Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1623

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-06-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
14/05541
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2868, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek. Art. 28 en 41 Sv, art. 6.3 onder b en c EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BT6406, NJ 2012/29. ’s Hofs in de motivering van de beslissing tot afwijzing van het aanhoudingsverzoek tot uitdrukking gebrachte oordeel dat de rm ondanks zijn mededeling dat hij de verdediging heeft neergelegd totdat de vergoeding van de door hem te verlenen rechtsbijstand met de Raad voor Rechtsbijstand geregeld is, nog wel als toegevoegde rm van de verdachte heeft te gelden en dat de verdachte bij de behandeling van de zaak t.tz. op zichzelf nog steeds aanspraak kon maken op rechtsbijstand door deze rm geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 41 Sv en is niet onbegrijpelijk. V.zv. het Hof in zijn overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat het gaat om het recht op rechtsbijstand van de verdachte en niet tevens om de feitelijk aan de verdachte verleende rechtsbijstand is dat oordeel evenwel onjuist. I.c. is sprake van ernstige misdrijven waarvoor in e.a. door de Rb een gevangenisstraf van 9 jaren en de maatregel TBS was opgelegd. Gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verdachte op het spel stond, lijdt het geen twijfel dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid. Uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt dat de strafzaak tegen de verdachte behandeld is zonder dat de verdachte het hem toekomende recht op rechtsbijstand feitelijk heeft kunnen uitoefenen. Daarom klaagt het middel terecht dat in de gegeven omst. door afwijzing van het verzoek tot aanhouding door het Hof art. 6.3 onder b en c EVRM is geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05541

Zitting: 23 juni 2015

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft behoudens voor wat betreft de hoogte van de opgelegde vrijheidsstraf bevestigd het vonnis van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, waarbij verdachte – voor zover hier van belang - wegens feit 1 primair in de eerste plaats “poging tot moord”, en feit 2 “ bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, het bestreden vonnis in zoverre vernietigd en verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat klachten over de verwerping van het verzoek tot aanhouding van de verdachte, gebaseerd op de omstandigheid dat de aan hem toegevoegde raadsman de verdediging heeft neergelegd totdat in betaling is voorzien.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt te dien aanzien in:

De voorzitter merkt op dat het hof kennis heeft genomen van de volgende brieven van mr R.F. Speijdel, advocaat te Enschede:

• Een brief van 1 oktober 2014. Hierin zet de raadsman uiteen dat hij onderhavige zaak heeft overgenomen van mr Hendrickx. Op 2 september 2014 heeft hij de stukken ontvangen. Op 9 september 2014 ontving hij van het hof een wijziging last toevoeging. Thans is het zo dat de raadsman bij de Raad voor Rechtsbijstand heeft verzocht om door de overheid gefinancierde rechtsbijstand omdat de forfaitaire vergoeding door de vorige raadsman al geheel is gedeclareerd. De door hem verzochte toestemming extra uren heeft hij echter nog niet gekregen. Hij verwacht niet dat deze toestemming tijdig voor de zitting van 14 oktober 2014 alsnog zal worden verleend. De raadsman is niet bereid om de zaak te behandelen zonder dat daar de normale vergoeding van de raad tegenover staat. Daarom verzoekt hij om aanhouding van de zaak.

Het verzoek is door de voorzitter afgewezen met het argument dat deze problematiek de eigen verantwoordelijkheid is van de raadsman en niet bij het hof dient te worden neergelegd.

• Een brief van 7 oktober 2014 waarin hij aangeeft principieel niet bereid te zijn om rechtsbijstand te verlenen ingeval niet zeker is dat er door de Raad voor Rechtsbijstand daar een vergoeding voor wordt toegekend en hij weet wat de hoogte daarvan (ongeveer) is. Daarvoor voert hij verschillende redenen aan. De raadsman verzoekt wederom om aanhouding en schrijft dat indien het hof het verzoek afwijst (of nader ter zitting wenst te bespreken) hij voor de komende zitting de verdediging zal neerleggen. Het verzoek om aanhouding is door de voorzitter wederom afgewezen.

• Een brief van 9 oktober 2014 waarin de raadsman heeft laten weten dat hij de verdediging van verdachte met onmiddellijke ingang heeft neergelegd.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik weet dat mijn raadsman de verdediging heeft neergelegd. Wij hebben hierover gesproken. Hij vertelde mij dat hij het dossier pas zeer kort in zijn bezit had en dat er problemen waren met de betaling. Ik wil dat de zaak vandaag wordt aangehouden.

