Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1715

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-09-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
14/04729
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3423, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verjaring. Vordering uit overeenkomst van geldlening. Is art. 3:324 BW van toepassing op in executoriale vorm uitgegeven proces-verbaal van schikkingscomparitie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2016/52 met annotatie van prof. mr. J.L. Smeehuijzen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 14/0472

9 mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 4 september 2015

Conclusie inzake:

[eiseres]

tegen

[verweerder]

Deze zaak betreft een executiegeschil in kort geding na derdenbeslag ter incasso van een geleende geldsom. In cassatie gaat het om de beantwoording van de vragen of (i) een in een executoriale vorm (dus in een grosse) uitgegeven proces-verbaal van een ter comparitie bereikte schikking op één lijn moet worden gesteld met een rechterlijke uitspraak (vonnis) als bedoeld in art. 3:324 BW zodat de verjaringstermijn van twintig jaar geldt en (ii) handhaving van een (conservatoir) (derden)beslag voortdurende stuitende werking ten opzichte van de nadien gesloten vaststellingsovereenkomst heeft.

1. Feiten1 en procesverloop2

1.1 Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres] ) en verweerder in cassatie (hierna: [verweerder] ) hebben in de jaren 2003 en 2004 een relatie met elkaar gehad. [eiseres] heeft [verweerder] in de periode van 14 augustus 2003 tot en met 21 september 2004 diverse geldbedragen geleend.

1.2 [verweerder] heeft op allerlei momenten in de jaren 2004, 2005, 2006 en in 2007 toegezegd het verschuldigde aan [eiseres] te zullen terugbetalen. Deze toezeggingen hebben niet geresulteerd in terugbetaling van het geleende geldbedrag.

1.3 Op 31 mei 2007 heeft [eiseres] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) (hierna: het beslag) tot zekerheid van verhaal van haar vordering, die is begroot op een bedrag van € 150.000,-.

1.4 [eiseres] heeft [verweerder] op 6 juni 2007 gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Deze procedure (met zaaknummer 372413, HA ZA 07-1653) is geëindigd in een overeenkomst die in een proces-verbaal van 20 maart 2008 (hierna: het proces-verbaal) is vastgelegd. Zoals blijkt uit het proces-verbaal, zijn partijen overeengekomen dat [verweerder] aan [eiseres] uiterlijk op 20 juli 2008 een bedrag van € 95.000,- zal betalen waarna [eiseres] ervoor zal zorgen dat het beslag zal worden opgeheven.

1.5 Op 18 september 2008 heeft [eiseres] het proces-verbaal laten betekenen aan [verweerder] en op 23 december 2013 aan het Ministerie van Defensie.

1.6 [verweerder] is de overeenkomst niet nagekomen.

1.7 Bij inleidende dagvaarding van 24 februari 2014 heeft [verweerder] [eiseres] in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en gevorderd dat het op 31 mei 2007 gelegde beslag zal worden opgeheven, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

1.8 [verweerder] heeft daartoe aangevoerd dat de verplichting tot terugbetaling van de geldvordering per 18 september 2013, of zelfs al per 21 juli 2013 is verjaard zodat de grondslag van het beslag is komen te vervallen en [eiseres] is gehouden het beslag op te laten heffen. Het spoedeisend belang bij opheffing van het beslag is volgens [verweerder] daarin gelegen dat het Ministerie van Defensie (de Staat), nadat het beslag is opgeheven, een voorschot kan uitbetalen van de schadevergoeding waarop [verweerder] aanspraak maakt en hij dan in zijn levensonderhoud kan voorzien.

1.9 [eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en onder meer gesteld dat op de verplichting die is vastgelegd in het proces-verbaal, op de voet van art. 3:324 BW een verjaringstermijn van twintig jaar van toepassing is, respectievelijk deze in het geheel niet verjaart nu daarover in de wet niets is bepaald, en dat inroeping van de verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

1.10 De voorzieningenrechter heeft het beslag bij vonnis van 27 maart 2014 opgeheven en daarin geoordeeld dat [eiseres] op grond van het proces-verbaal een rechtsvordering op [verweerder] heeft tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals bedoeld in artikel 3:307 BW, welke rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (rov. 3.2).

