Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1710

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2015
Datum publicatie
03-11-2015
Zaaknummer
13/06181
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3214, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/06181

Zitting: 16 juni 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 26 september 2013 door het Gerechtshof Den Haag wegens de voortgezette handeling van 1. “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”, 2. medeplegen van mishandeling”, 3. “medeplegen van bedreiging met zware mishandeling”, en 4. “medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen”, veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 13/04753 en 13/04888. Het cassatieberoep in zaak 13/04753 is ingetrokken. In de andere zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.

  3. Mr. A. Verbruggen, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte zes middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op het afzien van het horen van door de verdediging verzochte getuigen. Het tweede, derde en vierde middel hebben alle betrekking op de tot bewijs gebezigde verklaringen van getuige/aangever [aangever] . Het vijfde middel betreft de redengevendheid van tapgesprekken die voor de bewezenverklaring zijn gebruikt. Het laatste middel ziet op de afwijzing van een verzoek om materiaal uit het dossier Madras toe te voegen aan het dossier en op het gebruik tot bewijs van materiaal uit dat dossier. Voordat ik op de middelen inga, zal ik de bewezenverklaring en de daarbij door het hof gebezigde bewijsmiddelen weergeven.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.

hij op 1 april 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededaders met dat opzet

- onder valse voorwendselen (zijnde de belofte dat die [aangever] aan een nieuwe zakenrelatie zou worden voorgesteld) naar een (kantoor)ruimte (van [verdachte] ) gelokt en

- in die (kantoor)ruimte (van [verdachte] ) de uitweg geblokkeerd (door er voor te gaan staan) en

- de deur op slot gedaan en

- die [aangever] in een stoel gedrukt en gedrukt gehouden en

- die [aangever] getrapt tegen het lichaam en

- die [aangever] geslagen tegen het hoofd en het lichaam en

- die [aangever] dreigend een schaar en een briefopener getoond en voor het gezicht van die [aangever] gehouden en

- met een briefopener stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [aangever] en

- tegen die [aangever] gezegd dat die [aangever] de waarheid moest zeggen anders zou hij niet meer uit het kantoor komen en/of dat een zakelijk geschil (met de Claridenbank) moest worden opgelost anders zou geweld worden gebruikt, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking;

en aldus voor die [aangever] een dreigende situatie gecreëerd waaraan hij zich niet kon onttrekken en die [aangever] gedurende enige tijd belet te gaan en te staan waar hij wilde;

2.

hij op 1 april 2004 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen [aangever] opzettelijk heeft getrapt tegen het lichaam en heeft geslagen tegen het hoofd en het lichaam, tengevolge waarvan [aangever] pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 1 april 2004 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen [aangever] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend een schaar en een briefopener getoond en voor het gezicht van die [aangever] gehouden en met die briefopener stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [aangever] en tegen die [aangever] gezegd dat die [aangever] de waarheid moest zeggen anders zou hij niet meer uit het kantoor komen en dat een zakelijk geschil (met de Clariden Bank) moest worden opgelost anders zou geweld worden gebruikt en/of woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking;

4 tweede cumulatief/alternatief:

hij op 1 april 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen [aangever] door geweld en door bedreiging met geweld gericht tegen [aangever] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, immers hebben verdachte en zijn mededaders die [aangever] gedwongen verklaringen (betreffende een zakelijk geschil met [verdachte] ) te tekenen terwijl het geweld en die bedreiging met geweld bestond uit het trappen tegen het lichaam en het slaan tegen het hoofd en het lichaam en het dreigend tonen van een schaar en een briefopener en het maken van stekende bewegingen naar die [aangever] met die briefopener;”

5. Die bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 september 2013 verklaard - zakelijk weergegeven-:

Eind 1996 heb ik financiële belangen ondergebracht bij de Claridenbank in Zürich. [aangever] was mijn accountmanager bij de Claridenbank. Hij was in dienst van de Claridenbank in Zwitserland. Op enig moment heb ik blanco pandbrieven - zogenaamde pledges - getekend. Die zijn vervolgens gebruikt om een krediet aan een ander te dekken en als gevolg hiervan zijn mijn banktegoeden bevroren. Hierdoor heb ik financiële schade geleden. [aangever] heeft die pledges zonder mijn toestemming gebruikt en daarmee is het zakelijke conflict met [aangever] en de Clariden Bank ontstaan. In 2001 zijn besprekingen begonnen met de Clariden Bank en [aangever] om een verklaring te krijgen waarin staat dat die pledges oneigenlijk zijn gebruikt. Op 1 april 2004 heb ik [aangever] in mijn kantoor boven restaurant Saur in Den Haag gesproken. Ons zakelijke geschil moest worden opgelost. [aangever] heeft daar toen twee verklaringen ondertekend, die betrekking hadden op ons zakelijk geschil. Mijn advocaat [betrokkene 1] is gekomen en heeft de verklaringen doorgelezen. Een deel van mijn gesprek met [aangever] is via een openstaande telefoon opgenomen. Het telefoonnummer van [medeverdachte 3] stond in mijn agenda genoteerd bij de datum 1 april 2004. Hetzelfde geldt voor het telefoonnummer van [medeverdachte 2] .

2. Een geschrift, zijnde een door een beëdigd vertaler in de Duitse taal vertaald proces-verbaal van verhoor inzake bedreiging met geweld d.d. 13 april 2004 van de Kantonspolizei Zürich. Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven :

als de op 13 april 2004 afgelegde verklaring van [aangever] :

Tijdens de vakantie werd ik door [betrokkene 2] gebeld. Hij legde mij uit dat hij mij graag bij een nieuwe Nederlandse klant zou introduceren. Ik zei tegen hem dat ik in de week van 29 maart tot en met 2 april 2004 in België en Nederland zou zijn. Daarop kwamen we een afspraak overeen en wel op 1 april 2004 om 11:00 uur in Restaurant Saur in Den Haag.

Toen ik op 1 april 2004 om ongeveer 10:55 uur daar arriveerde, was daar [verdachte] , een voormalige cliënt van de Claridenbank, mijn voormalige werkgever. [verdachte] zei mij dat de tweede heer nog moest komen en dat wij nog maar een kopje koffie moesten drinken. Na ongeveer een kwartier zei hij tegen mij dat we ook zijn kantoor konden wachten tot de genoemde heer zou komen. Deze is op de vierde etage gelegen. Wij hebben daar ongeveer een half uur over een nieuwe zaak gesproken. Plotseling wisselde [verdachte] van thema en begon over een kredietplafond te praten, die bij mijn vorige werkgever in 1999 was uitgewerkt en verleend. Hij wilde nogmaals de toedracht uiteengezet hebben en hield vol dat hij dit nooit zo in opdracht had gegeven. [verdachte] beweert dat ik deze documenten oneigenlijk en zonder toestemming heb gebruikt. Deze discussie duurde ongeveer 10 minuten. Toen doken er ineens drie mannen en een vrouw met een kleine hond (met boxer neus) in het kantoor op. Een negroïde man stond voor de deur en sloot deze met een sleutel af. De beide andere heren gingen links en rechts naast mij op de bank zitten. Ze begonnen hevig mee te discussiëren en bevestigden de uitspraken van [verdachte] . Na circa 10 minuten werd ik verzocht aan het bureau plaats te nemen. Kort nadat ik was gaan zitten hield één van de twee mij vast en de tweede trapte mij met een sportschoen tegen de borst. Daarna sloeg dezelfde kerel mij met zijn handen in de nek, in het gezicht en op het achterhoofd en riep steeds weer dat ik eindelijk de waarheid moest zeggen en de uitspraak van [verdachte] moest bevestigen of ik zou niet meer uit het kantoor komen. De tweede kerel hield mij in de tussentijd een schaar voor het gezicht en zwaaide hiermee in het rond. Vervolgens nam de vent die mij had ge-slagen de briefopener en wilde op mij insteken. Die vent werd tegengehouden door [verdachte] , waarbij hij twee schriftelijke stukken op het bureau legde die ik diende te tekenen. Na het zetten van de handtekening werd ik gesommeerd een identiteitskaart te tonen opdat ze de handtekening konden controleren. De identiteitskaart hebben ze vervolgens gekopieerd. Daarna werd mij opnieuw een van tevoren opgestelde tekst onder de neus gehouden, die ik in mijn handschrift over moest schrijven. Ik kan me herinneren dat er een vals adres van ene [aangever] in [plaats] op stond. Dit schrijven moest ik eveneens ondertekenen. Na de lange tijdsspanne met steeds maar weer nieuwe bedreigingen en klappen, verlieten de beide heren, de vechtersbaas, de neger en de dame het kantoor. Daarna was ik enkele minuten alleen aan het bureau. Kort daarop werd er getelefoneerd en kwam de advocaat [betrokkene 1] binnen in het kantoor. Hij controleerde documenten en keurde ze goed. We spraken kort met elkaar. Tijdens deze gelegenheid verliet de overgebleven heer van de knokploeg kort de ruimte en liet hierbij de deur open. Ik heb daarna overhaast de ruimte verlaten, heb op de liftknop gedrukt om de lift te halen en ben vervolgens via de trap naar beneden gerend, alwaar de dame voor de lift stond te wachten. Ik heb vervolgens hollend de parkeergarage bereikt en heb deze zo snel mogelijk verlaten. Onder hevige pijnen en in paniek heb ik het volgende vliegtuig naar Zürich genomen.

3. Een geschrift, zijnde een door een beëdigd vertaler in de Duitse taal vertaald proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 juli 2004, opgemaakt door lic. iur. [betrokkene 7] van het Bezirksanwaltschaft Bülach. Dit geschrift houdt onder meer, zakelijk weergegeven:

als de op 14 juli 2004 afgelegde verklaring van [aangever] :

We hebben normaal gediscussieerd tot het tijdstip toen de kantoordeur openging en drie heren en een dame met een hond het kantoor binnenkwamen. [verdachte] verklaarde dat nu tijd was de zaak opnieuw te bediscussiëren en dat deze personen eraan zouden bijdragen dat het tot een verklaring zou komen die [verdachte] als juist zou ervaren. Vanaf dit moment trok [verdachte] zich uit het gesprek terug en voerde de leider, die op [betrokkene 8] leek, het verdere gesprek. De leider zei tegen mij dat ik het verloop zo zou moeten opschrijven, dat [verdachte] niet voor de kredietverstrekking verantwoordelijk kon worden gehouden. Ik heb vervolgens aan het bureau plaatsgenomen en ben begonnen het verloop op papier te zetten. Ik had ongeveer een derde van een A4 bladzijde volgeschreven, toen [verdachte] een geste maakte. De leider heeft mij vervolgens vastgehouden en in de stoel gedrukt. De tweede vent, een soort Kojak, heeft mij vervolgens met beide voeten op de borst getrapt. Na de trappen werd ik met handen en vuisten op het achterhoofd, in de nek en in het gezicht geslagen. Terwijl ik door het type Kojak werd geslagen hield de leider mijn handen vast en drukte mij in de bureaustoel. Hierna pakte de leider een bureauschaar en het type Kojak een briefopener.

4. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 30 januari 2008, inhoudende de op 30 januari 2008 ten overstaan van deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [aangever] :

Zij hebben een nieuw geschrift gehaald. Er stond wel mijn naam op maar een verkeerd adres van iemand in Bülach. Ik was blij dat het verkeerd was. [verdachte] vroeg mij of dit mijn woonadres was. Ik heb daarop geantwoord dat het correct was.

Vervolgens hebben ze (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] en [verdachte] ) op die bank daar gezeten en ze hebben die twee geschriften doorgegaan en ze hebben erover gediscussieerd. U vraagt mij wie er over discussieerden. [verdachte] heeft voornamelijk met die dame gesproken over of de formulering goed was. U vraagt mij of die andere heren daarbij aanwezig waren. [betrokkene 8] , [verdachte] en die dame zitten daar op de bank. Kojak was altijd bij mij en de zwarte man stond altijd bij de deur. U vraagt mij of ik kan beschrijven wat mijn fysieke toestand was toen ik weg ging van het kantoor van [verdachte] . Ik had in eerste instantie overal pijn van de klappen. U vraagt waar ik pijn had. Primair in de borst en ook in mijn nek. U vraagt mij hoe lang ik de klachten heb gehad. De pleisters had ik ongeveer een week. U vraagt of de klachten toen over waren. Nee, ik heb zelfs vandaag nog pijn. Het hangt van het weer af .

5. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Projekt Madras (dossierpagina 390). Dit ge-schrift houdt onder meer in :

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0003] (GSM1 [medeverdachte 3] ) belt met [0004] op 31 maart 2004 om 15:09 uur.

[medeverdachte 3] belt uit met [betrokkene 6]

I : Zit jij thuis?

R: Nou nog wel maar ik ga nu weg.

I: Waar ga jij naar toe?

R: Ik moet naar Den Haag

6. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Projekt Madras (dossierpagina 392). Dit ge-schrift houdt onder meer in :

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0003] (GSM1 [medeverdachte 3] ) belt met [0005] op 31 maart 2004 om 19:33 uur.

[medeverdachte 3] belt uit naar NN man en geeft aan dat hij er om acht uur is .

7. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 395). Dit ge-schrift houdt onder meer in:

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0003] (GSM1 [medeverdachte 3] ) belt met [0007] op 31 maart 2004 om 21:22 uur.

Er komt geen verbinding tot stand. Op de achtergrond is te horen dat [medeverdachte 3] in gesprek is en het heeft over een microfoon, over het openspringen.

8. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 406). Dit ge-schrift houdt onder meer in:

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0003] (GSM1 [medeverdachte 3] ) belt met [0007] op 1 april 2004 om 10:18 uur.

[medeverdachte 3] belt uit naar voornoemd telefoonnummer en vraagt aan een NN vrouw op de achtergrond om op de bank te gaan zitten en normaal te gaan praten.

9. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 435). Dit ge-schrift houdt onder meer in:

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0001] (GSM2 [medeverdachte 3] ) belt met [0002] op 1 april 2004 om 11:04 uur.

[medeverdachte 3] wordt gebeld door NN man

Man: Ik ga nu koffie met hem drinken beneden.

[medeverdachte 3] : OK.

10. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 407). Dit ge-schrift houdt onder meer in:

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0003] (GSM1 [medeverdachte 3] ) belt met [0007] op 1 april 2004 om 11:11 uur.

[medeverdachte 3] belt uit. Achtergrondgesprek tussen twee mannen. [medeverdachte 3] is even later op de achtergrond te horen. [medeverdachte 3] zegt in het Nederlands: die zit buiten volgens mij.

11. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 408 en verder). Dit geschift houdt onder meer in :

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0003] (GSM1 [medeverdachte 3] ) belt met [0007] op 1 april 2004 om 11:18 uur.

[medeverdachte 3] belt uit. Je hoort een rits van een tas, geritsel van papier, gemompel van mannenstemmen. [medeverdachte 3] hoor je iets in het Nederlands zeggen.

12. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 437). Dit ge-schrift houdt onder meer in:

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0001] (GSM2 [medeverdachte 3] ) belt met [0006] op 1 april 2004 om 11:59 uur.

NN vrouw zegt: Ja wij komen eraan, wij liepen achter jou.

13. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 411). Dit ge-schrift houdt onder meer in :

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0003] (GSM1 [medeverdachte 3] ) belt met [0006] op 1 april 2004 om 14:09 uur.

[medeverdachte 3] belt uit met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] vraagt of [medeverdachte 2] dadelijk de man buiten kan ontvangen.

14. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 412). Dit ge-schrift houdt onder meer in :

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0003] (GSM1 [medeverdachte 3] ) belt met [0006] op 1april 2004 om 14:23 uur.

[medeverdachte 3] zegt dat de man er over 1 minuut is.

15. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 413). Dit ge-schrift houdt onder meer in:

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0003] (GSM1 [medeverdachte 3] ) belt met [0006] op 1 april 2004 om 14:43 uur.

[medeverdachte 3] belt uit met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] vraagt zich af waar [medeverdachte 2] staat. [medeverdachte 2] zegt dat ze net naar boven is gegaan om de sleutels te brengen. [medeverdachte 3] zegt dat hij buiten staat en met de trap is gegaan.

16. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 439). Dit ge-schrift houdt onder meer in :

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0001] (GSM2 [medeverdachte 3] ) belt met [0002] op 1 april 2004 om 15:55 uur.

[medeverdachte 3] wordt gebeld door NN man. [medeverdachte 3] heeft iets bij NN man laten staan en komt het ophalen.

17. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 440). Dit ge-schrift houdt onder meer in :

Getapt persoon: [medeverdachte 3]

Telefoonnummer [0001] (GSM2 [medeverdachte 3] ) belt met [0008] op 1 april 2004 om 16:08 uur.

[medeverdachte 3] wordt gebeld door NN man. NN man vraagt of [medeverdachte 3] er bijna is.

18. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2007 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-81. Dit proces-verbaal houdt onder meer in :

als relaas van de verbalisanten (pag. 551):

Door ons zijn in dit proces-verbaal de relevante gesprekken op chronologische volgorde weergegeven.

06- [0003] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar 06- [0004] (in gebruik bij [betrokkene 5]) op 31 maart 2004 om 15:09 uur.

Gespreksinhoud: [medeverdachte 3] belt uit met [betrokkene 6] . [medeverdachte 3] zegt in het gesprek dat hij naar Den Haag moet.

06- [0003] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar 06- [0005] (in gebruik bij [verdachte] ) op 31 maart 2004 om 19:33 uur.

Gespreksinhoud: [medeverdachte 3] zegt tegen man ( [verdachte] ) dat hij er om 8 uur is.

06- [0003] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar 06- [0007] op 31 maart 2004 om 21:22 uur.

Gespreksinhoud: Testen telefoonverbinding door [medeverdachte 3] . Telefoon gaat als microfoon gebruikt worden.

06- [0003] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar 06- [0007] op 1 april 2004 om 10:18 uur. Gespreksinhoud: [medeverdachte 3] test telefoonverbinding met [medeverdachte 2] . Zij moet op de bank gaan zitten en normaal praten.

06- [0009] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar 06- [0002] (in gebruik bij [verdachte] ) op 1 april 2004 om 11:04 uur.

Gespreksinhoud: [verdachte] zegt: " [medeverdachte 3] , ik ga nu koffie met hem drinken beneden."

06- [0003] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar 06- [0007] op 1 april 2004 om 11:11 uur.

Gespreksinhoud: Achtergrondgesprek tussen [verdachte] en [aangever] . Later in het gesprek zegt [medeverdachte 3] : "Ze zitten buiten volgens mij."

06- [0003] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar 06- [0007] op 1 april 2004 om 11:18 uur.

Gespreksinhoud: Vervolg vorige gesprek, waarbij [medeverdachte 3] te horen is.

06- [0009] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar 06- [0006] (in gebruik bij [medeverdachte 2] ) op 1 april 2004 om 11:59 uur.

Gespreksinhoud: [medeverdachte 2] zegt: "Ja wij komen eraan, wij liepen achter jou."

06- [0009] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar nummer in gebruik bij [medeverdachte 2] op 1 april 2004 om 14:09 uur.

Gespreksinhoud: [medeverdachte 3] vraagt [medeverdachte 2] dadelijk de man buiten op te wachten.

06- [0009] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar nummer in gebruik bij [medeverdachte 2] op 1 april 2004 om 14:23 uur.

Gespreksinhoud: [medeverdachte 3] zegt dat de man er over 1 minuut is.

06- [0009] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar 06- [0006] (in gebruik bij [medeverdachte 2] ) op 1 april 2004 om 14:43 uur.

Gespreksinhoud: [medeverdachte 3] vraagt [medeverdachte 2] waar zij staat. [medeverdachte 2] zegt net naar boven te zijn gegaan om de sleutels te brengen. [medeverdachte 3] zegt met de trap naar beneden te zijn gegaan.

06- [0009] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) belt uit naar 06- [0002] (in gebruik bij [verdachte] ) op 1 april 2004 om 15:55 uur.

Gespreksinhoud: [medeverdachte 3] heeft iets laten staan en komt het ophalen.

06- [0009] (in gebruik bij [medeverdachte 3] ) wordt gebeld door 010- [...] (Kantoor [verdachte] ) op 1 april om 16.08

Gespreksinhoud: Man vraagt of [medeverdachte 3] er bijna is.

19. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2008 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-99. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas van de verbalisanten (pag. 609):

Door mij, verbalisant werd het audiobestand uitgeluisterd van het telefoongesprek dd 1 april 2004 te 11.04, volgnummer 8, getapt nummer [0001] , bellend nummer [0002]

Gebelde: [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] stemherkenning)

Beller: Ik ga nu koffie met hem drinken beneden ( [verdachte] stemherkenning)

Gebelde: OK

20. De verklaring van de getuige [betrokkene 1] .

De getuige heeft ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 16 april 2008 verklaard (pag 73):

VZ: kan men concluderen dat na augustus 2003 de zaak tussen uw cliënt en de Clariden Bank muurvast zat?

B: ja , de zaak zat zeker in een impasse.

21. Een geschrift, zijnde een bijlage bij het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 april 2007 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-43. Dit geschrift houdt onder meer in (pag 204):

Von ( het hof begrijpt: van): [betrokkene 2]

18 Februar (het hof begrijpt februari) 2004

[verdachte] , details [aangever] :

[aangever]

[a-straat 1]

[plaats]

22. Een geschrift, zijnde een bijlage bij het proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 9 maart 2007 van de Belastingdienst/FIOD/ECD kantoor Utrecht dossiernummer 38661. Dit geschrift houdt onder meer in:

als relaas van de verbalisant (pag. 55 e.v.): Kopieën vermoedelijk van de agenda 2004 van [verdachte] , die ik als bijlage 2 bij dit proces-verbaal heb gevoegd.

(pag 72) Du 29 mars/march au 4 avril/april Jeudi/Thursday 1er

[medeverdachte 2] [0006] [0001]

23. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 oktober 2007 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-60.Dit proces-verbaal houdt onder meer in :

als verklaring van de verdachte (pag. 468).

U laat mij een gesprek horen, gevoerd op 1 april 2004, te 10.18 uur. Dit betreft een gesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Uit dit gesprek kan opgemaakt worden dat de telefoon getest wordt.

U vraagt mij wie de vrouw is die te horen is in dit gesprek. Dat is zo te horen [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] )

24. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 april 2007 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-18. Dit proces-verbaal houdt onder meer in :

als verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] (pag. 173):

[medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) en ik hebben een hond. Dit betreft een soort kleine boxer. Ik kan u vertellen dat ik regelmatig bij [verdachte] in het kantoor ben geweest. Af en toe nam ik mijn hond mee.

25. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2008 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-97. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas van de verbalisanten (pag. 602 e.V.):

Nummerkeuze [0006] Datum: 01.02.2004 Tijdstip 14.09

[medeverdachte 3] bun [medeverdachte 2]

B: met [medeverdachte 2]

R: kan jij zo naar buiten toe, die man effe ontvangen

B: ja, wanneer, nu?

R: Over een paar minuten is hij hier

B: ik wacht beneden, ja

R: Oke

Nummerkeuze [0006] Datum: 01.04.2004 Tijdstip 14.23

B: Hallo

R: Hij is er over 1 minuut

B: Ja oke”

6. Voor een goed begrip van de middelen zet ik eerst aan de hand van de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken (waarvan een deel ook voor de bewezenverklaring is gebruikt) uiteen wat aan de bestreden beslissingen van het hof is voorafgegaan.

7. De Rechtbank ’s-Gravenhage heeft in eerste aanleg (onbetwist) vastgesteld1 dat verdachte sinds eind 1996 bij Clariden Bank in Zwitserland bankierde in verband met de verkoop van Het Financiële Dagblad en [aangever] daar zijn relationship manager werd. Verdachte heeft op een gegeven moment blanco pandbrieven ondertekend, die door Clariden Bank later werden ingeroepen als gevolg waarvan de banktegoeden van verdachte bij Clariden Bank zijn bevroren. Daarop is een geschil ontstaan tussen verdachte enerzijds en [aangever] en Clariden Bank anderzijds waarbij verdachte [aangever] verwijt de blanco pandbrieven zonder zijn toestemming te hebben gebruikt om een krediet ten behoeve van een zekere [betrokkene 10] af te dekken, met wie verdachte ook zakelijke betrekkingen onderhield en voor wie [aangever] eveneens als account manager bij Clariden Bank optrad. [aangever] heeft tot 1 april 2004, de dag waarop de tenlastegelegde feiten zouden hebben plaatsgevonden, geweigerd te verklaren dat de blanco pandbrieven oneigenlijk door hem zijn gebruikt.

