordeling van het middel is het naar mijn mening niet nodig om lang stil te staan bij de betekenis van art. 5, eerste lid, WOM. De bij de manifestatie aangewende bevoegdheid van de burgemeester kan immers worden gegrond op art. 6 WOM. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat een ambtenaar tijdens de betoging de personen die zich daarin bevinden heeft gevorderd “alle gezichtsbedekking en andere voorwerpen die verboden zijn met de demonstratie mee te voeren, af te doen of te verwijderen”. Zo een vordering kan worden aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in art. 6 WOM, die door de deelnemers aan de betoging in acht moeten worden genomen. Het is uiteraard niet bezwaarlijk indien de gegeven aanwijzing correspondeert met “voorschriften en beperkingen” die de burgemeester voorafgaand aan de betoging reeds heeft vastgesteld. Zo bezien kan de burgemeester voorafgaand aan de betoging het kader scheppen waarbinnen deze mag plaatsvinden, tijdens de betoging aanwijzingen (doen) geven om deze (afhankelijk van de gang van zaken) in goede banen te leiden,7 en als dat niet afdoende is, aan degenen die de betoging houden of eraan deelnemen opdracht geven deze betoging terstond te beëindigen en uiteen te gaan.

32. In art. 6 WOM is niet voorgeschreven dat de daarin bedoelde aanwijzing alleen kan worden gegeven “naar aanleiding van een kennisgeving”. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de WOM is met betrekking tot deze bevoegdheid het volgende opgemerkt:

In aanvulling op, of, indien geen […] kennisgeving vereist is, in plaats van de voorschriften en beperkingen die krachtens artikel [5] kunnen worden gesteld, kan het nodig zijn, tijdens een manifestatie aanwijzingen te geven aan deelnemers. Artikel [6] voorziet in de daartoe strekkende bevoegdheid. Deze bevoegdheid kan uiteraard krachtens mandaat ook door andere functionarissen dan de burgemeester worden uitgeoefend, onder verantwoordelijkheid van de burgemeester.8

33. De klacht, dat in deze zaak slechts de opdracht had kunnen worden gegeven de demonstratie terstond te beëindigen en uiteen te gaan, welke opdracht enkel door of in opdracht van de burgemeester had kunnen worden gegeven, faalt dus omdat voor de vordering van de burgemeester c.q. de ambtenaar wel degelijk een wettelijke grondslag aanwezig was, zij het een andere dan waarop de burgemeester zich expliciet heeft beroepen in de “voorschriften en beperkingen”.

34. Hierbij neem ik in aanmerking dat de specifieke grondslag van de vordering (art. 5 of 6 WOM) niet is tenlastegelegd.9

35. De eerste klacht faalt.

36. De tweede klacht houdt in dat het hof niet heeft vastgesteld “dat de politie in opdracht van de burgemeester handelde”. De tweede klacht ligt in het verlengde van de eerste klacht die ervan uitgaat dat de vordering die de betreffende politieambtenaar heeft gedaan aan de onbekend gebleven demonstrant berust op art. 5 WOM. Aan de klacht ligt de rechtsopvatting ten grondslag dat de politieambtenaar daartoe niet bevoegd was omdat de burgemeester daartoe niet bevoegd was. Bij de bespreking van de eerste klacht van dit middel heb ik uiteengezet dat en waarom die gedachtegang onjuist is. Om die reden faalt de klacht: de vordering berust namelijk niet op de bevoegdheid waarin art. 5 WOM voorziet, maar op art. 6 WOM.

37. Ook de tweede klacht faalt, en daarmee tevens het middel.

38. Het eerste en tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

39. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

40. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Hof Amsterdam 20 april 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW4813, AB 2012/202, m.nt. J.G. Brouwer en A.E. Schilder: art. 11 WOM is een geprivilegieerde specialis in de verhouding tot art. 184 Sr.

2 HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2831, NJ 2011/78 r.o. 3.5.3 en HR 25 september 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX4990, NJ 2012/559 r.o. 3.6.

3 De inhoud van het wettelijk kader is sinds 1 mei 2012, de dag waarop het feit is begaan, niet gewijzigd.

4 In de aansluitende alinea volgt geen citaat uit de parlementaire voorbereiding van de WOM maar een samenvatting daarvan door het hof. De laatste verwijzing betreft de nota naar aanleiding van het eindverslag: Kamerstukken II 1987/88,19 427, nr. 8, p. 4-5.

5 Art. 2.32, tweede lid, APV Amsterdam luidde ten tijde van het feit, en luidt ook thans, als volgt: “De organisator van een betoging, vergadering of samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op een openbare plaats stelt ten minste 24 uur vóór de aanvang de burgemeester schriftelijk in kennis van het houden daarvan.” <www.regelgeving.amsterdam.nl/algemene_plaatselijke_verordening_2008/20110413> geraadpleegd 27 juni 2015.

6 Voor een vergelijkbare uitleg van art. 5 e.v. WOM zie J.G. Brouwer en A.E. Schilder in hun noot sub 8 e.v. onder Rb. Amsterdam 21 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY6335, AB 2013/68.

7 Welke “banen” dat zijn, is vastgelegd in art. 2 WOM.

8 Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 20.

9 Vgl. (anders) Rb. Amsterdam 21 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY6335, AB 2013/68 m.nt. J.G. Brouwer en A.E. Schilder r.o. 6.2.3. “De vraag is nog of het geschrift van de burgemeester beschouwd kan worden als een aankondiging van aanwijzingen die de burgemeester op grond van artikel 6 tijdens een betoging kan geven. Die lezing van het geschrift vloeit echter niet voort uit de aanhef ervan, die uitdrukkelijk artikel 5 als basis noemt. Bovendien is onvoldoende duidelijk hoe de aanwijzingen dan tijdens de betoging zijn gegeven en hoe die bevoegdheid dan was gemandateerd. Voorts is in het hier besproken onderdeel van het bewezenverklaarde als grondslag voor het uitoefenen van de bevoegdheid slechts artikel 5 WOM ten laste gelegd en bewezen verklaard.