1.11 [eiseres] is, onder aanvoering van elf grieven, van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. De grieven strekten ertoe de gehele beoordeling door de voorzieningenrechter aan het hof voor te leggen3. [eiseres] heeft daarbij geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en dat het hof zal bepalen dat het op 31 maart4 2007 door [eiseres] onder de Staat der Nederlanden gelegde beslag nooit is opgeheven, althans (met terugwerkende kracht) herleeft.

[verweerder] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.

1.12 Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bij arrest van 15 juli 2014 bekrachtigd.

1.13 [eiseres] heeft tegen dit arrest tijdig5 cassatieberoep ingesteld.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping.

Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel omvat vijf onderdelen (klachten6), die zijn onderverdeeld in subonderdelen. De onderdelen 4 en 5 bevatten geen afzonderlijke klachten.

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.2-4.4, waarin het hof over de toepasselijke verjaringstermijn als volgt heeft geoordeeld:

“4.2. Met de voorzieningenrechter en [verweerder] is het hof voorshands van oordeel dat de afspraak die is neergelegd in het proces-verbaal ziet op een verbintenis tot nakoming uit een overeenkomst (tot vaststelling) tot een doen en dat verjaring van een dergelijke vordering is geregeld in artikel 3:307 lid 1 BW. Dat betekent dat de verplichting tot betaling van € 95.000 is verjaard vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Blijkens het proces-verbaal diende voornoemd bedrag door [verweerder] uiterlijk op 20 juli 2008 aan [eiseres] te zijn betaald. Derhalve is de verplichting tot betaling van dit bedrag opeisbaar op 21 juli 2008, zodat deze, behoudens stuiting (waarover hierna), op 21 juli 2013 was verjaard.

4.3.

Het hof volgt het betoog van [eiseres] niet dat deze afspraak gelijk is of te stellen zou zijn met een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 3:324 BW. De wetgever heeft in artikel 3:324 BW immers slechts voor rechterlijke of arbitrale uitspraken een (specifieke) verjaringstermijn bepaald en niet ook voor andere executoriale titels. Artikel 3:324 BW dient volgens de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 941 (nr. 7)) in samenhang te worden gelezen met artikel 3:316 BW en 319 BW, welk geval zich in dit geval niet voordoet, nu het hier niet gaat om een eis die door een rechterlijke toewijzing is gevolgd. Een overeenkomst (schikking; zie hierna) ter comparitie die in een (in executoriale vorm uit te geven) proces-verbaal wordt vastgelegd, is iets anders dan een toewijzing in een rechterlijke uitspraak, zelfs als deze voor de eisende partij in zoverre positieve gevolgen heeft dat een deel van diens eis materieel wordt ingewilligd. Hierbij is van belang dat in het op verlangen van een partij opgemaakte proces-verbaal volgens artikel 87 lid 3 Rv de verbintenissen, die partijen als gevolg van de schikking op zich nemen, worden vastgelegd. Duidelijk is dat het zodoende gaat om een vastlegging van de afspraken tussen partijen aangaande de tussen hen bereikte schikking en niet om een rechterlijke uitspraak. Het proces-verbaal wordt bovendien in dat artikel ook niet als uitspraak gekwalificeerd. Bepaald wordt slechts dat het in executoriale vorm wordt uitgegeven, waardoor het volgens artikel 430 Rv rechtstreeks ten uitvoer kan worden gelegd. De door [eiseres] aangevoerde omstandigheid dat de afgifte in executoriale vorm geschiedt door een rechter maakt dit niet tot een rechterlijke uitspraak, al niet omdat het een vastlegging van tussen en door partijen [curs. hof] getroffen verbintenissen betreft en niet een gemotiveerde afdoening of toewijzing door een rechter. Grief 3 faalt derhalve.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hof ook het betoog van [eiseres] dat in de wet geen verjaringstermijn zou zijn bepaald passeert. Het betreft een afspraak tussen partijen die valt onder het regime van artikel 3:307 lid 1 BW. Grieven 4 en 5 falen. ”

