Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1501

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-06-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
14/03847
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2979
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ambtshalve vernietiging. In aanmerking genomen dat de HR in de zaak van de medeverdachte onder ECLI:NL:HR:2015:2821 de klacht dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 423.4 Sv gegrond heeft bevonden, ziet de HR aanleiding de bestreden ambtshalve te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03847

Zitting: 9 juni 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft, nadat de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 10 december 2013 uitsluitend met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging is vernietigd en verwezen1, bij arrest van 6 juni 2014 verzoeker voor 1 meer subsidiair “medeplegen van doodslag” veroordeeld tot elf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de met dit feit verband houdende vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toegewezen tot een bedrag van € 16.068,77 en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander als nader in het arrest omschreven. Tenslotte heeft het Hof voor de feiten die naar het oordeel van het Hof op grond van art. 423, vierde lid, Sv niet meer aan het oordeel van het Hof waren onderworpen de straf bepaald op drie jaren.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de rolnummers 14/03445 en 14/03847. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker is bij akte van 17 december 2014 het cassatieberoep partieel ingetrokken, te weten voor zover het beroep was gericht tegen de gegeven vrijspraken van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde. Vervolgens heeft mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam, namens verzoeker twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Namens de benadeelde partij is door mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.

De middelen voorgesteld namens verzoeker

5. Beide middelen van verzoeker richten zich tegen de bewezenverklaring. Het eerste middel valt uiteen in twee klachten. Betwist wordt in de eerste plaats dat enkele vaststellingen van het Hof uit de bewijsconstructie kunnen worden afgeleid. De tweede klacht is dat de bewijsconstructie van het Hof de alternatieve lezing van de verdediging, te weten dat sprake is van een “ongeluk”, niet uitsluit, zodat het opzet op de dood niet uit die bewijsconstructie kan worden afgeleid. Het tweede middel komt op tegen het bewezenverklaarde medeplegen.

6. Ten laste van verzoeker is onder 1 meer subsidiair bewezenverklaard dat:

“hij op 13 januari 2008 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk meermalen, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.”

7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsconstructie (hier weergegeven zonder voetnoten):

“Bewijsoverzicht

Op 13 januari 2008, omstreeks 20.00 uur, kreeg de politie een melding van een vechtpartij op de Dickenslaan te Utrecht. Ter plaatse trof de politie op de hoek van de Dickenslaan met de Cervanteslaan een gewonde man aan, liggend op de grond. Het slachtoffer werd met een ambulance naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht gebracht, waar hij later die avond overleed. Het slachtoffer is nadien geïdentificeerd als [slachtoffer 1] .

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna telkens: NFI) is een pathologisch onderzoek uitgevoerd naar de doodsoorzaak van [slachtoffer 1] . Bij sectie op het lichaam is gebleken van een doorschot door de borstkas met een inschot links op de rug, doorschot door de onderkwab van de long links, door de wervelkolom en door de onderkwab van de long rechts, en met een uitschot rechts zijwaarts onder de oksel. De dood is ingetreden ten gevolge van verbloeding en daardoor opgetreden weefselschade, ontstaan door de genoemde schotverwonding. Het NFI heeft vastgesteld dat sprake is geweest van twee opgezette schoten (schootsafstand van 0 centimeter): één ter hoogte van de buik, door welk schot het slachtoffer mogelijk niet is geraakt, en één ter hoogte van het linker schouderblad. Bij de sectie zijn verder op het hoofd verscheidene oppervlakkige huidverscheuringen met omgevende, kleine bloeduitstortingen geconstateerd.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2008, omstreeks 19.00 uur, in Utrecht bij "Sahara" aan de Vleutenseweg samen met [slachtoffer 1] in een auto is gestapt waar twee mannen in zaten. [slachtoffer 1] stapte in achter de bestuurder en de getuige stapte in achter de bijrijder. De auto reed naar de woning van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] stapte uit, verdween in een portiek, en bleef even weg. [slachtoffer 1] kwam na enige tijd terug en stapte weer achterin.

