Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1487

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-06-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
13/05959
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2639, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/05959

Zitting: 9 juni 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 8 november 2013 de verdachte ter zake feit 1 “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en feit 2 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen, één en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. De eerste twee middelen klagen over de verwerping van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dan wel bewijsuitsluiting. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:

“Beroep op niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie dan wel bewijsuitsluiting

Kort gezegd, heeft de verdediging daartoe betoogd dat verdachte ten onrechte als verdachte is aangemerkt ten tijde van een aantal waarnemingen van opsporingsambtenaren en het doen van navraag bij de belastingdienst. Verder heeft de verdediging betoogd dat de bij de belastingdienst opgevraagde gegevens niet op basis van het Convenant hadden mogen worden opgevraagd. Omdat er sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim zou een sanctie moeten volgen op grond van art. 359a Wetboek van Strafvordering.

Het hof verwerpt het verweer.

Het hof bespreekt eerst de vraag of verdachte ten tijde van de mutaties en het opvragen van de informatie bij de belastingdienst als verdachte werd aangemerkt dan wel had moeten worden aangemerkt.

Het hof acht niet aannemelijk dat er ten tijde van het opstellen van de door de verdediging bedoelde mutaties in maart, juli en oktober 2010 en het doen van navraag bij de belastingdienst naar inkomstengegevens van de verdachte sprake was van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit ten aanzien van verdachte. Ook kan niet worden gezegd dat verdachte op die momenten al als verdachte van een strafbaar feit had moeten worden aangemerkt.

Over de vraag of de informatie bij de belastingdienst had mogen worden opgevraagd overweegt het hof als volgt. Voorop gesteld wordt dat - zoals zojuist overwogen - verdachte toen nog niet als verdachte gold. Het hof begrijpt dat op grond van het Regionaal Convenant Geïntegreerde Decentrale Aanpak Georganiseerde Misdaad regio Midden Nederland door de politie over verdachte navraag is gedaan bij de belastingdienst. De navraag is klaarblijkelijk gedaan door opsporingsambtenaren ingevolge hun algemene taakomschrijving in artikel 2 Politiewet 1993 (oud) en artikel 141 Wetboek van Strafvordering. Dat betekent evenwel niet dat er geen sprake zou kunnen zij van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Nu de daarbij verkregen gegevens mede hebben geleid tot een verdenking als bedoeld in artikel 27 Wetboek van Strafvordering en verdergaande opsporingsbevoegdheden zijn toegepast, moet een en ander immers worden gerekend tot het voorbereidend onderzoek (vergelijk onder meer HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9338). Van een vormverzuim is volgens het hof echter om de volgende redenen geen sprake.

Artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt als volgt:

1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).

2. De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:

a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;

b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;

c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.

3. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.

Art. 43c Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. De geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet, artikel 67, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en artikel 10, eerste lid, van de Registratievvet 1970, geldt niet voor verstrekking aan de hierna genoemde bestuursorganen voor zover het betreft de hierna genoemde gegevens ten behoeve van de hierna genoemde publiekrechtelijke taak:

(…)

h. de directeur van de FIOD: gegevens die door de FIOD worden gebruikt in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde ingevolge artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

(…)

m. gemeenten, provincies, de politie, de officier van justitie, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Koninklijke marechaussee, de Inspectie SZW, de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: gegevens die nodig zijn om de samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen effectief en efficiënt te laten verlopen voor zover een convenant is gesloten met deze bestuursorganen.

Als partijen bij het Convenant worden onder meer een groot aantal burgemeesters, korpsbeheerders, korpschefs, hoofdofficieren van justitie, de belastingdienst regio Utrecht- Gooi, de voorzitter van het managementteam van de belastingdienst FIOD/ECD vermeld. Er wordt gesproken van "uitwisseling van persoonsgegevens". Het hof begrijpt dat het Regionaal Convenant een convenant is als bedoeld in artikel 43c, eerste lid, onder m van de Uitvoeringsregeling. Naar het oordeel van het hof heeft het verschaffen van informatie door de belastingdienst zijn basis in dit Convenant kunnen vinden.

