Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1707

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
14/03670
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2475, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schending redelijke termijn in e.a. ’s Hofs oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg is niet zonder meer begrijpelijk. HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vermindert de opgelegde gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03670

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 17 juli 2014 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing van de Rechtbank ter zake van het eerste onder 2 cumulatief en onder 3 ten laste gelegde.1 Voorts heeft het Hof de verdachte wegens het onder 1 bewezenverklaarde “medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd” en het onder 2 bewezenverklaarde “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. D.R. Corbeek, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Middel 1

4.1. Het middel klaagt dat het Hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de redelijke termijn is geschonden, onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd.

4.2. Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 3 juli 2014 blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar het volgende heeft aangevoerd:

“We hebben te maken met een oude zaak, waarbij sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

De rolverdeling met [betrokkene 1] is onvoldoende in aanmerking genomen door de rechtbank. De rede van het hoger beroep is de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. De constructie van aankopen van facturen is mijn cliënt na uitleg door de fiscus duidelijk geworden. Ten aanzien van feit 1 wist mijn cliënt dat er zwart loon werd uitbetaald. Er is naar mijn mening sprake van voorwaardelijke opzet. [betrokkene 1] had veel meer ervaring dan mijn cliënt. Volgens [betrokkene 2] had [betrokkene 1] ook financieel de touwtjes in handen. Mijn cliënt werd buiten de financiële afspraken gehouden. [betrokkene 1] is een kleine, dikke man. Ook [betrokkene 3] zegt dat [betrokkene 1] de baas is. Mijn cliënt had er uit moeten stappen. Het faillissement van mijn cliënt is opgeheven. Hij is 51 jaar oud. Hij is weer geruime tijd in loondienst werkzaam. Er is geen kans op recidive, maar mijn cliënt zal een fikse stok achter de deur accepteren. Mijn cliënt is geen ontkennende verdachte. Hij wil zijn baan graag behouden. Ik snap dat appelleren riskeren is.”

4.3. Verdachte is dus in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens was met de aan hem door de Rechtbank opgelegde gevangenisstraf van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. Dat risico had hij beter niet kunnen nemen, want het Hof heeft de verdachte vervolgens een nog langere (netto) gevangenisstraf opgelegd: zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk.2 In het kader van de motivering van die straf heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

“Door de raadsman is aangevoerd dat de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden. Het hof is hieromtrent van oordeel dat in eerste aanleg de zaak niet binnen twee jaren na verdachtes bekennende verklaring van 15 september 2008 ter terechtzitting van 7 oktober 2010 is aangebracht en dat er sprake is van een geringe overschrijding van de redelijke termijn. Vervolgens zijn acht getuigen gehoord, hetgeen een niet onaanzienlijke vertraging tot gevolg heeft gehad en is de zaak op 13 december 2012 voortgezet, waarna op 21 december 2012 vonnis is gewezen. Het dossier is vervolgens bij het Hof op 2 juli 2013 binnengekomen.

Het hof is van oordeel dat er weliswaar sprake is van een lange periode, maar dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg zo beperkt is, dat kan worden volstaan met constatering van de overschrijding. Bij de strafoplegging houdt het hof wel rekening met het aanzienlijke tijdsverloop. Het hof is van oordeel dat indien de zaak eerder zou zijn berecht een hogere straf op zijn plaats zou zijn geweest; niet alleen vanwege de benadeling van de fiscus, maar ook vanwege het concurrentievervalsende karakter van de bewezenverklaarde feiten. Vanwege het tijdsverloop zal het hof een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.”

4.4. Het middel klaagt over de beslissing van het Hof met betrekking tot de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg. Volgens de steller heeft de verdediging op dit punt een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen. Dat waag ik echter te betwijfelen. Blijkens het proces-verbaal van 3 juli 2014 is immers enkel aangevoerd dat “we te maken hebben met een oude zaak, waarbij sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.” Dit is geen standpunt dat duidelijk door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht.3 Desalniettemin heeft het Hof naar aanleiding van het - al dan niet uitdrukkelijk onderbouwde – standpunt de nodige overwegingen gewijd aan de redelijke termijn.4 Uit die overwegingen blijkt dat de zaak in eerste aanleg ruim vier jaar heeft geduurd gerekend vanaf het eerste verhoor van de verdachte.5

4.5. Het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval. Het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan eveneens slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. De redelijke termijn begint “te lopen” vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.6 Als uitgangspunt geldt dat de zaak in eerste aanleg binnen twee jaar na dat moment met een eindvonnis moet zijn afgerond. Bijzondere omstandigheden, die onder meer te maken kunnen hebben met de ingewikkeldheid van de zaak, de procesopstelling van de verdachte en de voortvarendheid van de behandeling door de justitiële autoriteiten, kunnen maken dat een langere termijn voor redelijk kan worden gehouden.

