Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1608

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-06-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
14/01139
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3260, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. Beslag ex art. 94a Sv i.h.k.v. een rechtshulpverzoek tot tul van een Duitse ontnemingsuitspraak gewezen tegen klaagsters echtgenoot. Nu de beslissing van de Rb waarbij de tul toelaatbaar is verklaard onherroepelijk is geworden, is de Duitse uitspraak onherroepelijk geworden en kon worden aangevangen met de tul. Het verhaal op de inbeslaggenomen voorwerpen vindt dan o.g.v. art. 574.1 Sv plaats op de wijze voorzien in het Rv. Voorts bepaalt art. 574.3 Sv dat t.a.v. derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen eveneens de bepalingen van het Rv van toepassing zijn. Klaagster zal zich o.g.v. art. 574.3 Sv moeten wenden tot de burgerlijke rechter en heeft geen belang meer bij het beroep tegen de beschikking van de Rb waarin haar beklag ongegrond is verklaard. De HR verklaart klaagster n-o in het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01139 B

Zitting: 23 juni 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 22 januari 2014 het door klaagster ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

2. Tegen deze uitspraak is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klaagster heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld. Aan een bespreking van dit middel kom ik niet toe gelet op het volgende.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking waarbij een klaagschrift van klaagster strekkende tot teruggave aan haar van een aantal - in het kader van een rechtshulpverzoek van de Bondsrepubliek Duitsland - conservatoir inbeslaggenomen goederen ongegrond is verklaard.

4.2. Het betreft hier goederen waarop naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Duitse autoriteiten door het Openbaar Ministerie conservatoir beslag is gelegd. De Duitse autoriteiten hebben een rechtshulpverzoek gedaan ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een in Duitsland gewezen rechterlijke beslissing waarbij de voormalig echtgenoot van klaagster, [betrokkene], is veroordeeld tot onder meer betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de stukken van het geding bevindt zich een uitspraak van 15 januari 2014 van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, waarin de tenuitvoerlegging van deze Duitse rechterlijke beslissing toelaatbaar is verklaard voor een bedrag van € 4.559. Blijkens de uitspraak van de Rechtbank is dit bedrag gerelateerd aan de (geschatte) waarde van de onder klaagster in beslag genomen sieraden en auto.

4.3. Navraag bij de Rechtbank leerde dat geen rechtsmiddel is ingesteld tegen de uitspraak in de zaak [betrokkene]. Dit betekent dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van de Duitse uitspraak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel onherroepelijk is en dat reeds in februari 2014 kon worden aangevangen met de tenuitvoerlegging van de Duitse ontnemingsvordering tot het hiervoor genoemde bedrag.

4.4. Het verhaal van de in het beklag bedoelde voorwerpen vindt op grond van art. 574 lid 1 Sv plaats op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het derde lid van dit wetsartikel houdt in dat ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen eveneens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn. Dit betekent dat klaagster geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Rechtbank waarin haar beklag ex art. 552a Sv ongegrond is verklaard. Klaagster zal zich op grond van art. 574 lid 3 Sv ten aanzien van de in het klaagschrift bedoelde goederen moeten wenden tot de burgerlijke rechter.1

5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van klaagster in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:601.