Een en ander betekent dat er naar het oordeel van het hof geen sprake is van een vormverzuim.”

5. Het in de middelen bedoelde verweer heeft betrekking op het opvragen van informatie over de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] door de opsporingsautoriteiten bij de belastingdienst. Volgens het hof is de informatie opgevraagd op grond van het Regionaal Convenant Geïntegreerde Decentrale Aanpak Georganiseerde Misdaad regio Midden Nederland. Bij de stukken van het geding bevindt zich een “Aanvulling einddossier 09POB79”, waarin door een politieambtenaar is gerelateerd dat (samengevat) weliswaar in eerdere processen-verbaal is vermeld dat “de gegevensuitwisseling” heeft plaatsgevonden op grond van dit convenant inzake de regio Midden-Nederland, maar dat de belastingdienst nadien heeft medegedeeld dat het Convenant Integrale toepassing en handhandhaving overheidsregelingen, gemeente Woerden hieraan ten grondslag heeft gelegen en dat dus in het verbaal is verwezen naar het verkeerde convenant. Ook het openbaar ministerie heeft te kennen gegeven dat de basis voor het opvragen en verschaffen van de informatie was gelegen in het convenant dat ziet op de gemeente Woerden.2 Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat het hof er niettemin van is uitgegaan dat de informatie is opgevraagd en verschaft op basis van het andere convenant. Het tweede middel klaagt hierover terecht.

6. Tot cassatie behoeft zulks niet te leiden. Het hof had het verweer immers slechts kunnen verwerpen. Het hof heeft het gevoerde verweer – niet onbegrijpelijk – opgevat als een verweer dat ertoe strekt dat toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in art. 359a Sv. Volgens de raadsman dient het gestelde vormverzuim te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel tot bewijsuitsluiting. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep opgemerkt dat volgens hem het huisrecht in de zin van artikel 8 EVRM het geschonden voorschrift bij het onrechtmatige binnentreden is, maar over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel is niets aangevoerd3. Het hof had reeds op die grond niet anders kunnen doen dan het verweer verwerpen4. Daarop stranden beide middelen.

7. Het eerste en tweede middel zijn tevergeefs voorgesteld.

8. Het derde, vierde en vijfde middel zien op het onder 2 bewezen verklaarde “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”. Voordat ik aan de bespreking van de middelen toe kom, zal ik de bewezenverklaring, de relevante bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weergeven.

9. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 april 2011, te Woerden, in elk geval in Nederland, telkens van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte telkens onderstaande voorwerpen voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, te weten:

- geldbedragen van (totaal) 658.789,50 dirham (omgerekend 58.742,18 euro,

contant gestort bij de Attijariwafabank op rekeningnummer [001] );

- een geldbedrag van 500,- euro (verzonden moneytransfer);

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 38.700,- euro (aanko(o)p(en) speelpenningen Holland Casino en overboeking van bankrekening Holland Casino naar bankrekening ten naam gesteld van verdachte);

- een geldbedrag van 20.500,- euro (contante betaling VW Golf [AA-00-BB] );

- een geldbedrag van 5.250,- euro (contante betaling van een bed bij Häestens);

- geldbedragen van (totaal) 4.620,- euro (contante betaling(en) aan verhuurder woning [a-straat 1] te Woerden);

- een geldbedrag van 2.500,- euro (contante betaling Mercedes Benz [CC-00-DD] );

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 5.393,44 euro (diverse contantbonnen), terwijl verdachte telkens wist, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

10. De bewezenverklaring steunt mede op de inhoud van het als bewijsmiddel 8 opgenomen proces-verbaal “Deelonderzoek Witwassen [verdachte] ”. Dit bewijsmiddel houdt onder meer in:

“6.2.2 Legale inkomsten/vermogen

Informatie belastingdienst

Op basis van het Regionaal Convenant Geïntegreerde Decentrale Aanpak Georganiseerde Misdaad regio Midden Nederland, het Convenant tussen onder andere de Belastingdienst Regio Utrecht-Gooi en de regiopolitie Utrecht, zijn de gegevens van de genoemde verdachte door de belastingdienst verstrekt. Daaruit is het volgende gebleken:

de verdachte [verdachte] had de volgende inkomsten:

Bijzonderheden 2009:

Prestatiebeurs HO/BO, hoogte onbekend.

