Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1368

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-06-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
14/03032
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2479, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03032

Zitting: 2 juni 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 5 februari 2014 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “diefstal” veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis.

  2. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel bevat de klacht dat de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek van de verdediging om de getuigen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te horen, onbegrijpelijk is.

  4. De verdachte heeft de drie genoemde getuigen à décharge bij een tijdig ingediende appelmemorie opgegeven aan de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft het verzoek tot het oproepen van die getuigen voorafgaand aan de terechtzitting schriftelijk afgewezen. De raadsvrouw van verdachte heeft op de eerste terechtzitting van het hof het verzoek tot het horen van de drie getuigen gemotiveerd herhaald.

  5. Uitgangspunt is dat ingevolge (artikel 415, eerste lid, Sv jo.) artikel 287, derde lid, aanhef en onder a, Sv het hof in beginsel de door de verdediging verzochte, maar niet verschenen getuigen dient op te roepen, maar dat daarvan kan worden afgezien, onder andere indien er sprake is van een situatie als genoemd in artikel 288, eerste lid, onder c, Sv, namelijk dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

  6. De Hoge Raad heeft in zijn standaardarrest van 1 juli 2014 geoordeeld dat voor de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang geldt:

“dat alleen dan de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.”1

7. De verdediging heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 2 september 2013, de volgende toelichting gegeven op haar verzoek tot het horen van de drie getuigen:

“Mijn cliënt stelt echter dat er geen sprake was van diefstal, omdat hij het geld van de aangever tegoed had. Mijn cliënt stelt in dit verband dat aangever een aanzienlijk geldbedrag van mijn cliënt had gestolen en dat hij geen geld van aangever heeft weggenomen om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Mijn cliënt heeft ter opsporing van een strafbaar feit de tas van de aangever doorzocht en het gevonden geld onder zich gehouden. De aangever heeft vervolgens impliciet toestemming gegeven aan mijn cliënt om dit geld onder zich te houden, nu aangever de diefstal van het geld heeft erkend. Ik blijf bij het eerder door mijn cliënt in de appelmemorie van 5 december 2012 gedane verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3].”

en

“Het is niet zo dat als er geld is weggenomen, er ook gelijk een diefstal bewezen kan worden verklaard. Het gaat om het oogmerk en wat er over het geld is afgesproken. Daarom wil de verdediging eerder genoemde getuigen horen die bij het maken van deze afspraken aanwezig zijn geweest. Zij kunnen verklaren over het doel van het doorzoeken van de tas en over wat er door de aangever is gezegd. De getuige [betrokkene 3] kan ook verklaren over de diefstal door [betrokkene 4], nu die de beelden van het bedrijf heeft uitgekeken.”

8. Met andere woorden, het belang van de verdediging bij het horen van de getuigen was dat die getuigen konden bevestigen wat de verdachte stelde, namelijk:

  1. dat de aangever geld van verdachte had gestolen;

  2. dat de aangever, nadat de verdachte het geld uit de portemonnee had genomen, impliciet toestemming heeft gegeven aan verdachte om dit geld te behouden.

9. Het hof heeft zijn beslissing tot afwijzing van het getuigenverzoek als volgt gemotiveerd:

“Het criterium dat aan de orde is betreft het verdedigingsbelang. Het hof is van oordeel dat de verdachte niet redelijkerwijs in zijn verdediging is geschaad bij het afwijzen van de verzoeken tot het horen van de getuigen, nu de omstandigheid waarover de raadsman de getuigen wil horen niet relevant is voor de beoordeling van het tenlastegelegde. De verdachte kan zich ter terechtzitting uitlaten over wat er is gebeurd of gezegd.”

10. Hoewel het hof het duidelijker had kunnen verwoorden ligt naar mijn mening in de motivering van de beslissing tot afwijzing van het verzoek besloten, dat het hof de verklaringen van de getuigen – ook als die precies zouden inhouden wat de verdediging voor ogen had – niet van belang achtte voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. Daarbij heeft het kennelijke oordeel van het hof, zoals dat ook uit de bewijsbeslissing kan worden afgeleid, dat een achteraf gegeven (impliciete) toestemming door de aangever, de diefstal en het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening niet teniet doet, de doorslag gegeven. Zo bezien is de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen niet onbegrijpelijk.

11. Het eerste middel faalt.

12. Het tweede middel bevat de klacht dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet uit de bewijsvoering kan volgen, althans dat het hof het daarop betrekking hebbende verweer op ontoereikende gronden heeft verworpen.

13. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard:

“dat hij op 30 juni 2012 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [betrokkene 4].”

14. Het hof heeft daaraan de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

“1. Een proces-verbaal met het nummer PL 1308 202180490-1 van 10 juli 2012 (doorgenummerde pagina 01 e.v.), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - de op voormelde datum tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:

Op 30 juni 2012 verbleef ik in het bedrijfspand van [verdachte] te [plaats]. [verdachte] heeft toen mijn spullen uit de slaapkamer gehaald en in zijn kantoor neergelegd.

2. Een proces-verbaal met het nummer 202180490-1 van 11 juli 2012 (doorgenummerde pagina 04 ee v.), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - de op voormelde datum tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:

Toen ik op 30 juni 2012 in de slaapkamer in het bedrijfspand van [verdachte] te [plaats] wakker werd zag ik dat mijn tas niet meer in de slaapkamer lag. In het voorvakje van mijn tas had ik een bruine envelop zitten met daarin twee briefjes van 50 euro. In mijn portemonnee had ik twee briefjes van 20 euro. Ik hoorde Norbert vervolgens zeggen: „Er is 1.100 euro weg, maar hij had 140 euro in zijn portemonnee; die heb ik er uit gehaald.”