2.3

Subonderdeel 1.1 bevat een inleiding over de gedachte achter de verjaring van een rechtsvordering, te weten dat een partij die kan worden aangesproken moet weten dat hij zijn bewijsmateriaal nog niet moet weggooien en dat voor een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen daarom, in afwijking van de hoofdregel, in art. 3:307 BW een – overzichtelijke – termijn van vijf jaar is bepaald. Subonderdeel 1.2 klaagt vervolgens dat het hof in rechtsoverweging 4.2 heeft miskend dat art. 3:307 BW in beginsel is uitgewerkt, althans niet meer aan de orde is in het geval in een procedure waarin een rechtsvordering tot nakoming is ingesteld, ter comparitie een schikking is getroffen die is vastgelegd in een proces-verbaal. Een dergelijke procedure is, aldus het subonderdeel, dan al (op tegenspraak) gevoerd en kan niet nogmaals worden ingesteld zodat de termijn van art. 3:307 BW niet meer van toepassing is. In dit geval is de wederpartij al aangesproken en heeft dit geresulteerd in een schikking.

2.4

Subonderdeel 1.3 betoogt dat in de ontstaansgeschiedenis van art. 3:324 BW een in een grosse opgenomen proces-verbaal van een ter comparitie bereikte schikking niet als zodanig wordt genoemd en waarschijnlijk door de wetgever over het hoofd is gezien. Volgens het subonderdeel wordt ook de term rechterlijke uitspraak niet in de parlementaire geschiedenis gedefinieerd, zodat een in een grosse opgenomen proces-verbaal van een ter comparitie bereikte schikking daaronder wel degelijk ook moet worden verstaan en is een andersluidende opvatting onwenselijk. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het hof door in rechtsoverweging 4.3 te oordelen dat artikel 3:324 BW niet van toepassing is, een en ander heeft miskend, althans geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang op dit punt, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.

2.5

De subonderdelen 1.4 en 1.5 bouwen op de vorige subonderdelen voort en klagen – zakelijk en verkort weergegeven – dat het hof in de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting omdat het miskent dat art. 3:307 BW in dit geval toepassing mist en art. 3:324 BW rechtstreeks van toepassing is dan wel analoog moet worden toegepast. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, althans heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Volgens subonderdeel 1.5 gaat het om meer dan alleen een afspraak, te weten een grosse waarbij een schikking is vastgelegd en die ten overstaan van de rechter is getroffen, na een op tegenspraak gevoerde procedure op basis waarvan een partij (al dan niet gedeeltelijk) zijn vordering kan executeren. Een partij die op de zitting instemt met een regeling in plaats van het op een vonnis of een arrest laten aankomen, mag door die keuze wat betreft verjaring niet in een slechtere positie geraken doordat die overeenkomst andermaal binnen het regime van art. 3:307 BW zou komen. Volgens het subonderdeel miskent het hof bovendien dat, indien art 3:324 BW toepassing zou missen en een grosse niet als rechterlijke uitspraak in de zin van art. 3:324 BW kan worden gezien, de wet niet voorziet in een specifieke, van de hoofdregel van art. 3:306 BW afwijkende verjaringstermijn voor grossen. Het hof had dit, al dan niet de rechtsgronden ambtshalve aanvullend op grond van art. 25 Rv moeten beoordelen.

2.6

De subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling omdat zij alle tot uitgangspunt nemen dat een ter comparitie getroffen schikking die is vastgelegd in een proces-verbaal een rechterlijke uitspraak is dan wel daaraan moet worden gelijkgesteld.

