Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:172

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-02-2015
Datum publicatie
10-03-2015
Zaaknummer
13/03505
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:539, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bijzondere voorwaarde. Het Hof heeft als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijk opgelegde gedeelte van de straf gesteld dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg/Jeugdreclassering. In aanmerking genomen dat verdachte ten tijde van de uitspraak in h.b. meerderjarig was, had het Hof o.g.v. het toen toepasselijke art. 77aa.4 Sr slechts een reclasseringsinstelling a.b.i. art. 14d.2 Sr opdracht kunnen verlenen toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en verdachte daarbij hulp en steun te verlenen. De HR herstelt het verzuim niet, omdat het aan het Hof is om, mede in het licht van de meerderjarigheid van verdachte, te oordelen over het nut en de noodzaak van het stellen van bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03505

Zitting: 3 februari 2015

Mr. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 5 juli 2013 door het gerechtshof Amsterdam wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden waarvan één maand voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft het hof een proeftijd van twee jaren verbonden alsmede de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg/Jeugdreclassering. Tevens is de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

  2. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd. De steller van het middel betoogt dat het oordeel van het hof dat sprake was van een voltooide diefstal getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat de verdachten nog doende waren de weg te nemen goederen te verzamelen toen de politie arriveerde en zij nog niet een zodanige heerschappij over de goederen hadden verworven dat de wegneming als voltooid kan worden beschouwd. Anders dan in het geval van een winkeldiefstal, maakt het feit dat de goederen reeds in een plastic tas waren gestopt naar het oordeel van de steller van het middel niet een rechtens relevant verschil, omdat de nog altijd in de woning aanwezige goederen daardoor niet (verder) aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende zijn onttrokken.

  4. Ten laste van verdachte is kort gezegd bewezen verklaard dat hij zich op 31 december 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een aantal goederen in een woning.

  5. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat op 31 december 2011 omstreeks 19.15 uur is ingebroken in de woning aan de [a-straat] te Amsterdam. Op het moment dat de gealarmeerde politie ter plaatse kwam, bevonden de twee inbrekers, verdachte en medeverdachte [medeverdachte], zich nog in de woning. In de woonkamer, naast de plek waar [medeverdachte] werd aangehouden, is een plastic tas aangetroffen met daarin verschillende goederen die afkomstig bleken uit de betreffende woning. Ook op het lichaam van [medeverdachte] werden goederen aangetroffen die thuishoorden in de woning.

  6. Het hof heeft het volgende overwogen omtrent zijn oordeel dat sprake was van een voltooide diefstal:

“Door de politie is in de woning, vlakbij de plek waar zij medeverdachte [medeverdachte] aantrof, een plastic zak aangetroffen waarin een playstation, een fototoestel, een horloge en twee telefoons zaten. Door de goederen in een plastic zak te stoppen hebben de verdachte en zijn mededader zich een zodanige heerschappij over die goederen verschaft dat de wegneming daarvan was voltooid als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Hieraan doet niet af dat de playstation nog niet was losgekoppeld en dat de goederen zich nog in de woning bevonden.”

7. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, kan dit oordeel in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.1

8. De onderhavige zaak vertoont veel gelijkenis met de situatie die ten grondslag lag aan het in voetnoot 1 genoemde arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2011. In die zaak had de verdachte zijn vrachtauto geparkeerd op een bouwterrein en een zaagmachine en een kabel ingeladen, toen de politie ter plaatse kwam en hij in de zeer dichte nabijheid van het bouwterrein werd aangehouden. Dus net als in de onderhavige zaak, werd de verdachte al betrapt op het moment dat de goederen slechts verzameld waren in de laadruimte van de vrachtauto en zich feitelijk nog op het terrein van de rechthebbende bevonden. De Hoge Raad oordeelde dat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte, door de zaagmachine en kabel te plaatsen op de laadvloer van zijn op het bouwterrein geparkeerde vrachtwagen, zich een zodanige feitelijke heerschappij over de goederen heeft verschaft dat de wegneming daarvan - in de zin van art. 310art. 310 Sr - was voltooid, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

9. In dit licht bezien, acht ik het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak - in ieder geval ten aanzien van de fotocamera, de horloges, en de mobiele telefoons - sprake is van een voltooide diefstal en niet slechts van een poging daartoe, niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het tevens niet onbegrijpelijk is en voldoende is gemotiveerd.2 Ten aanzien van de Playstation zou het oordeel anders kunnen uitvallen, aangezien die nog aan de televisie vastgekoppeld was en dus niet onmiddellijk voor medeneming gereed was, maar in dat geval kan dit onderdeel uit de bewezenverklaring worden weggestreept zonder dat daardoor de aard en ernst van het bewezenverklaarde wordt aangetast.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bepaald dat verdachte zich moet gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg/Jeugdreclassering en dat ten onrechte aan die instelling opdracht is gegeven tot het verlenen van hulp en steun bij de naleving van die voorwaarde, aangezien verdachte ten tijde van de uitspraak in hoger beroep meerderjarig was.