4.6. In de onderhavige zaak is het Hof er kennelijk van uitgegaan dat de redelijke termijn aanving op 15 september 2008. De Rechtbank heeft pas op 21 december 2012, derhalve ruim vier jaar later, uitspraak gedaan. Het Hof kwalificeert de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg als een beperkte overschrijding. Als ik het goed begrijp, is de gedachtegang van het Hof daarbij geweest dat ten tijde van de eerste zitting van de Rechtbank op 7 oktober 2010 slechts sprake was van een geringe overschrijding van de termijn en dat het tijdsverloop nadien geheel gerechtvaardigd werd door bijzondere omstandigheden, bestaande uit het horen van acht getuigen, zodat de overschrijding van de termijn daardoor niet groter is geworden. Ook als het oordeel van het Hof inderdaad in deze zin moet worden verstaan, geldt dat dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. Zo is het maar de vraag of dat tijdsverloop (in zijn geheel) voor rekening van de verdachte moet komen en dus niet (deels) kan worden toegeschreven aan een gebrek aan voortvarendheid bij de afhandeling van de verzoeken, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd. Daar komt nog bij dat de twee jaars-termijn op het horen van getuigen is berekend. Het enkele feit dat er getuigen moeten worden gehoord, levert daarom nog geen bijzondere omstandigheid op. Twee jaar is in het algemeen lang genoeg, ook als er getuigen moeten worden gehoord.

4.7. Aan het voorgaande doet niet af dat het Hof bij de strafoplegging “wel rekening houdt met het aanzienlijke tijdverloop”, omdat het daarbij niet gaat om een compensatie voor de termijnoverschrijding.7 Ik merk daarbij op dat het door het Hof bedoelde tijdverloop mede betrekking heeft op de periode die aan het begin van de redelijke termijn voorafging.8

4.8. Het middel slaagt. Om doelmatigheidsredenen zou de Hoge Raad de straf zelf kunnen verminderen.9

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de opgelegde straf, tot zodanige vermindering van die straf als de Hoge Raad goeddunkt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De Rechtbank had de verdachte van die feiten vrijgesproken.

2 Het Hof had de verdachte ter zitting in hoger beroep al voorgehouden dat “hij er, gezien de oriëntatiepunten, in eerste aanleg goed vanaf [is] gekomen.

3 In eerste aanleg had de raadsman van de verdachte dit standpunt niet veel beter ingekleed. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg blijkt dat de raadsman van de verdachte destijds onder meer het volgende naar voren heeft gebracht: “ Ten aanzien van de strafmaat wil ik u vragen rekening te houden met het volgende. Allereerst is mijns inziens sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het betreft feiten van ruim tien jaar geleden. Het onderzoek bij de rechter-commissaris had in 2011 afgerond kunnen worden. Tevens had de zaak eerder kunnen worden aangebracht op zitting.” De Rechtbank was – anders dan het Hof - van oordeel dat de redelijke termijn dusdanig was geschonden dat hiermee rekening moest worden gehouden bij de strafmaat.

4 Een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de redelijke termijn is ook niet nodig.

5 Het Hof spreekt in dit verband van “verdachtes bekennende verklaring van 15 september 2008.” Uit het vonnis van de Rechtbank leid ik af dat verdachte op die datum voor het eerst is verhoord.

6 Een meer specifieke regel valt hieromtrent – aldus de Hoge Raad – niet te geven. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt art. 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt, zo overwoog de Hoge Raad in: HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.12.1.

7 Dat is een niet onbelangrijk verschil met de zaak die leidde tot HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3092, waarin de strafvermindering haar grond wel mede vond in de overschrijding van de redelijke termijn. Bovendien is in casu van een strafvermindering ten opzichte van de in eerste aanleg opgelegde straf geen sprake.

8 Uit de bewezenverklaringen blijkt dat de feiten werden gepleegd vanaf 1 augustus 2002 tot 1 februari 2007.

9 Vgl. HR 10 december 2013, ECLI:HR:2013:1743