Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1705

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
14/05524
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2474
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolg alcoholslotprogramma (asp). HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:434. Hetgeen in dat arrest is overwogen m.b.t. de strafvervolging van een verdachte t.z.v. het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank, geldt eveneens in zaken betreffende de weigering van verdachte mee te werken aan een onderzoek a.b.i. art. 8.2 aanhef en onder a, WVW 1994. In het gegeven dat de uitkomst van de beslissingen t.z.v. het asp van de HR (ECLI:HR:NL:2015:434) en de RvS (ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622) niet zodanig voorzienbaar was dat de procesdeelnemers in reeds aanhangige strafzaken daarmee rekening hadden behoren te houden en daarom in feitelijke aanleg hadden moeten klagen over, kort gezegd, dubbele vervolging, vindt de HR aanleiding om in zaken waarin vóór 3 maart 2015 uitspraak is gedaan die nog niet onherroepelijk is geworden, te doen wat het hof had behoren te doen, mits (i) tegen de uitspraak tijdig beroep in cassatie is ingesteld, (ii) in de cassatieschriftuur is aangevoerd dat sprake is van dubbele vervolging in die zin dat verdachte t.z.v. hetzelfde feit de verplichting is opgelegd tot deelname aan het asp, en (iii) die stelling door de raadsman is gestaafd met bescheiden aan de herkomst waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld. De onder (iii) genoemde voorwaarde geldt niet indien o.g.v. ’s Hofs vaststellingen dan wel o.g.v. de op de voet van art. 434.1 Sv aan de HR gezonden stukken van het dossier de feitelijke grondslag van het middel als vaststaand kan worden aangenomen. In cassatie kan i.c. als vaststaand worden aangenomen dat aan verdachte t.z.v. hetzelfde strafbare feit de verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Dat betekent dat het OM in zijn vervolging van verdachte t.z.v. dat feit n-o is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05524

Zitting: 30 juni 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 2 september 2014 de verdachte wegens “overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft het Hof verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in de vervolging van verdachte terwijl sprake is van een vervolgingsbeletsel, te weten de eerder aan verdachte opgelegde bestuursrechtelijke maatregel alcoholslotprogramma (hierna: asp).1

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘hij op 26 april 2013 te Wageningen als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.”

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 september 2014 heeft verdachte verklaard dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard door het CBR en dat er een alcoholslotprogramma2 is opgelegd.

6. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in dat verdachte ter zake van overtreding van art. 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, is veroordeeld tot een geldboete en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, een en ander zoals hiervoor onder 1 vermeld.

7. Het middel is gestoeld op de recente uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434. In dat arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het navolgende overwogen:

“4.4 Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene is bij de huidige Nederlandse regelgeving de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in strijd met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen immers meebrengen – en brengen in de hier aan de orde zijnde gevallen ook mee – dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft.

Dit vervolgingsbeletsel geldt eveneens gedurende een tegen de oplegging van het asp lopende bezwaar- of beroepsprocedure.

4.5 In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat in de onderhavige zaak aan de verdachte onherroepelijk de verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Dat betekent dat het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk is, juist is, wat er ook zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering.”

8. Het voorgaande betekent dat nu in cassatie ervan kan worden uitgegaan dat aan de verdachte onherroepelijk de verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd, de zaak tot niets anders kan leiden dan tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vervolging. Het middel is terecht voorgesteld en mitsdien kan het arrest van het Hof niet in stand blijven. Het is de vraag hoe deze constatering in cassatie verder moet worden verwerkt. Hetgeen ik heb geconstateerd laat geen andere uitkomst van de zaak open dan niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Daarom stel ik mij primair op het standpunt dat de Hoge Raad uit doelmatigheidsoogpunt zelf deze einduitspraak doet. Subsidiair stel ik mij op het standpunt dat het arrest moet worden vernietigd en de zaak moet worden teruggewezen.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

10. Deze conclusie strekt primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd, en tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging en subsidiair tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Over deze kwestie heeft mijn ambtgenoot Aben op 16 juni 2015 in een zaak onder nummer 14/05317 reeds uitvoerig geconcludeerd.

2 Naar aanleiding van hetgeen in noot 1 in de schriftuur is opgenomen – te weten dat navraag bij het CBR op 16 maart 2015 heeft geleerd dat op 21 mei 2013 het besluit is genomen tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte en het opleggen van een asp aan verdachte voor hetzelfde feit als in de onderhavige strafzaak, dat door verdachte geen bezwaar is gemaakt en dat de maatregel nog steeds van kracht is - heeft een medewerker van het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad telefonisch aan de raadsman verzocht een kopie van het besluit te doen toekomen. In reactie hierop heeft de raadsman per emailbericht van 16 juni 2015 het desbetreffende besluit aan de medewerker voornoemd doen toekomen. Tevens heeft de medewerker van het wetenschappelijk bureau desgevraagd ook op 17 juni 2015 digitaal van het CBR stukken met betrekking tot het aan verdachte opgelegde alcoholslotprogramma ontvangen. Deze stukken zijn op 18 juni 2015 digitaal doorgezonden aan de raadsman van verdachte.