Verder geen inkomsten.

Bijzonderheden 2010:

Prestatiebeurs HO/BO, hoogte onbekend.

Verder geen inkomsten.

De verdachte ontving daarnaast zorgtoeslagen van de belastingdienst. Al deze inkomsten werden gestort op de bankrekening van de verdachte [verdachte] .

Beginsaldo contant geld

Met het beginsaldo contant geld wordt het bedrag bedoeld waarover de verdachte [verdachte] aan contanten, afkomstig uit legale bron, de beschikking had aan het begin van de onderzoeksperiode, dat wil zeggen op 1 januari 2009.

Op basis van bovenstaande bevindingen is het niet aannemelijk dat de verdachte [verdachte] over een (legaal) beginsaldo aan contant geld beschikte.

Als uitgangspunt wordt genomen dat het contante beginsaldo op 1 januari 2009 afkomstig uit legale bron € 0,- bedroeg.

6.3.2 Contante Stortingen/Opnames Bankrekening

Rabobank

Uit gevorderde en uitgeleverde stukken van de Rabobank is gebleken dat [verdachte] gebruik maakt van een betaalrekening en een internet-spaarrekening.

In het proces-verbaal van verstrekking is weergegeven welke contante stortingen en opnamen per saldo hebben plaatsgevonden. Onderstaand schema geeft een overzicht, waarin in de laatste kolom wordt aangegeven wat er over de periode 1 januari 2009 tot en met 18 april 2011 in totaal meer contant is opgenomen dan gestort:

[002] t.n.v. [verdachte] :

 

opname storting

Saldo

Saldo

2009

€ 83.602,-

€ 51.679,43

€ 31.922,57

2010

€ 53.485,50

€ 48.271,21

€ 5.214,29

2011

€ 4.220,-

€ 4.780,-

-€ 560,-

 

€141.307,50

€ 104.730,-

€ 36.576,86

Per saldo is er in de periode 1 januari 2009 tot en met 18 april 2011 een contante geldstroom geweest van € 36.576,86.

Attijariwafa bank

Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte werden rekeningafschriften gevonden op naam van [verdachte] , per adres [a-straat 1] Woerden, van de Attijarivvafabaiik te Casablanca Marokko. Op een rekeningafschrift van 31 juli 2010 stonden twee stortingen van in totaal 678.789,50 Dirham, en een opname van 150.000,- Dirham. Op het meest recente bankafschrift, van 31 december 2010 staat nog een saldo van 528.255,60 Dirham (omgerekend betrof dit een bedrag van € 47.266,91.)

Omdat er op het moment van sluiten van dit proces-verbaal nog geen compleet overzicht beschikbaar is van de bankmutaties van de rekening over de onderzoeksperiode kan alleen gesteld worden dat op 16 juli 2010 een bedrag van 658.789,50 Dirham is gestort op een buitenlandse rekening van [verdachte] . Omgerekend betrof dit op 16 juli 2010 € 58.742,18,-

6.3.3 IVT meldingen

IVT-meldingen

Uit informatie van het geautomatiseerde systeem van IVT (Intranet Verdachte Transacties) blijkt het volgende:

Op 17-06-2010 wordt in Utrecht, bij Goffin Change, door opdrachtgever genoemde [verdachte] via een moneytransfer € 500,- overgemaakt naar [betrokkene] te Marokko.

Op 05-07-2010 wordt er bij Holland Casino Utrecht door genoemde [verdachte] 300 biljetten van 10 euro en 300 biljetten van 20 euro (in totaal € 9.000,-) gewisseld voor de aankoop van speelpenningen.

