Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1391

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-05-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
14/03348
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2454, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke bevestiging amv Pr door MK Hof. Mag een amv, die wat betreft de inhoud van de gebezigde bwm in overeenstemming met de Regeling amv door Pr, Kr, Eco. Pr, Kr en EK in h.b. (Stcrt. 1996, 197) verwijst naar het pv tz en andere processtukken slechts in het geval a.b.i. art. 359.3 tweede volzin Sv (bekennende vd) door het Hof worden bevestigd? HR herhaalt ECLI:NL:HR:2010:BM0256, NJ 2011/294 m.b.t. de toepassing van art. 423 Sv. O.g.v. art. 423.1 Sv is zowel de MK als de EK van het Hof bevoegd een in e.a. gewezen vonnis te bevestigen. Dat geldt ook indien het gaat om een mondeling vonnis dat in het pv tz is aangetekend op de wijze als in de Regeling bepaald. Indien die amv wat betreft de inhoud van de gebezigde bwm - in overeenstemming met de Regeling - verwijst naar het pv tz en/of andere processtukken, is het Hof in geval van bevestiging van het vonnis niet gehouden de inhoud van die stukken (alsnog) in zijn arrest op te nemen. De opvatting van het middel dat zodanige bevestiging slechts is toegestaan in het geval a.b.i. art. 359.3 tweede volzin Sv (bekennende vd) vindt geen steun in voormelde Regeling noch in art. 359 Sv noch in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 359.3 tweede volzin Sv (ECLI:NL:HR:2009:BK5605, NJ 2010/7 en ECLI:NL:HR:2015:602, NJ 2015/176). Zelfs indien t.tz. van de MK in h.b. door vd alsnog anders is verklaard of door zijn rm vrijspraak is bepleit, staat het de appelrechter vrij een amv als vorenbedoeld te bevestigen, zij het - o.g.v. art. 359.3 tweede volzin Sv - met aanvulling van gronden, dus met opneming in het arrest van de inhoud van de gebezigde bwm (ECLI:NL:HR:2011:BO7971).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03348

Zitting: 26 mei 2015

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Noord-Holland waarbij verdachte wegens “poging tot zware mishandeling” is veroordeeld tot straf, de vordering van de benadeelde partij is toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting is opgelegd. Voorts heeft het Hof het vonnis voor wat betreft de strafoplegging vernietigd en verdachte de straf opgelegd van een gevangenisstraf voor de duur van acht weken waarvan zes weken voorwaardelijk.

2. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel houdt in dat het arrest van het Hof gelet op het bepaalde in art. 359 lid 2 jo lid 8 Sv aan nietigheid leidt omdat het door het Hof bevestigde vonnis niet de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen bevat terwijl zich niet voordoet het geval dat de verdachte het tenlastegelegde ondubbelzinnig heeft bekend.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“ hij op 29 mei 2012 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [verbalisant 1] (surveillant van de Regiopolitie Zaanstreek-Waterland), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een personenvoertuig, met hoge, althans abrupt toenemende, snelheid op en/of in de richting van [verbalisant 1] is (in)gereden en/of (af)gereden (waardoor [verbalisant 1] moest wegspringen om niet te worden geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt in als verklaring van de verdachte:

“ A.

Ik ben gestopt en ik heb wel een politieagent gezien. Ik zag die politieagent weggaan naar de linkerkant. Ik heb hem dus wel gezien ja.

B.

Ik wist niet dat die weg was afgesloten. Ik woon weliswaar in Zaandam, maar doe alles in Amsterdam dus ben niet bekend in de buurt. Het was een zebrapad. Die politieagent maakte een bepaalde beweging met zijn hand, hij gaf geen stopteken. Toen ik wegreed hoorde ik wel geschreeuw, maar ben ik gewoon weggereden. Ik dacht dat ik alleen hoefde te stoppen voor een voetganger. Ik had niet door dat ik door rood reed. Ik was niet op de vlucht of zo. Ik was muziek aan het luisteren en praatte met mijn vriend. Ik weet niet wat er met die politieagent is gebeurd. Was hij gewond of was zijn fiets kapot? Die agent had gewoon duidelijker moeten praten of kloppen.”

