Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:173

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-02-2015
Datum publicatie
10-03-2015
Zaaknummer
13/03157
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:538, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht opzetheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03157

Mr. Machielse

Zitting 10 februari 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 15 februari 2013 voor “opzetheling” veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren.

2. Mr. R.H. Wormhoudt, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over het bewijs. Verdachte heeft ontkend in de auto te hebben gereden. Maar wat daarvan ook zij, op geen enkele manier kan worden bewezenverklaard dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist dat de auto een door misdrijf verkregen goed betrof. Dat verdachte heeft getracht te vluchten kan allerlei redenen hebben gehad. Daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto wist dat deze gestolen was.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte

"op 21 maart 2010 te Amsterdam, een personenauto, merk Jaguar, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof".

Deze bewezenverklaring is voorafgegaan door de volgende overwegingen:

"Nadere bewijsoverweging

De raadsman en de verdachte hebben betoogd dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet is uit te sluiten dat iemand anders dan de verdachte in de gestolen Jaguar reed en dat hij - woonachtig in dezelfde buurt - toen de Jaguar tot stilstand kwam ten onrechte als verdachte is aangehouden. De verbalisanten hebben hem voor de heling van de auto willen laten opdraaien.

Het hof overweegt als volgt.

Blijkens het door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op ambtseed en -belofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen gaven zij op 21 maart 2010 aan de bestuurder van een als gestolen geregistreerd staande Jaguar een stopteken. Zij zagen heel duidelijk het gezicht van de bestuurder in de binnenspiegel van die auto. De auto reed vervolgens met hoge snelheid van de agenten weg en raakte op een grasveld in een slip. De verbalisanten zagen dat de bestuurder uit de auto sprong en wegrende. De verbalisant [verbalisant 4] reed met zijn politievoertuig parallel naast de verdachte. Zijn zicht werd 10 seconden belemmerd door een aantal huizen. Aan het eind van het huizenblok heeft [verbalisant 4] zijn voertuig neergezet, zag hij de verdachte voorbij rennen en riep hij naar de verdachte "stop politie'. Hij hoorde de verdachte zwaar ademhalen en zag zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. Na hem nog enkele tientallen meters te voet te hebben achtervolgd heeft hij [verdachte] als verdachte aangehouden. In de straat waar de verdachte werd aangehouden was op dat moment naast de verdachte alleen een jongetje van ongeveer 10 jaar aanwezig. De verbalisanten herkenden de verdachte voor 100% aan zijn kleding en uiterlijk als de bestuurder van de gestolen Jaguar.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij voor de auto, die op het grasveld in zijn richting kwam gereden, weg moest rennen over de afstand van een huizenblok. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet heeft gezien dat er een politieauto parallel aan hem reed, hij langs een politieauto rende en dat er werd geroepen 'stop politie'.

De verbalisanten hebben het gezicht en de kleding van de bestuurder van de auto goed gezien, zijn de verdachte in hun achtervolging slechts seconden uit het oog verloren en herkennen de verdachte als zijnde de bestuurder van de gestolen auto. De verklaring van de verdachte stelt het hof als ongeloofwaardig terzijde. Op geen enkele wijze heeft de verdachte inzicht gegeven in de reden waarom hij de lengte van een huizenblok moest wegrennen voor een slippende auto. Bovendien zat er tussen het wegrennen van de gestolen auto en de aanhouding van de verdachte zeer weinig tijd en was er ten tijde van de aanhouding van de verdachte niemand in de buurt die aan zijn signalement had kunnen voldoen.

Niet is gebleken dat het proces-verbaal van bevindingen op voornoemde punten tegenstrijdigheden of onwaarheden bevat, laat staan dat dit door de verbalisanten opzettelijk is gemanipuleerd om de verdachte te kunnen vervolgen. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging."

3.3. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij niet in de zwarte Jaguar heeft gezeten maar dat hij is gaan rennen toen die auto het grasveld op kwam rijden en op hem af reed. Hij heeft evenmin een politieauto gezien of de politie horen roepen.

3.4. De aanvulling op het verkort arrest bevat de volgende bewijsmiddelen:

1.

Een proces-verbaal van aangifte van 22 maart 2010 van in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (ongenummerd). Dit proces-verbaal houdt in als de op voornoemde datum tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik doe aangifte van vervalsing van mijn kentekenplaten. Ik heb van de politie begrepen dat mijn kentekenplaten, [AA-00-AA], zijn aangetroffen op een gestolen auto. Het kenteken [AA-00-AA] behoort bij een Jaguar XJ Executive. Mijn auto staat op een afgesloten privéterrein in Montfoort. Ik heb niemand toestemming gegeven mijn kentekenplaten op een gestolen auto te gebruiken.

2.