In 2010 wordt door de bovengenoemde [verdachte] in het Holland Casino Utrecht in totaal € 22.600,- overgemaakt van ING-tekening [003] (van Holland Casino) naar Rabobankrekening [002] , het bankrekeningnummer van de rekening waar [verdachte] begunstigde van is.

Het gaat om de volgende data en bedragen:

Op 19-04-2010: €5.600,-

Op 19-06-2010: € 6.500,-

Op 12-10-2010: € 10.500,-

Uit verstrekte informatie van Holland Casino blijkt deze € 22.600,- niet herleidbaar te zijn, dat wil zeggen, dit bedrag is niet aangemerkt als zijnde speelwinst. Naar alle waarschijnlijkheid houdt dit in dat dit eigen geld is van [verdachte] en geen speelwinst.

Op 06-11-2010 wordt bij het Holland Casino Utrecht door genoemde [verdachte] voor de aankoop van Speelpenningen in totaal 210 biljetten van 10 euro gewisseld (in totaal € 2100,-)

Op 05-02-2011 worden bij Holland Casino Utrecht door genoemde [verdachte] kleine coupures (in totaal voor€ 5.000,-) gewisseld voor de aankoop van speelpenningen. Het betreft 100 biljetten van € 10,-, 100 biljetten van € 20,-, 16 biljetten van € 50,-, 10 biljetten van € 100,-, 1 biljet van €200,-.

Totaalbedrag IVT

Er is geen zicht op hoeveel de verdachte uiteindelijk heeft uitgegeven bij het Holland Casino. Omdat er na de aankoop van de speelpenningen (zoals hierboven beschreven) geen zicht is of alles is verspeeld of dat er een deel wordt terug gewisseld, en er tevens geen zicht is op het bedrag dat de verdachte [verdachte] daarbuiten heeft uitgegeven bij het casino, zijn alleen de IVT meldingen berekend als uitgave.

De overboeking die de verdachte uit laat voeren door het Holland Casino is niet aangemerkt als speelwinst. Deze wordt dan ook berekend als contante storting.

De som van bovenstaande bedragen betreft: € 39.200,-.

11. Het verkort arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, de volgende overwegingen van het hof in:

“Het hof leidt in het bijzonder uit de volgende feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang gezien - af dat het niet anders kan zijn dan dat de hierna in de bewezenverklaring vermelde voorwerpen van enig misdrijf afkomstig zijn:

- verdachte beschikte weliswaar over legale inkomsten, zoals van zijn ex-vriendin ontvangen leningen, maar het totaal van de uitgaven en stortingen van de verdachte was in de tenlastegelegde periode veel groter dan zijn legale inkomsten;

- verdachte heeft onderstaande bestedingen gedaan uit contante gelden;

- die bestedingen belopen een aanzienlijk totaalbedrag;

- de bestedingen betreffen - naast storting van een aanzienlijk geldbedrag op een bankrekening - veelal dure consumptiegoederen;

- de partij hasjiesj die bij verdachte in beslag is genomen ziet het hof als een handelshoeveelheid.

Weliswaar heeft de verdachte enige legale inkomsten gehad, maar er zijn geen aanwijzingen dat een van de posten geheel of grotendeels uit legale inkomsten van de verdachte zijn betaald. Daarbij heeft het hof betrokken dat de in de bewezenverklaring opgenomen posten niet zien op al het door de verdachte in de bewezenverklaarde periode uitgegeven geld. In die posten zijn namelijk geen bedragen opgenomen die verdachte uitgegeven heeft of moet hebben aan brandstof voor zijn auto, en consumpties en reizen (zoals zijn reis naar Brazilië in februari 2011). Het hof ziet daarom geen redenen bepaalde posten geheel buiten beschouwing te laten. Het hof heeft hierbij de criteria toegepast die de Hoge Raad heeft gegeven (HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578).

Het hof gaat er van uit dat verdachte de inkomsten heeft verworven uit strafbare feiten die hij (mede) zelf heeft begaan.

Het hof zal de verschillende, onder de tien gedachtestreepjes vermelde posten afzonderlijk bespreken. Van twee posten zal verdachte om verschillende redenen worden vrijgesproken. Voor acht posten volgt bewezenverklaring.

