Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1490

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-06-2015
Datum publicatie
15-10-2015
Zaaknummer
13/06301
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3071, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. ’s Hofs oordeel is kennelijk gebaseerd op de opvatting dat o.m. bepaalde contante stortingen en opnames van bankrekeningen, nu zij voorwerpen van het in de samenhangende strafzaak bewezenverklaarde gewoontewitwassen waren, reeds daardoor w.v.v. vormden. Die opvatting is niet juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/06301P

Zitting: 9 juni 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 13 december 2013 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 367.448,08 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de rolnummers 13/06300 en 13/06301P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de betrokkene heeft mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Hetgeen in de schriftuur als eerste middel wordt gepresenteerd behelst de klacht dat het Hof in de samenhangende hoofdzaak op onjuiste gronden tot een bewezenverklaring is gekomen, waardoor het arrest in de hoofdzaak dient te worden vernietigd alsook dat het Hof in de onderhavige ontnemingszaak tevens op onjuiste gronden tot een bewezenverklaring is gekomen zodat het hier bestreden arrest eveneens dient te worden vernietigd.

5. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Hetgeen als eerste middel is voorgesteld, op de keper beschouwd een ‘voorwaardelijk middel’, voldoet niet aan dit vereiste, zodat het onbesproken moet blijven. Het is immers gericht op vernietiging van de bestreden uitspraak voor het geval dat de cassatiemiddelen in de hoofdzaak gegrond zouden worden bevonden en ziet in zoverre eraan voorbij dat ingevolge het vierde lid van art. 557 Sv een uitspraak op een vordering van het Openbaar Ministerie, als bedoeld in art. 36e Sr, eerst kan worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling, als bedoeld in art. 36e, eerste lid, Sr, in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl ingevolge art. 511i Sv een uitspraak op een vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in art. 36e Sr van rechtswege vervalt doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in art. 36e, eerste lid, Sr, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.1 Opmerking verdient bovendien dat de rechter in voorkomende gevallen op grond van art. 577b, tweede lid, Sv, het te betalen bedrag kan verminderen of kwijtschelden.2

6. Het tweede middel dat is voorgesteld, naar mijn inzicht het enige middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt met een beroep op HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293 dat het Hof bij de vaststelling van het wederrechtelijk door de betrokkene verkregen voordeel een motivering heeft gebruikt die niet begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, nu zonder nadere motivering die ontbreekt niet begrijpelijk is hoe dat voordeel kan zijn verkregen uit het bewezenverklaarde gewoontewitwassen.

7. Het is de vraag of een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293 hier geheel en al opgaat. De van belang zijnde passages uit dat arrest luiden als volgt:

“2.3. In de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak is bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan - kort gezegd - het medeplegen van voorhanden hebben van geldbedragen waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren, welk feit is gekwalificeerd als medeplegen van witwassen. In deze strafzaak is met betrekking tot de inbeslaggenomen geldbedragen niet de verbeurdverklaring gevorderd.

In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het begaan van het bewezenverklaarde misdrijf 'medeplegen van witwassen' tot het door de verdachte wederrechtelijk verkrijgen van vermogen heeft geleid. Het Hof heeft dit oordeel kennelijk gebaseerd op zijn opvatting dat de genoemde bedragen aan contant geld en banksaldi en het voor het verwerven van aandelen betaalde bedrag, nu zij voorwerp van het bewezenverklaarde misdrijf 'witwassen' waren, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden. Dat standpunt is niet juist. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de verdachte daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde 'witwassen'. Dat die geldbedragen vermogensbestanddelen vormen die, zoals het Hof heeft overwogen, de verdachte tot voordeel (kunnen) strekken, vormt nog niet een toereikende motivering.

Daarover klaagt het middel terecht.”3

Ik voeg daaraan toe dat de Hoge Raad in zijn arrest van HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2086 heeft overwogen dat:

“(…) art. 36e, tweede lid, Sr betrekking heeft op “voordeel (…) verkregen door middel van of uit de baten van” een strafbaar feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld, terwijl onder dergelijk voordeel ook kan worden begrepen daadwerkelijk genoten voordeel in het geval dat het strafbare feit op zichzelf geen rechtstreeks voordeel oplevert, doch kennelijk ertoe strekt en geëigend is voordeel te genereren (vgl. HR 25 mei 1999, LJN AK1546).”