8. Getuige en aangever [aangever] is over de door hem gedane aangifte van de vrijheidsbeneming, mishandeling en bedreiging op 1 april 2004 op het kantoor van verdachte in Den Haag in Zwitserland een aantal keren gehoord door de Zwitserse autoriteiten en in bijzijn van de verdediging bij de rechter-commissaris in Nederland. Vervolgens is hij in eerste aanleg ter terechtzitting van 14 april 2008 in aanwezigheid van de verdediging gehoord en heeft hij daar een groot aantal vragen beantwoord over de tenlastegelegde feiten, de personen die daarbij betrokken of aanwezig waren, de omstandigheden waaronder de feiten zouden hebben plaatsgevonden, hetgeen daaraan vooraf is gegaan en hetgeen daarna is gebeurd. Met betrekking tot de vragen over de bancaire en financiële voorgeschiedenis van het conflict tussen hem en verdachte heeft hij zich telkens beroepen op zijn verschoningsrecht in verband met het Zwitserse bankgeheim.

9. Het belang van de verdediging [aangever] over zijn werkzaamheden bij de Clariden Bank te ondervragen is gelegen in de veronderstelling dat hij kennelijk vreesde aansprakelijk te worden gesteld voor het plegen van valsheid in geschrift in zijn hoedanigheid als account manager bij Clariden Bank. Volgens de verdediging heeft hij daarom in Zwitserland bij de politie een valse aangifte gedaan over wat er op 1 april 2004 in Den Haag op het kantoor van verdachte zou zijn voorgevallen, met het doel de door hem toen ondertekende verklaringen te ontkrachten.2 Daartegenover staat de lezing van het Openbaar Ministerie dat verdachte als opdrachtgever en medeverdachte [medeverdachte 3] als 'sterke arm,' zich samen met anderen, op 1 april 2004 hebben schuldig gemaakt aan het opsluiten van [aangever] in het kantoor van verdachte, het mishandelen en bedreigen van [aangever] teneinde hem te dwingen verklaringen te schrijven c.q. te ondertekenen, met welke verklaringen verdachte zijn bevroren banktegoeden bij de Clariden Bank kon opeisen.3

10. Ter terechtzitting van de rechtbank op onder meer 14 en 21 april 2008 is uitgebreid besproken of [aangever] zich al dan niet terecht op het bankgeheim heeft beroepen, of hem anderszins een verschoningsrecht toekomt, wat de reikwijdte van dat bankgeheim en/of verschoningsrecht is en of hij gedwongen zou moeten worden om alsnog over de zaken te verklaren die volgens de getuige aan dat bankgeheim raken. Nadat de rechtbank desgevraagd nadere informatie heeft ontvangen van de Zwitserse autoriteiten omtrent dat verschoningsrecht en een en ander nogmaals uitvoerig is besproken ter terechtzitting, heeft de rechtbank op de terechtzitting van 2 oktober 2008 uiteindelijk geoordeeld dat de stelling dat [aangever] naar Zwitsers recht geen geheimhoudingsplicht meer zou hebben, geen bevestiging vindt in het dossier en dat de [aangever] op de zittingen die hebben plaatsgevonden in april 2008 zich kon beroepen op zijn verschoningsrecht en niet verplicht kon worden de vragen te beantwoorden die het bankgeheim raakten. De rechtbank heeft op grond daarvan de ondervraging van [aangever] gestaakt en overwogen dat zij “het zal moeten doen zonder dat de getuige [aangever] een aantal vragen heeft beantwoord”.4 Vervolgens zijn de pleidooien gehouden, is het requisitoir uitgesproken en heeft de rechtbank op 11 maart 2009 uitspraak gedaan, waarin zij onder meer, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, heeft geoordeeld dat er geen aanleiding was het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde [aangever] nogmaals te horen en het verzoek van de raadsman daartoe heeft afgewezen. Een groot deel van de verklaring van [aangever] is voor het bewijs gebezigd.

11. In hoger beroep heeft het hof het herhaalde verzoek van de verdediging om aangever [aangever] te horen afgewezen en heeft het een drietal verklaringen van die [aangever] tot bewijs gebezigd. Het betreft twee verklaringen die in Zwitserland tegenover respectievelijk de ‘Kantonspolizei Zurich’ en iemand van het ‘Bezirksanwaltschaft Bülach’ zijn afgelegd, en één verklaring die bij de rechter-commissaris in Nederland in bijzijn van de verdediging is afgelegd.

12. Het eerste middel klaagt over de afwijzing van de verzoeken om de getuigen [aangever] , [betrokkene 3] , [betrokkene 9] , [betrokkene 4] , [betrokkene 1] , [betrokkene 10] en deskundige Eikelenboom-Schievel te horen.

13. Bedoelde verzoeken zijn alle bij appelschriftuur van 8 april 2008 ingediend en ter terechtzitting van het hof van 21 december 2010 besproken. Het proces-verbaal van die zitting houdt in, voor zover van belang:

“Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman het volgende mede:

Zoals al eerder is betoogd, is de bancaire kwestie die een belangrijke rol speelt in de zaak van verdachte van groot belang voor een juiste beoordeling van de verklaringen die zijn afgelegd door de getuige [aangever] . Daarom is het horen van de getuigen [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 9] van groot belang. Zij waren toentertijd allen medewerkers van Clariden Bank waar ook de getuige [aangever] werkzaam is geweest. De getuige [betrokkene 3] kan verklaren over het functioneren bij de bank van de getuige [aangever] en over de zorgvuldigheid en correctheid waarmee laatst genoemde als accountmanager te werk ging. De getuige [betrokkene 4] kan daarover ook verklaren en heeft bovendien contact gehad met de verdachte. De getuige [betrokkene 9] is betrokken geweest bij de afhandeling van het dossier van de getuige [aangever] bij de bank en kan daarover verklaren.

(…)

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede:

Het hof wijst toe de verzoeken tot het horen van de getuigen [aangever] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Hiertoe zal de zaak worden verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken i n de rechtbank te 's-Gravenhage, opdat deze getuigen door middel van een rogatoire commissie in Zwitserland zullen worden gehoord. Het hof wijst tevens toe het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 10] . Deze getuige zal worden opgeroepen teneinde ter terechtzitting van het hof te worden gehoord.

Het hof wijst af het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 9] . Redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van voornoemde getuige de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad, nu, mede gelet op de aan dit verzoek ten grondslag liggende motivering, niet valt in te zien dat het horen van deze getuige in redelijkheid van belang kan zijn voor enige in de onderhavige strafzaak te nemen beslissing. Het hof heeft bij zijn oordeel ter zake betrokken, dat het hof het verzoek van de verdediging tot het horen de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , beiden evenals [betrokkene 9] verbonden aan de Clariden Bank, heeft toegewezen.

Het hof acht het horen van de getuige [betrokkene 1] en de deskundige Eikelenboom-Schieveld, die in eerste aanleg reeds in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte ter terechtzitting (en de getuige [betrokkene 1] tevens bij de rechter-commissaris) zijn gehoord, redelijkerwijs niet noodzakelijk. Derhalve wijst het hof deze verzoeken af.

Het hof wijst af het verzoek tot het schriftelijk vastleggen van de contacten tussen het openbaar ministerie en de getuige [aangever] , nu de noodzaak hiertoe niet aannemelijk is geworden gelet op de aan dit verzoek ten grondslag liggende motivering. Voorts wijst het hof het verzoek af tot het aan de processtukken toevoegen van de procesdossiers Madras en Lathyrus, nu de noodzaak hiertoe evenmin aannemelijk is geworden. Wel wordt de advocaat-generaal verzocht het daartoe te leiden dat de raadsman in de gelegenheid wordt gesteld de betreffende dossiers in te zien”

14. Ter terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2013 is een brief met bijlagen van de rechter-commissaris besproken met betrekking tot de verrichte inspanningen in het kader van de rogatoire commissie voor het horen van getuigen in Zwitserland. Naar aanleiding daarvan houdt het proces-verbaal van die terechtzitting de volgende beslissingen van het hof in:

“Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

- Anders dan de verdediging is het hof op grond van de stukken in het dossier van oordeel dat van een beoordeling of toetsing door de Zwitserse autoriteiten van de beslissing van het hof met betrekking tot het horen van de getuigen in Zwitserland geen sprake is. Evenmin is sprake van een weigering van de Zwitserse autoriteiten om aan die beslissing uitvoering te geven. De Zwitserse autoriteiten zijn verdragsrechtelijk verplicht, naar hun eigen processuele regels, uitvoering te geven aan het rechtshulpverzoek, dat in dit verband is uitgegaan. Er is van Zwitserse zijde in voornoemd kader aangegeven dat nadere informatie nodig is om aan dit verzoek uitvoering te geven. Die informatie is door de verdediging niet verschaft.

Thans ligt voor het verzoek om opnieuw die getuigen rogatoir te doen horen. Uit het standpunt van de verdediging zoals dat hier ter terechtzitting is verwoord en zoals blijkt uit de stukken ter zake in het dossier, maakt het hof op dat de verdediging zich niet wenst te conformeren aan de -naar het oordeel van het hof juridisch gerechtvaardigde verzoeken om nadere informatie van de Zwitserse autoriteiten.

Uit de stukken van de rechters-commissarissen (de genoemde ongedateerde brief, alsmede het proces-verbaal van 2 maart 2012) blijkt onder meer dat reeds op 25 maart 2011 een rechtshulpverzoek aan de bevoegde Zwitserse autoriteiten is verzonden, waarna de rechter-commissaris mr. P. de Haan contact heeft opgenomen met mevrouw S. Steinhauser, alsmede met de raadslieden, om te bewerkstelligen dat de getuigen werden gehoord. Op 24 februari 2012 is de coördinerend rechter-commissaris mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp afgereisd naar Zwitserland om te uitvoering van het rechtshulpverzoek te bespoedigen. Door de Zwitserse autoriteiten is bij die gelegenheid gevraagd naar de redenen waarom de getuigen gehoord dienden te worden en om welke reden de aangever voor de derde keer gehoord diende te worden. De coördinerend rechter-commissaris heeft hierop aangegeven dat het hof het horen van de getuigen in het belang van de verdediging achtte en dat de verdediging bij het hof heeft gesteld dat het haar gaat om een toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever. Hierop heeft het Staatsanwaltschaft Winterthur aangegeven dat een nieuw rechtshulpverzoek wordt toegestaan, waarin dient te worden opgenomen dat de getuigen gehoord dienen te worden ter toetsing van de betrouwbaarheid van de aangever. Tevens dienen nieuwe vragen te worden geformuleerd waaruit blijkt in welk verband de vragen tot deze toetsing en de tenlastelegging staan.

De verdediging heeft hierop bij brieven van 26 maart en 17 april 2012 aangegeven - zakelijk weergegeven - dat zij van mening is dat de Zwitserse autoriteiten gehouden zijn uitvoering te geven aan het rechtshulpverzoek.

In dit licht bezien en gelet op voornoemde de inspanningen van voornoemde rechters-commissarissen om de verhoren te realiseren, mede in aanmerking nemend het tijdsverloop tussen de beslissing om betrokkenen in Zwitserland te horen en de behandeling ter terechtzitting van heden, is het hof van oordeel dat het onaannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn gehoord kunnen worden.

Het thans herhaalde verzoek om de getuigen [aangever] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] alsnog rogatoir te doen horen wordt dan ook afgewezen. Een nieuwe poging daartoe is naar het oordeel van het hof nutteloos, omdat het onder de gegeven omstandigheden onaannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn gehoord worden en het strafproces binnen een redelijke termijn dient te worden afgerond.

- Het verzoek tot het horen van de getuige [aangever] ter terechtzitting van het hof wordt eveneens afgewezen. De getuige [aangever] is eerder bij zowel de rechter-commissaris als ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord, zodat het opnieuw ter terechtzitting horen van die getuige - gelet op de onderbouwing van het verzoek - naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet noodzakelijk is.

