Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1360

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-06-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
14/02112
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2483, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 342.2 Sv, unus testis. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515. Het kennelijke oordeel van het Hof dat het bewijs dat vd het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan niet alleen kan worden aangenomen o.g.v. hetgeen de aangeefster heeft verklaard maar dat de door haar gereleveerde feiten en omst. voldoende steun vinden in ander gebezigd bewijsmateriaal is niet zonder meer begrijpelijk, nu immers de belastende inhoud van de overige bewijsmiddelen slechts is te herleiden tot de eigen verklaring van de aangeefster. Het Hof heeft kunnen oordelen dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 5 tenlastegelegde voldoende steun vindt in ander gebezigd bewijsmateriaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2015/185 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02112

Zitting: 2 juni 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 13 maart 2014 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1. en 2. (telkens) “Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd”, 3. “Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd”, en 5. “Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] ten dele toegewezen en is aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter hoogte van de toegewezen vordering. Ten slotte is aan de verdachte tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter vergoeding van schade van slachtoffer [betrokkene 2] .

  2. Mr. M.L. Groeneveld, advocaat te Rotterdam, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 5 in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv telkens in essentie heeft gebaseerd op de verklaring van één getuige, te weten die van de aangeefster, zonder dat deze afdoende bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Deze andere bewijsmiddelen zijn volgens de steller van het middel alle te herleiden tot de verklaringen van de respectievelijke aangeefsters en gebaseerd op hetgeen zij aan elkaar en aan andere getuigen hebben verteld.

  4. Voor de beoordeling van het middel is het navolgende van belang. Het tweede lid van art. 342 Sv houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Dit voorschrift betreft de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. De vraag of aan het zogenoemde bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel nader heeft gemotiveerd. Vereist is in ieder geval dat de verklaring van de getuige voldoende wordt ondersteund door bewijsmateriaal uit een andere bron, hetgeen het geval zal zijn als het verband tussen die verklaring en de overige bewijsgronden niet te ver verwijderd is.1

5. De vraag of er voldoende steunbewijs aanwezig is indien de bewezenverklaring zwaar leunt op de verklaring van één getuige, zoals vaak het geval is bij zedendelicten, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn daarvoor enige regels in de jurisprudentie geformuleerd. Zo moet het steunbewijs “voldoende steun” geven aan de verklaring van de getuige, dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staat met de inhoud van de verklaring van die getuige.2 Duidelijk is in ieder geval dat het steunbewijs in beginsel niet afkomstig mag zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat haar of hem is overkomen. Een dergelijke de auditu verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op.3 Wel zouden bepaalde waarnemingen die de getuige de auditu persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs kunnen opleveren. In dit verband heeft mijn ambtgenoot Hofstee in zijn conclusie voor HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158 opgemerkt dat eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt (bijvoorbeeld de seksuele handelingen) bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend kunnen zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis kunnen spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer.4 Hofstee noemt als voorbeelden de fysieke of geestelijke staat waarin het jonge slachtoffer zich bevond, de kleding die het slachtoffer droeg. Dat de dagboekaantekeningen van het slachtoffer hier ook toe behoren, zoals Hofstee in zijn conclusie aangaf, heeft de Hoge Raad in zijn daaropvolgende arrest niet overgenomen. Ik veronderstel, met annotator Reijntjes, dat dit komt omdat deze dagboekaantekeningen ook rechtstreeks te herleiden zijn tot de aangeefster en derhalve niet afkomstig zijn uit een andere bron.5

6. Tot slot is van belang dat in cassatie niet (meer) aan de orde is of het steunbewijs al dan niet overtuigend is, dat is immers aan de waardering van de feitenrechter overgelaten. Nagegaan wordt slechts of er naast de getuigenverklaring iets is dat als steunbewijs kan worden gekwalificeerd. In dat verband is de bewijsmotivering waarin de rechter duidelijk maakt waarom bepaald materiaal als steunbewijs wordt aangemerkt van belang en in sommige gevallen zelfs onmisbaar, zij het dat deze door de Hoge Raad alleen op begrijpelijkheid wordt getoetst.

7. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van het middel.

8. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezen verklaard dat:

1. hij in de periode van 30 december 1996 tot en met 28 december 1999 te Curaçao, meermalen met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1987, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [betrokkene 1] , namelijk het brengen en/of houden van zijn penis in de vagina van [betrokkene 1] en brengen en/of houden van één of meer van zijn vingers en een kaars in de vagina van [betrokkene 1] ;

2. hij in of omstreeks de periode van 13 april 1999 tot en met 11 april 2005 te Curaçao en Rotterdam, meermalen met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1993, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [betrokkene 2] , namelijk het brengen en/of houden van zijn penis in de vagina van [betrokkene 2] en brengen en/of houden van één of meer van zijn vingers in de vagina van [betrokkene 2] ;

3. hij in de periode van 12 april 2005 tot en met 12 april 2006 te Rotterdam, met [betrokkene 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog met die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [betrokkene 2] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van [betrokkene 2] geduwd/gebracht en één of meer van zijn vingers in de vagina van [betrokkene 2] geduwd/gebracht;

hij in december 2000 te Rotterdam met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [betrokkene 3] (geboren op [geboortedatum] 1985), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het

- wrijven over/masseren van en likken van de vagina en/of clitoris van [betrokkene 3] en

- wrijven met zijn, verdachtes, penis over de vagina van [betrokkene 3] .”

9. Het hof heeft in de bijlage bij het arrest vermeld dat het dezelfde bewijsmiddelen bezigt als de rechtbank. Deze bijlage bevat uitsluitend de volgende tekst:

“Bijlage, betreffende de bewijsmiddelen in de zaak tegen de verdachte, genaamd:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945.

Het hof bezigt dezelfde bewijsmiddelen als de rechtbank. Deze bewijsmiddelen zijn vermeld in de bijlage bij het vonnis d.d. 26 januari 2012.”

10. De bijlage bij het vonnis in eerste aanleg d.d. 26 januari 2012 bevat de volgende bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal aangifte van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2010015485-1, d.d. 23 januari 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10 t/m 15):

als de op 23 januari 2010 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1987):

Ik ben van mijn negende tot en met mijn elfde levensjaar misbruikt door mijn stiefvader [verdachte] . Dit vond dagelijks plaats in ons huis aan de [a-straat 1] op Curaçao, waar ik vanaf mijn zevende jaar woonde met mijn moeder, [verdachte] en (tot een bepaald moment) zusje [betrokkene 2] .

Toen ik negen jaar oud was, ging [verdachte] met zijn middelvinger en daarna met twee vingers in mijn vagina. Hij gebruikte hierbij veel zalf uit een grote doorzichtige pot met een witte dop waarop “Vaseline” stond. Hij maakte heen en weer gaande bewegingen in en uit mijn vagina.

Daarna zaten er steeds een paar dagen tussen als het weer gebeurde.

Op een gegeven moment gebruikte hij Vaseline of babyolie om een grote dikke witte kaars in mijn vagina te stoppen en dan heen en weer te gaan. Ik kan mij nog heel erg goed herinneren dat de babyolie van Johnson en Johnson was met een rode dop erop.

Al vrij snel ging hij ook met zijn penis in mijn vagina. [verdachte] kwam dan mijn slaapkamer in als ik sliep en maakte mij wakker. [betrokkene 2] was nog heel erg klein en lag in een babybox in mijn slaapkamer. Hij legde dan een handdoek over de babybox heen. Ik weet nog dat hij in mijn bed bovenop mij kwam liggen. Ik probeerde mijn benen stijf tegen elkaar aan te houden, maar hij was sterker dus dat lukte niet. Ik lag op mijn rug en hij ging dan vervolgens met zijn penis in mijn vagina. Als hij in mij zat, ging hij op en neer met zijn lichaam.