12. Het derde middel behelst de klacht dat het hof zonder nadere motivering is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het beginvermogen van de verdachte niet nihil was aangezien de verdachte in 2008 een bedrag van € 19.755 van zijn ex-vriendin heeft ontvangen, althans dat de weerlegging van het verweer niet zonder meer begrijpelijk en/of toereikend is gemotiveerd.

13. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte onder meer het volgende aangevoerd:

“De verdediging wijst er op dat vaststaat dat cliënt van zijn ex-vriendin een groot aantal bedragen heeft ontvangen waarmee hij de genoemde uitgaven in het ten laste gelegde feit heeft kunnen bekostigen. Daartoe heeft de verdediging bij de rechtbank nadere stukken overgelegd waaronder bankstroken over 2008 van zijn ex-vriendin. Uit deze stukken en het proces-verbaal van politie (blz. 1196) blijkt dat de ex-vriendin van cliënt in 2008 € 19.755,00 aan cliënt heeft doen toekomen. De verdediging stelt deswege dat justitie er ten onrechte vanuit gaat dat het beginvermogen van cliënt nihil zou zijn. De verdediging wijst er op dat bij de huiszoeking ook € 6.122,01 is aangetroffen. Waarom zou cliënt niet eerder over een dergelijk bedrag de beschikking hebben gehad.”

14. Het hof heeft in zijn hiervoor onder 11 geciteerde bewijsoverwegingen overwogen dat de verdachte weliswaar beschikte over legale inkomsten, “zoals van zijn ex-vriendin ontvangen leningen”, maar dat het totaal van de uitgaven en stortingen van de verdachte in de ten laste gelegde periode veel groter was dan zijn legale inkomsten. In deze overweging is het hof daarmee ingegaan op inkomsten uit leningen van de ex-vriendin van de verdachte, waarbij het hof kennelijk, anders dan de steller van het middel meent, ook het oog heeft gehad op de leningen die zouden zijn verstrekt voorafgaand aan de ten laste gelegde periode. In ’s hofs overwegingen, in samenhang bezien met de inhoud van bewijsmiddel 8, ligt besloten dat voor het hof niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene de bancair verkregen leningen ad € 19.755 voorafgaand aan die periode contant heeft opgenomen en niet heeft uitgegeven, zodat het hof met deze gelden geen rekening behoefde te houden bij het bepalen van het beginsaldo. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, waarbij ik in aanmerking neem dat het verweer ten aanzien van het beginsaldo nauwelijks is gemotiveerd. De raadsman heeft in dit verband slechts verwezen naar de lening van de ex-vriendin van de verdachte en naar het bij de doorzoeking aangetroffen bedrag en daaraan de vraag verbonden waarom de verdachte niet eerder over een dergelijk bedrag de beschikking had kunnen hebben. Het aangevoerde noopte het hof aldus niet tot een nadere motivering.5

15. Het middel faalt.

16. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, uit een contante storting van een geldbedrag op een rekening in Marokko mede afleidt dat sprake is geweest van witwassen in Nederland.

17. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte onder meer het volgende aangevoerd:

“Verhullen in Marokko

- t.a.v. witwassen van een geldbedrag van 658.789,50 Dirham (€ 58.742,18) verzoekt de verdediging uw Hof om cliënt hiervan vrij te spreken. Volgens de verdediging staat nog steeds niet vast dat cliënt zelf voornoemd bedrag aldaar gestort zou hebben. Voorts stelt de verdediging dat het zgn. witwassen niet heeft plaatsgevonden in Nederland. De storting van het bedrag heeft in Marokko plaatsgevonden. Het feit is sowieso in het buitenland gepleegd. De Nederlandse strafwet is dan ook niet van toepassing en het OM dient dan ook t.a.v. dit feit niet ontvankelijk te worden verklaard. De verdediging wijst erop dat het zgn. verhullen heeft plaatsgevonden in Marokko. Dat er afschriften van deze rekening naar het woonadres zouden zijn gestuurd doet daar niets aan af. Zoals al eerder is betoogd, is het beschikken over gelden van uit enig misdrijf nog geen witwassen. Het gaat erom dat het geld is omgezet c.q. verhuld en dat heeft in Marokko plaatsgevonden.”

