Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1751

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/01385
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3692, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. 1. Falende klacht dat de tlgd overtreding van art. 10.2 (oud) Arbowet is verjaard. 2. In aanmerking genomen het bepaalde in art. 1.19 lid 2 (oud) Arbobesluit en gelet op ’s Hofs vaststelling dat verdachte een werkgever is a.b.i. art. 10 (oud) Arbowet en dat zij haar werknemer arbeid heeft doen verrichten, bestaande uit het met een containerkraan op de kade van haar bedrijfsterrein laden van containers op een onder een vreemde vlag varend schip, is zijn oordeel dat art. 10 (oud) Arbowet van toepassing is in het onderhavige geval juist. 3. De aan de klacht ten grondslag liggende opvatting dat een werknemer van een andere werkgever dan die bedoeld in art. 10 Arbowet niet tot de categorie ‘andere personen’ van art. 10 Arbowet behoort, vindt geen steun in het recht. Voorts geeft ’s Hofs oordeel dat “de kade van het bedrijfsterrein van verdachte” kan worden aangemerkt als ‘een bedrijf en de omgeving daarvan’ a.b.i. art. 10 (oud) Arbowet niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01385 E

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag, economische kamer, heeft bij arrest van 29 januari 2014 verdachte wegens “overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon” veroordeeld tot een geldboete van € 15.000,-.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, vier middelen van cassatie voorgesteld. Alvorens ik toekom aan de bespreking van de middelen zal ik eerst de tenlastelegging, de bewezenverklaring en de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen weergeven.

3. Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, tenlastegelegd dat:

“zij op of omstreeks 21 januari 2007 te [vestigingsplaats] , in ieder geval in Nederland, als werkgever/werkgeefster, terwijl bij en/of in rechtstreeks verband met de arbeid, te weten het laden en/of lossen van een of meer container(s) op/van zeeschepen, die verdachte, als werkgever/werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf en/of inrichting, en/of in de onmiddellijke omgeving daarvan, te weten op en/of vanaf en/of naast de kade van [verdachte] [plaats] (lokatie [001] ) ( [a-straat] ), alwaar het schip " [A] " afgemeerd lag, gevaar kon ontstaan voor de veiligheid en/of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, te weten voor bemanningsleden van (die) zeeschepen, geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar, immers heeft zij, verdachte, werkzaamheden laten uitvoeren, bestaande uit het vanaf de kade met een containerbrugkraan (12) laden van een of meer 45 ft-container(s) op [plaats] van het schip " [A] " en

- waren geen, althans onvoldoende doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat een of meer perso(o)n(en) zich onder en/of in de nabijheid van (een) container(s), die op dat schip werd(en) geladen, kon(den) bevinden en/of

- werd met die containerbrugkraan (een van) die container(s) verplaatst naar en/of geplaatst in [plaats], terwijl zich in [plaats] een of meer perso(o)n(en) kon(den) bevinden en/of

- waren geen, althans onvoldoende doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat de zogenaamde pinbox, waarin een of meer perso(o)n(en) aanwezig kon(den) zijn, zich bevond in [plaats], terwijl in die bay (een van) die container(s) werd(en) geladen en/of

- was niet voorzien in rechtstreekse en/of doeltreffende communicatie tussen de perso(o)n(en) die zich in [plaats] en/of in die zogenaamde pinbox kon(den) bevinden en de bestuurder van die containerbrugkraan en/of

- was vanuit die containerbrugkraan onvoldoende zicht op de plaats in [plaats] waar (een van) die container(s) geplaatst werd (en),

als gevolg waarvan - terwijl onder leiding van verdachte werkzaamheden werden uitgevoerd -

- een derde, zijnde [betrokkene 1] , zich als bemanningslid in [plaats] van het schip " [A] " bevond, terwijl daar een 45ft-container werd geplaatst en/of

- (vervolgens) toen die/een container geplaatst werd, die [betrokkene 1] zich onder die container bevond en/of onder die container bekneld is geraakt en/of tussen die container en de daarnaast staande container bekneld is geraakt, tengevolge waarvan die [betrokkene 1] is overleden.”

4. Daarvan is bewezenverklaard dat:

“zij op 21 januari 2007 te [vestigingsplaats] als werkgever, terwijl bij en/of in rechtstreeks verband met de arbeid, te weten het laden van containers op zeeschepen, die verdachte, als werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf en in de onmiddellijke omgeving daarvan, te weten op en vanaf de kade van [verdachte] [plaats] (lokatie [001] )( [a-straat] ), alwaar het schip " [A] " afgemeerd lag, gevaar kon ontstaan voor de veiligheid van andere personen dan die werknemers, te weten voor bemanningsleden van dat zeeschip, geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar, immers heeft zij, verdachte, werkzaamheden laten uitvoeren, bestaande uit het vanaf de kade met een containerbrugkraan (12) laden van 45 ft-containers op [plaats] van het schip " [A] " en was vanuit die containerbrugkraan onvoldoende zicht op de plaats in [plaats] waar een van die containers geplaatst werd.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van de Arbeidsinspectie d.d. 26 april 2007 met nr. 310700034/DOC01. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Uit onderzoek en verklaringen is mij het volgende gebleken.

Op 21 januari 2007 lag het containerschip " [A] "

(hierna: het schip) afgemeerd langs de kade van de [a-straat] te [vestigingsplaats] (aan de [plaats] op de locatie [001] ) alwaar de onderneming [verdachte] (hierna: [verdachte] ) is gevestigd. Met behulp van containerbrugkraan 11 (bediend door kraanmachinist [betrokkene 2] en leerling-kraanmachinist [betrokkene 3] , beiden in dienst van [verdachte] ) en containerbrugkraan 12 (bediend door kraanmachinist [betrokkene 4] en leerling-kraanmachinist [betrokkene 5] , beiden in dienst van [verdachte] ) werd het schip beladen met containers. Omstreeks 05:45 uur was de belading van het schip zover gevorderd dat de containers op de locatie "[plaats]" aan dek, drie containers hoog en acht containers breed opstonden. [betrokkene 4] had met containerkraam 12 de "pinbox" met daarin matroos [betrokkene 1] (van het schip) neergezet op dezelfde bay als waarop dhr. [betrokkene 1] twistlocks ging leggen in de "cornercastings" van de driehoog geplaatste containers. Vervolgens heeft [betrokkene 4] een 45ft-container geplaatst op de derde laag containers van "[plaats]" op de eerste positie vanaf stuurboordzijde van het schip. Toen hij vervolgens een tweede 45ft-container wilde plaatsen op de derde laag naast de eerder geplaatste container, raakte [betrokkene 1] bekneld tussen de achterzijde van deze container en een container van de derde laag. Het vermoeden bestaat dat [betrokkene 1] nog bezig was met het plaatsen of vergrendelen van een "twistlock" in de "cornercasting" van een container op de derde laag, waar [betrokkene 4] de tweede container van de vierde laag op wilde plaatsen. Het zicht vanuit de kraancabine van kraan 12 werd beperkt door het feit dat de "spreader" met container vrij dicht tot bij de kraancabine moest worden gehesen, omdat er over driehoog geplaatste containers moest worden gehesen en zelfs vierhoog op de plaats waar zich de "pinbox" bevond. Bovendien bevindt zich in de kraancabine een monitor die het zicht enigszins belemmert indien diagonaal ten opzichte van het schip wordt geladen.

2. Een proces-verbaal d.d. 20 juli 2007 van de politie Rotterdam -Rijnmond met nr. 2007 026674. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 21 januari 2007 hebben wij technisch onderzoek gedaan bij het containerschip [A] , afgemeerd aan de kade van overslagbedrijf [verdachte] . Tijdens het onderzoek is ons gebleken dat het zicht vanuit de betrokken containerkraan belemmerd kan worden door de hijslast die aan de kraan hangt en de in de cabine aanwezige apparatuur.

Foto 4 (blz. 174) toont het zicht op de zogenaamde baai waar het slachtoffer op lag.

Uit verklaringen is ons gebleken dat op de (vanuit de containerkraan gezien) vijfde en zesde container een zogenaamde "pinbox" heeft gestaan. Wanneer de "pinbox" ten tijde van ons onderzoek nog aan boord zou hebben gestaan, zou deze vanuit dit camerastandpunt het slachtoffer aan het oog hebben onttrokken.

Foto 14 (blz. 183) toont het zicht vanuit de cabine van de containerkraan, ter hoogte van de zitplaats van de kraanmachinist, wanneer men schuin naar rechts kijkt. Een groot deel van het zicht wordt belemmerd door een beeldscherm.

Foto 15 (blz. 185) toont het zicht vanuit de cabine van de containerkraan, ter hoogte van de zitplaats van de kraanmachinist, wanneer men schuin rechts naar beneden kijkt. Een groot deel van het zicht onder en achter de container die aan de containerkraan hangt, wordt aan het zicht onttrokken. De "pinbox" is als het gevolg van de hijslast geheel aan het zicht onttrokken.

Foto 16 (blz. 185) toont ook het zicht vanuit de cabine wanneer men schuin rechts naar beneden kijkt, maar hierbij hangt de container lager dan op foto 15. Een groot deel van het zicht onder en achter de container wordt aan het zicht onttrokken.

Slechts een deel van de "pinbox" en een deel van de achterste container zijn zichtbaar.

Foto 17 (blz. 187) toont het zicht vanuit de cabine van de containerkraan ter hoogte van de zitplaats van de kraanmachinist. Slechts een deel van de "pinbox" en de achterste container zijn waarneembaar. De ruimte tussen de "pinbox" en de achterste container is geheel aan het zicht onttrokken.

Foto 18 (blz. 187) toont dat wanneer de container die aan de kraan hangt tussen de "pinbox" en de achterste container wordt geplaatst, de ruimte die een breedte van circa anderhalve container breed heeft, volledig aan het zicht is onttrokken.

Op grond van het onderzoek concluderen wij dat de plaats waar het slachtoffer door de container werd doodgedrukt, vanuit de kraancabine slecht tot zeer slecht zichtbaar was. Het zicht op die plaats werd (ernstig) belemmerd door de in de cabine gemonteerde apparatuur. Als er een container aan de kraan hing, werd het zicht op de bedoelde plaats op sommige momenten zelfs geheel ontnomen.

3. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 2 oktober 2008. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 2 oktober 2008 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :

Toen de tweede container in de kraan hing en werd verplaatst naar de plek waar hij moest worden geplaatst, heb ik niet gezien dat het bemanningslid in de pinbox zat. U vraagt mij of ik kan verklaren dat [betrokkene 4] en ik de man niet hebben gezien die onder de container is terechtgekomen. Hoe hoger je laadt, hoe dichter de container voor de stuurcabine hangt. Het is dan moeilijk te zien wat er zich naast en onder de container bevindt. De gebruikelijke manier van werken is dat de pinbox in een andere bay wordt geplaatst en dat daarna de volgende laag containers wordt geplaatst. In dit geval hebben wij de pinbox op de derde laag laten staan, omdat wij de pinbox daarna op de vierde laag wilden zetten, zodat het bemanningslid daarna de twistlocks kon vastzetten. Dit is een snellere manier van werken.

4. De verklaring van de vertegenwoordiger verdachte.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2014 verklaard:

Het klopt dat naar aanleiding van dit ongeval door de vennootschap maatregelen zijn getroffen. Er is een camera geplaatst waardoor vanuit het kraanhuis de dode hoek kan worden gezien. Ook kan de bemanning noodsignalen geven en kan een container alleen van voor naar achter, dus niet meer diagonaal ten opzichte van het schip, worden bewogen. Het klopt dat deze maatregelen er nog niet waren op 21 januari 2007.”

6. Het eerste middel klaagt over (de motivering van) het kennelijke oordeel van het Hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging. Daartoe is aangevoerd dat het tenlastegelegde reeds was verjaard toen het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep een aanvang nam.

7. Het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde heeft betrekking op het niet naleven van het voorschrift gesteld bij art. 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan op of omstreeks 21 januari 2007. Het Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte op 21 januari 2007 het tenlastegelegde heeft begaan. Het hiervoor vermelde feit is bij art. 10, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet jo. art. 1, aanhef en onder 3°, WED jo. art. 2, derde lid, WED jo. art. 10, tweede lid, Arbeidsomstandighedenwet strafbaar gesteld als een overtreding. Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 1°, Sr jo. art. 91 Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in het onderhavige geval in drie jaren.1 Ingevolge art. 71 jo. art. 91 Sr vangt de termijn van verjaring aan op de dag van die waarop het feit is gepleegd2, hetgeen voor het onderhavige feit betekent dat de verjaringstermijn op 22 januari 2007 is aangevangen. In art. 72 is, kort gezegd, bepaald dat elke daad van vervolging de verjaring stuit (lid 1) en dat na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt (lid 2).

8. De inleidende dagvaarding is op 11 maart 2008 aan verdachte betekend. Op 26 maart 2008 is onderhavige zaak voor het eerst door de meervoudige economische kamer in de Rechtbank Rotterdam behandeld. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de Rechtbank het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst en heeft de Rechtbank de zaak verwezen naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank Rotterdam , teneinde, zoals door de verdediging is verzocht, onder meer getuige [getuige] als getuige te horen en voorts datgene te doen dat hem of haar noodzakelijk voorkomt. Op 14 juni 2012 is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen. De oproeping om op 14 juni 2012 ter terechtzitting van de Rechtbank te verschijnen is op 11 mei 2012 aan verdachte betekend.

9. De steller van het middel heeft aangevoerd dat er in de drie jaren voorafgaand aan de betekening van de oproeping voor de terechtzitting van de Rechtbank van 14 juni 2012 geen sprake is geweest van enige daad van vervolging. Van getuigenverhoren door de rechter-commissaris is in de drie jaren voorafgaand aan 11 mei 2012 geen sprake geweest en bovendien kunnen deze verhoren niet als stuitingshandelingen worden aangemerkt.

10. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich evenwel een vertaling van een op 6 december 2009 opgemaakt en ondertekend Russisch proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] .3 Dit verhoor heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een op 14 oktober 2008 opgesteld rechtshulpverzoek van het kabinet rechter-commissaris van de Rechtbank [vestigingsplaats] aan de bevoegde autoriteiten van de Russische Federatie in de zaken tegen (medeverdachte) [betrokkene 4] en [verdachte] .

11. Een daad van vervolging in de zin van art. 72 Sr die de verjaring stuit, betreft een daad welke erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen.4 Het horen van een getuige door de rechter-commissaris impliceert strafvervolging5 en kan aldus als een stuitingshandeling worden beschouwd. Dit is niet anders in de onderhavige situatie waarin een getuige op verzoek van de rechter-commissaris in het buitenland wordt gehoord.

12. Het in het arrest van het Hof besloten liggende oordeel inzake de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging is dus juist. Nu voorts de motiveringsklacht slechts wordt gebaseerd op de onjuiste aanname dat uit de stukken van het geding de verjaring rechtstreeks volgt, treft de motiveringsklacht evenmin doel.

13. Het eerste middel faalt.

14. Het tweede middel, in samenhang met de toelichting daarop bezien en (daarmee) welwillend gelezen, klaagt over het oordeel van het Hof dat verdachte geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van gevaar en voorts dat de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover inhoudende dat verdachte “geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar”, ontoereikend is gemotiveerd.

15. Met betrekking tot het bewijs heeft het Hof nader het volgende overwogen:

Doeltreffende maatregelen

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, nu - kort samengevat - door de verdachte wel doeltreffende maatregelen zijn getroffen, een en ander zoals nader verwoord in de door de raadslieden overgelegde pleitnota's.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vast staat dat het slachtoffer zich op 21 januari 2007 bovenop de derde laag containers in [plaats] op het schip [A] bevond. Op dat moment werd met een op de kade staande kraan een container getild naar de te vormen vierde laag in [plaats] door een werknemer van de verdachte. [plaats] was ten tijde van het ongeval uitgerust met een zogenoemde pinbox, in strijd met de door de verdachte aan het schip verstrekte veiligheidsvoorschriften. Wegens het feit dat een hoge (in casu de vierde) laag, moest worden geladen, hing de containerlast op geringe afstand onder de kraancabine waarin de kraanmachinist zich bevond, waardoor het zicht achter en onder de containerlast werd beperkt, zoals ook blijkt uit een foto in het dossier (p. 20). Niet is aannemelijk geworden dat de kraanmachinist zich ervan heeft vergewist dat op het moment dat hij de container wilde plaatsen het bemanningslid dat op de daken van de containers van de derde laag werkzaamheden verrichtte, zich in de pinbox bevond, althans zich niet bevond op de plek waar hij de container wilde plaatsen. Dat deze controle niet heeft plaatsgevonden klemt temeer nu een getuige die naast de machinist in het kraanhuis zat, heeft verklaard dat hij, toen de container in de kraan hing en werd verplaatst naar de plek waar hij moest worden geplaatst, het bemanningslid niet in de pinbox zag zitten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte aan haar werknemers-kraanmachinisten instructies verstrekte, inhoudende dat, bij onvoldoende zicht op de plaats waar een container moet worden geplaatst, eerst een controle plaatsvindt waarbij men zich ervan vergewist dat er geen personen aanwezig zijn op de plek van de te plaatsen container, alvorens de kraanmachinist overgaat tot plaatsing van een container.

Na het incident op 21 januari 2007 (waarbij genoemd bemanningslid om het leven is gekomen), zijn er verschillende maatregelen getroffen. Thans kan de kraanmachinist boven het schip niet meer diagonaal bewegen met een container, kunnen de bemanningsleden van het containerschip noodsignalen geven en is er een camera geplaatst op het kraanhuis waardoor de kraanmachinist zicht heeft op hetgeen zich achter de hoog getilde container bevindt. Voorts is door de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de plaatsing van een pinbox in dezelfde bay, zoals boven beschreven en te zien op foto's in het dossier, nu niet meer is toegestaan.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verdachte, door het niet geven van instructies aan haar werknemers-kraanmachinisten omtrent het handelen bij beperkt zicht, geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van gevaar, waardoor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het ten laste gelegde handelen vast staat. Daaraan doet niet af dat de verdachte speciale veiligheidsvoorschriften voor de bemanning van door haar te beladen schepen pleegt te verstrekken.

Het hof acht derhalve het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.”

16. De steller van het middel heeft aangevoerd dat het bewezenverklaarde beperkte zicht op de plek waar de container zou worden geplaatst een wezenlijk ander verwijt is dan het verwijt dat het Hof, blijkens zijn overwegingen, verdachte maakt dat zou zijn nagelaten instructies te verstrekken aan kraandrijvers over hoe te handelen bij beperkt zicht. Het oordeel van het Hof dat verdachte geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van gevaar, nu verdachte geen instructies heeft verstrekt, is daarom niet begrijpelijk. Bovendien kan uit de bewijsvoering niet worden afgeleid dat verdachte haar kraanmachinisten niet van de door het Hof bedoelde instructies heeft voorzien.

17. De klacht faalt, nu deze berust op een verkeerde lezing van de tenlastelegging en bewezenverklaring. Anders dan de steller van het middel voor ogen heeft betreft het bewezenverklaarde onderdeel van de tenlastelegging dat “vanuit die containerbrugkraan onvoldoende zicht [was] op de plaats in [plaats] waar een van die containers geplaatst werd” niet het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, maar de oorzaak van het (potentiële) gevaar. Het aan de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde verwijt betreft immers dat verdachte geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar. Daaraan heeft het Hof invulling gegeven door te overwegen dat verdachte heeft nagelaten instructies te verstrekken aan kraandrijvers over hoe te handelen bij beperkt zicht.

18. Voorts heeft de steller van het middel terecht aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat [plaats] ten tijde van het ongeval was uitgerust met een zogenoemde pinbox, “in strijd met de door de verdachte aan het schip verstrekte veiligheidsvoorschriften”. Gelet op de bewezenverklaring is die bewijsvoering niet vereist.6 Indien daarover anders zou worden gedacht, behoeft dit niet tot cassatie te leiden, nu deze passage geen beslissende rol heeft in de nadere bewijsoverweging van het Hof en bovendien geen afbreuk doet aan de begrijpelijkheid daarvan.

19. Voor zover de steller van het middel heeft aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat “de kraanmachinist zich [niet] ervan heeft vergewist dat op het moment dat hij de container wilde plaatsen het bemanningslid dat op de daken van de containers van de derde laag werkzaamheden verrichte, zich in de pinbox bevond, althans zich niet bevond op de plek waar hij de container wilde plaatsen”, stel ik voorop dat het hier niet gaat om bewezenverklaarde onderdelen van de tenlastelegging. Daarmee valt ook voor deze klacht het doek. Ik wijs ten overvloede nog wel op het volgende. Uit bewijsmiddel 3 volgt dat leerling-kraanmachinist [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij, toen de tweede container in de kraan hing en werd verplaatst naar de plek waar hij moest worden geplaatst, niet heeft gezien dat het bemanningslid in de pinbox zat. Daaruit kan worden afgeleid dat de kraanmachinist zich er op dat moment niet van heeft vergewist of het bemanningslid zich in de pinbox bevond, nu hij, gelijk [betrokkene 5] , zou hebben gezien dat het bemanningslid niet in de pinbox aanwezig was en het aldus in de rede had gelegen na te gaan waar het bemanningslid zich op dat moment bevond alvorens over te gaan tot het plaatsen van de container.

20. Het tweede middel faalt.

21. Het derde middel klaagt (i) dat het Hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging, althans tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet-kwalificeerbaarheid van het bewezenverklaarde, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen en (ii) dat het Hof het openbaar ministerie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, ontvankelijk heeft geacht in zijn vervolging, althans het bewezenverklaarde ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, strafbaar heeft geacht en heeft gekwalificeerd als “overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon”, nu de Arbeidsomstandighedenwet in het onderhavige geval niet van toepassing is en het oordeel van het Hof dat zulks wel het geval is (zonder nadere motivering, die ontbreekt) niet begrijpelijk is.

22. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 15 januari 2014 volgt dat de beide raadslieden van verdachte, mr. De Jong en mr. Van Dam, het woord tot verdediging hebben gevoerd overeenkomstig hun aan het Hof overgelegde pleitnotities. Met instemming van het Hof en de advocaat-generaal heeft het Hof de pleidooien gevoerd ter terechtzitting in eerste aanleg als voorgedragen beschouwd. Door de verdediging is betoogd dat de Arbeidsomstandighedenwet op onderhavige zaak niet van toepassing is, hetgeen leidt tot de conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is, althans tot de conclusie dat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen wegens niet-kwalificeerbaarheid van het bewezen verklaarde. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat in art. 16, vierde lid, Arbeidsomstandighedenwet is bepaald dat bij AMvB kan worden bepaald dat de wet niet van toepassing is op arbeid verricht in of op een zeeschip. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt in art. 1.19, eerste lid, Arbeidsomstandighedenbesluit. Die laatste bepaling behelst dat de wet niet van toepassing is op arbeid verricht in/ op een zeeschip dat niet op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren en dat zich bevindt op een in art. 10, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet bedoelde scheepvaartweg, waarvan in het onderhavige geval sprake is. De in art. 1.19, tweede lid, Arbeidsomstandighedenbesluit voorziene exceptie op deze regel (o.a. betrekking hebbende op laden) is niet aan de orde, nu de arbeid werd verricht door een werknemer (het slachtoffer) die behoorde tot de bemanning van het zeeschip, zodat zich "de uitzondering op de uitzondering" van art. 1.19, tweede lid, Arbeidsomstandighedenbesluit voordoet.7

23. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft het Hof het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadslieden mr. H.W.A.A. de Jong en mr. P.F.W.A. van Dam, bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, nu de Arbeidsomstandighedenwet in de onderhavige zaak niet van toepassing is, op gronden zoals nader verwoord in de door hen overgelegde pleitnota's.

Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is op arbeid in Nederland verricht door werknemers van in Nederland gevestigde of anderszins werkzame werkgevers. De wet beoogt verbetering van de kwaliteit van het arbeidsomstandighedenbeleid in Nederland en richt zich in dit geval tot de verdachte, een in Nederland gevestigde werkgever door wiens werknemer met een containerkraan op de kade van het bedrijfsterrein werkzaamheden worden verricht, te weten het laden van containers op een schip. Ingevolge artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet dienen daarbij door de werkgever doeltreffende maatregelen te worden getroffen ter voorkoming van gevaar, dat in het kader van de te verrichten werkzaamheden voor derden kan ontstaan op het bedrijfsterrein of de onmiddellijke omgeving daarvan. Daaraan kan niet afdoen dat het hier gaat om een te beladen schip onder vreemde vlag en dat bij het vastzetten van geladen containers bemanningsleden van dat schip betrokken zijn. Het verweer wordt derhalve verworpen.”

24. De steller van het middel onderschrijft het in hoger beroep gevoerde verweer en voert aan dat een en ander ook door de bewijsvoering wordt onderschreven, nu daaruit volgt dat de werkzaamheden bestonden uit het laden van containers op zeeschepen en dat het slachtoffer behoorde tot de bemanning van het zeeschip. Het Hof heeft ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, anders geoordeeld, en heeft zich bij de verwerping van het in hoger beroep daaromtrent gevoerde verweer in algemene termen uitgelaten over de reikwijdte van de Arbeidsomstandighedenwet, maar heeft er geen blijk van gegeven bij de beoordeling van het verweer juist die bepalingen te hebben betrokken die het toepasselijke juridisch kader vormen en door de verdediging aan haar standpunt ten grondslag zijn gelegd.

25. De verwerping van het verweer door het Hof houdt in dat de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is op arbeid in Nederland verricht door werknemers van in Nederland gevestigde of anderszins werkzame werkgevers. De wet beoogt verbetering van de kwaliteit van het arbeidsomstandighedenbeleid in Nederland en richt zich in dit geval tot de verdachte, een in Nederland gevestigde werkgever door wiens werknemer met een containerkraan op de kade van het bedrijfsterrein werkzaamheden worden verricht, te weten het laden van containers op een schip. Ingevolge artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet dienen daarbij door de werkgever doeltreffende maatregelen te worden getroffen ter voorkoming van gevaar, dat in het kader van de te verrichten werkzaamheden voor derden kan ontstaan op het bedrijfsterrein of de onmiddellijke omgeving daarvan. Daaraan kan niet afdoen dat het hier gaat om een te beladen schip onder vreemde vlag en dat bij het vastzetten van geladen containers bemanningsleden van dat schip betrokken zijn. Daarin ligt ’s Hofs oordeel besloten dat de werkgever, verdachte, ingevolge art. 10 Arbeidsomstandighedenwet maatregelen ter voorkoming van gevaar moet nemen indien bij of in rechtstreeks verband met “de arbeid die de werkgever door zijn werknemers doet verrichten” gevaar kan ontstaan. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, heeft het aan de verdachte tenlastegelegde niet betrekking op mogelijk gevaar in verband met de werkzaamheden welke het slachtoffer, bemanningslid van de [A] , heeft verricht, maar op mogelijk gevaar in verband met de arbeid verricht door de werknemers van de werkgever, het met een hijskraan laden van containers op het schip. Aldus is van de uitzondering “tenzij deze arbeid wordt verricht door een werknemer die behoort tot de bemanning van een zeeschip als bedoeld in het eerste lid”, zoals bepaald in art. 1.19, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, geen sprake en valt het tenlastegelegde ingevolge art. 1.19, eerste lid, in verbinding met art. 1.19, tweede lid, Arbeidsomstandighedenbesluit, het gaat immers om laadwerkzaamheden, onder het bereik van de Arbeidsomstandighedenwet.8 Voornoemd oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Het verweer is dus op toereikende gronden verworpen.

26. Het derde middel faalt.

27. Het vierde middel klaagt (i) dat het Hof de verweren strekkende tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging, nu (a) de bemanningsleden van de [A] (in het onderhavige geval) niet kunnen worden gekwalificeerd als “andere personen dan die werknemers”, en (b) de (arbeid op de) [A] niet kan worden aangemerkt als (verricht) “in een bedrijf en in de onmiddellijke omgeving daarvan” in de zin van art. 10, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen en (ii) dat de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover inhoudende dat bij of in rechtstreeks verband met de arbeid “in een bedrijf en in de onmiddellijke omgeving daarvan” gevaar kon ontstaan voor de veiligheid van “andere personen dan die werknemers, te weten bemanningsleden van dat zeeschip”, ontoereikend is gemotiveerd, althans dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, strafbaar heeft geacht en heeft gekwalificeerd als “overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon”.

28. Door de verdediging is in hoger beroep betoogd dat in het onderhavige geval geen sprake is van “andere personen dan die werknemers” zoals bedoeld in art. 10, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet. Daartoe is, kort gezegd, gewezen op een uitspraak van de Rechtbank Groningen, waarin is geoordeeld dat iedere werkgever voor zich verantwoordelijk is voor de veiligheid van derden, niet zijnde werknemers (van een andere werkgever die op dezelfde plek werkzaamheden verrichten).9 Voorts is aangevoerd dat om redenen van wetssystematiek ter plaatse werkzame werknemers van een andere werkgever niet via een ruime interpretatie van het begrip “andere personen” onder het bereik van art. 10 Arbeidsomstandighedenwet dienen te worden gebracht, nu art. 19 van die wet een aparte voorziening kent voor dergelijke “samenwerkende” werkgevers.10

29. Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Andere persoon dan de werknemer"

Door de raadslieden is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat een bemanningslid niet kan worden gekwalificeerd als behorende tot de categorie "andere personen dan die werknemers" in de zin van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, een en ander zoals nader verwoord in de door hen overgelegde pleitnota's. De raadslieden bepleiten dat de verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet verplicht een werkgever om de werkomstandigheden in en om het bedrijf ook voor niet in zijn dienst zijnde personen zo veilig mogelijk te maken. De memorie van toelichting bij artikel 10 van de wet noemt bezoekers en voorbijgangers als voorbeeld van personen ten aanzien van wie de betreffende veiligheidsnorm bescherming biedt. Gelet op de gebezigde bewoordingen betreft het hier geen limitatieve opsomming. Naar het oordeel van het hof valt het bemanningslid dat zich bevond onder de hijslast tijdens hijswerkzaamheden uitgevoerd door een werknemer van verdachte in diens opdracht derhalve onder de bescherming van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet. Het hof verwerpt het verweer.”

30. De steller van het middel heeft aangevoerd dat een bemanningslid van een zeeschip, die als werknemer van een andere werkgever dan die welke is bedoeld in art. 10 Arbeidsomstandighedenwet is belast met werkzaamheden ter plaatse, en aldus niet toevallig maar uit hoofde van zijn professionele dienstbetrekking op het desbetreffende schip aanwezig is teneinde aldaar werkzaamheden te verrichten, niet tot de categorie “andere personen” als bedoeld in art. 10 Arbeidsomstandighedenwet behoort. Het Hof heeft ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, anders geoordeeld en is bij de verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer dat in het onderhavige geval geen sprake is van “andere personen dan die werknemers” ten onrechte ongemotiveerd voorbijgegaan aan de door de verdediging in hoger beroep aangedragen rechtspraak en wetssystematische argumenten.

31. De verwerping van het verweer door het Hof houdt in dat de in de memorie van toelichting bij artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet genoemde voorbeelden van personen ten aanzien van wie de betreffende veiligheidsnorm bescherming biedt, geen limitatieve opsomming betreft en dat het bemanningslid dat zich bevond onder de hijslast tijdens hijswerkzaamheden uitgevoerd door een werknemer van verdachte in diens opdracht naar het oordeel van het Hof derhalve onder de bescherming van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet valt. Het Hof is daarmee evenwel voorbijgegaan aan de door de verdediging aangedragen rechtspraak en wetssystematische argumenten. In zoverre is het terecht voorgesteld. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden op grond van het navolgende.

32. De steller van het middel veronderstelt dat de werknemers van andere werkgevers reeds onder de bescherming van art. 19 van de Arbeidsomstandighedenwet vallen en art. 10 aldus niet op die categorie personen toepasbaar is. Anders dan de steller van het middel voor ogen heeft kunnen de verplichtingen voor de werkgever die voortvloeien uit genoemde bepalingen evenwel naast elkaar bestaan, omdat deze bepalingen zien op andere situaties welke een eigen aanpak vergen. Art. 19 van de Arbeidsomstandighedenwet ziet toe op de situatie dat twee of meer werkgevers in een bedrijf of inrichting arbeid verrichten en gaat uit van een wederzijdse afhankelijkheid bij de zorg voor de arbeidsomstandigheden. De werkgevers moeten daaromtrent dan afspraken maken om doelmatig samen te werken in het belang van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid van alle werknemers. Doelmatige samenwerking van de betrokken werkgevers is de kern teneinde te voorkomen dat ten gevolge van de verschillende arbeidssituaties nadelige gevolgen ontstaan.11 Dat ontslaat de werkgever niet van de verplichting daarnaast, op basis van art. 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, zelfstandig en onafhankelijk van anderen, doeltreffende maatregelen moet nemen om gevaren te voorkomen voor andere personen dan zijn eigen werknemers.