U houdt mij voor dat ik in eerste aanleg drie verschillende advocaten heb gehad en dat in hoger beroep mr Speijdel ook al mijn tweede advocaat is. Dat klopt. Dat hebben mijn ouders gedaan. Zij willen iedere keer wisselen van advocaat. Ik heb na het bericht van mr Speijdel geen contact opgenomen met of gezocht naar een andere advocaat. Mr Speijdel heeft mij gezegd om aanhouding van de zaak te verzoeken en ik wil ook aanhouding van de zaak. Ik heb het zo begrepen dat zodra hij toezegging heeft van de Raad voor de Rechtsbijstand over de betaling, hij mijn zaak weer oppakt.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik ben van oordeel dat gelet op de hele gang van zaken op dit moment aanhouding moet worden verleend. Ik geef verdachte nu nog het voordeel van de twijfel. Het is de eerste keer dat hij in hoger beroep om aanhouding van de zaak vraagt. Maar een eventuele volgende keer zal ik minder coulant zijn.

De voorzitter onderbreekt de terechtzitting voor het houden van beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof het volgende mede. Verschillende belangen moeten worden afgewogen bij de beoordeling van een verzoek om aanhouding van de zaak. Daarbij is in het onderhavige geval enerzijds aan de orde het belang van de verdachte om zich ter zitting bij te laten staan door zijn raadsman. Daarbij moet worden opgemerkt dat het niet gaat om het feitelijke recht op rechtsbijstand. Immers verdachte heeft wel degelijk een advocaat, namelijk mr Speijdel. Hoewel mr Speijdel in zijn brief van 9 oktober 2014 aangeeft de verdediging neer te leggen, is er wel sprake van toevoeging. Nu er nog geen opvolgend raadsman is, blijft mr Speijdel de raadsman van verdachte. Daarbij komt dat verdachte ter zitting heeft aangegeven niet op zoek te zijn naar een andere advocaat omdat er is afgesproken dat mr Speijdel de verdediging weer oppakt zodra de vergoeding is geregeld.

Anderzijds spelen er andere belangen, te weten het belang van de strafrechtspleging bij een goede en voortvarende afdoening van de zaak, het belang van de organisatie van de rechtspraak en het belang van de benadeelde partij.

Het hof heeft de verschillende belangen tegen elkaar afgewogen en heeft in zijn oordeel betrokken dat de verdachte inmiddels al vier keer is gewisseld van advocaat, drie keer in eerste aanleg en één keer in hoger beroep. In eerste aanleg is de zitting hiervoor twee maal aangehouden. Mr Speijdel is aldus inmiddels de vijfde advocaat. Alles afgewogen komt het hof tot de conclusie dat in dit geval het belang van de strafrechtspleging bij een goede en voortvarende afdoening van de zaak, het belang van de organisatie van de rechtspraak en het belang van de benadeelde partij zwaarwegender zijn dan het aan de orde zijnde belang van verdachte om zijn advocaat aanwezig te hebben op de zitting.

Het verzoek om aanhouding zal dus worden afgewezen en de zaak zal vandaag inhoudelijk worden behandeld.

5. Bij de bespreking van het middel dient te worden vooropgesteld dat het gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verdachte op het spel stond, geen twijfel lijdt dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid.1 Verdachte werd vervolgd voor ernstige delicten, was tot een lange gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege veroordeeld, ontkende de tenlastegelegde poging tot moord en bestreed de inhoud van het PBC-rapport.

6. Voorts dient te worden vooropgesteld dat de rechter bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak een afweging dient te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294). Daarbij dient ook in aanmerking te worden genomen een aan een aanhoudingsverzoek mede ten grondslag gelegd recht van de verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze (HR 25 november 2014:ECLI:NL:HR:2014: 3412).

7. Ten eerste wordt geklaagd dat het Hof bij afweging van de bij een beslissing op een verzoek tot aanhouding betrokken belangen ten onrechte het belang van de benadeelde partij heeft meegewogen. Deze opvatting deel ik niet. Zoals blijkt uit de art. 51a e.v., 332 e.v. en 361 Sv2 vormt ook het belang van de benadeelde partij een belang dat bij behandeling en beslissing van een strafzaak betrokken is. Zo kan uitstel van behandeling betekenen dat de benadeelde partij langer moet wachten op een beslissing op haar vordering en dus op vergoeding van de door haar geleden schade, al dan niet door de staat (vgl. art. 36f lid 7 Sr).

8. Ten tweede wordt geklaagd over de overweging van het Hof dat het feitelijke recht op rechtsbijstand niet aan de orde is omdat verdachte een advocaat, mr. Speidel, toegevoegd heeft gekregen, een toevoeging die - zolang niet een opvolgend raadsman is toegevoegd - voortduurt ook al heeft deze advocaat, zoals hij heeft geschreven in zijn brief van 9 oktober 2014, de verdediging neergelegd. Dusdoende heeft het Hof, aldus de toelichting op het middel, miskend, dat verdachte – zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep – ter terechtzitting feitelijk niet werd bijgestaan door een advocaat.

