Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1371

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-06-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
14/03291
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2480, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Oplegging taakstraf, art. 22b.2 Sr. Gelet op de inhoud van het zich bij de stukken bevindende UJD moet worden aangenomen dat de opgelegde taakstraf niet (of niet geheel) is verricht zonder dat blijkt dat de tenuitvoerlegging is bevolen van de vervangende hechtenis. Het kennelijke oordeel van het Hof dat art. 22b.2 Sr in de weg staat aan de oplegging van een taakstraf is daarom niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03291

Zitting: 2 juni 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 20 juni 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “mishandeling” en 2. “Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt op tegen de strafmotivering en bevat de klacht dat noch uit het zich bij de stukken van het geding bevindende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2014, noch uit enig ander gedingstuk, kan worden afgeleid dat art. 22b, tweede lid, Sr aan het opleggen van een werkstraf in de weg stond.

  4. Het bestreden arrest houdt als strafmotivering, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder artikel 22b, tweede lid van het Wetboek

van Strafrecht in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die leiden tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur.”

5. Ik ben van mening dat deze overweging niet anders kan worden verstaan dan dat het hof heeft geoordeeld dat art. 22b, tweede lid, Sr aan het opleggen van een werkstraf in de weg stond.

6. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2014, dat ingevolge art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad is toegezonden, blijkt dat aan verdachte bij vonnis van 12 maart 2010, parketnummer 05-600604-09, onherroepelijk geworden op 22 maart 2011, een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren is opgelegd. Hierbij staat vermeld ‘volledig tenuitvoergelegd bij 05-015131-13’.

7. Uit dit Uittreksel blijkt eveneens dat de verdachte bij vonnis van 22 maart 2013, parketnummer 05-015131-13, onherroepelijk geworden op 6 april 2013 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Bij deze zaak staat als beslissing tevens vermeld “40 Uren Werkstraf subsidiair 20 Dagen Hechtenis, volledige tenuitvoerlegging van 05-600604-09”, direct gevolgd door “Executie: --> 24 juli 2013 – 30 oktober 2013. Niet voldaan”.

8. Hieruit kan worden afgeleid dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 12 maart 2010 voorwaardelijk opgelegde werkstraf bij vonnis van 22 maart 2013 geheel is toegewezen. Tevens kan daaruit worden opgemaakt dat de opgelegde werkstraf kennelijk niet (of niet geheel) is voldaan.

9. Dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen, valt uit deze documentatie echter niet af te leiden. Het oordeel van het hof dat art. 22b, tweede lid, Sr aan het opleggen van een werkstraf in de weg stond, is dan ook niet zonder meer begrijpelijk, nu art. 22b, tweede lid, Sr alleen dan aan het opleggen van een taakstraf in de weg staat indien – voor zover hier van belang – op grond van art. 22g Sr de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.

10. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat de beslissingen ter zake van de strafoplegging en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG