Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1747

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
14/00706
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2580, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De strafmotivering bevat, in strijd met art. 359.6 Sv, niet een opgave van redenen die i.h.b. hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Het Hof had het vonnis van de Pr niet mogen bevestigen zonder de gronden aan te vullen met de in art. 359.6 Sv bedoelde motivering. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00706

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 28 januari 2014 het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 10 september 2013 waarbij de verdachte wegens “schuldheling” is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 weken met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, met aanvulling van gronden zoals nader in het arrest overwogen, bevestigd.

2. Namens de verdachte is cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het "redelijkerwijs moeten vermoeden" in de zin van art. 417bis Sr, althans dat de bewezenverklaring ten aanzien van dit bestanddeel niet (voldoende) begrijpelijk door het Hof is gemotiveerd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgens de steller van het middel niet worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij, op 27 maart 2013 te Leersum een motorvoertuig, te weten een personenauto, en kentekenplaten voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat motorvoertuig en die kentekenplaten redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”

5. De door het Hof bevestigde aantekening van het mondeling vonnis bevat de volgende overweging:

“2. De gebezigde bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

- Voormelde verklaring van de verdachte, voor zover weergegeven onder A;

- De inhoud van voormelde processen-verbaal, voor zover weergegeven onder 3, 4 en 5;

- De inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, voor zover weergegeven onder 1 en 2.”

6. Aldus steunt de bewezenverklaring op de volgende in het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter vervatte bewijsmiddelen:

“1. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van een ambtsedig proces-verbaal aangifte met bijlage nr. PL131F 2010359268-1 d.d. 11 maart 2013, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van Politie Amsterdam-Amstelland (blz. 55-56 en 58 van het proces-verbaal nr. PL0950 2013067497), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

Op 11 maart 2013 tussen 8.48 uur en 9.00 uur werden mijn autosleutels en personenauto, een zwarte Ford Focus 1.6i-1.6v, kenteken [AA-00-BB], Chassisnr [001], bouwjaar 2005, weggenomen van de [a-straat 1] te Amsterdam door [betrokkene 3], werkzaam bij het Leger des Heils op de Spuistraat in Amsterdam.

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van een email van de afdeling Sirene van het KLPD, Schengen id nr. D s051308517529 d.d. 27 maart 2013 (blz. 23 van het proces-verbaal nr. PL0950 2013067497), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende het relaas en/of de bevindingen van een in Duitsland gedane aangifte door [betrokkene 4]:

Tussen 25 maart 2013 om 9.00 uur en 26 maart 2013 te 10.00 uur zijn de kentekenplaten met kenteken [CC-00-DD] van een voertuig weggenomen dat geparkeerd stond in de Van-Den-Bergh-strasse te Kleve, Duitsland.

3. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen nr. PL0950 2013067497-6 d.d. 27 maart 2013, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beide hoofdagent van Politie Utrecht (blz. 6-7 van het proces-verbaal nr. PL0950 2013067497), voor zover –zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten of één van hen:

p. 6: Op 27 april 2013 omstreeks 01.50 uur bevonden wij ons op de Rijksweg A12 op de parkeerplaats van Shell tankstation Bloemendaal te Leersum. Ik, verbalisant [verbalisant 3], zag een zwarte personenauto staan met twee personen erin. Het betrof een zwarte Ford Focus met Duits kenteken: [CC-00-DD]. Ik vroeg de persoon op de bestuurdersstoel om zijn rijbewijs. De man overhandigde zijn paspoort en gaf op te zijn [verdachte], geboren [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats]. Ik hoorde hem zeggen dat hij de papieren van de auto niet bij zich had en deze auto van een vriend had geleend. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag boven de hoedenplank in de kofferbak een rode metalen staaf uitsteken. Ik vroeg [verdachte] of ik in de kofferbak mocht kijken. Hij antwoordde dat dat geen probleem was.

p. 7: Ik zag dat er een koevoet, sloothamer en de eerder genoemde rode staaf in de kofferbak lagen. Hierop hebben wij beide personen omstreeks 02.10 uur aangehouden voor het vervoeren/in bezit hebben van inbrekerswerktuigen. Beid verdachten zijn aangehouden. Ik, verbalisant [verbalisant 3], controleerde het genoemde kenteken bij de meldkamer en hoorde dat de kentekenplaten als vals gebruikt, dan wel als gestolen gesignaleerd stonden voor Duitsland. Hierop hebben wij het voertuig in beslag genomen voor verder onderzoek.

4. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen nr. PL0950 2013067497-17 d.d. 27 maart 2013, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], respectievelijk agent en hoofdagent van Politie Utrecht (blz. 19-20 van het proces-verbaal nr. PL0950 2013067497), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten of één van hen:

p. 19: Op 27 maart 2013 hebben wij onderzoek ingesteld naar het in beslag genomen voertuig. Wij zagen dat het een zwart gekleurde Ford Focus betrof, voorzien van Duitse kentekenplaten [CC-00-DD].

p. 20: Wij zagen dat het voertuig het volgende chassisnr had: [001]. Ik, [verbalisant 5] heb het chassisnummer in de politiesystemen laten bevragen. Ik hoorde dat het voertuig als gestolen stond gesignaleeerd.

5. Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen nr. PL0950 2013067497-20 d.d. 28 maart 2013, opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 4], respectievelijk surveillant en hoofdagent van Politie Utrecht (blz. 45 van het proces-verbaal nr. PL0950 2013067497), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van verdachte:

p. 47: Op 27 maart 2013 was ik onderweg naar mijn ex in Emmerich om mijn gereedschap op te halen. Ik heb geen rijbewijs, maar ik reed ook die dag dat wij aangehouden zijn 27 maart 2013. Toen ik het met [betrokkene 1] op 21 of 22 maart 2013 over een klusje had, bood [betrokkene 1] aan dat ik zijn auto mocht lenen. Ik heb die auto 26 maart 2013 in de ochtend van [betrokkene 1] gekregen. Hij gaf mij gewoon zijn autosleutel. Ik zag wel dat er Duitse kentekenplaten op die auto zaten, maar dat heb ik vroeger ook wel eens gedaan. Ik ken [betrokkene 1] van het Leger des Heils. Ik weet geen achternaam van hem. Ik ken [betrokkene 1] een week of 5-6

p. 49: Ik weet niet hoe de kentekenplaten op het voertuig komen. Die zaten er al op toen ik 25 maart 2013 de auto van [betrokkene 1] kreeg

De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt.

A. Ik heb de auto geleend van [betrokkene 1] geleend. Het klopt dat ik gereedschap bij me had. Ik weet niet of [betrokkene 1] inkomen had. Ik blijf verder bij mijn verklaring die ik bij de politie heb afgelegd.”

7. Voorts bevat het bestreden arrest de volgende overweging:

“Aan het door de politierechter voor het bewijs gebezigd proces-verbaal van bevindingen voor zover inhoudende de verklaring van verdachte dient als verklaring van deze laatste te worden toegevoegd, zakelijk weergegeven, als volgt: "[betrokkene 1] zat bij het Leger des Heils voor onderdak. Hij was ook dakloos" (p. 48).”

8. In de cassatieschriftuur worden de volgende passages geciteerd uit de ter terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2014 overgelegde pleitnota:

“ Heling

2. De verdediging verzoekt u om vrijsprak voor de heling, zowel de opzet als de schuldvariant. De verdediging zal zich beperken tot de schuldheling. Indien daarvan immers geen sprake is, dan al helemaal niet van opzetheling.

3. Voor een bewezenverklaring van schuld is grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid noodzakelijk. Hiervan is sprake indien de pleger bij enig nadenken over de hem bekende gegevens over het goed, had kunnen vermoeden dat het goed gestolen was en hij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Let wel, het moet gaan om een vermoeden dat de goederen gestolen zijn. Andere vermoedens dan afkomst van een misdrijf doen niet ter zake, althans leiden niet tot een bewezenverklaring.

4. Het bewijs van die grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid kan worden afgeleid uit de te lage prijs die voor het goed is betaald, de aard van het goed, de manier van aanbieden of het feit dat de koper vraagt of de goederen gestolen zijn, zodat hij vermoed dat er iets niet klopt, waar vervolgens een onderzoeksplicht uit volgt.

5. In de onderhavige zaak is geen sprake van koop van het goed door cliënt. Hij had de auto slechts voorhanden omdat hij naar zijn ex-vrouw in Duitsland wilde en op dat moment zelf niet over een auto beschikte. Hij had dit voertuig geleend van de bezitter. Dat maakt dat de prijs, de aard van het goed, de manier van aanbieden en de vraag of het goed gestolen is, hier geen aanknopingspunt biedt voor de vraag of bij cliënt grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid bestond toen hij de bus leende.

6. Van belang is dat cliënt bij het lenen van de auto de originele sleutel kreeg. Over het algemeen is het bezit van de originele sleutel een belangrijke aanwijzing dat de bezitter van de auto te goeder trouw is. Dit is dus voor cliënt een aanwijzing dat de auto niet van misdrijf afkomstig was.

7. Het enkele feit dat cliënt de bezitter kende van het leger des heils is ook geen aanwijzing dat de auto van misdrijf afkomstig was. Cliënt zat zelf immers ook bij het leger des heils in verband met het faillissement van zijn bedrijf. Dat betekent nog niet dat iemand niet kan beschikken over een auto. De auto kan geleend zijn van iemand, toebehoren aan een familielid, gehuurd zijn, etc. Een aanwijzing dat de auto van misdrijf afkomstig is, levert het niet op.

8. Daarbij is tevens van belang dat de auto ook bepaald niet fonkelnieuw was. Het bouwjaar van de auto is 2005. Dat maakt het aannemelijker dat een bewoner van het leger des heils de legale beschikking heeft over een dergelijke auto.

9. De enige bijzonderheid waren de Duitse kentekenplaten. Het is de vraag op welke wijze cliënt aan het feit dat er Duitse kentekenplaten waren het vermoeden had moeten ontlenen dat de auto van diefstal afkomstig was. Niet alle auto 's met Duitse kentekens zijn gestolen. Daarnaast is het de vraag of het rijden met de auto, ondanks de Duitse kentekenplaten grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid oplevert. Daarbij speelt bovendien een rol dat cliënt enkele jaren woonachtig is geweest is Duitsland en dus niet onbekend is met Duitse kentekenplaten. Het is voor hem niet vreemd een auto te rijden met Duitse kentekenplaten, hij heeft er zelfs meerdere in bezit gehad en hij slaat daar dan ook niet direct op aan. Een aanwijzing voor een misdadige herkomst levert het hoe dan ook niet op en in het geval van cliënt al helemaal niet.

10. Er is geen verband te leggen tussen de kentekenplaten en de al dan niet legale herkomst van de auto, zeker niet wanneer de bezitter over een originele sleutel beschikt.

11. Nu cliënt op geen enkele wijze kon vermoeden dat de bus van diefstal afkomstig was, is geen sprake van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid en dient cliënt derhalve worden vrijgesproken.”

9. Artikel 417bis, eerste lid, onder a, Wetboek van Strafrecht stelt dat als schuldig aan schuldheling wordt gestraft:

“hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;”

10. De passage dat de pleger “redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof” maakt duidelijk dat de bepaling schuld vereist ten aanzien van de omstandigheid dat het goed door misdrijf is verkregen.1 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het hier gaat om “grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid” 2 en dat daarvan sprake is indien de pleger bij enig nadenken over de hem bekende gegevens over het goed had kunnen vermoeden dat het goed gestolen was en hij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen.3

11. Omdat in het arrest van het Hof geen bijzondere overwegingen worden gewijd aan de betekenis van de woorden “redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof” meen ik dat het hier aankomt op de vraag of de bewijsvoering begrijpelijk is. De vraag is dan of het Hof inderdaad ervan kon uitgaan dat enig nadenken van verdachte geboden was. Voor de beantwoording van die vraag is het Hof kennelijk gelet op de gebezigde bewijsmiddelen uitgegaan van de volgende omstandigheden:

- verdachte heeft de (gestolen) auto met (gestolen) Duitse kentekenplaten van [betrokkene 1] geleend, hij weet niet hoe de kentekenplaten op het voertuig komen;

- verdachte beschikt wel over de (originele) autosleutel, maar niet over de autopapieren;

- verdachte kent [betrokkene 1] sinds een week of 5 à 6 van het Leger des Heils, hij kent zijn achternaam niet, [betrokkene 1] zat daar voor onderdak, hij was dakloos4, verdachte weet niet of [betrokkene 1] inkomen had;

-in de auto is een koevoet, sloothamer en rode staaf aangetroffen.

12. Ik zie niet in waarom het niet begrijpelijk is dat deze omstandigheden in onderling verband en samenhang tot de slotsom leiden dat verdachte “redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”. Natuurlijk heeft de steller van het middel gelijk wanneer hij stelt dat de afzonderlijke omstandigheden onvoldoende zijn. Het lenen van een auto met Duitse kentekenplaten leidt niet tot enige plicht tot onderzoek en kan op zichzelf inderdaad nog geen schuldheling opleveren. Dat wordt anders als de auto wordt geleend van een persoon van wie verdachte niet veel anders weet te vertellen dan dat het een dakloze is die verblijft bij het Leger des Heils. Daar komt bij dat hij die persoon pas enkele weken kent en dat hij niet weet of deze persoon inkomen heeft. Dat moet aanzetten tot nadenken en vragen oproepen, in het bijzonder ook omdat verdachte niet over autopapieren beschikt. Anders dan de steller van het middel meen ik dat de omstandigheid dat verdachte beschikt over de (originele) sleutel van de auto daaraan niet afdoet, evenmin overigens als -de door het Hof niet vastgestelde omstandigheid- dat verdachte enige tijd in Duitsland zou hebben gewoond. Ik veroorloof mij nog de opmerking dat de in de auto aangetroffen gereedschappen niet rechtstreeks aan het bewijs meewerken, maar dat het niet onbegrijpelijk is dat ze worden aangemerkt als inbrekerswerktuigen en daarmee enige kleur geven aan de overtuiging dat sprake is van schuldheling.

13 Het eerste middelfaalt.

14. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof de opgelegde gevangenisstraf onvoldoende heeft gemotiveerd. Het Hof zou niet hebben voldaan aan de eisen die art. 359 lid 6 Sv stelt aan de motivering van een opgelegde vrijheidsstraf.

15. De door het Hof bevestigde aantekening mondeling vonnis bevat de volgende strafmotivering:

“6. Opgelegde straf of maatregel. Opgave van de bijzondere redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

- Gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) weken.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Strafmotivering

Verdachte had vanwege de omstandigheden dat hij [betrokkene 1] nog maar kort kende, zijn achternaam niet wist, hem kende van het Leger des Heils, niet wist of hij enig inkomen had en het feit dat er Duitse kentekenplaten op de auto zaten, nader onderzoek moeten verrichten naar de herkomst van de auto en kentekenplaten.

De strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is zijn gepleegd.

De politierechter let op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter houdt ook rekening met voormeld uittreksel uit de justitiële documentatie waaruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld, ook voor vermogensdelicten.’’

16. Ter terechtzitting van de politierechter op 10 september 2013 heeft de verdachte blijkens het proces-verbaal van die zitting over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard:

“Ik ben getrouwd geweest en heb diverse bedrijven gehad. Ik heb nog steeds een aannemersbedrijf.”

17. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2014 bevat, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, de volgende passage:

“De raadsman van de verdachte verklaart over de persoonlijke omstandigheden van verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

Verdachte zit sinds juli vorig jaar vast in een andere zaak ter zake vermogensdelicten. De behandeling van die zaak is gepland voor 5 februari a.s. in Alkmaar.

Verdachte is vrijgesproken van de heling die hij zou hebben gepleegd op 11 april 2013 en ter zake waarvan op 13 april 2013 de beslissing is genomen hem te vervolgen.

Verdachte is gescheiden en heeft meer problemen dan kouter strafrechtelijke problemen. Dat is ook de reden dat hij bij het Leger des Heils verblijft.”

18. De opgave van de bijzondere redenen als bedoeld in art. 359, zesde lid, Sv is, zoals de steller van het middel terecht opmerkt, niet te vinden in de eerste zin van de strafmotivering. Die zin ziet immers vooral op de motivering van de bewezenverklaring, al blijken uit die zin niet alle bepalende factoren. Uit de laatste zin van de strafmotivering komt naar voren dat verdachte veelvuldig is veroordeeld, ook voor vermogensdelicten. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent is dus niet enkel volstaan met de standaardformule.5 De vraag is of met de laatste zin voldoende tot uitdrukking wordt gebracht dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt.

19. In HR 3 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2898 werd de aanvulling van een enigszins aangeklede strafmotivering met de zin ‘De zeer omvangrijke justitiële documentatie van verdachte weegt mee in het nadeel van de verdachte. Er zit geen vooruitgang in zijn manier van handelen.’ niet aangemerkt als een toereikende opgave van de bijzondere redenen. In HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:AX6411 was aan de standaardformule toegevoegd: ‘Uit het justitieel documentatieregister betreffende verdachte blijkt dat zij in het verleden reeds ter zake van soortgelijke zaken door de rechter tot straf is veroordeeld.’ Ook daarin zag de Hoge Raad, anders dan de Advocaat-Generaal Vellinga die constateerde dat vaststond dat verdachte eerder tot vrijheidsstraffen was veroordeeld, geen bijzondere redenen als bedoeld in zesde lid van art. 359 Sv. Ook in HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8040 was de volgende aanvulling op een enigszins aangeklede motivering (wederom contrair aan de AG) ontoereikend: ‘Blijkens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 19 juli 2007 betreffende verdachte is hij herhaaldelijk eerder veroordeeld, waaronder voor soortgelijke overtredingen als de bewezenverklaarde en heeft hij het feit begaan, terwijl voor hem nog een proeftijd gold.’ Ik wijs er op dat er ook andere rechtspraak (uit 2007)6 is waarin de Hoge Raad oordeelde dat uit de motivering (ook hier werd verwezen naar eerdere veroordelingen) moest worden begrepen dat niet volstaan kon worden met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. Mijn indruk is dat in de latere rechtspraak deze wat soepeler benadering is verlaten en dat thans geldt dat uit het arrest expliciet moet blijken dat het Hof aandacht heeft gehad voor de bijzondere redenen voor de vrijheidsontnemende straf. Het Hof moet kennelijk uitdrukkelijk een signaal geven art. 359, zesde lid, Sv voor ogen te hebben gehad. Dat is hier niet gebeurd en in die lijn treft het middel derhalve doel.

20. Ik vraag mij af of de invoering van art. 80a RO hierin verandering kan brengen. Die vraag lijkt mij in het licht van de vermelde niet geheel vaste rechtspraak van de Hoge Raad en de vermelde conclusies van mijn ambtgenoot Vellinga voor de hand te liggen. Mijn uitgangspunt is dat de motivering van het Hof in het licht van de recentere rechtspraak van de Hoge Raad over art. 359, zesde lid, Sv tekortschiet. De vraag is dan vervolgens of hier geldt dat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het casatieberoep heeft. Het standaardarrest inzake de toepassing van art. 80a RO7 geeft daarover voor een geval als het onderhavige geen uitsluitsel. Het lijkt mij voldoende uitgesloten dat na verwijzing een andere straf zal worden opgelegd, tenzij de persoonlijke omstandigheden8 zijn gewijzigd. Gelet op het volgende meen ik dat verdachte onvoldoende belang heeft bij het slagen van de onderhavige klacht:

- uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof blijkt dat de niet verschenen verdachte op dat moment ongeveer zes maanden is gedetineerd;

-uit het zich bij de stukken bevindende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 december 2013 (20 bladzijden) blijkt dat verdachte sinds 1992 ter zake van misdrijven met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat hij alleen al vanaf 2005 vijf maal is veroordeeld tot (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen wegens onder meer vermogensdelicten en dat er bovendien nog enkele niet afgedane vermogensdelicten zijn;

- van de kant van de verdediging is niet naar voren gebracht dat ingeval van veroordeling een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet passend of geboden zou zijn;

- hoewel LOVS-oriëntatiepunten voor heling ontbreken meen ik te kunnen zeggen dat de opgelegde straf niet ongebruikelijk is.9

21 Ook het tweede middel faalt.

22. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. V. Mul, ‘Aantekening 8 op art. 417bis Sr’, in: C.P.M. Cleiren & M.J.M. Verpalen, Tekst & Commentaar, Deventer: Kluwer 2012 (bijgewerkt tot 01-07-2014).

2 Vgl. het ook door de steller van het middel genoemde HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9146, NJ 1986/428.

3 Vgl. HR 11 juli 1944, NJ 1944/580; HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8631, NJ 2009/608.

4 De aanvulling door het Hof op het bevestigde vonnis houdt in een verklaring van verdachte (p. 48): “[betrokkene 1] zat bij het Leger des Heils voor onderdak. Hij was ook dakloos.”

5 De verwijzing naar HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:355 is daarmee betekenisloos.

6 HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3128 en HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7122.

7 HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt.

8 Die tellen namelijk niet mee. Zie het standaardarrest r.o.2.2.2.

9 De op 1 maart 2015 in werking getreden zogenaamde Richtlijn voor strafvordering heling (2015 R016, Stcrt. 2014, 4430) begint met een eis van 3 weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf bij meermalen recidive.