9. Verdachte mag dan formeel een raadsman hebben gehad omdat de toevoeging voortduurde, daarmee kan nog niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de verdachte ter terechtzitting niet door een raadsman werd bijgestaan. De aangevallen overweging getuigt van een door het Hof gegeven uitleg van het recht op rechtsbijstand, die miskent dat dit recht – zoals alle in art. 6 EVRM vervatte rechten3 – “practical and effective“4 dient te zijn. In EHRM 13 mei 1980, Appl. No. 6694/74 (Artico v. Italy), par. 33 heet het reeds5:

“ The Court recalls that the Convention is intended to guarantee not rights that are theoretical or illusory but rights that are practical and effective; this is particularly so of the rights of the defence in view of the prominent place held in a democratic society by the right to a fair trial, from which they derive (see the Airey judgment of 9 October 1979, Series A no. 32, pp. 12-13, par. 24, and paragraph 32 above). As the Commission’s Delegates correctly emphasised, Article 6 par. 3 (c) (art. 6-3-c) speaks of "assistance" and not of "nomination". Again, mere nomination does not ensure effective assistance since the lawyer appointed for legal aid purposes may die, fall seriously ill, be prevented for a protracted period from acting or shirk his duties. If they are notified of the situation, the authorities must either replace him or cause him to fulfil his obligations.”

Zoals B.M. Fiori stelt gaat het bij het recht op effectieve rechtsbijstand om “the possibility to influence the course of the proceedings. In other words , the appointed lawyer must be put in a position to be effective so to be an influencing factor in the development of the proceedings.”6

10. De door het Hof gegeven uitleg van het recht op rechtsbijstand kan dus niet door de Straatsburgse beugel. Deze is “unduly formalistic”. Het Hof is eraan voorbijgegaan dat “assigning a counsel does not in itself ensure the effectiveness of the assistance he may afford an accused.”7

11. Volgens de hiervoor aangehaalde overweging uit Artico v. Italy brengt het bepaalde in art. 6 lid 3 onder c EVRM mee dat bij belet of ontstentenis van een raadsman, zoals in casu, dient te worden voorzien in een andere raadsman. In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat in het onderhavige geval, waarin aan de verdachte een raadsman was toegevoegd omdat hij zich in voorlopige hechtenis bevond, ook het bepaalde in art. 45 Sv daartoe verplicht.

12. Door het verzoek tot aanhouding af te wijzen heeft het Hof dus het bepaalde in art. 6 lid 3 onder c EVRM en art. 45 Sv geschonden.

13. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld behoefde het Hof niet afzonderlijk in te gaan op de bij brief gedane verzoeken tot aanhouding. De afwijzing van die verzoeken ligt besloten in de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de verdachte ter terechtzitting, waarmee hij immers volhardde in die verzoeken.

14. Hetgeen overigens in de toelichting op het middel nog te berde wordt gebracht kan na het voorgaande buiten bespreking blijven.

15. Het middel slaagt.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406en BV0907.

2 Zie ook Kamerstukken II 2004-2005, 30 143, nr. 3.

3 O.a. D.J. Harris e.a., Law of the European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2014, derde druk, p. 18.

4 D.J. Harris e.a., Law of the European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2014, derde druk, p. 477 onder verwijzing naar EHRM 23 november 1993, Appl. No. 14032/88, NJ 1993/393, m.nt. G. Knigge (Poitrimol v. France), par. 34: “Although not absolute, the right of everyone charged with a criminal offence to be effectively defended by a lawyer, assigned officially if need be, is one of the fundamental features of a fair trial.”

5 Zie later ook EHRM 24 november 1993, Appl.no. 13972/88 (Imbrioscia v. Switzerland), par. 38, en EHRM 12 mei 2005, Appl.no. 46221/99 (Öcalan v. Turkey), par. 133.

6 B.M. Fiori, Disclosure of information in criminal proceedings. A comparative analysis of national and international criminal procedural systems and human rights law, diss. Groningen 2015, p. 161.

7 EHRM 24 november 1993, Appl.no. 13972/88 (Imbrioscia v. Switzerland), par. 38 onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde paragraaf uit Artivo v. Italy, EHRM 12 mei 2005, Appl.no. 46221/99 (Öcalan v. Turkey), par. 135, EHRM 27 november 2008, Appl.no. 36391/02 (Salduz v. Turkey), par. 51