Schikking

2.7

Een schikking is een vaststellingsovereenkomst7. De vaststellingsovereenkomst is een obligatoire overeenkomst als bedoeld in art. 6:213 BW, waarbij partijen zich binden aan een tot een vaststelling leidende beslissing over wat tussen hen rechtens is om een geschil of onzekerheid te beëindigen dan wel te voorkomen. Zij aanvaarden daarbij dat deze vaststelling mogelijk afwijkt van wat tussen hen rechtens wás. De uitvoering van de vaststellingsovereenkomst vergt een beslissing. Deze beslissing bepaalt welke verbintenissen uit de vaststellingsovereenkomst ontstaan en dus welke prestaties partijen moeten verrichten. Vaststelling is de term die wordt gebruikt voor de nieuwe rechtstoestand8.

2.8

Een tijdens een comparitie van partijen (art. 87 Rv)9 getroffen schikking, die een vastlegging is van de afspraken die partijen hebben gemaakt met betrekking tot de tussen hen ter zitting bereikte overeenstemming, kan op de voet van art. 87 lid 3 Rv op verlangen van een partij worden vastgelegd in een door partijen ter terechtzitting mede ondertekend proces-verbaal. De uitgifte van het proces-verbaal van een schikking geschiedt in executoriale vorm.

2.9

Vastlegging in een proces-verbaal van ten overstaan van de rechter verrichte handelingen geschiedt voor verschillende doeleinden, zoals bijvoorbeeld het geven van inlichtingen (art. 88 Rv). Andere voorbeelden zijn de vastlegging in een proces-verbaal van hetgeen getuigen hebben verklaard (art. 180 Rv), het mondelinge verslag van een deskundige (art. 198 lid 5 Rv) en het proces-verbaal van een plaatsopneming (art. 201 Rv). Deze voorbeelden betreffen de dagvaardingsprocedure. Ook in verzoekschriftprocedures worden verrichtingen vastgelegd in een proces-verbaal, zie bijvoorbeeld art. 279 lid 4 Rv.

2.10

Sommige van dergelijke processen-verbaal kunnen in executoriale vorm worden uitgegeven, zoals het al genoemde proces-verbaal van de ter comparitie bereikte schikking (art. 87 lid 3 Rv) en het bevelschrift tot betaling van het resterende bedrag aan schadeloosstelling en loon van deskundigen in geval de deskundige mondeling verslag uitbrengt (art. 199 lid 2 Rv).

Daardoor kan hetgeen in het proces-verbaal is vastgelegd op de voet van art. 430 lid 1 Rv in geheel Nederland ten uitvoer worden gelegd10. In geval van een ter comparitie bereikte schikking betekent uitgifte van het proces-verbaal in executoriale vorm dat de wederpartij van de partij die de schikking niet nakomt, na voorafgaande betekening van het proces-verbaal aan die partij, direct tot executie kan overgaan (art. 430 lid 3 Rv).

2.11

Op de voet van art. 232 Rv kan in de dagvaardingsprocedure een mondeling tussenvonnis worden gewezen11. Daarvan kan de rechter gebruik maken indien bijvoorbeeld ter comparitie van partijen getuigen worden meegenomen, die – als de tijd het toelaat12 – na de comparitie onmiddellijk kunnen worden gehoord. De bewijsopdracht die de basis vormt voor het getuigenverhoor, kan dan mondeling worden verstrekt en op schrift worden gesteld in het proces-verbaal van de zitting. Een dergelijke in een proces-verbaal vastgelegde rechterlijke beslissing is uiteraard een vonnis.

Overigens wordt in het hiervoor al genoemde Wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht de mogelijkheid om mondeling vonnis te wijzen in art. 30p Rv verder uitgewerkt13.

Toepasselijke verjaringstermijn

2.12

De verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke en arbitrale uitspraken is geregeld in art. 3:324 BW. Lid 1 stelt de verjaringstermijn in beginsel op twintig jaren, ook wanneer voor de verjaring van de rechtsvordering een kortere termijn gold, omdat door het bestaan van de desbetreffende verplichting dwingend is vastgesteld en de eisende partij heeft doen blijken nakoming te wensen14. Omdat het voorschrift van art. 3:324 BW uitsluitend de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging treft, betreft het alleen die uitspraken die een veroordeling van enigerlei aard inhouden15.