33. Gelet op het voorgaande kunnen onder “andere personen” zoals bedoeld in art. 10 van de Arbeidsomstandighedenwet niet alleen worden verstaan personen van buiten het bedrijf of de inrichting, zoals voorbijgangers en omwonenden, maar ook personen van binnen het bedrijf, zoals werknemers van andere werkgevers. Hierbij zal het veelal gaan om werknemers uit een andere bedrijfstak die niet vertrouwd zijn met de specifieke gevaren van de eigen bedrijfstak en die ook niet op de hoogte zijn van de geografie en de gewoonten van het eigen bedrijf12, maar noodzakelijk is dat niet.

34. Het voorgaande brengt mee dat het Hof het verweer terecht heeft verworpen, zodat het middel in zoverre faalt.13

35. Door de verdediging is in hoger beroep voorts betoogd dat het schip [A] niet kan worden aangemerkt als “in een bedrijf en in de onmiddellijke omgeving daarvan”, een en ander zoals bedoeld in art. 10, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet. Dit zou moeten leiden tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid, doordat het feit niet is te kwalificeren als overtreding van art. 10 Arbeidsomstandighedenwet. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat (i) een schip een eigen bedrijfsterrein vormt, dat op grond van art. 16, vierde lid, Arbeidsomstandighedenwet jo. art. 1.19, eerste lid, Arbeidsomstandighedenbesluit uitdrukkelijk is uitgezonderd van de Nederlandse arbeidsomstandighedenwetgeving, zodat het niet aangaat om die uitsluiting door een extensieve interpretatie van de woorden “onmiddellijke omgeving” vervolgens alsnog binnen het bereik van die wetgeving te brengen, en (ii) dat zeggenschap van verdachte over hetgeen zich op het schip afspeelde heeft ontbroken, zodat het niet in de rede ligt om handelingen op het schip onder haar bedrijf (of de onmiddellijke omgeving daarvan) te brengen.14

36. Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

“"Onmiddellijke omgeving"

Door de raadslieden is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het schip [A] onder de gegeven omstandigheden niet kan worden aangemerkt als "de onmiddellijke omgeving" van het bedrijfsterrein van de verdachte in de zin van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, een en ander zoals nader verwoord in de door hen overgelegde pleitnota's. De raadslieden bepleiten dat de verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof is hieromtrent van oordeel dat het laden van containers met behulp van een hijskraan die staat op de kade van het bedrijf van de verdachte, op een schip dat aan die kade ligt, kan worden aangemerkt als arbeid die wordt verricht in een bedrijf of in de onmiddellijke omgeving daarvan, zoals bedoeld in artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet. Het hof verwerpt derhalve het verweer.”

37. De steller van het middel heeft aangevoerd dat het schip [A] niet kan worden aangemerkt als “in een bedrijf en in de onmiddellijke omgeving daarvan”. Het Hof heeft ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, anders geoordeeld en is bij de verwerping van het in hoger beroep daartoe gevoerde verweer voorbijgegaan aan de hiervoor onder 35 vermelde argumenten van de verdediging, terwijl deze wel relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of de onderhavige werkzaamheden in het bedrijf van verdachte en in de onmiddellijke omgeving daarvan geacht moeten worden te zijn verricht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de kade van verdachte is aangemerkt als plaats alwaar een schip dat niet de Nederlandse vlag voert, zoals de [A] , buiten het bereik van de Arbeidsomstandighedenwet valt en is het oordeel van het Hof aldus om wetssystematische redenen niet juist. Dat geldt temeer nu verdachte, naar in feitelijke aanleg onweersproken is gesteld, over de werkzaamheden op dat schip zeggenschap ontbeerde die voor toepasselijkheid van art. 10 Arbeidsomstandighedenwet wel is vereist.

38. De verwerping van het verweer door het Hof houdt in dat het laden van containers met behulp van een hijskraan die staat op de kade van het bedrijf van de verdachte, op een schip dat aan die kade ligt, kan worden aangemerkt als arbeid die wordt verricht in een bedrijf of in de onmiddellijke omgeving daarvan, zoals bedoeld in artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet. Ook15 daarin ligt ’s Hofs oordeel besloten dat de werkgever, verdachte, ingevolge art. 10 Arbeidsomstandighedenwet maatregelen ter voorkoming van gevaar moet nemen indien bij of in rechtstreeks verband met “de arbeid die de werkgever door zijn werknemers doet verrichten” gevaar kan ontstaan. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, heeft het aan de verdachte tenlastegelegde niet betrekking op mogelijk gevaar in verband met de werkzaamheden welke het slachtoffer, bemanningslid van de [A] , heeft verricht, maar op mogelijk gevaar in verband met de arbeid verricht door de werknemers van de werkgever, het met een hijskraan vanaf de kade laden van containers op het schip. Aldus is van de uitzondering “tenzij deze arbeid wordt verricht door een werknemer die behoort tot de bemanning van een zeeschip als bedoeld in het eerste lid”, zoals bepaald in art. 1.19, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, geen sprake en valt het tenlastegelegde ingevolge art. 1.19, eerste lid, in verbinding met art. 1.19, tweede lid, Arbeidsomstandighedenbesluit, het gaat immers om laadwerkzaamheden, onder het bereik van de Arbeidsomstandighedenwet. Van een extensieve interpretatie van de woorden “onmiddellijke omgeving” is geen sprake. Bovendien ligt daarin ’s Hofs oordeel besloten dat verdachte zeggenschap had over hetgeen zich in de hijskraan afspeelde. Vanuit de containerbrugkraan was onvoldoende zicht op de plaats waar de containers werden geplaatst. Verdachte had maatregelen kunnen en moeten nemen ter voorkoming van uit een dergelijke situatie voortvloeiend gevaar. Voornoemd oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Het verweer is dus op toereikende gronden verworpen. Ook in zoverre faalt het middel.