- Het verzoek om de getuige [betrokkene 10] opnieuw te doen oproepen wordt afgewezen. Een nieuwe poging daartoe is naar het oordeel van het hof nutteloos, omdat het onder de gegeven omstandigheden onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen en het strafproces binnen een redelijke termijn dient te worden afgerond. Zijn verblijfplaats is onbekend en het door hem opgegeven adres in Frankrijk blijkt niet te bestaan. Enige andere aanwijzing waar betrokkene kan worden opgeroepen ontbreekt.

- De verzoeken om de getuigen Stadtler, [betrokkene 1] en de deskundige Eikelenboom te horen zijn reeds eerder (op de regiezitting van 21 december 2010) gedaan en deze zijn bij die gelegenheid door het hof afgewezen. Nieuwe argumenten c.q. feiten of omstandigheden zijn niet aangevoerd of aannemelijk geworden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, zodat de noodzaak tot het horen van die getuigen en deskundigen niet aannemelijk is geworden. Deze verzoeken worden afgewezen.”

15. Vervolgens is ter terechtzitting van 12 september 2013 bij pleidooi opnieuw, zij het nu voorwaardelijk, verzocht genoemde getuigen te horen. Het hof heeft daarop in het bestreden arrest als volgt beslist:

Voorwaardelijke verzoeken

De raadslieden hebben voorwaardelijk verzocht de beslissingen van het hof ten aanzien van de onderzoekswensen die eerder door het hof zijn afgewezen te herzien en die onderzoekswensen alsnog toe te wijzen. De verwijzing van de raadslieden naar een pleitnota van de verdediging van één van de medeverdachte in dit verband, kan naar het oordeel van het hof overigens niet als enig verzoek tot het doen horen van een of meer personen gelden, waarop een beslissing van het hof is vereist.

Het hof stelt vast dat de verdediging aan hiervoor genoemde herhaalde verzoeken dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd als die eerder naar voren zijn gebracht. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn naar het oordeel van het hof geen nieuwe feiten en omstandigheden aannemelijk geworden, die tot toewijzing van de verzoeken nopen. Gelet op het vorenstaande is de noodzaak van het horen van de genoemde getuigen en de deskundige niet aannemelijk geworden en wijst het hof de verzoeken af.”

16. In het middel wordt geklaagd over de afwijzing van alle hiervoor genoemde getuigenverzoeken. Ik zal deze afwijzingen in de volgorde van de schriftuur bespreken.

17. Ten aanzien van het verzoek om getuige [betrokkene 9] te horen houdt de appelschriftuur niet meer in dan dat [betrokkene 9] werkzaam was bij de Clariden Bank. Blijkens de ter terechtzitting van 21 december 2012 overgelegde aantekeningen heeft de raadsman van verdachte ter onderbouwing van dat verzoek echter aangevoerd dat het horen van [betrokkene 9] was geboden omdat zijn verklaring direct van belang zou zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuige [aangever] en van de mate van waarschijnlijkheid dat het door [aangever] geschetste scenario zich heeft afgespeeld of dat het door verdachte geschetste scenario meer waarschijnlijk is. De getuige zou onder meer kunnen verklaren over de onderliggende bancaire kwestie. Kennis van die kwestie zou nodig zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en plausibiliteit van de verklaringen van [aangever] en verdachte. Omdat het hof de betrouwbaarheid van genoemde [aangever] en het door hem geschetste scenario kennelijk op een andere manier heeft kunnen toetsen en ook heeft getoetst (zie hierna middel 4), heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd geoordeeld dat verdachte door het niet horen van [betrokkene 9] niet in zijn verdediging was geschaad. Overigens heeft de verdediging in haar pleitnota, overgelegd ter zitting van het hof van 12 september 2013 dit ook min of meer erkend:

“ 2.9. Wellicht dat de afwijzing van getuige [betrokkene 9] nog aanvaardbaar was geweest, omdat dit mogelijk compensatie zou kunnen vinden in het horen van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , eveneens verbonden aan Clariden Bank.”

18. Voor zover wordt geklaagd over de overweging van het hof dat het bij zijn afwijzing in aanmerking heeft genomen dat de verzoeken om [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , beiden ook werkzaam bij de Clariden Bank, waren toegewezen, geldt dan ook dat de beslissing van het hof voldoende begrijpelijk is. Die klacht laat ik daarom buiten bespreking.

19. De verzoeken om de getuigen [betrokkene 1] en deskundige Eikelenboom-Schieveld te horen zijn ook aan de hand van de juiste maatstaf, het noodzaak-criterium, en niet onbegrijpelijk afgewezen.5 In de motivering van de afwijzing ligt als oordeel van het hof besloten dat beide getuigen reeds in eerste aanleg ter terechtzitting in aanwezigheid van de verdediging zijn gehoord en dat niet of onvoldoende is gemotiveerd waarom zij nogmaals gehoord zouden moeten worden. Dat is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat enkel is aangevoerd dat het belang van het horen was gelegen in het feit dat het hof dan zelf de betrouwbaarheid van de desbetreffende getuige en deskundige zou kunnen beoordelen en bijvoorbeeld niet is aangegeven op welke specifieke punten de getuigen nog nader (of anders) zouden kunnen verklaren. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de beoordeling van de betrouwbaarheid van beiden ook zonder horen mogelijk was.

20. Het hof heeft verder kunnen oordelen, zoals het heeft gedaan in het bestreden arrest, dat aan het herhaalde verzoek om [betrokkene 9] , [betrokkene 1] en Eikelenboom-Schieveld te horen dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag waren gelegd als aan het eerder verzoek, en dat het hof daarom geen reden zag om zijn eerdere afwijzende oordeel te herzien. De ter terechtzitting van 10 en 12 september 2013 door de verdediging aangevoerde stelling dat de verzoeken gelet op de procesgang nog aan belang had gewonnen (waarbij ik aanneem dat werd gedoeld op het feit dat eerder toegewezen getuigen uiteindelijk niet werden gehoord) en het verzoek om het standpunt in heroverweging te nemen, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk niet als zodanige nieuwe feiten en omstandigheden aangemerkt. Het feit dat die andere getuigen wel waren toegewezen vormde immers slechts een bijkomend argument voor het hof om het verzoek om [betrokkene 9] te horen af te wijzen, terwijl de grond voor de afwijzing van het verzoek om [betrokkene 1] en Eikelenboom-Schieveld niet was gelegen in het feit dat andere getuigenverzoeken wel waren toegewezen.

21. Ten aanzien van de afwijzing van de verzoeken om de ‘Zwitserse getuigen’ [aangever] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] te horen, geldt het volgende. Voor zover word geklaagd dat het hof ten onrechte op de terechtzitting van 14 april 2013 ‘de kwestie’ heeft behandeld als ware het een nieuw verzoek, faalt het al om de reden dat niet wordt gesteld wat met die klacht wordt beoogd of welk belang verdachte daarbij heeft, terwijl ik dat zonder nader motivering ook niet zie. Verder heeft het hof, anders dan de verdediging stelt, niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de Zwitserse autoriteiten niet hebben geweigerd te voldoen aan het verzoek maar slechts om nadere informatie hebben verzocht teneinde aan het verzoek uitvoering te kunnen geven en dat ze geen ontoelaatbare of ongepaste eisen hebben gesteld. In cassatie wordt gesteld dat dat oordeel in het licht van de feiten, het Europees Rechtshulpverdrag en het Protocol en het betoog ter zitting, onbegrijpelijk en onjuist is. Het hof had hetzij direct, hetzij via de rechter-commissaris, hetzij via diplomatieke weg, de Zwitserse autoriteiten erop behoren te wijzen dat het niet aan hen was de relevantie van de vraagstelling te beoordelen en de uitvoering van het rechtshulpverzoek te weigeren of daaraan nadere eisen te stellen. Kortom, gesteld wordt dat het hof had moeten aandringen op uitvoering van het rechtshulpverzoek.

22. Daargelaten of het oordeel van het hof dat de Zwitserse autoriteiten om de nadere informatie mochten verzoeken voordat zij uitvoering gaven aan het verzoek, al dan niet juist en/of begrijpelijk is, zie ik niet hoe een ander oordeel van het hof tot bespoediging van de uitvoering van het verzoek had kunnen leiden. Ook indien het hof had geoordeeld dat beantwoording van de nadere vragen van de Zwitserse autoriteiten niet nodig of vereist was voor de uitvoering van het verzoek en ervoor was gekozen om de Zwitserse autoriteiten aan te spreken op de ongeoorloofdheid of onaanvaardbaarheid van hun eisen voor het voldoen aan het verzoek, dan was het maar de vraag of dan de uitvoering van het verzoek wél binnen een aanvaardbare termijn zou zijn afgerond. Dat is immers de grond voor de afwijzing van het verzoek: de verwachte (te) lange duur van die verdere behandeling van het verzoek. Daaraan doet niet af dat het reeds opgetreden tijdsverloop niet (alleen) te wijten was aan de verdediging en dat de verdediging heeft aangegeven geen aanspraak te zullen maken op haar rechten uit artikel 6 EVRM, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld. Een voortvarende behandeling en afdoening van een zaak is immers niet alleen ten behoeve van de verdediging, maar is ook in het belang van een behoorlijke rechtspleging en de organisatie van de rechtspleging, zodat de al dan niet verwijtbare opstelling van de verdediging niet alleen bepalend is voor de beslissing over getuigenverzoeken.

23. Het hof heeft tenslotte ook het verzoek om getuige [betrokkene 10] te horen voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk afgewezen. Het hof heeft kunnen oordelen dat er voldoende inspanningen waren verricht om hem te traceren. Dat het hof het onaannemelijk heeft geacht dat de getuige nog binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen is eveneens begrijpelijk, nu zijn verblijfplaats onbekend was, het door hem opgegeven adres niet bleek te bestaan en enige andere aanwijzing waar de getuige kon worden opgeroepen ontbrak. Dat de raadsman van de verdachte van mening is dat er meer inspanningen hadden moeten worden verricht, doet daaraan niet af, nu het een feitelijk oordeel betreft dat aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie slechts op begrijpelijkheid wordt getoetst. Dat het gaat om een getuige van wie het hof eerder had geoordeeld dat hij gehoord moest worden, doet aan de begrijpelijkheid van dat oordeel ook niet af. Mede gelet op art. 288 lid 1 onder a Sv, mag de feitenrechter immers ook dan de voorwaarde stellen dat het wel mogelijk moet zijn om die getuige binnen een aanvaardbare termijn op de terechtzitting te kunnen horen.

24. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

25. In het tweede middel wordt geklaagd dat in het bijzonder art. 6 EVRM en art. 359 juncto art. 415 Sv zijn geschonden nu het hof ten onrechte en op onjuiste gronden, althans ontoereikend gemotiveerd de verklaringen van [aangever] tot bewijs heeft gebezigd en de bewezenverklaring in ieder geval “to a decisive extent’ daarop heeft gebaseerd, terwijl de verdediging in weerwil van herhaalde verzoeken daartoe, niet althans onvoldoende, in de gelegenheid is geweest om die [aangever] in enig stadium van het geding ten volle te ondervragen, terwijl evenmin afdoende compenserende maatregelen zijn genomen.

26. Ten aanzien van het gebruik voor het bewijs van die verklaringen heeft het hof als volgt overwogen:

Gebruik van de verklaringen van aangever [aangever]

Door de raadslieden is betoogd - kort en zakelijk weergegeven - dat de verklaringen van aangever [aangever] zonder nader verhoor niet voor het bewijs mogen worden gebezigd nu de verdediging niet ten volle haar ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen.

Er is sprake geweest van significante en op niet valide redenen gebaseerde ongecompenseerde beperkingen van het ondervragingsrecht welke onverenigbaar zijn met de waarborgen van artikel 6 van het EVRM. Zonder de verklaringen van [aangever] is een veroordeling van de verdachte niet mogelijk en daarom dient de verdachte te worden vrijgesproken. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [aangever] over de gebeurtenissen op 1 april 2004 onbetrouwbaar zijn, nu [aangever] daarover wisselend heeft verklaard; ook over de bancaire voorgeschiedenis van het zakelijke geschil tussen de verdachte en [aangever] .