2.13

De wet bevat geen voorschrift met betrekking tot de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel16. Bepalend derhalve is de rechtsvordering die in de executoriale titel is neergelegd, zodat moet worden aangesloten bij de verjaring van rechtsvorderingen17. Daarbij wordt in de art. 3:306 BW e.v. de verjaring verbonden aan de materiële strekking van elke rechtsvordering18.

Niet de vorm maar de inhoud is bepalend

2.14

Anders dan onderdeel 1 tot uitgangspunt neemt, is niet de vorm – het mede door de rechter en de griffier ondertekende proces-verbaal – maar de inhoud van hetgeen daarin wordt vastgelegd bepalend voor de kwalificatie van het proces-verbaal en de toepasselijke verjaringsregel.

Een in een proces-verbaal opgetekend mondeling vonnis is een vonnis, waarop de verjaringstermijn van twintig jaar van art. 3:324 BW van toepassing is.

Een in een proces-verbaal opgenomen schikking is echter, zoals gezegd, een vaststellingsovereenkomst tussen partijen en het is deze vaststellingsovereenkomst die de verjaringstermijn bepaalt19.

Een proces-verbaal uitgegeven in executoriale vorm kent derhalve niet steeds eenzelfde verjaringstermijn gelet op de inhoud van het proces-verbaal.

2.15

In het onderhavige geval is sprake van een geldlening waarover partijen ter comparitie overeenstemming hebben bereikt. In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat [verweerder] aan [eiseres] uiterlijk op 20 juli 2008 een bedrag van € 95.000,- zal betalen waarna [eiseres] ervoor zal zorgen dat het beslag wordt opgeheven. Het uit deze schikking voortvloeiende vorderingsrecht van [eiseres] ten bedrage van € 95.000,-, is de vervanging van haar vorderingsrecht uit onder 1.1 genoemde geldleningen, dat op een bedrag van € 150.000,- was begroot (zie hiervoor onder 1.3).

2.16

Art. 3:307 BW, dat de bijzondere verjaringsregel van de vordering tot nakoming bevat, bepaalt in het eerste lid dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, verjaart. In dit geval is de vordering op 21 juli 2008 opeisbaar geworden en derhalve op 21 juli 2013 verjaard. De tenuitvoerlegging van het proces-verbaal in executoriale vorm had dan ook voor 21 juli 2013 moeten plaatsvinden, tenzij er in de tussenliggende periode stuiting heeft plaatsgevonden (waarover hieronder onderdeel 2).

2.17

Nu alle klachten van onderdeel 1 erop neerkomen dat het hof voor de verjaring aansluiting had moeten zoeken bij art. 3:324 BW en dat betoog niet opgaat omdat dat voorschrift alleen ziet op de tenuitvoerlegging van rechterlijke en arbitrale uitspraken en een vaststellingsovereenkomst opgemaakt in een proces-verbaal in executoriale vorm geen rechterlijke uitspraak is, faalt het onderdeel in al zijn subonderdelen.