18. Het hof heeft mede in reactie op dit verweer als volgt overwogen:

“* Het tweede gedachtestreepje (een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 658.789,50 dirham (omgerekend 58.742,18 euro, contant gestort bij de Attijariwafabank op rekeningnummer [001] )).

Nu het hof van oordeel is dat het geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is en het contant storten van het bedrag op een rekening in het buitenland als verbergen, verhullen, overdragen dan wel omzetten kan worden aangemerkt, acht het hof het tweede gedachtestreepje bewezen.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde gesteld dat dit feit in het buitenland is gepleegd en dat de Nederlandse strafwet hierop niet van toepassing is.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

In een arrest van 2 februari 2010 (NJ 2010, 89) heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

"2.4 Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in

Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (vgl HR 27 oktober 1998, LJN ZD1413, NJ 1999,221)".

Uit de feiten en omstandigheden waaruit het hof afleidt dat er sprake is van witwassen leidt het hof eveneens af dat verdachte het geldbedrag vanuit Nederland naar Marokko heeft gebracht en het daar op een bankrekening heeft gestort. Daarmee is het feit mede in Nederland gepleegd.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”

19. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte het in het middel bedoelde geldbedrag vanuit Nederland naar Marokko heeft gebracht. Uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat op 16 juli 2010 een bedrag van 658.789,50 dirham op de bankrekening ten name van de verdachte is gestort (bewijsmiddel 8, onderdeel 6.3.2). Een blik achter de papieren muurt leert bovendien het volgende. Uit een naar aanleiding van het rechtshulpverzoek verkregen schriftelijk bericht van de Attijariwafa bank blijkt dat de verdachte (in persoon) de rekening bij de desbetreffende bank heeft geopend op 16 juli 2010. Op dezelfde dag is het bedrag op de rekening gestort. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat het de verdachte is geweest die op die dag het desbetreffende bedrag op zijn eigen nieuwe rekening heeft gestort.

20. Vervolgens rijst de vraag of ook uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte het desbetreffende geldbedrag vanuit Nederland naar Marokko heeft gebracht.

21. Uit de bewezenverklaring en de hiervoor geciteerde bewijsoverweging volgt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het bedrag van 658.789,50 dirham in Woerden, althans in Nederland “voorhanden heeft gehad” en dat bedrag vervolgens in Marokko op een bankrekening heeft gestort.

22. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarbij de witwasbepalingen zijn geïntroduceerd, is ten aanzien van het “verwerven”, “voorhanden hebben” en “overdragen” als bedoeld in art. 420bis, eerste lid, onder b, opgemerkt dat deze termen feitelijke zeggenschap veronderstellen, maar dat niet is vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt.6 Aangezien uit het als bewijsmiddel 8 gebezigde proces-verbaal blijkt dat het geldbedrag is gestort op een bankrekening ten name van de verdachte, op zijn woonadres te Woerden, en de verdachte zodoende dus in Woerden het beheer over de rekening voerde en aldus feitelijke zeggenschap over het geldbedrag had, getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte dit geldbedrag in Woerden, althans in Nederland voorhanden heeft gehad en ook de overige ten aanzien van het geldbedrag bewezen verklaarde gedragingen (mede) in Nederland hebben plaatsgevonden niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel. Hiermee komt ook het belang te ontvallen aan de in het middel geformuleerde klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat, zoals het hof heeft overwogen, de verdachte het geldbedrag contant vanuit Nederland naar Marokko heeft gebracht en het daar zelf op een bankrekening heeft gestort. Voor het voorhanden hebben van het geldbedrag in Woerden, althans in Nederland, is dat immers niet bepalend.

23. Resteert de vraag of het oordeel van het hof dat het bewezen verklaarde kan worden aangemerkt als witwassen de toetsing in cassatie kan doorstaan.

24. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte de geldbedragen heeft voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, waarbij deze termen klaarblijkelijk zijn gebezigd in de betekenis die daaraan ingevolge art. 420bis, eerste lid, onder b Sr toekomt. Het hof heeft overwogen ervan uit te gaan dat de bewezen verklaarde geldbedragen afkomstig zijn uit (mede) door de verdachte begane misdrijven.

25. De rechtsregels omtrent het verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen uit eigen misdrijf waaruit volgt dat gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht moeten zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van een voorwerp voordat kan worden gesproken van witwassen, gelden in beginsel niet voor gevallen waarin bewezen is verklaard het “omzetten”, “overdragen” en/of “gebruikmaken” van uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen. Dit wordt anders indien dit plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen.7

26. In zijn arrest van 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in die gevallen waarin het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn kan worden aangemerkt als "omzetten" of "overdragen" in de betekenis van art. 420bis, eerste lid sub b, Sr, in de regel sprake zal zijn van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. Daaruit volgt dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", er sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.

27. Uit het voorgaande volgt dat het omzetten of overdragen van een uit eigen misdrijf afkomstig geldbedrag door het op een eigen bankrekening te storten en het voorhanden hebben van dit bedrag nadat het is gestort, niet zonder meer als witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Daarvoor zal sprake moeten zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft. Het oordeel van het hof dat in de gegeven omstandigheden sprake is van zodanige gedragingen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte het geldbedrag op een buitenlandse bankrekening heeft gestort. Daarmee is het geldbedrag buiten het economisch verkeer van Nederland gebracht.8 Daardoor kan het zicht op de herkomst worden bemoeilijkt. Het storten van een bedrag op een eigen bankrekening in Nederland kan naar mijn mening in dit opzicht niet worden gelijk geschakeld met het storten van een bedrag op een buitenlandse bankrekening, ook al is de verdachte de begunstigde van die rekening. Daarbij kan zelfs de vraag worden gesteld of zich hier een bijzonder geval voordoet, als bedoeld in de onder 26 besproken jurisprudentie. Als daarvan al sprake is, meen ik dat het oordeel van het hof dat het storten en op de rekening houden van het bedrag van 658.789,50 dirham op de eigen bankrekening in Marokko als verhullend kan worden aangemerkt en dat derhalve het bewezen verklaarde ook in dit opzicht als (gewoonte)witwassen kan worden gekwalificeerd, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.

28. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

29. Het vijfde middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat een bedrag van € 22.600 een overboeking betreft die niet als speelwinst is aan te merken niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

30. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd:

“-t.a.v. de geld bedragen van totaal € 38.700,00 i.v.m. aankoop van speelpenningen in casino en overboeking van de bankrekening van het casino naar de bankrekening van cliënt, verzoekt de verdediging uw Hof om cliënt hiervan vrij te spreken. Ook hier geldt dat cliënt dit bedrag heeft kunnen voldoen uit de ontvangen bedragen van zijn ex-vriendin. Het staat dan ook niet vast dat het geldbedrag niet op legale wijze is verkregen. Met de rechtbank is de verdediging van oordeel dat het bedrag van € 22.600,00 als speelwinst moet worden aangemerkt. Daarnaast betreft het sowieso geen contante storting. Wat betreft het overige bedrag ad € 16.100,00 stelt de verdediging dat dit bedrag ook speelwinst kan zijn, zeker voor een gedeelte. Aangezien het gaat om 3 verschillende aankopen op verschillende tijdstippen, is het niet onaannemelijk dat cliënt deze speelpenningen heeft aangekocht nadat hij eerder op die dag zijn speelwinst had ingewisseld.”

31. Het hof heeft in dit verband het volgende overwogen:

* Het vierde gedachtestreepje (een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 38.700,- euro (aanko(o)p(en) speelpenningen Holland Casino en overboeking van bankrekening Holland Casino naar bankrekening ten naam gesteld van verdachte).

