Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1620

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-06-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
14/04481
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2456, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht opzettelijk voordeel trekken uit steunfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04481

Zitting: 23 juni 2015 (bij vervroeging)

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij verstek-arrest van 6 mei 2014 het vonnis van de rechtbank Utrecht van 24 juli 2012 bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte ter zake van “opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken” veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, een en ander zoals bepaald in het bevestigde vonnis.

2. Door de verdachte is cassatie ingesteld. Namens deze heeft mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3. Het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte wist dat het geld, welke geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan zij deel uitmaakte, uit misdrijf afkomstig was.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 15 november 2004 tot en met 29 juli 2010 te Utrecht opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [betrokkene] , met wie zij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand, door middel van het opzettelijk niet voldoen aan de inlichtingenverplichting, uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand verkregen uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan zij, verdachte, deel uitmaakte.”

5. Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:

“1. Een ambtsedig proces-verbaal van de Gemeente Utrecht, nr. SRU/20090630, d.d. 22 september 2010, opgemaakt door [verbalisant 1] , sociaal rechercheur van de gemeente Utrecht, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, (ordner 1, blz. 303 t/m 306 van het proces-verbaal nr. SRU/20090949)), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant:

(blz. 303) In het onderzoek contra de verdachten [betrokkene] en [verdachte] , beiden ingeschreven aan de [a-straat 1] te Utrecht, heeft op 29 juli 2010 een doorzoeking van de woning plaatsgevonden. Daarbij zijn diverse goederen in beslag genomen (opmerking verbalisant: de codering is conform de overzichtslijst inbeslaggenomen goederen).

[-A-3: Telefoongids: Ik, verbalisant, zag diverse namen van privépersonen onder de letter G met zowel de achternaam [verdachte] als de naam [betrokkene] . Onder de letter I stond [A] , de verblijfplaats van de kinderen van [betrokkene] .(ordner 5, blz. 1380 t/m 1408)

I-B-4: portemonnee handtas [verdachte] o.a. pasje van Macintosh op naam van [betrokkene]; bon dd. 15/07/2010 betaling bij postkantoor betaald met rekeningnummer [001], de privérekening van [betrokkene]. (ordner 5, blz. 1453 en 1455)

(blz. 305)

I-B-5.6 o.a. bankafschriften, periode 14/01/05 tot en met 16/04/2010, rekeningnummer [002] op naam van verdachte [verdachte].(ordner 8, blz. 2867 t/m 3253)

- diverse betalingen aan de ANWB en benzinemaatschappijen. Opmerking verbalisant: verdachte [verdachte] is niet in het bezit van een auto. (ordner 8, blz. 2888, 2892, 2901, 2915, 2927, 2975, 3036, 3042)

- diverse betalingen bij We MEN, een herenmodezaak (ordner 8, blz. 2916, 2931,2939) (blz. 306)

I-C-2: mapje in de slaapkamer van verdachte [verdachte], betreffende o.a. de zorgpassen en lidmaatschapskaart van vakbond FNV op naam van respectievelijk [betrokkene] en [verdachte], (ordner 9, blz. 4567 en 3568)

I-D-2: o.a. administratie met betrekking tot een klachtenprocedure van verdachte [betrokkene] bij de politie Utrecht. Ik, verbalisant, zag dat in de klacht wordt gesproken over verdachte [verdachte] als vriendin van verdachte [betrokkene]. (ordner 9, blz. 3591 t/m 3597)

2. Een ambtsedig proces-verbaal, nr. SRU/[betrokkene], d.d. 29 juli 2010, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] voornoemd en [verbalisant 2], sociaal rechercheur van de gemeente Utrecht, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, (ordner 1, blz. 46 t/m 50 van het proces-verbaal nr. SRU/20090949)), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene]:

(blz. 49) Ik had vanochtend mijn medicijnen op de kamer van [verdachte] liggen. Mijn kleding ligt in het kleine kamertje. Mijn kostuums liggen in haar kamer. Sinds medio 2008 loopt alles door elkaar in de woning.

3. Een ambtsedig proces-verbaal, nr. SRU/[betrokkene], d.d. 29 juli 2010, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voornoemd, (ordner 1, blz. 51 t/m 55 van het proces-verbaal nr. SRU/20090949), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene]:

(blz. 52) Bij de aanvraag in 2005 (de politierechter leest in: van 14 maart 2005 van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bij het Centrum voor werk en inkomen (CWl), locatie Utrecht (ordner 1, blz. 184 t/m 199)) woonde ik volledig bij [verdachte]. Mijn mobiele telefoon ligt bij [verdachte] op de kamer. Zij houdt niet van rommel. Ik doe wel eens betalingen voor [verdachte].