6. Voorts houdt het vonnis in:

“ Ten aanzien van het bewijs overweegt de politierechter nog het volgende. Uit het onderzoek op de terechtzitting is vast komen te staan dat de verbalisant naast de auto van verdachte stond en er visueel contact was tussen verdachte en de verbalisant. Op het moment dat de verbalisant naar de linkerkant van de auto wil lopen, stuurt verdachte met zijn auto naar links en rijdt hij hard weg.

Verdachte heeft verklaard dat hij geen reden had om hard weg te rijden. Dat acht de politierechter niet geloofwaardig, gelet op het feit dat verdachte onverzekerd en zonder rijbewijs reed.”

7. In het licht van de wetsgeschiedenis moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend (HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9240). De verklaring van de verdachte houdt niet een dergelijke duidelijke en ondubbelzinnige erkenning in. Verdachte verklaart immers slechts te zijn gestopt en [verbalisant 1], de politieman, te hebben gezien maar niet – zoals bewezenverklaard – dat hij met het opzet een ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een personenvoertuig, met hoge, althans abrupt toenemende, snelheid op en/of in de richting van [verbalisant 1] is (in)gereden en/of (af)gereden.

8. Niettemin kon de Politierechter volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De omstandigheid dat niet is voldaan aan het bepaalde in art. 359 lid 3 Sv staat niet in de weg aan toepassing van het bepaalde in art. 378, tweede lid, Sv jo. art. 3 van de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling in strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197). Art. 3 staat toe dat de in de aantekening mondeling vonnis voor wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wordt volstaan met verwijzing naar de processtukken.1

9. In HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO79712 deed zich ook een geval voor waarin de Rechtbank in haar vonnis had volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv. Bij de behandeling in hoger beroep werd vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Het Hof bevestigde het vonnis zonder aanvulling van gronden. Dat achtte de Hoge Raad niet geoorloofd. Omdat uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit, had het Hof het vonnis van de Rechtbank niet mogen bevestigen dan onder aanvulling met bewijsmiddelen.

10. Zowel in de besproken zaak als in de onderhavige zaak lijdt het vonnis uit de eerste aanleg, zij het op verschillende gronden, niet aan nietigheid. In zoverre leenden beide vonnissen zich voor bevestiging. Over de vraag of ook een vonnis dat niet aan nietigheid lijdt maar niet voldoet aan de eisen van het bepaalde in art. 359 lid 2 Sv zich ook voor kale bevestiging leent heeft de Hoge Raad zich niet uitgelaten, ook niet in HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:602.

11. In de onderhavige zaak komen we aan die vraag evenmin toe. In casu blijkt in hoger beroep niet van een ondubbelzinnige bekentenis van het tenlastegelegde. Verdachte is in hoger beroep immers niet verschenen terwijl niet blijkt van een eerdere bekentenis. Gelet op HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7971 had het Hof het vonnis dus niet mogen bevestigen zonder aanvulling van gronden, te weten de inhoud van de bewijsmiddelen. Dat was anders geweest als de onderhavige zaak in hoger beroep was behandeld door een enkelvoudige kamer als bedoeld in art. 411 lid 2 Sv. Dan geldt immers ook in hoger beroep (art. 425 lid 3 Sv) dat kan worden volstaan met aantekening van het arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op de door de Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen wijze, te weten zoals omschreven in de hiervoor reeds besproken Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling in strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197). In zo’n geval worden in hoger beroep – anders dan gelet op art. 415 jo 359 Sv in geval een zaak in hoger beroep wordt behandeld door een meervoudige kamer – aan een arrest geen andere of hogere eisen gesteld dan aan het vonnis in eerste aanleg.