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Aangever [aangever] is in eerste aanleg zowel bij de rechtercommissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag als ter terechtzitting i n eerste aanleg in het bijzijn van de verdediging als getuige gehoord. De verdediging is dan ook ruimschoots in de gelegenheid geweest om vragen aan de getuige te stellen over de gebeurtenissen vermeld in de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. De verdediging is daarmee naar het oordeel van het hof voldoende in de gelegenheid geweest om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever te toetsen. Het enkele feit dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de getuige te ondervragen over een bancaire kwestie waarbij de verdachte en de getuige betrokken zouden zijn geweest, maakt dat onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof niet anders. In dit verband is van belang dat op basis van de zich in het dossier van de verdachte bevindende bewijsmiddelen naar het oordeel van het hof wel vast staat dat er sprake is geweest van een zakelijk geschil tussen beiden. Er is naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden geen sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM als door de verdediging bepleit en het verweer wordt mitsdien verworpen.”

27. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De redenering is dat nu de belastende verklaring van [aangever] het enige bewijs is waaruit blijkt van strafbare feiten en waaruit verdachtes betrokkenheid daarbij kan volgen en hij in eerste aanleg heeft geweigerd te verklaren over de bancaire achtergrond van zijn geschil met verdachte en de Clariden Bank, het hof hem als getuige ter zitting had moeten horen. Omdat het hof dat niet (ambtshalve) gedaan heeft en de verklaringen van [aangever] afgelegd in het vooronderzoek voor het bewijs heeft gebruikt, kan het arrest niet in stand blijven.

28. Uit de Straatsburgse jurisprudentie die betrekking heeft op het recht van de verdachte de hem belastende getuigen te horen gelden sinds de zaak Al-Khawaja en Tahery6 tegen het Verenigd Koninkrijk in grote lijnen de volgende twee algemene uitgangspunten. In de eerste plaats heeft de verdachte in beginsel het recht getuigen die hem belasten op de zitting, of in ieder geval in enig stadium van de procedure, te ondervragen. Als dat niet mogelijk blijkt, dan moet daar in de eerste plaats een goede reden voor zijn. Is dat het geval (de getuige is overleden, beroept zich op zijn verschoningsrecht, is onvindbaar of is bedreigd) dan treedt de tweede regel in werking die geldt als de “sole or decisive rule”: berust het bewijs uitsluitend of in beslissende mate op de verklaring van een getuige die niet door de verdachte gehoord is kunnen worden, dan kan dit in strijd komen met art. 6 EVRM. De “sole or decisive rule” is echter niet absoluut maar afhankelijk van compenserende factoren die in iedere zaak afzonderlijk moeten worden gewogen.7

29. In onderhavige zaak speelt niet zozeer de “sole or desicive rule”, maar de vraag of de verdachte voldoende in de gelegenheid is geweest de getuige op de zitting in eerste aanleg te ondervragen nu deze daar weliswaar alle vragen heeft beantwoord die betrekking hadden op de tenlastegelegde feiten, maar heeft geweigerd vragen te beantwoorden die zijn geheimhoudingsplicht raakten. In dit verband is het arrest van het EHRM in de zaak Vidgen tegen Nederland van belang, waarin het EHRM het uitgangspunt in de Nederlandse rechtspraak, dat het ondervragingsrecht voldoende is gerespecteerd als een gelegenheid tot het stellen van vragen is geboden, in strijd met art. 6 EVRM achtte.8 Daarbij moet wel in het achterhoofd worden gehouden dat in deze zaak de betrokken getuige(medeverdachte) in het geheel niet wilde verklaren over de feiten die aan Vidgen ten laste waren gelegd:

“42. […] The evidence on which the applicant was convicted included statements made by M. to a German police officer. However, invoking his privilege against self-incrimination, M. refused to allow these statements to be tested or challenged by or on behalf of the applicant.

[…]

47. Although it must be accepted that, as the Government state, reasonable attempts were made to allow the applicant to obtain answers from M., his persistence to remain silent made such questioning futile. The handicaps under which the defence laboured were therefore not offset by effective counterbalancing procedural measures.”9

30. In feite stelde het EHRM de situatie zoals deze zich in de zaak van Vidgen voordeed gelijk aan die waarin de verdediging in het geheel niet in de gelegenheid heeft gehad de getuige te ondervragen. Ook al kon de verdediging ter zitting haar vragen wel aan de getuige stellen, omdat zij hierop geen antwoorden kreeg, was een dergelijk ondervragingsrecht illusoir. In zijn arrest van 29 januari 201310 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van deze uitspraak het volgende overwogen:

“In het licht van de uitspraak EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071, NJ 2012/649 nr. 29353/06 (Vidgen tegen Nederland) moet thans worden geoordeeld dat in een geval waarin een op verzoek van de verdediging opgeroepen en ter terechtzitting verschenen getuige heeft geweigerd antwoord te geven op de hem gestelde vragen, de verdachte niet het bij art. 6 lid 3 aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring. Dat betekent dat in zo’n situatie niet sprake is van het in HR 1 februari 1994, LJN AB7528 onder 6.3.3 sub (ii) vermelde geval dat “de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting, hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen.”

31. Onderhavige zaak onderscheidt zich van de Vidgen zaak omdat de verdediging bij de rechter-commissaris en op de zitting in eerste aanleg de getuige [aangever] vragen heeft kunnen stellen over de gebeurtenissen vermeld in de tenlastelegging, waarop de getuige ook heeft geantwoord. Dan dringt zich de vraag op of zich hier wel een situatie voordoet waarin de voormelde Vidgen-jurisprudentie van toepassing is. Ik meen van niet. Uit de stukken van het geding blijkt immers - en dat is door de verdediging ook niet betwist - dat de vragen waarop de getuige geen antwoord wilde geven niet de tenlastegelegde feiten zelf betroffen maar de aanleiding voor die feiten. Op grond hiervan heeft het hof kennelijk geoordeeld dat geen sprake is van een situatie waarin de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad om de eerder door de getuige afgelegde verklaringen op betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de desbetreffende persoon te (doen) ondervragen. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk is. Bedoelde ‘bancaire kwestie’ maakt immers geen deel uit van de bewezenverklaring11 , terwijl de verdediging wel ruimschoots in de gelegenheid is geweest om de getuige vragen te stellen en (de betrouwbaarheid van) zijn eerdere verklaringen te toetsen. Voor zover het middel klaagt dat de verdediging de betrouwbaarheid van die verklaringen niet heeft kunnen toetsen doordat de getuige geen vragen wilde beantwoorden over de ‘bancaire kwestie’ en dat daardoor het ondervragingsrecht onaanvaardbaar is beperkt, faalt het dus.

32. Als wordt aangenomen, zoals het hof heeft gedaan, dat verdachte afdoende in de gelegenheid is geweest [aangever] te ondervragen, dan komen we niet toe aan het tweede criterium dat het EHRM ten aanzien van het recht op het horen van getuigen ex art. 6 lid 1 en 3 aanhef EVRM heeft geformuleerd. Dat de belastende verklaringen van [aangever] van doorslaggevende betekenis is voor het bewijs, is dan niet problematisch. Dit criterium komt immers volgens de Straatsburgse jurisprudentie pas aan de orde als de verdachte niet in de gelegenheid is geweest de getuige in enig stadium van de strafrechtelijke procedure te ondervragen over het tenlastegelegde feit of indien de getuige hieromtrent geen vragen heeft beantwoord.12

33. Omdat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld de getuige bij de rechter-commissaris en ter zitting in eerste aanleg te ondervragen, heeft het hof kunnen oordelen dat art. 6 lid 3 EVRM er niet aan in de weg staat de door de getuige [aangever] buiten de terechtzitting afgelegde verklaringen voor het bewijs te bezigen. Dat hij hierbij niet alle vragen heeft beantwoord en zich ten aanzien van sommige vragen heeft beroepen op zijn verschoningsrecht vanwege het Zwitserse bankgeheim, heeft het hof in zijn oordeel betrokken maar van onvoldoende gewicht geacht, omdat deze vragen niet rechtstreeks op de tenlastegelegde feiten betrekking hadden. Dat acht ik niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk. Daaraan wil ik ten overvloede toevoegen dat de feiten en omstandigheden die aan het conflict tussen [aangever] en [verdachte] ten grondslag lagen, blijkens de hiervoor onder 7 aangehaalde vaststellingen die de rechtbank in eerste aanleg heeft gedaan, voldoende bekend waren om de verdediging in de gelegenheid te stellen twijfel te zaaien over de betrouwbaarheid van [aangever] . Ik moet bekennen dat ik het scenario dat de verdediging daarvan heeft geschetst niet geheel onvoorstelbaar vindt, maar dat is in cassatie niet aan de orde.

34. Uit het voorgaande volgt dat de ‘deelklacht’ inhoudend dat het ondervragingsrecht van de verdediging significant is beperkt doordat [aangever] geen vragen heeft willen beantwoorden over de ‘bancaire kwestie’ en de verdediging daardoor onvoldoende in de gelegenheid is geweest om de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangever] te toetsen, faalt. Dat betekent vervolgens dat aan de overige ‘deelklachten’ van het tweede middel de grondslag komt te ontvallen nu deze alle zijn gebaseerd op de stelling dat het ondervragingsrecht wel ‘signifcant’ is beperkt. Zij kunnen dus verder buiten bespreking blijven.

35. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

36. In het derde middel wordt geklaagd dat het hof de bewezenverklaring(en) uitsluitend, dan wel in beslissende mate heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, terwijl die verklaringen in strijd met art. 342 lid 2 Sv onvoldoende steun vinden in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

37. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich, aldus de Hoge Raad, niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij is opgemerkt dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.13 De rechter hoeft zijn oordeel dat aan het bewijsminimum is voldaan, in beginsel echter niet te motiveren, ook niet in het geval er op dat punt verweer is gevoerd, nu de weerlegging daarvan gevonden kan worden in de bewijsvoering. Enkel indien sprake is van een grensgeval waarbij er twijfel is of aan het bewijsminimum wordt voldaan, is een (uitdrukkelijke) motivering vereist, ongeacht de vraag of door de verdediging een beroep is gedaan op art. 342 lid 2 Sv.14

38. In het onderhavige geval steunen de bewezenverklaringen weliswaar in belangrijke mate, maar niet uitsluitend op de verklaringen van getuige/aangever [aangever] . Naast die verklaringen zijn immers ook een verklaring van de verdachte, tapgesprekken, kopieën van vermoedelijk de agenda van verdachte, en verklaringen van getuige [betrokkene 1] en van medeverdachte [medeverdachte 2] tot bewijs gebezigd. Hoewel geen van die overige bewijsmiddelen (expliciet) inhoudt dat er tijdens het gesprek tussen [aangever] en verdachte op het kantoor van verdachte sprake is geweest van agressie, dwang of geweld tegen die Hürliman, en daaruit niet rechtstreeks kan blijken van de strafbare feiten en de betrokkenheid van verdachte daarbij, heeft het hof daarin wel voldoende steun kunnen vinden voor de bewezenverklaringen. Daarbij neem ik in aanmerking dat de tot bewijs gebezigde verklaring van de verdachte inhoudt dat:

  • -

    er inderdaad op 1 april 2004 op zijn kantoor in Den Haag een gesprek tussen hem en [aangever] heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een zakelijk conflict;

  • -

    getuige [betrokkene 1] op enig moment daarbij aanwezig is geweest;

  • -

    de getapte telefoongesprekken rondom het tijdstip van de tenlastelegging inhouden dat verdachte contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 3] over dat er een man langs zou komen en dat verdachte met die man ging koffiedrinken;

  • -

    een tot bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] inhoudt dat na augustus 2003 de zaak tussen zijn cliënt (AG: verdachte) en Clariden Bank in een impasse zat;

  • -

    de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] inhoudt dat zij een hond hadden en regelmatig in het kantoor van verdachte is geweest en af en toe met haar hond.

Gelet daarop en anders dan de steller van het middel betoogt, was het hof niet gehouden te motiveren dat en waarom was voldaan aan het bewijsminimum en is van een schending van art. 342 lid 2 Sv geen sprake.