4. Een ambtsedig proces-verbaal, nr. SRU/20090949, d.d. 29 juli 2010, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, (ordner 1, blz. 66 t/m 70 van het proces-verbaal nr. SRU/20090949)), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van verdachte:

(blz. 66) Ik ben de hoofdbewoonster van de woning aan de [a-straat 1] te Utrecht sedert 2 februari 1989. (blz. 67) Het kan kloppen dat [betrokkene] bij mij ingeschreven staat sinds mei 2004. [betrokkene] huurt eigenlijk een kamer bij mij. Hij betaalt mij iedere maand € 350,- cash. In die kamer stonden zijn spullen. Hij maakt van alles gebruik, behalve mijn slaapkamer. [betrokkene] slaapt regelmatig op een luchtmatras op de kamer die hij huurt en soms op de bank in de woonkamer. [betrokkene] eet soms bij mij. Per week is hij wel eens één of twee dagen weg. [betrokkene] maakt gebruik van de hele woning. Hij kookt soms ook. Hij eet ook wel met mij mee. [betrokkene] heeft kleding, die bij mij in de kast hangt. Ik was wel eens iets voor hem als dat zo uitkomt. Strijken doet [betrokkene] ook wel eens. Hij brengt soms boodschappen voor mij mee. [betrokkene] heeft twee kinderen in een internaat. Ik ga soms mee naar het internaat. [betrokkene] heeft zich volledig aan mij aangepast. Ik ben erg precies en netjes. [betrokkene] zorgt ervoor dat alles netjes is als ik thuis kom van mijn werk. (blz. 68) Ik ben op de hoogte van het feit dat [betrokkene] een uitkering heeft van de gemeente Utrecht. Ik denk dat buurtbewoners ons zien als man en vrouw. [betrokkene] heeft een auto. Ik rij wel eens met hem mee. Ikzelf heb geen computer. In de woning is een aansluiting voor internet. [betrokkene] betaalt de rekening voor internet en voor de vaste telefonie. Ik betaal voor de televisie. (blz. 69) Ik ben één keer samen met [betrokkene] en zijn kinderen wezen varen in Rotterdam met Speedo. Ik ben ook een keer op een bruiloft van een nicht van [betrokkene] geweest.

5. Een ambtsedig proces-verbaal, nr. SRU/20090949, d.d. 29 juli 2010, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] voornoemd, (ordner 1, blz.71 t/m 74 van het proces-verbaal nr. SRU/20090949)), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van verdachte:

(blz. 72) Het klopt dat ik wel eens een spijkerbroek van [betrokkene] met mijn was meedraai. Er is een mapje met pasjes aangetroffen in mijn slaapkamer in een la van een nachtkastje. Dat is aan de zijde waar [betrokkene] ligt als hij bij mij slaapt. Ik weet van dat mapje. Het zijn pasjes van zowel [betrokkene] als van mij. Het is een mapje wat ik voor nood heb ingericht. Mocht er wat zijn dan kunnen we dat mapje direct gebruiken.

Bij Defensie heb ik als persoon, die moet worden gewaarschuwd als er iets is, [betrokkene] opgegeven als mijn partner. Ik heb dat inderdaad zo doorgegeven. Ik heb het woord partner als vakje aangekruist.

(blz. 73) Er is geconstateerd dat van de rekening van [betrokkene] betalingen zijn gedaan, die voor mij bestemd waren. U noemt rekeningen van Famed en ook cosmetica. [betrokkene] heeft wel eens rekeningen voor mij betaald, waarmee ik te laat was. Ik geef dan het te betalen bedrag cash aan [betrokkene], waarna hij via internet het geld van zijn rekening overboekt.

6. Een ambtsedig proces-verbaal, nr. SRU/20090949, d.d. 30 juli 2010, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] voornoemd, (ordner 1, blz. 75 t/m 79 van het proces-verbaal nr. SRU/20090949)), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van verdachte:

(blz. 76) Ik heb een paar keer het tanken met de auto van [betrokkene] betaald. Ik ga dan met hem en de kinderen mee.

Toen ik mijn huis ging opknappen heb ik alle goederen van [betrokkene] en mij in dezelfde dozen gestopt. Als ik nu een doos uit ga pakken leg en hang ik die spullen door elkaar in de kasten.

(blz. 77) Ik vul mijn belastingformuler samen met [betrokkene] in.

Ik ben een keer met [betrokkene] en zijn kinderen op vakantie geweest in Limburg. Ik had een huisje gehuurd.

(blz. 78) Als ik een wat moeilijker brief moet versturen, dan doet [betrokkene] dat. De brieven d.d. 3 mei 2010, 15 maart 2010 en 15 april 2010 die u mij toont, heeft [betrokkene] op mijn verzoek gemaakt.”

6. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte en [betrokkene] in de tenlastegelegde periode feitelijk samenwoonden en dat de verdachte ervan op de hoogte was dat [betrokkene] een uitkering had van de gemeente Utrecht. Het hof heeft uit die bewijsmiddelen eveneens kunnen afleiden dat de verdachte gebruikmaakte van geld van [betrokkene] dat werd besteed aan het huishouden. Uit die bewijsmiddelen kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte wist dat [betrokkene] niet had voldaan aan de inlichtingenverplichtingen uit hoofde van de Wet werk en bijstand, dat hij aldus onjuiste gegevens had verstrekt en op grond van die gegevens een uitkering had genoten en dat derhalve sprake was van geld dat door misdrijf was verkregen.1

7. Zonder nadere motivering die ontbreekt, kan aan de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen derhalve niet worden ontleend dat de verdachte “opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld”, zoals is bewezenverklaard.

8. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. onder meer HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1457 en het in de cassatieschriftuur genoemde HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5729.