Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1607

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-06-2015
Datum publicatie
05-01-2016
Zaaknummer
14/01129
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:6, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer. Art. 41 Sr. ’s hofs oordeel dat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door X noch een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor aannemelijk is geworden, is , in aanmerking genomen de door het Hof vastgestelde f&o, niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01129

Zitting: 23 juni 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Nadere conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 3 februari 2014 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, waaraan het hof een proeftijd van twee jaren en een aantal bijzondere voorwaarden heeft verbonden, alsmede een werkstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis. Tevens is de vordering van de benadeelde partij toegewezen en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Op 31 maart 2015 heb ik in deze zaak een conclusie genomen en daarin uitsluitend het tweede middel besproken, dat volgens mij slaagt. Op verzoek van de Hoge Raad zal ik aanvullend concluderen over het eerste middel.

  4. Beide middelen hebben betrekking op de verwerping van het beroep op noodweer(exces). Het tweede, reeds besproken, middel stelt aan de orde dat het hof onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in zijn oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding noch van een onmiddellijk dreigend gevaar. Zoals hiervoor al gezegd meen ik dat dit middel slaagt. In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof bij de verwerping van het beroep van verdachte op noodweer subsidiair noodweerexces de betekenis van het bepaalde in art. 41 Sr heeft miskend, omdat het hof daarbij de mogelijkheid heeft opengelaten dat het steken door verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt is door de (voorafgaande) aanranding en waarbij wellicht de grenzen van noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Ik vat het middel zo op dat geklaagd wordt over de verwerping van het beroep op noodweerexces.

  5. Voor een samenvatting van het door de raadsvrouw van verdachte bij het hof gevoerde verweer verwijs ik naar mijn conclusie van 31 maart 2015 onder punt 5.

  6. Voor de leesbaarheid van deze nadere conclusie zal ik de overweging waarmee het hof het verweer heeft verworpen hier nogmaals weergeven:

“Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) moet allereerst worden vastgesteld dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk was. Naar oordeel van het hof kunnen de volgende feiten als vaststaand worden aangenomen. Op 1 februari 2011 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen verdachte en [betrokkene 1] over een telefoonoplader die verdachte niet had teruggegeven aan [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft in dat telefoongesprek aangekondigd dat hij direct langs zou komen om die oplader op te halen. Aangekomen bij het huis van verdachte, [a-straat], te Amersfoort, werd [betrokkene 1] de toegang tot die woning geweigerd totdat een zus van verdachte de deur van de woning open deed. [betrokkene 1] is de woning binnen gelopen en is tegenover verdachte gaan staan die in een stoel in de woonkamer zat. [betrokkene 1] zei tegen verdachte dat hij mee naar buiten moest komen. Verdachte belde daarop met zijn mobieltje 112. [betrokkene 1] heeft verdachte toen bij zijn schouder gepakt en het mobieltje uit zijn hand geslagen. Daarop heeft verdachte [betrokkene 1] met een mesje in zijn keel gestoken. In hoger beroep is door de verdediging naar voren gebracht dat [betrokkene 1], voordat verdachte hem met een mes in zijn keel stak, verdachte bij zijn keel had vastgepakt. Het hof acht dit echter niet aannemelijk geworden, nu [betrokkene 1] noch de getuigen hebben verklaard dat verdachte bij zijn keel werd vastgepakt door [betrokkene 1]. Dat maakt dat naar het oordeel van het hof de aanval van de zijde van [betrokkene 1] reeds was geëindigd toen verdachte, gelet op zijn verklaring in hoger beroep, besloot dat [betrokkene 1] uitgeschakeld diende te worden door hem met een mes in zijn keel te steken zodat hij verdachte en zijn familie niets meer kon aandoen.

Het hof acht op grond van het vorenstaande niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 1] jegens verdachte, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Derhalve moet worden geconcludeerd dat verdachte zich ten tijde van zijn gewelddadige handelen niet bevond in een noodweersituatie waarin hij gerechtigd was zich te verdedigen.

Het beroep op noodweer faalt reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Om diezelfde reden faalt derhalve ook het beroep op noodweerexces.”

7. In de toelichting op het middel wordt kort samengevat betoogd dat het hof de beslissing op de vraag of er sprake was van noodweerexces heeft laten afhangen van de vraag of de aanval van [betrokkene 1] reeds was geëindigd toen verdachte hem met een mes in zijn keel stak, terwijl het einde van de aanval niet per definitie een beroep op noodweerexces uitsluit.

8. Ik meen dat de in het middel vervatte klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft het beroep op noodweer c.q. noodweerexces niet afgewezen op de grond dat de aanval van [betrokkene 1] reeds was geëindigd, maar op de grond dat het hof (hierdoor) niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dus geen sprake van een noodweersituatie. Op zichzelf heeft het hof daarbij de juiste maatstaf aangelegd. Bij een beroep op noodweerexces dient de rechter immers, zo volgt uit HR 13 juni 20061, te onderzoeken of:

  1. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

  2. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

9. Dat betekent dat als er geen noodweersituatie wordt aangenomen, zoals het hof heeft gedaan, een beroep op noodweerexces ook niet kan slagen.

10. Het eerste middel faalt.

11. Ik heb al eerder geconcludeerd dat mijns inziens het tweede middel wel slaagt omdat ik het oordeel van het hof dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, zodat hij zich ten tijde van zijn gewelddadig handelen niet bevond in een noodweersituatie, gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet begrijpelijk acht. Daaraan wil ik nog toevoegen dat ook al heeft het hof niet aannemelijk geacht dat verdachte bij zijn keel werd vastgepakt door [betrokkene 1], dit onverlet laat dat het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] verdachte bij zijn schouder heeft gepakt en het mobieltje uit zijn hand heeft geslagen, hetgeen op zichzelf als een ogenblikkelijke wederrechterlijke aanrandig zou kunnen worden aangemerkt. Daarbij blijkt uit het de door het hof gebezigde bewijsmiddel 3, de verklaring van de getuige en zus van verdachte, dat [betrokkene 1] verdachte niet alleen bij zijn rechterarm of schouder vast pakte, maar dat ze ook in een worsteling raakten.

12. Ook al faalt het eerste middel, vanwege de omstandigheid dat het tweede middel slaagt handhaaf ik mijn conclusie die strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te laten berechten en afdoen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3569, rov 3.4., herhaald in HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, NJ 2008/510, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.3.