8. Het enkel voorhanden hebben van geldbedragen als voorwerp van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, staat dus (nog) niet gelijk aan een (even zo groot) daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel. Anders gezegd: die geldbedragen vormen niet reeds daardoor wederrechtelijk genoten voordeel. Daaraan doet niet af dat de voorhanden geldbedragen vermogensbestanddelen vormen die de verdachte tot voordeel (kunnen) strekken. Dát de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat feit, behoeft volgens de Hoge Raad nadere motivering.

9. De vraag is evenwel wat dan wél onder daadwerkelijk voordeel is te verstaan. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever daarbij gedacht aan profijt in ruime zin. Niet alleen een daadwerkelijke toename van vermogen, maar ook een besparing van kosten, zoals vermindering van geldelijke lasten door het voldoen van of het afbetalen op schulden, kan wederrechtelijk verkregen voordeel opleveren.4 Uit het enkel storten of overmaken van de bedoelde geldbedragen op een rekeningnummer ten name van de betrokkene kan dat voordeel niet worden afgeleid, zo maak ik uit de hier relevante rechtspraak van de Hoge Raad op. Geldelijke uitgaven gedaan met, kort gezegd, witwasgelden in het kader van de bedrijfsvoering van legale en illegale activiteiten, ten behoeve van een kapperszaak of van auto’s vallen kennelijk wel als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken.5 Dat is ook verdedigbaar, omdat in die gevallen - anders dan bij het ‘op de bank zetten’ of in een kluis bewaren - sprake is van effectieve besteding van de gelden voor een bepaald doel waarvan de betrokkene profijt trekt.

10. Terug naar de onderhavige zaak. Blijkens het in cassatie samenhangende arrest in de hoofdzaak is ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat:

“hij [op] tijdstippen in de periode van 01 januari 2009 tot en met 08 november 2010, te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk en/of Amersfoort van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van 280.000,00 euro (te weten de contante terugbetaling van de geldlening gesloten tussen [betrokkene 1] en [betrokkene] ) en

- contante stortingen van in totaal 40.080,00 euro en

- contante betalingen voor de verbouwing van het pand gelegen aan de [a-straat 1] te Nijkerkerveen, van in totaal 36.740,00 euro en

- contante betalingen ten behoeve van vlieglessen van in totaal 10.620,00 euro

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,

althans van geldbedragen, gebruik gemaakt, terwijl verdachte wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

11. Uit de hier bestreden beslissing in de ontnemingszaak kan het volgende worden afgeleid. De betrokkene heeft:

- een schuld teniet gedaan door een lening af te lossen van € 280.000,00;

- de facturen voor de verbouwing van een huis contant betaald (€ 36.740,00);

- vlieglessen genomen en deze contant betaald (€ 10.620,08); en

- contante stortingen gedaan op een privé bankrekening van ABN AMRO/Fortis (totaal € 40.080,00).

12. Op grond van hetgeen ik hierboven onder 7-9 heb opgemerkt, kent de bestreden ontnemingsuitspraak in ieder geval ten aanzien van de contante stortingen ten bedrage van in totaal € 40.080,00 een motiveringsgebrek. Door die stortingen is immers het vermogen van de betrokkene niet toegenomen en is er evenmin een schuld teniet gedaan. De betrokkene heeft dat geldbedrag immers nog altijd slechts voorhanden.

13. Dat laatste is anders bij de terugbetaling van het geleende bedrag van € 280.000,00 aan [betrokkene 1], de kosten voor de verbouwing van een woning en het nemen van vlieglessen. Met betrekking tot deze kostenposten zijn de witwasgelden immers aangewend voor het teniet doen van een uitschuld en het doen van betalingen. Daarmee heeft de betrokkene ‘zijn voordeel gedaan’.

14. Het middel slaagt derhalve ten dele.

15. Wellicht ziet Uw Raad om redenen van doelmatigheid ruimte om de zaak zelf af te doen door het voormelde bedrag van € 40.080,00 in mindering te brengen op het door het Hof vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van in totaal € 367.440, 08.

16. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440, tweede lid, Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad geëigend voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016, NJ 1999/75 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BM8030, NJ 2011/315.

2 Vgl. HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1255.

3 Zie ook HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1559, HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:233 en HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2648.

4 Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3 (MvT), p. 16.

5 Zie HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2843, NJ 2015/72.