[slachtoffer 1] ging achter de bijrijder zitten en de getuige achter de bestuurder. De auto reed vervolgens een stukje, ging de bocht om en werd geparkeerd ter hoogte van de Cervanteslaan 26/28. [slachtoffer 1] liet toen een handvol wit spul in een zakje zien. De bestuurder pakte het spul aan en zei: "Laat dit hier en ga de andere halen, dan betaal ik jou alles." [slachtoffer 1] wilde dat niet. Hij wilde eerst geld zien. De bestuurder deed moeilijk en gaf het zakje weer terug aan [slachtoffer 1] . De getuige zag aan het gezicht van de bestuurder dat hij boos was en hoorde dat de bestuurder tegen [slachtoffer 1] zei: "Ik neem het. Ik heb geld genoeg." Toen de bestuurder dat had gezegd, maakte hij zijn gordel los en boog voorover. De bestuurder pakte iets van onder zijn stoel vandaan. [getuige 1] zag dat het een vuurwapen was. [getuige 1] is vervolgens de auto uitgestapt en weggerend.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft (als getuige gehoord in de zaak van verdachte) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met verdachte is meegereden naar Utrecht. Verdachte en [slachtoffer 1] zouden elkaar treffen in coffeeshop Sahara en [medeverdachte] is meegegaan. Verdachte zat op de bestuurdersstoel en [medeverdachte] op de bijrijdersstoel. [slachtoffer 1] ging achter verdachte zitten en [getuige 1] achter [medeverdachte] . Ze zijn vervolgens naar het huis van [slachtoffer 1] gereden. Verdachte reed. Toen ze bij het huis van [slachtoffer 1] aankwamen, is [slachtoffer 1] uitgestapt. Hij ging een portiek in en bleef een tijdje weg. Daarna is [slachtoffer 1] weer ingestapt. Toen zat [slachtoffer 1] achter [medeverdachte] en [getuige 1] achter verdachte. Ze zijn een stukje doorgereden en vervolgens de bocht omgegaan. Daarna zijn ze gestopt langs de kant van de weg. [slachtoffer 1] is een gesprek gestart met verdachte over het spul. Hij haalde een zakje te voorschijn en gaf dat aan verdachte. Verdachte rook eraan en zei dat het geen goed spul was en dat hij het niet wilde hebben. Er ontstond wrijving. [getuige 1] is uit de auto gestapt en weggerend. Op een gegeven moment hoorde [medeverdachte] verdachte zeggen dat [slachtoffer 1] de autosleutel had. Op enig moment zijn verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer 1] uit de auto gestapt. [medeverdachte] had toen een vuurwapen vast. Verdachte liep naar [slachtoffer 1] toe voor de autosleutel. Er ontstond een vechtpartij met slaan en schoppen. Ze zijn met zijn drieën op de hoek van de straat beland. Het vuurwapen dat [medeverdachte] vasthield, is afgegaan. Verdachte had op enig moment ook een vuurwapen. Uiteindelijk heeft verdachte de sleutel te pakken gekregen. [medeverdachte] en verdachte zijn in de auto gestapt en weggereden.

Verdachte heeft (als getuige gehoord in de zaak tegen [medeverdachte] ) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 13 januari 2008 in Utrecht een afspraak had met [slachtoffer 1] . De afspraak ging over cocaïne. Verdachte is samen met [medeverdachte] naar Utrecht gereden. Verdachte en [slachtoffer 1] hebben elkaar bij theehuis Sahara getroffen. [slachtoffer 1] had iemand bij zich. [slachtoffer 1] ging achter verdachte in de auto zitten. De andere persoon ging achter [medeverdachte] zitten. [slachtoffer 1] zei waar verdachte heen moest rijden. Ze stopten ergens. [slachtoffer 1] zei dat verdachte even moest wachten en hij stapte uit. Het duurde een tijd. Daarna stapte [slachtoffer 1] weer in de auto, maar nu ging hij achter de bijrijder zitten en zat [getuige 1] achter verdachte. [slachtoffer 1] vroeg verdachte weg te rijden en rechtsaf te slaan. Verdachte parkeerde de auto vervolgens op een parkeerplaats. [slachtoffer 1] haalde het zakje coke tevoorschijn en gaf het aan verdachte. Verdachte keek ernaar en hij rook eraan. Verdachte zei tegen [slachtoffer 1] dat het geen goede coke was. Ze kregen een discussie. [slachtoffer 1] zei dat het wel goed spul was en hij vroeg verdachte of hij geld bij zich had. In de auto werd het rumoerig en ontstond chaos. [getuige 1] rende weg. Verdachte is als tweede uit de auto gestapt. Van onder de stoel pakte verdachte zijn eigen vuurwapen. [slachtoffer 1] pakte de autosleutels uit het contact van de auto. Op een gegeven moment stond [slachtoffer 1] buiten de auto op de stoep. Verdachte is op hem gesprongen, omdat hij de sleutels terug wilde hebben en [slachtoffer 1] die niet terug wilde geven. Verdachte heeft [slachtoffer 1] op zijn hoofd geslagen met de kolf van het wapen. Verdachte hoorde een schot. Ze waren met zijn drieën bezig: [medeverdachte] , verdachte en [slachtoffer 1] . Op een gegeven moment, toen verdachte het schot hoorde, lag [slachtoffer 1] op de grond. Verdachte heeft de autosleutels gepakt toen [slachtoffer 1] op de grond lag. [medeverdachte] en verdachte zijn vervolgens weggegaan. Ze zijn naar de getuige [getuige 2] gegaan. Daar heeft verdachte gecontroleerd hoeveel kogels er in zijn wapen zaten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte deze verklaring in essentie bevestigd. Het proces-verbaal van de als getuige bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring is aan het procesdossier van verdachte toegevoegd.

De politie heeft een gesprek opgenomen tussen verdachte en zijn vriendin [betrokkene 3] , afgeluisterd op 10 juni 2008. Verdachte zegt hierin, voor zover van belang, het volgende:

"Serieus, ik heb niet op die man geschoten broeder, kijk ik ben gegaan... (...) we zijn naar de man toe gegaan, daarna...puntje bij paaltje is die man een spel aan het spelen, snap je? De man wil ons verkloten, we wilden de man "droppen", eindstand: één van de mannen is uitgestapt en weggerend, de Marokkaanse man... (...) eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? (...) We zijn uit de auto gestapt, die man... weetje wat deze man gedaan heeft, broeder? De man is via achterin gesprongen en heeft de autosleutel gepakt, die man heeft de autosleutel gepakt en is uit de auto gestapt... en die man is heel groot, broeder.., ik heb die man gewurgd, ik heb hem met de kolf van het pistool geslagen, die man wilde de sleutel niet loslaten. Weet je wat die man wilde doen? Die man wil de sleutel in de put gooien. Die man wil de sleutel in de put gooien... Eindstand: we willen vechten., die man wil de sleutel niet loslaten broeder..."

Overwegingen

De getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat de bestuurder van de auto (het hof begrijpt: verdachte) in de auto als eerste een vuurwapen pakte. Verdachte zou dit wapen vervolgens op [getuige 1] en [slachtoffer 1] hebben gericht. Volgens de getuige had [slachtoffer 1] geen wapen bij zich. Bij de rechter-commissaris is de getuige bij deze verklaring gebleven. [medeverdachte] en verdachte hebben verklaard dat [slachtoffer 1] wel een wapen bij zich had en dat hij als eerste een wapen trok. In zoverre staat de verklaring van de getuige dus lijnrecht tegenover die van [medeverdachte] en verdachte. Het hof heeft op zichzelf geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van de getuige [getuige 1] .

De verdediging heeft evenwel aangevoerd dat uit het gegeven dat op één van de op de plaats delict gevonden hulzen een DNA-spoor (mengprofiel) van [slachtoffer 1] is aangetroffen, dient te worden afgeleid dat [slachtoffer 1] degene is geweest die het wapen heeft geladen en bij zich heeft gehad. Dit scenario is niet onmogelijk, maar ook niet onomstotelijk juist. Er zijn immers ook andere manieren denkbaar waarop DNA-materiaal van [slachtoffer 1] op één van de hulzen is terechtgekomen. Zo kan bij een opgezet schot als waarvan in de onderhavige zaak sprake was de huls eenvoudig in contact komen met kleding en/of lichaamsmateriaal van het slachtoffer.

Het hof kan niet vaststellen welke lezing de juiste is. Dit wordt niet anders door de door de verdediging aangehaalde passage uit het opgenomen gesprek tussen verdachte en zijn vriendin [betrokkene 3] , afgeluisterd op 10 juni 2008, te weten:

"de Marokkaanse man... groot... hij heeft het schietding in zijn andere hand genomen, hij hield het schietding vast.., zus en zo, eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? Want hij had het schietding genomen, ik had zoiets van misschien pakt hij wel het schietding en gaat hij op de "bro" schieten."

Naar het oordeel van het hof is deze passage voor verschillende uitleg vatbaar. Uit deze passage zou namelijk kunnen worden afgeleid dat [slachtoffer 1] zelf een wapen bij zich had, maar ook dat [slachtoffer 1] het wapen van verdachte of [medeverdachte] probeerde af te pakken.