12. Verdachte is geboren op [geboortedatum] 1993 en was dus inderdaad meerderjarig ten tijde van de berechting door het hof. De steller van het middel heeft gelijk dat ten onrechte is bepaald dat verdachte zich moet gedragen naar de aanwijzingen van de afdeling jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg en dat die instelling verdachte daarbij hulp en steun moet verlenen.3

13. In zijn conclusie voor het in voetnoot 3 genoemde arrest van de Hoge Raad van 5 februari 2013, waarin hetzelfde probleem speelde, bepleitte mijn ambtgenoot Machielse een verbeterde lezing door de Hoge Raad. Uw Raad ging hierin niet mee, maar casseerde het bestreden arrest op dit punt en wees de zaak ten aanzien van de strafoplegging terug naar het hof. Mij moet van het hart dat deze uitspraak mij heeft verbaasd, aangezien ik niet inzie dat dit punt een aan de feitenrechter voorbehouden vaststelling betreft en evenmin inzie welk rechtens te respecteren belang van de verdachte is gebaat bij vernietiging en terugwijzing ter verbetering van zo een overduidelijke misslag door het hof. Maar aangezien Uw Raad niet lijkt te tornen aan de ingezette lijn,4 concludeer ik dat het middel slaagt, waarbij ik wil opmerken dat ik het zou toejuichen als de Hoge Raad mij hierin niet volgt.

14. Het derde middel klaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. De steller van het middel voert aan dat niet zonder meer blijkt dat de vordering tijdig is ingediend en ook niet dat de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd, waardoor het hof de benadeelde partij ten onrechte ontvankelijk zou hebben geacht in haar vordering.

15. Het bestreden arrest houdt onder het kopje ‘Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]’ het volgende in:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 300,00. Door een omissie van het openbaar ministerie heeft de rechtbank in eerste aanleg (…) deze vordering niet behandeld. Nu de vordering tijdig is ingediend zal het hof in hoger beroep alsnog op deze vordering beslissen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.”

16. Tot de gedingstukken behoort een (kopie van een) voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde partij] dat op 1 maart 2012 is ondertekend en waarin vergoeding van geleden immateriële schade wordt gevorderd ter hoogte van €300. Hoewel dit voegingsformulier niet is voorzien van een stempel of aantekening waaruit kan worden opgemaakt op welke datum het formulier is binnengekomen bij het arrondissementsparket te Amsterdam, kan uit de eveneens in het dossier aanwezige correspondentie van de raadsvrouw van de benadeelde partij worden afgeleid dat het voegingsformulier op 23 maart 2012, dus ruimschoots vóór de terechtzitting in eerste aanleg van 2 april 2012, per fax naar het parket is verzonden. In een memo van het arrondissementsparket Amsterdam van 31 mei 2012 staat eveneens vermeld dat de benadeelde partij haar voegingsformulier tijdig heeft teruggestuurd aan het parket. Het oordeel van het hof dat de vordering tijdig is ingediend, is daarom niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.5

17. Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij zich conform het bepaalde in (het toen geldende) art. 51b, eerste lid, Sv in eerste aanleg in het strafgeding heeft gevoegd en dat in eerste aanleg, door een omissie van het Openbaar Ministerie, ten onrechte niet op die vordering is beslist. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat nu de rechtbank niet op de vordering heeft beslist, die vordering in eerste aanleg niet is toegewezen. Dit betekent dat de benadeelde partij zich ingevolge art. 421, derde lid, Sv in hoger beroep opnieuw had moeten voegen binnen de grenzen van haar oorspronkelijke vordering.6 Het dossier bevat weliswaar niet een expliciete mededeling van de benadeelde partij dat zij haar vordering in hoger beroep wenst te handhaven, maar wel een klachtbrief die de raadsvrouw op 9 mei 2012 heeft doen toekomen aan de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam. In die brief uit de raadsvrouw haar ongenoegen over het feit dat het tijdig ingestuurde voegingsformulier door nalatigheid aan de zijde van het Openbaar Ministerie in eerste aanleg niet in behandeling is genomen en verzoekt zij alsnog de verzochte schadevergoeding toe te kennen. Naar mijn oordeel kan hieruit worden afgeleid dat het de bedoeling van de benadeelde partij was de vordering in hoger beroep te handhaven en zich in hoger beroep opnieuw te voegen. Het kennelijke oordeel van het hof dat de benadeelde partij ontvankelijk is in de vordering acht ik daarom allerminst onbegrijpelijk.

18. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

19. De middelen één en drie falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde deze in zoverre opnieuw te laten berechten en afdoen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2627, NJ 2013, 159 m.nt. Mevis, rov. 2.3.

2 Vgl. A.M. Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, “Wetboek van Strafrecht”, aant. 1 bij art. 310 Sr: “Wie enig voorwerp tot zich neemt (…) kan de wegneming hebben volbracht”, alsmede de opmerking ten overvloede van mijn ambtgenoot Aben in alinea 7 van zijn conclusie voor HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:1704 (niet gepubliceerd, HR 81RO).

3 Zie hierover uitgebreid alinea 6.2 van de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0502, NJ 2013, 113.

4 Zie HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014, 42 en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:694 (nadat ook mijn ambtgenoot Harteveld in zijn conclusie tevergeefs had gepleit voor verbeterde lezing die zin, dat de bijzondere voorwaarde moet luiden dat verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van de Stichting Reclassering Nederland).

5 Vgl. alinea 4.5. van de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voor HR 13 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8598 (niet gepubliceerd, HR 81RO).

6 HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1812, rov. 5.4.