Toen ik vervolgens in mijn tas keek, zag ik dat de twee briefjes van 20 euro uit mijn portemonnee verdwenen waren. Ook zag ik dat de twee briefjes van 50 euro met meer in het envelopje zaten (en ook niet elders in mijn tas zaten, naar het hof begrijpt).

3. De verklaring van de verdachte - voor zover hier van belang - als afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 22 januari 2014:

Ik heb op 30 juni 2012 te Amsterdam het geld uit de tas van [betrokkene 4] gepakt. Ik heb het geld op mijn bureau gelegd. Ik had geen voorafgaande toestemming om het geld te pakken.”

15. Het hof heeft in reactie op het bewijsverweer van de verdediging overwogen:

“De verdachte heeft gesteld dat [betrokkene 4] - die bevriend was met de zoon van de verdachte en enige tijd in verdachtes woning heeft verbleven - voorafgaand aan 30 juni 2012 in vier tranches een geldbedrag van in totaal € 1.250,- van hem heeft gestolen. Op 30 juni 2012 heeft de verdachte uit [betrokkene 4] portemonnee geld gepakt en op een tafel gelegd. Vervolgens heeft hij [betrokkene 4] gewekt en met de, volgens verdachte, door [betrokkene 4] gepleegde diefstal geconfronteerd. [betrokkene 4] zou er mee hebben ingestemd dat de verdachte het geldbedrag uit de portemonnee - een bedrag tussen de 130 en 140 euro - verrekende met het gestolen bedrag en zou hebben beloofd dat hij de rest van het bedrag van in totaal € 1.250,- zou terugbetalen aan verdachte. Bij deze stand van zaken heeft de verdachte zich het geld niet toegeëigend en heeft hij bovendien niet wederrechtelijk gehandeld, aldus de raadsvrouw. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken.

Het hof stelt vast dat de verdachte op 30 juni 2012, vergezeld door twee medewerkers, de tas van [betrokkene 4] - die lag te slapen - heeft gepakt en uit die tas het geldbedrag heeft gepakt. Vervolgens heeft hij [betrokkene 4] gewekt en geconfronteerd met zijn verdenkingen jegens hem. Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet beschikte over de serienummers van het beweerdelijk gestolen geld en dat hij niet kan bewijzen dat het briefgeld, dat hij uit de tas van [betrokkene 4] heeft gehaald, oorspronkelijk aan hem, verdachte, toebehoorde. Naar het oordeel van het hof is hiermee reeds gegeven dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld. Immers heeft de verdachte zonder voorafgaande toestemming daartoe geld uit de tas van [betrokkene 4] ter toe-eigening gepakt. Het enkele feit dat [betrokkene 4] achteraf er mee zou hebben ingestemd dat het geldbedrag verrekend zou worden met het bedrag dat de verdachte nog van hem tegoed zou hebben - wat daar ook van zij - maakt dat niet anders, in het bijzonder niet omdat [betrokkene 4] aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn geld. Voor wat betreft de toe-eigening stelt het hof vast dat de verdachte het geld uit de tas van [betrokkene 4] heeft gepakt en op een tafel heeft gelegd. Door aldus te handelen heeft de verdachte het geld aan de machtssfeer van [betrokkene 4] onttrokken en zelf als heer en meester er over beschikt.”

16. Volgens de steller van het middel meende verdachte en kon verdachte menen dat hij zich met recht – derhalve niet wederrechtelijk – het geld uit de portemonnee van [betrokkene 4] had toegeëigend, enerzijds omdat hij geld tegoed had van [betrokkene 4] en anderzijds omdat [betrokkene 4], nadat verdachte het geld had weggenomen, (impliciet) toestemming heeft gegeven om het geld te behouden.

17. Ik kan deze redenering niet volgen. Volgens vaste rechtspraak geeft een (civielrechtelijke) aanspraak jegens een derde, geen titel voor eigenmachtige toe-eigening van geld of goederen van die derde.2 Indien en voor zover de verdachte dus een (civielrechtelijke) aanspraak jegens [betrokkene 4] had, gaf hem dat niet de bevoegdheid om zonder toestemming de niet aantoonbaar aan hem toebehorende bankbiljetten weg te nemen. In die zin handelde de verdachte derhalve niet rechtmatig.

18. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt verder dat de verdachte wist dat hij van [betrokkene 4] geen toestemming had om het geld bij hem weg te nemen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte het geld heeft weggenomen terwijl [betrokkene 4] lag te slapen. Dat de verdachte de wegnemingshandeling met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft verricht is derhalve naar de eis der wet met redenen omkleed. Het daartegen gerichte verweer van de verdediging is op toereikende gronden verworpen.

19. Het tweede middel faalt eveneens.

20. De middelen kunnen niet tot cassatie leiden en met een aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 1 juli 2014, r.o. 2.5, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers.

2 HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1426, r.o. 2.3, NJ 2014/41, met red. aant,; HR 15 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1496, r.o. 3.3; HR 14 mei 1996, DD96.304; NLR Strafrecht, artikel 310 Sr, aant. 6.