Nu het hof niet kan vaststellen welke van de twee scenario's het juiste is, wordt in het midden gelaten of [slachtoffer 1] een wapen bij zich had en/of in de auto als eerste een vuurwapen heeft getoond.

Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:

- Op enig moment waren verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer 1] uit de auto.

- Verdachte en [medeverdachte] hadden op dat moment ieder een vuurwapen vast.

- [slachtoffer 1] is vervolgens weggelopen.

- Verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer 1] gewapend achtervolgd.

- Verdachte is op [slachtoffer 1] gesprongen.

- Verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer 1] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen.

- [slachtoffer 1] is op de grond terechtgekomen.

- Verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer 1] geschopt, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag.

- [medeverdachte] heeft tweemaal op [slachtoffer 1] geschoten met 0 cm schootsafstand.

- [slachtoffer 1] is tengevolge van de schotverwonding aan zijn bovenlichaam overleden.

- [slachtoffer 1] is aangetroffen op een aantal meters afstand van de plek waar verdachte de auto had geparkeerd.

Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof het uitgesloten dat er sprake is geweest van een ongeluk. [medeverdachte] heeft [slachtoffer 1] door middel van een schot door het bovenlichaam van het leven beroofd. Uit de aard van de gedraging alsmede uit de omstandigheden zoals hiervoor genoemd, leidt het hof af dat [medeverdachte] op dat moment het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] te doden.

Voorts is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] . Daarbij neemt het hof onder meer in aanmerking dat het ging om een door verdachte geregelde ontmoeting met [slachtoffer 1] over drugs. Verdachte had daarbij een vuurwapen bij zich dat hij op enig moment wilde gebruiken. Verdachte en [medeverdachte] hebben beiden bewapend [slachtoffer 1] achtervolgd en ze hebben hem beiden geslagen en geschopt. Op het moment dat [medeverdachte] schoot, stond verdachte erbij en heeft hij niets gedaan om het (tweede) schieten te voorkomen. Nadat [slachtoffer 1] is neergeschoten, zijn [medeverdachte] en verdachte naar de auto gerend. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte] en verdachte zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat zij als medeplegers moeten worden aangemerkt.”

8. De bewijsconstructie van het Hof komt op het volgende neer. Verzoeker en medeverdachte [medeverdachte] halen in Utrecht het latere slachtoffer [slachtoffer 1] en [getuige 1] op in verband met een drugsdeal. Verzoeker zit op de bestuurdersstoel, [medeverdachte] ernaast en de beide anderen achterin. Als de auto na een tussenstop bij de woning van [slachtoffer 1] verder rijdt ontstaat er ruzie. [getuige 1] ziet dat verzoeker boos wordt en een vuurwapen van onder zijn stoel vandaan pakt. [getuige 1] stapt de auto uit en rent weg. Volgens ’s Hofs in cassatie niet bestreden overwegingen heeft [getuige 1] ook verklaard dat verzoeker met zijn wapen op [slachtoffer 1] en hem, [getuige 1] , heeft gericht.2 Dat richten van het vuurwapen op [slachtoffer 1] en [getuige 1] moet dan al zijn gebeurd in de auto, nu [getuige 1] uit de auto is gestapt en is weggerend op het moment dat er wrijving in de auto ontstond. Ik vervolg. Verzoeker, [medeverdachte] en [slachtoffer 1] komen uit de auto. [medeverdachte] heeft dan een vuurwapen vast. [slachtoffer 1] pakt de autosleutels. Er ontstaat een vechtpartij met slaan en schoppen. Verzoeker en [medeverdachte] – “we”, zegt verzoeker in het door de politie opgenomen gesprek met zijn vriendin [betrokkene 3] - willen vechten en [slachtoffer 1] “droppen”. Verzoeker wil (zo zegt hij tegen zijn vriendin) op [slachtoffer 1] schieten. Verzoeker springt op [slachtoffer 1] . Hij slaat met de kolf van zijn wapen op het hoofd van [slachtoffer 1] . Verzoeker had op dat moment een vuurwapen, aldus de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] . Ze belanden met zijn drieën op de hoek van de straat. Dan gaat het vuurwapen van [medeverdachte] af. Verzoeker hoort een schot, terwijl [slachtoffer 1] al op de grond ligt. [slachtoffer 1] wordt aangetroffen op een aantal meters afstand van de plek waar verzoeker de auto had geparkeerd. Er is, naar het NFI heeft vastgesteld, sprake van twee opgezette schoten (schootsafstand 0 cm), waarvan er een dodelijk blijkt te zijn. Voorts constateert het NFI verscheidene oppervlakkige huidverscheuringen met omgevende, kleine bloeduitstortingen op het hoofd van [slachtoffer 1] . Verzoeker pakt de autosleutels, als [slachtoffer 1] op de grond ligt, en rijdt samen met [medeverdachte] weg.