Stuiting

2.18

Onderdeel 2, dat deels als subsidiaire klacht is geformuleerd voor zover onderdeel 1 niet zou slagen, richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.5-4.6 waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“4.5. Vervolgens heeft [eiseres] in grief 2 de stelling ingenomen dat de verjaring tussentijds is gestuit. [eiseres] stelt dat het door haar op 31 mei 2007 gelegde conservatoire beslag doorlopende stuitende werking zou hebben. Dat betoog wordt verworpen. Ten eerste overweegt het hof dat het beslag is gelegd voorafgaand aan de afspraak als neergelegd in het proces-verbaal en derhalve niet na-, maar voordat de verjaring een aanvang heeft genomen. Ook gaat het beroep dat [eiseres] doet op HR 7 juni 1935, NJ 1935, p. 1276, respectievelijk HR 9 september 2011, NJ 2011, 553 (ECL1:NL:HR:2011:BQ7066) of Hof Den Haag 22 mei 2012, NJF 2012, 302 (ECLI: NL:GHSGR:2012:BW7226) niet op, al niet omdat in die zaken de betreffende beslagen waren gelegd nadat de verjaringstermijn een aanvang had genomen en deze bovendien werden gevolgd door een nog lopende (inhoudelijke) procedure. In deze zaak is de (inhoudelijke) procedure, die op het beslag is gevolgd, "op andere wijze geëindigd" in de zin van artikel 3:316, tweede lid BW met het schikkings-proces-verbaal (en dus niet in een toewijzing door een rechterlijke uitspraak zoals hiervoor overwogen). Ten slotte is nog op te merken dat [eiseres] het proces-verbaal eerst op 23 december 2013 aan de Staat heeft doen betekenen, waardoor het conservatoire beslag ook niet voor afloop van de verjaringstermijn in de executoriale fase is overgegaan (704 lid 1 Rv). Grief 2 moet op het voorgaande stranden.

4.6.

[eiseres] komt in zijn elfde grief evenwel terecht op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de verjaringstermijn op 21 maart 2013 is verstreken. Hiervoor is reeds overwogen dat deze is begonnen op 21 juli 2008 toen de vordering opeisbaar werd en derhalve liep tot 21 juli 2013. Dit verschil is in deze zaak echter niet relevant, nu de voorzieningenrechter terecht aanneemt dat de betekening van het schikkingsproces-verbaal aan [verweerder] op 18 september 2008 de verjaring heeft gestuit en tevens dat daardoor de vordering pas per 18 september 2013 is verjaard. Deze grief kan daarom niet leiden tot het daarmee beoogde doel.”

2.19

Subonderdeel 2.1 dat onder verwijzing naar onderdeel 1 klaagt dat moet worden aangenomen dat art. 3:324 BW van toepassing is en uit dien hoofde er van verjaring reeds hierom geen sprake is, deelt in het lot van onderdeel 1 en faalt op de hiervoor uiteengezette gronden.

2.20

Subonderdeel 2.2 en het daarop voortbouwende subonderdeel 2.3 klagen dat het hof heeft miskend dat een conservatoir beslag, zolang het voortduurt, ten aanzien van een verjaring voortdurend stuitende werking heeft.

2.21

Art. 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Vaste rechtspraak is dat deze omschrijving van de schriftelijke mededeling moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard, die neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldenaar ingestelde vordering behoorlijk kan verweren20.

2.22

Kerngedachte achter een stuitingshandeling is dus dat de schuldeiser de schuldenaar met een voldoende duidelijke schriftelijke actie laat weten dat hij zich nog immer zijn recht op nakoming van de rechtsvordering voorbehoudt21. Gelet op deze ratio heeft ook het leggen van beslag stuitende werking, hetgeen in de rechtspraak is aanvaard22.

2.23

Door stuiting wordt verjaring van de rechtsvordering voorkomen en begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. Stuitingshandelingen kunnen uit de aard der zaak slechts worden verricht zolang de verjaringstermijn nog niet is verstreken. Uit het wezen van de stuiting volgt echter aan de andere kant dat slechts een lopende verjaring kan worden gestuit en niet een toekomstige verjaring23.

In het onderhavige geval is op 31 mei 2007 ten laste van [verweerder] conservatoir derdenbeslag gelegd en hebben partijen op 20 maart 2008 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waaruit de verbintenis van [verweerder] om uiterlijk op 20 juli 2008 aan [eiseres] een bedrag van € 95.000,- te betalen, is ontstaan. De verjaring van deze verbintenis is daags na die datum gaan lopen en kon derhalve niet (op voorhand) worden gestuit door het derdenbeslag van een jaar daarvoor.