12. In de schriftuur wordt niet uiteengezet welk belang de verdachte heeft bij de onderhavige klacht. Daarmee rijst de vraag of het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep evident is. Is dat niet het geval dan is het cassatieberoep immers bij gebreke van toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak niet-ontvankelijk (HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.6.2).3

13. Bij appelschriftuur heeft de verdachte bij wege van grieven gesteld dat hij een nieuwe behandeling wenst omdat “hij het er niet mee eens is”, omdat hij onschuldig is en omdat hij bezwaren heeft tegen de (hoogte van) de opgelegde straf. Hoewel de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt op verdachtes GBA-adres aan een huisgenoot, die zich bereid verklaarde de dagvaarding onverwijld aan de verdachte te overhandigen, en een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is gezonden naar het adres dat verdachte heeft opgegeven ter zitting van de Politierechter en bij het instellen van het appel, is verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen. Nu voorts geen verklaring wordt gegeven voor het feit dat verdachte, niettegenstaande zijn opgave bij appelschriftuur dat hij een nieuwe behandeling wenste, niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen is verdachtes belang bij de onderhavige klacht niet evident.

14. De vraag is vervolgens of dit inderdaad tot niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie dient te leiden. In HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:890 klaagde de verdachte dat het onderzoek ter terechtzitting nietig was, nu de Politierechter de verdachte ten onrechte niet het laatste woord had gegeven. In de conclusie had ik het standpunt ingenomen dat verdachtes belang bij deze klacht bepaald niet evident was. De Hoge Raad ging niet in op de vraag of verdachte belang had bij zijn klacht en vernietigde het bestreden arrest omdat een op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet was nageleefd. Dit kan – als ik het goed zie – drie dingen betekenen:

- de Hoge Raad achtte verdachtes belang bij zijn klacht ook zonder enige toelichting evident,

- gaat het om schending van een voorschrift waaraan de wetgever in verdachtes belang nietigheid heeft verbonden dan is daarmee diens belang bij een klacht over schending van zo’n voorschrift gegeven, of

- de Hoge Raad achtte het gelet op de aard van het geschonden voorschrift niet wenselijk gebruik te maken van de door art. 80a RO geboden mogelijkheid.

15. In het onderhavige geval kan mijns inziens niet worden gesteld dat de wetgever door het uitdrukkelijk stellen van nietigheid op schending van het bepaalde in art. 359 lid 3 Sv, tweede volzin, tot uitdrukking heeft gebracht dat verdachte steeds bij naleving van het bepaalde in art. 359 lid 3 Sv, tweede volzin, een rechtens te respecteren belang heeft. Voor Politierechterzaken in eerste aanleg en hoger beroep wordt immers een uitzondering op die regel toegestaan. De vraag is dus of het wenselijk is van de in art. 80a RO geboden mogelijkheid gebruik te maken.

16. De Hoge Raad heeft zich bij de controle op naleving van het bepaalde in art. 359 lid 3 Sv, tweede volzin, van zijn strenge kant doen kennen. Dat komt reeds tot uitdrukking in de eis dat deze bepaling alleen van toepassing is wanneer de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.4 Voorts abstraheert de Hoge Raad van de grond waarop vrijspraak is bepleit5 en wordt geëist dat verdachtes verklaring alle onderdelen van de bewezenverklaring betreft.6 Bij een dergelijke strenge uitleg past niet dat in een geval als het onderhavige gebruik wordt gemaakt van de door art. 80a RO geboden mogelijkheid de verdachte wegens onvoldoende belang bij zijn klacht niet-ontvankelijk te verklaren.

17. Het middel slaagt.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:602 onder verwijzing naar HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5605, NJ 2010/7.

2 Herhaald in HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4672.

3 Zie bijvoorbeeld HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:941.

4 Tenzij sprake is van de – zich hier niet voordoende – aan het slot van art. 359 lid 3 Sv genoemde gevallen.

5 O.a. HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3686, HR 29 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:AX5776.

6 HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0541.