39. Het middel faalt.

40. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof niet of onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat de verklaringen van [aangever] onbetrouwbaar zijn, dan wel niet op alle punten geloofwaardig zijn en daarom niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.

41. Het hof heeft als volgt overwogen dat en waarom het voorbij is gegaan aan dat standpunt:

“Op vragen met betrekking tot de dragende onderdelen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten, is door [aangever] steeds - ook bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg - naar het oordeel van het hof consistent verklaard. Nu verklaringen van [aangever] op belangrijke onderdelen steun vinden in andere gebezigde bewijsmiddelen, zijn bedoelde verklaringen naar het oordeel van het hof betrouwbaar en zal het hof die verklaringen van [aangever] voor het bewijs bezigen. Het verweer wordt mitsdien verworpen.”

42. Met die overweging heeft het hof weliswaar niet heel uitgebreid, maar wel voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom het is afgeweken van bedoeld standpunt. In zijn oordeel dat [aangever] steeds consistent heeft verklaard ligt immers de verwerping besloten van het standpunt dat diens verklaringen op meerdere ’vitale onderdelen aantoonbaar inconsistent en inaccuraat zijn, en dat oordeel is niet onbegrijpelijk nu [aangever] ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten en de rol van onder meer verdachte daarin, vrijwel steeds hetzelfde heeft verklaard over hetgeen vooraf is gegaan, hetgeen zich op 1 april heeft afgespeeld en welke rol verdachte daarin speelde.

43. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof, anders dan kennelijk de steller van het middel meent, voorts zonder meer kunnen oordelen dat de tot bewijs gebezigde verklaringen van [aangever] steun vinden in andere gebezigde bewijsmiddelen. Die houden immers onder meer in:

i) de verklaring van medeverdachte [verdachte] dat hij een bespreking had gehad met [aangever] omdat oude zaken in orde gebracht moesten worden en dat het een zaak betrof die de Clariden Bank aangaat waar [aangever] employee was;

ii) getapte telefoongesprekken dat verdachte rondom het tijdstip van de tenlastegelegde feiten contact heeft gehad met andere verdachten over dat er een man naar [verdachte] toe zou komen, dat [verdachte] de verdachte meldde dat hij koffie ging drinken met die man, dat verdachte aan medeverdachte [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) vroeg om de man buiten kon ontvangen, en dat verdachte kennelijk de verbinding heeft getest met die [medeverdachte 2] ;

iii) de verklaring van [betrokkene 1] dat na augustus 2003 de zaak tussen zijn cliënt (AG: medeverdachte [verdachte] ) en Clariden Bank in een impasse zat;

iv) de verklaring van [medeverdachte 2] dat zij en verdachte een hond hadden, dat zij regelmatig in het kantoor van [verdachte] is geweest en zij af en toe haar hond meenam.

44. Hierin heeft het hof steun kunnen vinden voor de verklaring van [aangever] dat hij op verzoek van [verdachte] , na een kopje koffie met hem te hebben gedronken, met hem naar diens kantoor is gegaan, daar onder druk is gezet om een verklaring te tekenen, dat hij daartoe is geschopt en geslagen door twee andere mannen en dat er ook een vrouw met een hond bij aanwezig was, en dat de aanleiding voor hetgeen is gebeurd lag in kwestie tussen de bank waar [aangever] werkte en [verdachte] cliënt was.

45. Op grond van een en ander is het oordeel van het hof dat de verklaringen van [aangever] , voor zover voor het bewijs gebezigd, betrouwbaar zijn voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het niet gehouden. In het bijzonder heeft het daarbij zonder nadere motivering voorbij kunnen gaan aan de stelling van de verdediging dat een andere lezing van de feiten zou blijken uit de verklaringen van getuige [betrokkene 1] dat hij niets heeft gemerkt van een bedreiging en mishandeling van [aangever] , en uit de bevindingen van de forensische deskundigen dat geen objectiveer letsel is geconstateerd, dan uit de verklaringen van [aangever] . De door de raadsman genoemde bewijsmiddelen dwingen immers niet tot de conclusie dat [aangever] niet is mishandeld en/of dat hij is gedwongen te tekenen. Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard pas na de tenlastegelegde feiten te zijn gekomen terwijl het feit dat hij niets merkte niet zonder meer betekent dat er dus niets aan de hand was en/of dat de verklaring van [aangever] niet strookte met die verklaring van [betrokkene 1] . Het feit dat er geen objectiveer letsel is geconstateerd sluit voorts niet uit dat er wel sprake is geweest van mishandeling en bedreiging/dwang.

46. Gelet op het voorgaande, is toereikend gemotiveerd waarom het hof is afgeweken van het standpunt van de verdachte dat de verklaringen van getuige/aangever [aangever] niet betrouwbaar waren.

47. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

48. In het vijfde middel wordt geklaagd dat het hof zijn overtuiging dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, (mede) heeft ontleend aan de inhoud van bewijsmiddelen die niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

49. Gedoeld wordt op de tot bewijs gebezigde tapgesprekken en gesteld wordt dat de inhoud daarvan geen enkel onderdeel van de bewezenverklaring (direct) schragen of steunen en aldus dus niet vanzelfsprekend redengevend is voor de bewezenverklaringen, (onder meer) nu sprake is van flarden van telefoongesprekken, waarbij soms personen betrokken zijn die niet bekend zijn in het dossier. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat niet alle tot bewijs gebezigde tapgesprekken rechtstreeks verband lijken te houden met het bewezenverklaarde. Uit die tapgesprekken in onderlinge samenhang én in verband met de overige gebezigde bewijsmiddelen rijst echter wel het beeld op dat verdachte de afspraak met [aangever] heeft geïnitieerd, dat hij samen met zijn medeverdachten ervoor heeft gezorgd dat [aangever] naar het kantoor van verdachte kwam en dat hij in ieder geval aanwezig was bij de tenlastegelegde feiten. Gelet daarop acht ik het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk dat het hof deze tapgesprekken redengevend heeft geacht. Voor zover toch zou worden geoordeeld dat een aantal tapgesprekken, ook in samenhang bekeken met de andere tapgesprekken en bewijsmiddelen, niet redengevend is voor het bewezenverklaarde, hoeft dat niet tot cassatie te leiden. Deze kunnen worden weggelaten zonder af te doen aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de bewezenverklaring, nu die tapgesprekken mijns inziens niet de kern of het zwaartepunt van de bewijsvoering vormen en hiervoor slechts van ondersteunende betekenis zijn.

50. Het middel faalt.

51. In het zesde middel tenslotte wordt geklaagd over de afwijzing door het hof van het (herhaalde) verzoek om materiaal uit het dossier Madras toe te voegen aan de processtukken en over het desondanks, in strijd met een gemotiveerd verweer, voor het bewijs gebruiken van materiaal afkomstig uit dat dossier. Het van art. 6 EVRM deel uitmakende beginsel van ‘equality of arms’ zou zijn geschonden en het verzoek tot voeging van het materiaal zou in strijd met art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv ten onrechte en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn afgewezen

52. Bedoeld verzoek is aan de orde geweest op de terechtzitting van 14 februari 2013 en de raadsman heeft daar het woord gevoerd aan de hand van zijn aantekeningen. Die ter terechtzitting overgelegde aantekeningen houden in, voor zover van belang:

“MADRAS

Hoewel het veel voeten in de aarde had en er uiteindelijk zelfs een bericht aan uw voorzitter nodig was om het OM te bewegen tot reactie, had de verdediging uiteindelijk inzage in het dossier Madras.

Naar aanleiding van deze inzage verzocht de verdediging bij brief van 16 november 2011 om afschrift van een beperkt onderdeel van dit dossier, het zogeheten (hoofd)relaasproces-verbaal of zaaksproces-verbaal, toe te voegen aan de processtukken in deze zaak. Het OM berichtte bij brief van 20 januari 2012 niet aan dit verzoek te zullen voldoen. Schriftelijke pogingen het OM op andere gedachten te brengen, hadden geen resultaat.

De verdediging brengt in dit verband onder de aandacht van uw Hof dat het OM eenvoudigweg onderdelen uit dossier Madras heeft gelicht en zonder enige nadere duiding van de context heeft toegevoegd aan de processtukken in de onderwerpelijke zaak. Dat behelst het risico dat de inhoud van de toegevoegde stukken niet juist wordt begrepen, losgemaakt als zij zijn uit hun verband. Juiste duiding is van belang: het veroordelend vonnis van de rechtbank steunt mede op de inhoud van dossier Madras.

Onder die omstandigheden dient uw Hof de verdediging ook in de gelegenheid te stellen datgene toe te voegen uit het dossier wat zij dienstig acht voor haar verdediging of voor een juiste duiding van de door het OM ingebrachte stukken. De houding van het OM is strijdig met het beginsel van de equality of arms, vastgelegd in art. 6 EVRM. Het OM kan immers vrijelijk putten uit bronnen die de verdediging niet ter beschikking staan.

Conclusie

De verdediging verzoekt uw Hof derhalve het OM te instrueren genoemde onderdeel van het proces-verbaal alsnog toe te voegen. Zij stelt de verdediging in staat ten behoeve van haar verdediging het door het OM ingebrachte materiaal, ook voor uw Hof, juist te interpreteren.”

Het proces-verbaal van die terechtzitting van 14 februari 2013 houdt als beslissing van het hof vervolgens in:

“- De noodzaak van het aan het dossier toevoegen van stukken uit het onderzoek Madras is niet aannemelijk geworden, gelet op de onderbouwing van het verzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Ook de noodzaak tot het opnieuw inzien van het dossier Lathyrus is gelet op de onderbouwing van de verzoeken niet aannemelijk geworden. Beide verzoeken worden afgewezen.”.

53. Ter terechtzitting van 12 september 2013 heeft de raadsman het verzoek herhaald en het volgende aangevoerd:

"10.10. Madras - voldoende gemotiveerd verzoek

10.11.

Algemeen bekend veronderstelt de verdediging het gevaar van de interpretatie van fragmenten of flarden van een uitwisseling tussen twee partijen betekenis te geven, zonder de context te kennen waarbinnen deze partijen uitwisselden. Het Openbaar Ministerie lichtte enig materiaal uit andere dossiers, hevelde dat over naar deze zaak en voorzag dat van een betekenis tegen de achtergrond van het reeds gevormde oordeel in deze zaak: een complot van [verdachte] en anderen tegen [aangever] .

10.12.

Na inzage van het dossier Madras, is de verdediging tot de slotsom gekomen dat zij zowel het bestaan van de tapgesprekken als de inhoud hiervan tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier Madras kan voorzien van betekenisvolle context en alternatieve duiding. Zo heeft zij haar verzoek tot inbreng van het hoofdproces-verbaal dan ook gemotiveerd. Meer of andere motivering kan toch van de verdediging bezwaarlijk verwacht worden. De duiding en interpretatie zelf zal als onderdeel van haar verweer ter zitting moeten worden gevoerd. Die duiding kan uw Hof immers niet beoordelen zonder de inhoud van die dossiers zelf te kennen.

10.13.

Gezien de centrale plaats die de tapfragmenten innemen in het vonnis, inzet van dit appel, de wel zeer overzichtelijke omvang van het verzoek van de verdediging (20 tot 25 pagina's) en de ruimschoots beschikbare tijd voor de uitvoering van dit verzoek (zo'n zeven maanden) kan de verdediging niet verstaan hoe uw Hof kan komen tot afwijzing van dit verzoek. Daarmee ontneemt u de verdediging wederom de kans om zich effectief te verweren tegen het belastende karakter dat door Openbaar Ministerie en rechtbank wordt toegeschreven aan de taps. Terwijl dat met zo een geringe inspanning kan worden voorkomen.

10.14.

Terzijde: vraagt uw Hof zich als laatste feitelijke rechter dan ook niet af wat de aard van de zaken is waaruit deze taps afkomstig zijn en in welke context deze geduid moeten worden? Of neemt u klakkeloos aan van het eerstelijns-OM dat ze relevantie en betekenis hebben voor deze zaak omdat ze nu eenmaal in dit dossier zijn gevoegd? De verdediging zal hierna - zonder een gedocumenteerde basis te hebben - laten zien dat dat gevaarlijk is nu tegen de achtergrond van het dossier een reëel en plausibel alternatief voorhanden is. Een alternatief bovendien, dat verklaart waarom [verdachte] het bestaan van die taps niet verklaren kan. Maar primair roept de verdediging u op ook uw beslissing op deze verzoeken van de verdediging in heroverweging te nemen en alsnog het Openbaar Ministerie te gelasten het betreffende onderdeel uit het dossier Madras toe te voegen aan het dossier en de verdediging alsnog een behoorlijke inzage in het dossier Lathyrus te gunnen.