2.24

Ik wijs daarnaast op het volgende. In het exploot van 18 september 2008 waarbij [eiseres] het proces-verbaal heeft laten betekenen aan [verweerder] (zie hiervoor onder 1.5) wordt aangezegd dat bij niet en/of niet tijdige voldoening aan dit bevel zal worden overgegaan tot de tenuitvoerlegging van voormelde titel door de inbeslagname van de roerende en/of onroerende zaken van de gerekwireerde en voorts door alle andere wegen en middelen rechtens en dat gerekwireerde voorts ingevolge het bepaalde in de wet gehouden is om terstond naar ommekomst van de gestelde termijn aan de gerechtsdeurwaarder, zijn/haar bron(nen) van inkomsten en die van de partner, met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, op te geven. Het eerder gelegde beslag wordt derhalve in dit exploot niet genoemd, laat staan dat daaraan voortdurende stuitende werking wordt toegekend of ontkend.

De klacht faalt mitsdien.

2.25

Onderdeel 3 is gericht tegen rechtsoverweging 4.7 waarin het hof het volgende heeft geoordeeld:

“Met grief 6 heeft [eiseres] zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid beroepen, stellende dat het proces-verbaal volgens de in Nederland heersende rechtsopvatting gelijk zou staan met een rechterlijke uitspraak en derhalve eerst na 20 jaar zou verjaren. Uit het voorgaande moet evenwel reeds worden afgeleid dat die opvatting onjuist is, daargelaten dat [eiseres] op geen enkel juridisch wetenschappelijke verhandeling heeft gewezen waarin die door haar genoemde rechtsopvatting zou zijn neergelegd. Anders dan [eiseres] stelt, valt reeds uit de arresten van de hoven te Arnhem (12 juni 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA9020, rechtsoverweging 3.4) en Amsterdam (28 december 1995, KG 1996, 330, ECLI:NL:GHAM:1995:AH5710) af te leiden dat niet alle in executoriale vorm opgemaakte stukken gelijk te stellen zijn aan rechterlijke uitspraken in de zin van artikel 3:324 BW, terwijl De Swart in De Gerechtsdeurwaarder 2009, nr. 4, p. 22 opmerkt dat het in executoriale vorm opgemaakte proces-verbaal van een ter comparitie bereikte schikking ex artikel 87 lid 3 Rv niet onder de werking van 3:324 BW valt. Grief 6 faalt. ”

2.26

Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof in de tweede volzin van rechtsoverweging 4.7 heeft miskend hetgeen in de onderdelen 1 en 2 is aangevoerd.

Nu beide onderdelen ongegrond zijn bevonden, faalt ook deze klacht.

2.27

Subonderdeel 3.2 klaagt dat het hof in de tweede helft van de tweede volzin van rechtsoverweging 4.7 miskent dat het niet aan [eiseres] – als verwerende partij – is om te verwijzen naar een juridisch wetenschappelijke verhandeling waarin haar opvatting is neergelegd en dat het hof aldus het beroep op de redelijkheid en billijkheid op onjuiste en onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

Deze klacht mist belang en kan daarom verder onbesproken blijven.

2.28

De onderdelen 4 en 5 zijn ‘voortbouwklachten’ en delen derhalve in het lot van de voorgaande onderdelen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 juli 2014, rov. 2.1-2.5 in samenhang met het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2014, rov. 1.1-1.5.

2 Voor zover thans van belang. Zie de in cassatie niet bestreden rov. 3.1-3.4 van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 juli 2014.

3 Zie de in cassatie niet bestreden rov. 4.1 van het in noot 1 genoemde arrest.

4 Bedoeld zal zijn mei; zie onder 1.3.

5 De cassatiedagvaarding is op 9 september 2014 uitgebracht.

6 Genummerd 2.1-2.5.

7 Art. 7:900 e.v. BW; voorheen overeenkomst van dading, art. 1888 e.v. BW(oud).

8 Zie Kamerstukken II 1982-1983, 17 779, nr. 3, p.37; Asser/Van Schaick 7-III (2012), nr. 158; Mon. Nieuw BW B-80 (Van Rossum), p. 5-8; Broekema-Engelen, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:900, aant. 1a-e.