Het hof acht dit onderdeel bewezen. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de gelden waar het om gaat afkomstig zijn van verdachte. Voor een deel van 22.600 euro betreft het een overboeking die niet als speelwinst is aangemerkt en waarvan ook anderszins niet is gebleken dat het om speelwinst gaat. Voor een ander deel- in totaal 16.100 euro - betreft het aankopen van speelpenningen met contanten. Er is sprake van omzetten of overdragen.”

32. Uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal “Deelonderzoek Witwassen [verdachte] ” volgt dat de verdachte op drie data bedragen van in totaal € 22.600 via een bankrekening van het Holland Casino heeft overgemaakt naar een bankrekening waarvan hij de begunstigde was en dat deze bedragen door het Holland Casino niet als speelwinst zijn aangemerkt (bewijsmiddel 8, onderdeel 6.3.3). Het oordeel van het hof dat het genoemde bedrag niet als speelwinst is aan te merken en door de verdachte is overgeboekt, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging de stelling dat sprake was van speelwinst niet heeft onderbouwd, terwijl evenmin ter terechtzitting in hoger beroep is betwist dat het de verdachte is geweest die het desbetreffende geldbedrag heeft gestort. In zoverre faalt het middel.

33. Ten tweede behelst het middel de klacht dat het oordeel dat het storten van het geldbedrag van € 22.600 kan worden gekwalificeerd als witwassen ontoereikend is gemotiveerd, aangezien niet blijkt dat sprake is van een gedraging die gericht is geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag.

34. Teneinde herhaling te voorkomen, verwijs ik naar hetgeen bij de bespreking van het vierde middel is voorop gesteld ten aanzien van de in de rechtspraak aanvaarde kwalificatie-uitsluitingsgrond.

35. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging geoordeeld dat ten aanzien van het totaalbedrag van € 38.700, waaronder de overboeking van € 22.600, sprake is van het omzetten en overdragen van dit bedrag. Deze zaak onderscheidt zich van de casus die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2014, doordat in de onderhavige zaak de bewezen verklaarde omzetting en het overdragen van de contante geldbedragen niet heeft plaatsgevonden door een rechtstreekse storting op de eigen bankrekening, maar door dit geld via de bankrekening van het Holland Casino over te maken naar een bankrekening waarvan de verdachte de begunstigde was. Hierdoor is naar mijn mening geen sprake van een bijzonder geval zoals in de jurisprudentie van de Hoge Raad bedoeld, waarin het overdragen of omzetten niet wezenlijk verschilt van het verwerven of voorhanden hebben van uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen en de verdachte zich door het plegen van dat misdrijf automatisch schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. De verdachte heeft door het storten van het geld op de rekening van het Holland Casino het geld immers, zij het kortstondig, binnen het vermogen van een derde gebracht en daarmee een handeling verricht die verder gaat dan slechts het door hemzelf verwerven of voorhanden hebben van het geld. Het hof was onder deze omstandigheden niet gehouden tot een nadere motivering.

36. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

37. De middelen falen. De middelen 1, 2, 3 en 5 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

38. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte, met nummer 13/05961 P, alsmede met de straf- en ontnemingszaken tegen [medeverdachte] , met resp. nummers 13/05814 en 13/05815 P, in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

2 Zie de appelschriftuur, p. 1.

3 Ik merk op dat de weergave van de inhoud van de pleitnota in de schriftuur niet geheel overeenkomt met de pleitnota zoals die is gehecht aan het proces-verbaal terechtzitting van 27 september 2013 en 25 oktober 2013. De zin: “Anders dan de rechtbank is de verdediging van oordeel dat de verkregen informatie dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu niet vaststaat dat er ook een huiszoeking zou hebben plaatsgevonden als er alleen CIE-informatie zou zijn geweest” vind ik niet terug in de pleitnota.

4 Vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:542, rov. 2.4.

5 HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2843, NJ 2015/72, m.nt. Keulen.

6 Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 15.

7 Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716, rov. 3.4.1 en 3.4.2 en HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500, m.nt. Keijzer.

8 Vgl. de conclusie, onder punt 5.5, voor HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956, NJ 2014/304, m.nt N. Keijzer.