10.15.

Zo uw Hof de eerdere beslissing handhaaft, heeft dit gevolgen voor de bruikbaarheid van het materiaal.

10.16.

Het Openbaar Ministerie heeft in deze naar believen kunnen grasduinen in de dossiers en zonder onderworpen te zijn aan enige toets of goedkeuring, het conveniërende eruit gehaald en overgebracht en dat materiaal voorzien van een voor [verdachte] in dit verband belastende duiding. De verdediging werd die ruimte in zijn geheel niet geboden: het Openbaar Ministerie weigert materiaal in te brengen dat de verdediging van belang acht en uw Hof sauveert dit. Daarmee wordt de verdediging de mogelijkheid ontnomen zich effectief te verweren tegen het vermeend belastende karakter van de taps.

10.17.

In eerste aanleg is al uiteengezet dat de aldus ontstane onbalans een schending oplevert van het beginsel van equality of arms, verankerd in art. 6 EVRM als onderdeel van een fair trial. De verdediging wijst in dit verband op een tweetal uitspraken van het EHRM die haar standpunt schragen. Het betreft de Straatsburgse uitspraken in de zaken Dowsett en Chambaz [in noot wordt verwezen naar ECHR 24 juni 2003, application number 39482/98 (Dowsett); 5 april 2012, application number 11663/04, overwegingen 59 t/m 68], van welk laatst arrest de belangrijkste overwegingen hieronder worden weergegeven:

"2. Sur la violation alléguée du principe de l'égalité des armes

(...)

61. La Cour rappelle que le droit à un procès pénal équitable implique que la défense puisse avoir accès à l'ensemble des preuves entre les mains de l'accusation, qu'elles soient en défaveur, ou en faveur, de l'accusé (McKeown c. Royaume-Uni, no 6684/05, §43, 11 janvier 2011). Les seules restrictions admissibles au droit d'accès à l'ensemble des preuves disponibles sont celles qui s'avèrent strictement indispensables (Van Mechelen et autres c. Pays-Bas, 23 avril 1997, § 58, Recueil 1997 III), soit la protection d'intérêts nationaux vitaux ou la sauvegarde des droits fondamentaux d'autrui (Dowsett c. Royaume-Uni, précité, § 42).

(...)

67. Au vu de ce qui précède, la Cour en déduit que le refus de communiquer au requérant l'intégralité du dossier détenu par l'administration n'était pas justifié par des motifs en adéquation avec les principes se dégageant de la jurisprudence de la Cour en matière d'égalité des armes. Le processus décisionnel n'a en outre pas été assorti de garanties aptes à protéger les intérêts de l'accusé. Celui-ci a donc été placé dans une situation de net désavantage (Bendenoun c. France, précité, § 52).

68. Ces éléments suffisent à la Cour pour conclure que le droit à l'égalité des armes, tel que garanti par l'article 6 § 1 de la Convention a été violé en l'espèce."

10.18.

Deze uitspraken stellen buiten twijfel dat het niet verenigbaar is met genoemd beginsel en recht op een fair trial dat de verdediging niet op dezelfde voet als het Openbaar Ministerie toegang heeft tot het bewijsmateriaal, waaruit het belastende is ge(kersen)plukt. Gronden die een uitzondering op het beginsel legitimeren (staatveiligheid e.d.) ontbreken in deze. Gebruik terwijl de verdediging is afgesneden van die mogelijkheden, zou een schending van art. 6 EVRM opleveren. Onder de gegeven omstandigheden kan dit procedurele verzuim enkel op effectieve wijze gerepareerd worden primair, door de verzoeken van de verdediging alsnog in te willigen. Gebeurt dat niet, is de enige gepaste remedy het materiaal uit te sluiten van de bewijsvoering.

10.19.

Voor het materiaal, verkregen uit dossier Madras geldt mutatis mutandis hetzelfde. Door de gebrekkige wijze waarop de verdediging inzage werd verleend in een omvangrijk dossier is het materiaal insufficiently disclosed to the defendant. Daardoor kan de verdediging zich evenmin effectief verdedigen tegen de stelling dat ook het materiaal, overgeheveld uit dit dossier belastend bewijs tegen [verdachte] vormt. De lezing van Openbaar Ministerie en rechtbank van dit materiaal had de verdediging gaarne willen toetsen omdat [verdachte] meent dat sprake moet zijn van onjuiste duiding. Die gelegenheid is de verdediging niet geboden. Op dezelfde gronden is sprake van schending van het equality of arms beginsel.

10.20.

Conclusie

10.21.

Dit verweer strekt er primair toe dat u uw beslissing op de verzoeken van de verdediging in heroverweging neemt en deze verzoeken alsnog inwilligt. Indien de stand van zaken blijft zoals deze is, heeft het gebruik van het materiaal, afkomstig uit Madras en Lathyrus als bewijsmateriaal tegen [verdachte] , te gelden als een schending van het equality of arms beginsel. In dit geval levert de schending een ernstige belemmering van een effectieve verdediging op en daarmee een flagrante schending van [verdachtes] recht op een fair trial. De enige effectieve sanctie is de uitsluiting van het materiaal van het bewijs.

10.22.

Ten overvloede en als in eerste aanleg zal de verdediging ook inhoudelijk ingaan op de tapgesprekken en de betekenis die Openbaar Ministerie en rechtbank hieraan geven."

54. Het hof heeft daarop in het bestreden arrest als volgt beslist:

Dossiers Madras/Lathyrus

De raadslieden hebben opnieuw verzocht het overzichtsproces-verbaal uit het onderzoek Madras aan de stukken van het onderhavige geding toe te voegen en de raadslieden alsnog behoorlijk inzage te geven in het dossier Lathyrus.

Het hof stelt vast dat de verdediging aan deze herhaalde verzoeken dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd als die eerder naar voren zijn gebracht. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn naar het oordeel van het hof geen nieuwe feiten en omstandigheden aannemelijk geworden, die thans tot toewijzing van de verzoeken nopen.

Gelet op het vorenstaande is de noodzaak van het verzochte niet aannemelijk geworden en wijst het hof de verzoeken af.

Tapgesprekken uit dossiers Madras/Lathyrus

De raadslieden hebben bepleit - verkort en zakelijk weergegeven- dat de zich in het onderhavige dossier Saur bevindende verslagen van af geluisterde telefoongesprekken die afkomstig zijn uit de voornoemde onderzoeken Madras en Lathyrus van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu de verdediging onvoldoende gelegenheid heeft gehad deze gesprekken op waarde te schatten. Hierdoor is het beginsel van de ‘equality of arms' ernstig geschonden.

Op grond van de genoemde verslagen kunnen overigens diverse alternatieve scenario's - zoals nader omschreven in de pleitnotities - in het voordeel van de verdachte worden geschetst.

Het hof overweegt te dien aanzien dat naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep een schending van het beginsel van de ‘equality of arms' in de zaak van de verdachte niet aannemelijk is geworden. De verdediging heeft de gelegenheid gekregen om de genoemde stukken in te zien en heeft op basis daarvan een alternatief scenario bepleit. Naar het oordeel van het hof is de verdachte onder de gegeven omstandigheden dan ook niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad en wordt het- verweer mitsdien verworpen.

Naar het oordeel van het hof zijn de door de raadslieden geschetste alternatieve scenario's - gelet op de inhoud van de gebezigde wettige bewijsmiddelen – niet aannemelijk geworden.”

55. Bij de bespreking van dit middel stel ik het volgende voorop. Ten aanzien van verzoeken tot het toevoegen van stukken aan het dossier (en het verlenen van inzage) is onder meer van belang de vraag of het om processtukken gaat. Sinds 1 januari 2013 is in het Wetboek van Strafvordering een definitie van die term opgenomen, waarbij door de wetgever is beoogd aan te sluiten bij vaste rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt.15 Op grond van art. 149a lid 2 Sv behoren tot de processtukken “alle stukken die voor de terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in art. 149b.” Of stukken aan dat criterium voldoen, hangt steeds af van hun concrete inhoud of betekenis voor de desbetreffende strafzaak.16 Daarbij gaat het blijkens de memorie van toelichting niet alleen om zowel belastende als ontlastende informatie in het kader van het bewijs van het ten laste gelegde feit. Het kan ook informatie betreffen die van belang kan zijn voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, de controle op de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek of de straftoemeting.17 Dat neemt niet weg dat beginselen van behoorlijke procesorde met zich brengen dat de verdediging in beginsel (ook) kennis moet kunnen nemen van stukken die niet tot de processtukken behoren, maar waarvan de kennisneming van belang is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal.18 Ter terechtzitting gedane verzoeken tot het toevoegen van en het verlenen van inzage in stukken welke buiten het eigen opsporingsonderzoek zijn opgemaakt, zijn verzoeken in de zin van art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv.19 Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. De maatstaf waaraan het hof dergelijke verzoeken moet toetsen is of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.20 Voorts geldt dat het oordeel van de feitenrechter betreffende de relevantie van zulke, met het oog op andere strafzaken opgestelde, stukken in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Indien de verdediging zich op het standpunt stelt dat er stukken bestaan waarvan de kennisneming niet mag worden onthouden wegens hun relevantie voor een juiste beoordeling van de zaak, ligt het op haar weg de feiten en omstandigheden aan te duiden die deze stelling kunnen ondersteunen.21

56. De toelichting op het middel bevat twee deelklachten. Primair wordt geklaagd dat het in art. 6 EVRM neergelegde beginsel van ‘equality of arms’ is geschonden, nu de verdediging niet op dezelfde voet als het openbaar ministerie toegang heeft gehad tot het bewijsmateriaal, het dossier niet op dezelfde voet heeft kunnen voeden en haar verweer niet naar behoren heeft kunnen onderbouwen. Ten tweede wordt geklaagd dat het hof ten onrechte en/of op onjuiste gronden en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd het verzoek van de verdediging tot toevoeging van het hoofdproces-verbaal uit het dossier Madras heeft afgewezen. De klachten hangen met elkaar samen en zal ik daarom gezamenlijk bespreken.

57. Voor zover wordt geklaagd dat het hof bij zijn afwijzing van het verzoek tot toevoeging van het hoofdproces-verbaal uit het dossier Madras, ten onrechte het noodzaakcriterium tot maatstaf heeft genomen, faalt het. In de afwijzing van het verzoek om de gevraagde stukken aan het dossier toe te voegen, ligt als kennelijk oordeel van het hof besloten dat het bedoelde proces-verbaal niet tot de processtukken in de onderhavige strafzaak gerekend kunnen worden. Dat oordeel is juist, in aanmerking genomen dat het bedoeld proces-verbaal niet het resultaat is van het onderhavige opsporingsonderzoek gericht tegen de verdachte, maar van een ander opsporingsonderzoek naar (kennelijk) een ander misdrijf. Het verzoek, dat ziet op toevoeging van een stuk dat is opgemaakt buiten het eigen opsporingsonderzoek, is zoals ik hiervoor heb aangegeven een verzoek in de zin van art. 328 Sv dat aan de maatstaf van noodzakelijkheid van art. 315 Sv dient te worden getoetst.22

58. De vraag is vervolgens of het hof de afwijzing van het verzoek om het gevraagde stuk in het dossier te voegen voldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.

59. Blijkens hetgeen hiervoor is weergegeven is ter onderbouwing van het verzoek ten overstaan van het hof aangevoerd dat bedoeld proces-verbaal dienstig wordt geacht voor de verdediging en voor een juiste duiding van de context van de door het openbaar ministerie ingebrachte stukken (uit hetzelfde dossier). De houding van het openbaar ministerie zou strijdig zijn met het beginsel van de ‘equality of arms’, dat is vastgelegd in art. 6 EVRM, nu het OM vrijelijk kon putten uit bronnen die de verdediging niet ter beschikking stonden. Bij pleidooi is nog aangevoerd dat de bedoeld proces-verbaal nodig is voor het schetsen van een betekenisvolle context en een reële alternatieve duiding van de (uiteindelijk tot bewijs gebezigde) tapgesprekken, welk alternatief bovendien zou verklaren waarom verdachte het bestaan van de taps niet verklaren kon.

60. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat in een strafprocedure het recht op toegang tot het dossier voor de verdediging voortvloeit uit het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. Zo oordeelde het EHRM in Edwards tegen het Verenigd Koninkrijk23 dat het een vereiste van een eerlijk proces is dat de vervolgende autoriteiten de verdediging toegang geven tot al het bewijs (belastend, dan wel ontlastend), en dat het niet voldoen aan dat vereiste een gebrek in de procedure oplevert. Dat volgt onder meer uit het beginsel van ‘equality of arms’ tussen de partijen, dat deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces.24 Zoals Fiori opmerkt, beschouwt het EHRM het niet geven van toegang (non-disclosure) tot een dossier onder meer als een aantasting van de algehele ‘fairness’ van een strafproces vanwege de onvermijdelijke invloed op de ‘equality of arms’, nu dat de ene partij op een achterstand zet ten opzichte van de andere partij. Dat is ook het geval als geen toegang wordt gegeven tot een enkel relevant document.25

61. De door de verdediging genoemde uitspraak van het EHRM in Chambaz v. Zwitserland26 houdt ten aanzien van het beginsel van ‘equality of arms’ in dat beperkingen op de toegang tot het bewijsmateriaal door de vervolgende instantie enkel gerechtvaardigd kunnen worden door de bescherming van vitale nationale belangen of de bescherming van fundamentele rechten van anderen. Het betrof een belastingzaak en het EHRM oordeelde dat het in belastingzaken niet uitgesloten is dat van de belastingautoriteiten verlangd mag worden dat zij bepaalde documenten aan de procederende partij verschaft zelfs als de aanklacht niet specifiek op die documenten is gebaseerd en dat een behoorlijke reden gegeven dient te worden voor een weigering om desbetreffende documenten te verschaffen.

62. In de eveneens door de verdediging genoemde zaak van Dowsett tegen het Verenigd Koninkrijk27 overwoog het EHRM als volgt, voor zover van belang:

“41. It is a fundamental aspect of the right to a fair trial that criminal proceedings, including the elements of such proceedings which relate to procedure, should be adversarial and that there should be equality of arms between the prosecution and the defence. The right to an adversarial trial means, in a criminal case, that both the prosecution and the defence must be given the opportunity to have knowledge of and comment on the observations filed and the evidence adduced by the other party (see Brandstetter v. Austria, judgment of 28 August 1991, Series A no. 211, pp. 27-28, §§ 66-67). In addition Article 6 § 1 requires, as indeed does English law (see paragraphs 27-33 above), that the prosecution authorities disclose to the defence all material evidence in their possession for or against the accused (see Edwards, cited above, p. 35, § 36).

42. However, the entitlement to disclosure of relevant evidence is not an absolute right. In any criminal proceedings there may be competing interests, such as national security or the need to protect witnesses at risk of reprisals or to keep secret police methods of investigating crime, which must be weighed against the rights of the accused (see, for example, Doorson v. the Netherlands, judgment of 26 March 1996, Reports of Judgments and Decisions 1996-II, p. 470, § 70). In some cases it may be necessary to withhold certain evidence from the defence so as to preserve the fundamental rights of another individual or to safeguard an important public interest. However, only such measures restricting the rights of the defence which are strictly necessary are permissible under Article 6 § 1 (see, for example, Van Mechelen and Others v. the Netherlands, judgment of 23 April 1997, Reports 1997-III, p. 712, § 58). Moreover, in order to ensure that the accused receives a fair trial, any difficulties caused to the defence by a limitation on its rights must be sufficiently counterbalanced by the procedures followed by the judicial authorities (see Doorson and Van Mechelen and Others, both cited above, p. 471, § 72, and p. 712, § 54 respectively).

43. In cases where evidence has been withheld from the defence on grounds of public interest immunity, it is not the role of this Court to decide whether or not such non-disclosure was strictly necessary since, as a general rule, it is for the national courts to assess the evidence before them (see Edwards, cited above, pp. 34-35, § 34). Instead, the Court’s task is to ascertain whether the decision-making procedure applied in each case complied, as far as possible, with the requirements of adversarial proceedings and equality of arms, and incorporated adequate safeguards to protect the interests of the accused.”

63. Het hof is bij de afwijzing van het verzoek om het overzichtsproces-verbaal uit het onderzoek Madras in het dossier te voegen niet inhoudelijk in gegaan op hetgeen is aangevoerd ter motivering daarvan, maar heeft volstaan met het oordeel dat gelet op de onderbouwing van het verzoek en het onderzoek ter terechtzitting de noodzaak daartoe niet is gebleken. Ter motivering van de daarmee verband houdende afwijzende beslissing op het verzoek om de verslagen van de afgeluisterde tapgesprekken afkomstig uit onder meer het dossier Madras uit te sluiten van het bewijs, heeft het hof echter overwogen dat een schending van het beginsel van de ‘equality of arms' in de zaak van de verdachte niet aannemelijk is geworden. De verdediging heeft de gelegenheid gekregen om de genoemde stukken in te zien en heeft op basis daarvan een alternatief scenario bepleit. Daardoor is de verdachte naar het oordeel van het hof niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad. Mede gelet op die overweging lees ik in de afwijzing van het verzoek om het overzichtsproces-verbaal in het dossier te voegen als oordeel van het hof dat nu dat verzoek kennelijk is gedaan om het gestelde alternatieve scenario te kunnen onderbouwen (terwijl de verdediging gezien het ter terechtzitting gevoerde betoog dat ook zonder toevoeging van het gevraagd stuk heeft kunnen doen) er geen noodzaak was om dat stuk in het dossier te voegen. Dat acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de raadsman van de verdachte wel inzage heeft gehad in het bedoelde document en blijkens de ter terechtzitting van 12 september 2013 overgelegde pleitnotities (onder 11 en 12) tamelijk uitgebreid verweer heeft gevoerd met betrekking tot dat alternatieve scenario en de daarmee verband houdende duiding van de tapgesprekken, terwijl noch in hoger beroep, noch in cassatie concreet is aangegeven welk belang de verdediging had bij het toevoegen van het proces-verbaal aan het dossier.

64. Daarbij is verder van belang dat in de jurisprudentie van het EHRM niet zozeer wordt gesproken over een recht op (overlegging van) afschriften van bepaalde stukken, maar om het recht op ‘toegang’ tot die stukken.28 In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de verdediging die toegang is ontzegd, nu zij wel inzage heeft gehad in het gevraagde stuk en aldus kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan.

65. Hoewel ik eerlijk gezegd niet direct inzie waarom het hof het verzoek niet gewoon heeft toegewezen, nu het kennelijk slechts een stuk van een twintigtal pagina’s betrof en niet is gesteld of gebleken dat de inhoud vertrouwelijk of geheim was, of dat openbaring daarvan de bescherming van vitale nationale belangen of de bescherming van fundamentele rechten van anderen zou aantasten, meen ik dat - gelet op het voorgaande - het hof heeft kunnen oordelen dat de noodzaak van toevoeging van bedoeld stuk niet gebleken was en het niet toevoegen geen schending van het beginsel van ‘equality of arms’ oplevert. Het hof heeft die toevoeging, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, kunnen weigeren.

66. Het middel faalt.

67. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

68. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Rechtbank ’s-Gravenhage 11 maart 2009, parketnummer 09/665701-06. Uit het vonnis blijkt dat deze feiten ook voor de verdediging en het OM vast staan, zie p. 1 en 2.

2 Zie onder andere het proces-verbaal terechtzitting Rechtbank ’s-Gravenhage van 2 oktober 2008, p. 7 en 8.

3 Een lezing die door de Rechtbank ’s-Gravenhage in haar vonnis van 11 maart 2009 is overgenomen, zie p. 29.

4 Proces-verbaal terechtzitting Rechtbank ’s-Gravenhage van 2 oktober 2008, p. 11.

5 Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.48.

6 EHRM 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery t. Verenigd Koninkrijk, nrs. 26766/05 en 22228/06, met name par. 119 en 147.

7 Zie uitgebreider M.J. Dubelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs,dissertatie Wolters Kluwer 2014, p. 116 en p. 122 e. v.

8 EHRM 10 juli 2012, Vidgen t. Nederland, NJ 2012/449, m.nt. T. M. Schalken; HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145 m.nt. T.M. Schalken.

9 EHRM 10 juli 2012, Vidgen t. Nederland, nr. 29353/06, par. 42 en 47.

10 HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539 NJ 2013/145 m.nt. T.M. Schalken.,

11 Zie HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1020, rov. 4.4.

12 EHRM 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery t. Verenigd Koninkrijk, nrs. 26766/05 en 22228/06, zie met name par. 119: “Having regard to the Court’s case-law, there are two requirements which follow from the above general principle. Firstly, there must be a good reason for the non-attendance of a witness. Secondly, when a conviction is based solely or to a decisive degree on depositions that have been made by a person whom the accused has had no opportunity to examine or to have examined [onderstreping AG], whether during the investigation or at the trial, the rights of the defence may be restricted to an extent that is incompatible with the guarantees provided by Article 6 (the so-called “sole or decisive rule”).”

13 Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3472, en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515.

14 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890 (ECLI:NL:PHR:2013:BZ1890, onder 6.6). Zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voor HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:135 (ECLI:NL:PHR:2014:502, onder 3.6).

15 Kamerstukken II 2010/11, 32468, nr. 3 (MvT), p. 17.

16 Kamerstukken II 2010/11, 32468, nr. 6, p. 14.

17 Kamerstukken II 2010/11, 32468, nr. 3 (MvT), p. 17.

18 Vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996/687 (Dev Sol), m.nt. Schalken

19 Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4482, HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB2956, en HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4149.

20 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 2 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2045.

21 HR 21 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0832.

22 HR 11 september 2012, ELCI:NL:HR:2012:BX4482. Zie bijvoorbeeld ook de conclusies van mijn ambtgenoot Aben van 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2045, en van 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7021 (in beide gevallen deed de Hoge Raad de zaak af met toepassing van art. 81 lid 1 RO).

23 EHRM 16 december 1992, appl.nr. 13071/87.

24 Vgl. bijv. Foucher tegen Frankrijk waarin het EHRM overwoog dat de verdediging toegang tot het dossier verleend had moeten worden nu dat nodig was voor het opzetten van een effectieve verdedigingsstrategie tegen de beschuldiging van een verdachte en dat de verdediging in strijd met art. 6 lid 1 EVRM die mogelijkheid niet had gehad.

25 B.M. Fiori, Disclosure of information in criminal proceedings. A comparative analysis of national and international criminal procedural systems and human rights law, dissertatie Wolf Legal Publishers 2015, p. 153 waar ook wordt verwezen naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Watson tegen Noorwegen, van 3 juni 2003, appl.nr. 37372/97.

26 EHRM 5 juli 2012, appl.nr. 11663/04..

27 EHRM 24 juni 2003, appl.nr. 39482/98.

28 Zie in dit verband, naast de in deze conclusie genoemde jurisprudentie van het EHRM, bijvoorbeeld EHRM 10 december 1989, Kamansinzki v. Oostenrijk, nr. 9783/82 (http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/Pages/search.aspx), NJ 1994/26, paragraaf 88; EHRM 21 september 1993, nr. 12350/86, Kremzow v. Oostenrijk, NJ 1994/359, waarin het EHRM in paragraaf 52 met een verwijzing naar de Kamasinskizaak overweegt: “Restriction of the right to inspect the court file to an accused’s lawyer is not incompatible with the rights of the defence under Article 6”. Zie tot slot ook ECRM 9 september 1998, Ayyildiz v. Nederland, nr. 35138/97, niet-ontvankelijkheidsbeslissing, waarin voor de opsporing gebruikte fotoboeken uitsluitend ter inzage werden gegeven aan de advocaat, hetgeen door de ECRM werd geaccepteerd als voldoende inzagemogelijkheid.