39. Het vierde middel faalt.

40. De middelen falen en in elk geval de middelen 2 en 4 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

41. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

42. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Ten tijde van de pleegdatum van het feit was dat nog twee jaren. Het uitgangspunt is evenwel dat verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaringstermijn direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Zie bijv. HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010, 231 m.nt. M.J. Borgers en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2013, NJ 2014/204 m.nt. N. Rozemond. De wijziging van de verjaringstermijn voor overtredingen van twee in drie jaren is op 1 februari 2008 in werking getreden. Van een reeds voltooide verjaring was in het onderhavige geval geen sprake.

2 Het onderhavige feit betreft niet één van de in deze bepaling vermelde uitzonderingsgevallen.

3 Zie ook de in het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 14 juni 2012 genoemde voorgehouden stukken (onder 16).

4 Zie bijv. HR 19 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8894, NJ 1992/265 m.nt. Th.W. van Veen en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1014, NJ 2010/464. Zie voorts A.J.A. van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, Arnhem 1985, p. 203 e.v.

5 Zie Machielse in NLR, aantek. 2 en 6 bij art. 72 Sr (bijgewerkt tot 25 september 2013). Vgl. ook Rechtbank Haarlem 4 augustus 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN5169.

6 Zie HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. M.J. Borgers.

7 Zie de nrs. 61 t/m 73 van de pleitnotities van mr. De Jong in eerste aanleg, de nrs. 49 t/m 53 van de pleitnotities van mr. Van Dam in eerste aanleg, nr. 68 van de pleitnotities van mr. De Jong in hoger beroep en de nrs. 9 t/m 15 van de pleitnotities van mr. Van Dam in hoger beroep.

8 Lid 1 van art. 1.19 Arbeidsomstandighedenbesluit houdt in dat de wet niet van toepassing is op arbeid verricht in/op een zeeschip dat niet op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren en dat zich bevindt in de exclusieve economische zone, in de territoriale zee, op een van de andere in art. 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet bedoelde scheepvaartwegen of in de haven van Scheveningen. Lid 2 van die bepaling houdt onder meer in dat het eerste lid niet geldt ten aanzien van laden en lossen in/op de in het eerste lid bedoelde schepen die zich in Nederland bevinden, tenzij deze arbeid wordt verricht door een werknemer die behoort tot de bemanning van een zeeschip als bedoeld in het eerste lid.

9 Rb. Groningen 13 november 2006, ECLI:NL:HR:RBGRO:2006:AZ8225.

10 Zie de nrs. 39 t/m 52 en 68 t/m 73 van de pleitnotities van mr. De Jong in eerste aanleg, de nrs. 55 t/m 64 van de pleitnotities van mr. Van Dam in eerste aanleg, nr. 70 van de pleitnotities van mr. De Jong in hoger beroep en de nrs. 16 t/m 23 en 29 t/m 41 van de pleitnotities van mr. Van Dam in hoger beroep.

11 Zie P.E. van der Poest Clement en A.H.M. Boere (red.), Handboek Arbowet. Rechten en verplichtingen toegelicht voor werkgever en werknemer, 1994, p. 118-120 en zie voorts Kamerstukken II 1997/98, 25 879, nr. 3 (MvT), p. 46.

12 Zie P.E. van der Poest Clement en A.H.M. Boere (red.), Handboek Arbowet. Rechten en verplichtingen toegelicht voor werkgever en werknemer, 1994, p. 118-120 en p. 234 en J. van Drongelen, Arbeidsomstandighedenrecht. Deel 1 Een introductie, 2010, p. 227.

13 Ik merk nog op dat er, zoals reeds opgemerkt door de steller van het middel, in de lagere rechtspraak over dit vraagstuk verschillend wordt gedacht. Ik wijs op enkele uitspraken waarin dit vraagstuk aan de orde is geweest: Rb. Groningen 13 november 2006, ECLI:NL:RBGRO:2006:AZ8225 en daarna in hoger beroep: Hof Leeuwarden 15 april 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BI1152, Rb. Dordrecht 5 maart 2008, ECLI:NL:RBDOR:2008:BC6022 en Rb. Rotterdam 9 april 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BC9169.

14 Zie de nrs. 61 t/m 73 van de pleitnotities van mr. De Jong in eerste aanleg, de nrs. 49 t/m 64 van de pleitnotities van mr. Van Dam in eerste aanleg, nr. 70 van de pleitnotities van mr. De Jong in hoger beroep en de nrs. 9 t/m 17 en 24 t/m 28 en 34 t/m 41 van de pleitnotities van mr. Van Dam in hoger beroep.

15 Zie ook de bespreking van het derde middel.