Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1362

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-06-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
14/02719
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2481, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02719

Zitting: 2 juni 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 28 april 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “mishandeling”, veroordeeld tot 60 uren werkstraf, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis. Tevens is de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

  2. Mr. M. Rotgans, advocaat te Utrecht, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld. Beide middelen hebben betrekking op de verwerping door het hof van een beroep op (putatief) noodweer.

  3. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte:

“op of omstreeks 16 juni 2013 te Bunnik opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever] ), (met kracht) met het hoofd heeft geslagen tegen het gezicht, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”

4. Het bestreden arrest houdt in, voor zover voor de bespreking van de middelen van belang:

“Strafbaarheid van de verdachte

Ter zitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde primair sprake is geweest van noodweer, subsidiair van noodweerexces en meer subsidiair van putatief noodweer hetgeen dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

De gronden van het verweer zijn neergelegd in de door de raadsvrouw ter zitting overgelegde pleitaantekeningen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe het volgende:

De verdachte heeft bij de politie, ter zitting in eerste aanleg en ook bij het hof verklaard dat aangever, nadat hij had gereageerd op een opmerking van aangever, met zijn hoofd naar voren kwam en hem een kopstoot gaf. Direct reageerde verdachte door aangever een kopstoot tegen diens hoofd te geven. De aangever heeft daarentegen verklaard dat hij terwijl hij iets tegen verdachte zei, zijn hoofd op een afstand van ongeveer 15 cm van het gezicht van verdachte hield. Hij heeft niet verklaard dat hij verdachte vervolgens een kopstoot heeft gegeven.

De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zag dat een persoon (aangever) met zijn hoofd richting de ander (verdachte) ging en dat dit leek op een soort schijnbeweging. Vervolgens zag deze getuige dat de ander (verdachte) daarop reageerde door een kopstoot te geven. Deze getuige is nadien ter zitting in eerste aanleg gehoord en heeft aldaar bevestigd dat verdachte aan aangever een kopstoot heeft gegeven. Een kopstoot van aangever aan verdachte heeft de getuige niet waargenomen.

Een andere getuige [betrokkene 2] heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat zij zag dat een jongen naar voren bewoog en verdachte naar achteren. Daarna bewoog verdachte naar voren en die jongen naar achteren. Zij heeft niet gezien dat zij elkaar geraakt hebben.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat alleen verdachte een kopstoot heeft uitgedeeld aan aangever. Het hof sluit niet uit dat het letsel dat verdachte heeft opgelopen kan zijn ontstaan door het geven van die kopstoot door verdachte aan aangever.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het voor verdachte niet mogelijk is geweest zich aan de situatie te onttrekken door zich van het incident te verwijderen en dat het door verdachte gekozen middel noodzakelijk was voor zijn verdediging.

Verdachte heeft niet bij zijn verhoor bij de politie, maar pas ter zitting in eerste aanleg en bij het hof verklaard dat hij zich tijdens het incident niet kon verwijderen doordat hij werd omringd door personen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de verklaring van verdachte bij de politie en op hetgeen de getuigen hebben verklaard, er van moet worden uitgegaan dat verdachte zich, nadat aangever met zijn hoofd dichtbij het hoofd van verdachte kwam, voor zover dit al als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding zou moeten worden gezien, zich van het incident had kunnen verwijderen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het door verdachte aangewende middel geboden was voor zijn noodzakelijke verdediging. Het noodweer(exces) wordt eveneens op grond van het vorenstaande verworpen. Ook het putatief noodweerverweer wordt verworpen. Niet aannemelijk is geworden dat gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden verdachte ervan uit mocht gaan dat aangever tijdens de ruzie/woordenwisseling een kopstoot zou gaan geven.”

5. In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat sprake was van een noodweersituatie wegens een dreigende aanval van aangever, althans dat het hof de beslissing dat geen sprake was van een noodweersituatie onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd.

6. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding nu de aangever eerst verdachte een kopstoot heeft gegeven voordat verdachte de aangever een kopstoot gaf. Daarbij is niets opgemerkt omtrent een dreigende aanval of aanranding. De enige verwijzing naar een dreigende aanval is vermeld onder het kopje dat ziet op de subsidiariteit van verdachtes gestelde verdediging, en houdt in dat “gelet op de aanval, dan wel dreigende aanval van aangever” redelijkerwijs niet van verdachte gevergd kon worden te vluchten. Een en ander kan mijns inziens niet worden aangemerkt als een duidelijk, door argumenten geschraagd standpunt dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie, inhoudend dat (ook) vanwege de dreigende aanval van aangever sprake was een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dus van een noodweersituatie. Reeds gelet daarop faalt het middel.

7. Maar ook als wordt aangenomen dat hetgeen is aangevoerd wel (mede) kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat sprake was van een noodweersituatie wegens een dreigende aanval van aangever1, faalt het middel. Met de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat in het midden kan worden gelaten of sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of van een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding, nu een beroep op noodweer hoe dan ook niet kan slagen omdat verdachte zich aan de situatie had kunnen (en dus ook had moeten) onttrekken. Dat oordeel wordt in cassatie niet betwist en draagt de verwerping van het noodweerverweer zelfstandig. 2 In die overweging ligt de weerlegging van het in het middel bedoelde standpunt besloten. Voor zover daarnaast wordt geklaagd dat het hof de beslissing dat geen sprake was van een noodweersituatie onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat geen sprake was van een noodweersituatie, maar heeft dat in het midden gelaten.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het beroep op putatief noodweer op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft verworpen.

10. In de hiervoor weergegeven overwegingen ligt eveneens de verwerping van het beroep op putatief noodweer besloten. Ook als naar het oordeel van het hof feiten en omstandigheden aannemelijk zouden zijn geworden die verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat de aangever tot de aanval over zou gaan, dan blijft het oordeel van het hof gelden dat hij zich aan die mogelijke aanval had kunnen en moeten onttrekken door zichzelf van het incident te verwijderen. Zo bezien is het voor de beoordeling van de beslissing van het hof irrelevant of het heeft geoordeeld dat verdachtes inschatting van de situatie al dan niet voorstelbaar of begrijpelijk was. Ook als dat het geval was geweest, zou het beroep op putatief noodweer al stranden op het oordeel dat verdachte niet zo had mogen reageren. Bedoelde overweging draagt daarom ook de verwerping van het beroep op putatief noodweer zelfstandig. Hetgeen het hof daarnaast ten aanzien van dat verweer heeft overwogen, te weten dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte ervan uit mocht gaan dat aangever tijdens de ruzie/woordenwisseling een kopstoot zou gaan geven, kan daarom buiten bespreking blijven.

11. De middelen falen beide en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO bedoelde motivering.

12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Onder een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in art. 41 Sr (waarin de strafuitsluitingsgronden noodweer en noodweerexces zijn neergelegd) wordt onder omstandigheden mede begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. Zie bijv. HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773.

2 Overigens geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik het ook niet onbegrijpelijk, gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden. Zoals mijn voormalig ambtgenoot Wortel in zijn conclusie van 19 september 2006 (ECLI:NL:PHR:2006:AY8849) opmerkte, behoort de individuele verantwoordelijkheid voor het vermijden van gewelddadige situaties een prominente plaats te hebben, en mag (en moet) de strafrechter het tot zijn taken rekenen om in ieder voorkomend geval te benadrukken dat gewelddadigheid jegens een ander (of een anders eigendom) niet geoorloofd is, tenzij zich een uitzonderlijke situatie voordoet waarin de wet een legitimatie verschaft en dan nog slechts binnen de strikte grenzen die de wetgever dient te trekken. De strafrechter moet daarom ruimte gelaten worden om naar aanleiding van een beroep op (putatief) noodweer(exces), te onderzoeken of de verdachte het conflict had kunnen voorzien en (dus) vermijden, of hij ook bij een onvoorziene conflictsituatie gelegenheid heeft gehad zich aan de confrontatie te onttrekken en of hij bij de keuze van afweermiddelen voldoende zorgvuldig is geweest.