Een proces-verbaal van aangifte van 8 maart 2010 van in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pagina 1 tot en met 4 van het dossier). Dit proces-verbaal houdt in als de op voornoemde datum tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Ik doe aangifte van diefstal van mijn personenauto, een zwarte Jaguar XJ Executive met kenteken [DD-00-DD], en de autosleutels van die auto, tussen zondag 28 februari 2010 te 00.00 uur en dinsdag 2 maart 2010 te 09.00 uur op [a-straat 1] te Amstelveen.

3.

Een proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2010, in de wettelijke vorm, op ambtseed en -belofte, opgemaakt door de.daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal (pagina18 tot en met 20 van het dossier) houdt in, -voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven- als bevindingen van de verbalisanten voornoemd op voormelde datum:

Op 21 maart 2010 reden wij op de openbare weg, de Pieter Callandlaan te Amsterdam, achter een zwarte personenauto, een Jaguar XJ Executive met kenteken [AA-00-AA]. Later bleek dit voertuig voorzien te zijn van andere kentekenplaten. Het niet vervalste voertuigidentificatienummer bleek te zijn gesignaleerd als gestolen. Bij de Rijksdienst van wegverkeer bleek dit voertuig te behoren bij de volgende kentekenplaten: [CC-00-CC].[1] Wij zagen in die auto één persoon zitten. Deze persoon gaf later op te zijn genaamd: [verdachte].

Wij gaven een stopteken om een algemene voertuig controle uit te voeren op het genoemde voertuig volgens de Wegenverkeerswet 1994. Wij zagen in de binnenspiegel van de verdachte het gezicht van de verdachte en dat deze in de richting van de spiegel keek. Wij zagen dat het voertuig met hoge snelheid over de Pieter Callandlaan weg reed. Hierop hebben wij de achtervolging ingezet. Wij zagen dat het genoemde voertuig in een grasveld reed en dat het voertuig in een slip raakte. Wij zagen dat het voertuig met zijn linker voorkant tegen een muur aan reed. Wij zagen vervolgens dat de verdachte uit het voertuig sprong en dat hij begon weg te rennen. Wij zagen dat de verdachte in de tegenovergestelde richting van ons weg rende. Hierop stapte ik, tweede verbalisant. uit om de achtervolging op de verdachte te voet in te zetten. Ik, eerste verbalisant, reed met mijn politievoertuig parallel naast de verdachte. Mijn zicht op de verdachte werd belemmerd door een aantal huizen. Aan het einde van deze huizen heb ik, eerste verbalisant mijn voertuig neergezet. Ik zag dat de verdachte mij voorbij rende. Ik hoorde dat hij een verzwaarde ademhaling had en ik zag dat er zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd stonden. Hierop heb ik hard geschreeuwd: "Stop politie!". Ik zette de achtervolging te voet in en na enkele tientallen meters heb ik de verdachte aangehouden ter zake van heling.

4.

Een proces-verbaal van aanhouding van 21 maart 2010, in de wettelijke vorm, op ambtseed en -belofte, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal (pagina 21 van het dossier) houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Op 21 maart 2010 hebben wij op de [b-straat 1] te Amsterdam, op heterdaad op verdenking van overtreding van het bepaalde in artikel 416, eerste lid, sub a, van het Wetboek van Strafrecht als verdachte aangehouden: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]."

3.4. De nadere bewijsoverweging in het arrest heeft klaarblijkelijk de strekking om de verklaring van verdachte dat hij niet in de auto heeft gereden, te weerleggen. Het hof merkt deze verklaring (slechts) aan als ongeloofwaardig en stelt deze verklaring terzijde. Het hof heeft niet het proces-verbaal voor het bewijs gebruikt dat de politierechter onder 4 heeft opgenomen en waaruit de politierechter opmaakt dat verdachte wist dat hij in een gestolen auto reed.

3.5. Uit de door het hof opgestelde bewijsvoering kan zonder nadere, doch ontbrekende, motivering niet worden afgeleid dat, zoals is bewezenverklaard, verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Jaguar wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.2

4. Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Ik merk op dat uit de bewijsconstructie van het hof niet blijkt dat de politie verdachte heeft aangehouden terwijl hij in de volgens bewijsmiddel 2 gestolen auto reed. De politierechter daarentegen heeft voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 2) een proces-verbaal van aangifte waarin [betrokkene 2] aangifte doet van inbraak, gepleegd tussen 18 februari 2010 en 2 maart 2010 waarbij werd weggenomen een personenauto Jaguar, kenteken [BB-00-BB]. De vermelding in bewijsmiddel 3 in de aanvulling op het verkort arrest van een kenteken [CC-00-CC] lijkt mij een vergissing te bevatten.

2 HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1976; HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3150.