9. De eerste klacht omvat allereerst de deelklacht dat de vaststelling van het Hof dat verzoeker en medeverdachte [medeverdachte] op het moment dat zij de auto verlieten ieder een vuurwapen vasthadden niet uit de redengevende feiten en omstandigheden volgt. Anders dan de steller wil, kan dit uit de bewijsconstructie worden afgeleid. Dat verzoeker een vuurwapen onder zijn bestuurdersstoel vandaan pakte, staat in de verklaring van de getuige [getuige 1] en in de verklaring die verzoeker als getuige in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] heeft afgelegd. Ook heeft verzoeker verklaard dat hij buiten de auto [slachtoffer 1] met de kolf van zijn wapen op het hoofd heeft geslagen. En [medeverdachte] heeft verklaard dat hij, [medeverdachte] , een vuurwapen vasthad toen hij, verzoeker en [slachtoffer 1] uit de auto stapten.

10. De tweede deelklacht luidt dat uit de redengevende feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid ‘s Hofs vaststelling dat [slachtoffer 1] is weggelopen. Daar denk ik anders over, met name ook gelet op de afstand tussen de plek waar [slachtoffer 1] is aangetroffen en de plaats waar verzoeker de auto had geparkeerd.

11. De derde deelklacht betreft de vaststelling van het Hof dat verzoeker en medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer 1] gewapend hebben achtervolgd. Uit de verklaringen zoals ik hierboven heb weergegeven volgt dat verzoeker en [medeverdachte] gewapend met vuurwapens uit de auto zijn gegaan, en dat [slachtoffer 1] is aangetroffen op een aantal meters afstand van de auto van verzoeker. Ook kan uit de bewijsconstructie worden afgeleid dat verzoeker en [medeverdachte] met [slachtoffer 1] wilden vechten, hem wilden droppen, zij beiden voorzien waren van vuurwapens en zij (een stukje verderop) in gevecht zijn geraakt met [slachtoffer 1] waarbij [slachtoffer 1] werd geslagen en geschopt.

12. Dat medeverdachte [medeverdachte] het latere slachtoffer [slachtoffer 1] (ook) met een vuurwapen heeft geslagen, volgt inderdaad niet expliciet uit de bewijsconstructie. Maar het belang van deze vierde deelklacht ontgaat mij, nog daargelaten dat het slaan door [medeverdachte] met een vuurwapen in de hand wellicht kan worden afgeleid uit de omstandigheden dat [medeverdachte] (i) een vuurwapen vasthad en er (ii) ook door hem is geslagen.

13. Dat [slachtoffer 1] op de grond terecht is gekomen – ik ben bij de vijfde deelklacht - volgt uit de verklaring van verzoeker als getuige afgelegd in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] , waar hij zegt dat ze “met zijn drieën bezig waren” en dat [slachtoffer 1] op de grond lag op het moment dat verzoeker een schot hoorde.

14. Ook wordt, ten zesde, geklaagd over ’s Hofs vaststelling dat verzoeker en medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer 1] hebben geschopt terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. Hier heeft de steller van het middel een klein punt. Uit de bewijsconstructie volgt wel dat verzoeker en [medeverdachte] hebben geschopt en geslagen, maar niet dat [slachtoffer 1] op dat moment al op de grond lag. Het gaat hier echter om een bijzaak, een puntje van ondergeschikt belang, dat ’s Hofs bewijsconstructie in zijn geheel niet onbegrijpelijk maakt en daarom niet tot cassatie kan leiden.

15. Dan de zevende deelklacht en de tweede klacht, goed beschouwd de hoofdklacht. Deze deelklacht keert zich tegen de vaststelling van het Hof dat medeverdachte [medeverdachte] tweemaal op [slachtoffer 1] heeft geschoten met 0 cm schootsafstand. De tweede klacht luidt dat het (voorwaardelijk) opzet niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgt en dat de mogelijkheid blijft openstaan dat het wapen per ongeluk is afgegaan.