9 Zie ook art. 19 Rv (oud) en daarover Van Rossem-Cleveringa (1972), aant. 2 bij art. 19, p. 216, aant. 7 bij art. 19, p. 236. Zie over de betekenis van de schikkingscomparitie o.a. Asser Procesrecht/Asser 3 Bewijs, 2013, nr. 44 en Burgerlijke Rechtsvordering, De Bock, art. 87 Rv, aant. 1. In het in oktober 2014 ingediende Wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht gaat de mondelinge behandeling het hart vormen van een nieuwe uniforme ‘basisprocedure’ voor vorderingen en verzoekschriften (Kamerstukken II 2014/2015, 34 059, nr. 3, p. 70). De huidige schikkingscomparitie blijft onder de algemene noemer van een mondelinge behandeling bestaan (art. 30 m Rv, zie Kamerstukken II 2014/2015, 34 059, nr. 3, p. 73).

10 Voorheen geregeld in art. 436 Rv (oud); zie Van Rossem-Cleveringa (1972), aant. 1 bij art. 436, p. 1023.

11 Deze bepaling is gebaseerd op art. 46 Rv (oud).

12 In de praktijk blijkt ook de beschikbaarheid van een zittingszaal wel eens een hindernis.

13 In de literatuur is daarop kritisch gereageerd, zie K. Teuben en K.J.O. Jansen, Het Wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht: kanttekeningen vanuit de procespraktijk, TCR 2015/2, p. 9-11. Zie ook A.I.M. van Mierlo, Vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht; procederen in nieuwe jas na KEI, WPNR 2015/7065, par. 3.8.

14 Parl. Gesch. BW Boek 3, 1981, p. 941; T&C BW (Stolker), art. 3:324 BW, aant. 2.

15 Parl. Gesch. BW Boek 3, 1981, p. 941; T&C BW (Stolker), art. 3:324 BW, aant. 1; M.W.E. Koopmann, Bevrijdende verjaring, Mon. BW B14, 2010, p. 89-90.

16 Zie daarover J.A. de Swart, Stuitend verhaal, Over verjaring, grossen en valsheid in geschrift, De Gerechtsdeurwaarder 2009/4, p. 22-29; hof Amsterdam 28 december 1995, ECLI:NL:GHAMS:1995:AH5710, KG 1996/330, rov. 4.5-4.7; hof Arnhem 12 juni 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA9020, rov. 3.4.

17 En dus – wat betreft de authentieke akte – niet naar analogie bij art. 3:324 BW aldus hof Amsterdam 28 december 1995, ECLI:NL:GHAMS:1995:AH5710, KG 1996/330, rov. 4.5-4.7.

18 Zie hof Arnhem 12 juni 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA9020, rov. 3.4.

19 Zie ook De Swart, t.a.p., p. 22 en 24, die opmerkt dat uit de tekst van de art. 3:324 en 325 BW blijkt dat een in executoriale vorm opgemaakt proces-verbaal van een ter comparitie bereikte schikking op grond van art. 87 lid 3 Rv niet onder de werking van dit artikel valt.

20 HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418, NJ 2006/642, rov. 3.3 met verwijzing naar HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6020, NJ 2004/603 (rov. 3.4), waarin weer wordt verwezen naar drie eerdere uitspraken waaronder HR 25 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6085, NJ 2002/169.

21 De Swart, t.a.p., p. 28. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 II (2013), nr. 382; J.L. Smeehuizen, De bevrijdende verjaring, diss. 2008, par. 21.2.1.

22 Zie HR 7 juni 1935, NJ 1935, p. 1276; hof Amsterdam 16 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5411, rov. 3.6-3.8 en hof ’s-Gravenhage 22 mei 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7226, NJF 2012/301. Zie ook HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7066, NJ 2011/553 m.nt. J.W. Zwemmer.

23 Zie ook T&C BW (Stolker), art. 3:317 BW, aant. 1 en 2, met verwijzing naar HR 11 oktober2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4430, NJ 2002/558.