16. Het Hof heeft niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd vastgesteld dat verzoeker en [medeverdachte] , beiden voorzien van een vuurwapen, een gevecht zijn aangegaan met [slachtoffer 1] waarbij deze is geslagen en geschopt, op de grond is terechtgekomen en met schootsafstand nul door een schot uit het vuurwapen van [medeverdachte] in zijn bovenlichaam is geraakt. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat met het semi-automatische vuurwapen van [medeverdachte] , een Crvena Zastava (model 70), twee opgezette schoten zijn gelost. Dat er tweemaal is geschoten en dat het vuurwapen van [medeverdachte] niet behoefde te worden doorgeladen3, vormen, mede in het licht van het overige bewijsmateriaal, zodanige contra-indicaties dat het alternatieve scenario van een ongeluk niet aannemelijk is. Daarin ligt tevens ’s Hofs verwerping van de alternatieve lezing van verzoeker besloten. Het Hof heeft op basis van de door hem genoemde feiten en omstandigheden uitgesloten - en gelet op de aard van de gedraging natuurlijk kunnen uitsluiten - dat een semi-automatisch wapen, dat [medeverdachte] al een tijdje vasthield, “per ongeluk” afgaat in een worsteling, nog daargelaten dat [slachtoffer 1] al op de grond lag toen het eerste schot afging. Voor de volledigheid merk ik op dat ook de plaats van het inschot (links op de rug), de baan van het schot en de schootsafstand, een en ander als door het Hof vastgesteld, bij elkaar genomen in de richting van een opzettelijk handelen wijzen.

17. Het mag dan zo zijn dat voorbedachte raad niet kan worden aangenomen, het bewezenverklaarde opzet kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring in dit opzicht naar de eis der wet met redenen is omkleed.

18. Het eerste middel faalt in alle onderdelen.

19. Het tweede middel klaagt over het medeplegen.

20. Op grond van het voorgaande meen ik dat het medeplegen uit ’s Hofs bewijsconstructie kan worden afgeleid. Ook in het licht van het overzichtsarrest van de Hoge Raad over medeplegen (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474) getuigt het oordeel van het Hof dat verzoeker als medepleger van doodslag moet worden aangemerkt niet van een onjuiste rechtsopvatting, en is dit oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Verzoeker heeft immers een wezenlijke bijdrage geleverd aan het delict, een bijdrage derhalve die van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen (in de zin van het “tezamen en in vereniging”) te komen.

21. Het tweede middel faalt eveneens.

22. Het middel voorgesteld namens de benadeelde partij.

23. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de aanvullende kosten van de rechtsbijstand buiten beschouwing heeft gelaten.

24. Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen, en verzoeker in dat verband onder meer verwezen “in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten”. Het Hof heeft met betrekking daartoe op grond van art. 592a Sv terecht een aparte beslissing gegeven, nu het hier geen rechtstreekse schade betreft. Over de gemaakte en nog te maken kosten vallen de kosten voor de rechtsbijstand, die in het onderhavige geval kunnen gelden als “proceskosten” en bestaan uit gemaakte kosten die niet door de zorgverzekeraar zijn vergoed (de eigen bijdrage, een bedrag van in totaal € 220,00).4 Vergoeding van die kosten is mogelijk op grond van art 6:96, tweede lid, BW. Dat het Hof die kosten tot aan de datum van de uitspraak heeft begroot op nihil, kan daaraan niet afdoen.

25.

26. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het Hof de opgevoerde aanvullende kosten van rechtsbijstand niet buiten beschouwing heeft gelaten.

Slotsom

27. De middelen namens verzoeker voorgesteld en het middel voorgesteld namens de benadeelde partij falen en kunnen mijns inziens alle worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

28. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1754.

2 En dat [slachtoffer 1] geen wapen bij zich had. Dit punt laat ik voor wat het is, nu volgens de overwegingen van het Hof [medeverdachte] en verzoeker hebben verklaard dat [slachtoffer 1] wel een wapen bij zich had en het Hof het vanwege die tegenstrijdigheid en onduidelijkheid in het midden heeft gelaten of [slachtoffer 1] wel of niet een wapen bij zich had.

3 Aldus het Hof onder het hoofd “Vrijspraak” (arrest, blad 4).

4 Zie HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801.