Na die eerste keer echte seks werd het dagelijks. Hij kwam bijna elke avond naar mijn slaapkamer om seks met mij te hebben. Dat ging voor zover ik nog weet altijd op dezelfde manier. Elke dag werd ik verkracht en dat ging door tot ik elf jaar oud was.

Op een dag vond ik een brief die [verdachte] aan mij had geschreven. Daarin vroeg hij mij waarom ik zo afstandelijk tegen hem deed. Vanaf die dag heeft hij nooit meer iets bij mij gedaan.

Op 8 januari 2012 was ik bij mijn moeder thuis in Rotterdam. Ik hoorde mijn moeder en [betrokkene 2] in de keuken huilen. De beste vriendin van [betrokkene 2] , [betrokkene 4] , was er ook bij. Mijn moeder vertelde toen dat [verdachte] seks met [betrokkene 2] had gehad. [betrokkene 2] vertelde dat zij van haar nichtje [betrokkene 3] had gehoord dat hij het ook bij haar had gedaan. Tevens zou [verdachte] tegen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben gezegd dat ik al heel jong met jongens was begonnen en dat ik op mijn negende al ontmaagd was. Hij zou mij geleerd hebben hoe ik met jongens om moest gaan. Toen heb ik het verteld. [betrokkene 2] heeft mij verteld dat hij haar van haar zesde tot haar dertiende heeft misbruikt op de [b-straat 1] in Rotterdam waar zij met hem woonde.

2. het proces-verbaal aangifte van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2010030290-1, d.d. 27 januari 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 28 t/m 33):

als de op 27 januari 2010 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 2] (geboren op [geboortedatum] 1993):

Mijn vader [verdachte] heeft hij van mijn zesde tot mijn dertiende levensjaar seksueel misbruikt. Dit gebeurde tijdens een vakantie op Curaçao aan de [a-straat 1] en in ons huis aan de [b-straat 1] te Rotterdam.

Toen ik zes jaar oud was, woonde ik met mijn moeder en halfzus [betrokkene 1] in een huis op Curaçao. [verdachte] woonde in Nederland aan de [b-straat 1] te Rotterdam. Mijn vader kwam af en toen naar Curaçao en logeerde dan in een logeerkamer naast ons huis. Als mijn vader er was, was ik alleen met hem in huis.

Op een dag toen ik zes jaar oud was, zei mijn vader dat ik mijn zwemkleding aan moest doen en bij hem op bed moest komen liggen. Hij zei dat ik op hem moest gaan liggen en mijn bikinibroekje uit moest doen. Ik weet nog dat hij alleen een zwembroek aan had, die hij ook uit deed. Ik moest op hem gaan zitten ter hoogte van zijn kruis. Hij zei tegen mij dat ik mijn voeten naast zijn benen moest zetten en terwijl hij dit zei, pakte hij mijn benen vast en zette ze naast hem, aan elke kant één been. Vervolgens ging hij met zijn vinger in mijn vagina en meteen hierna voelde ik zijn penis in mijn vagina gaan. Toen zijn penis erin zat, begon hij bewegingen op en neer te maken. Ik moest van hem meegaan met die bewegingen.

Drie dagen later gebeurde het weer. Ik was alleen met hem in het huis toen hij mij wederom naar zijn logeerkamer riep. Ik moest weer gaan liggen waarna hij mijn kleren uitdeed en weer seks met mij had. Ik moest toen weer boven op hem gaan zitten en eigenlijk ging het op dezelfde manier als drie dagen daarvoor.

Hierna ging hij terug naar Nederland.

Hetzelfde jaar ben ik nog een keer op vakantie gegaan naar mijn vader in Nederland. Mijn nicht [betrokkene 3] logeerde toen bij mij. Zij vertelde mij toen dat mijn vader haar had gemasseerd en daarna met zijn penis in haar vagina was gegaan. Dit zou in het huis van mijn vader aan de [b-straat 1] zijn gebeurd. Ik heb haar toen gezegd dat hij het ook bij mij deed.

Toen ik ongeveer elf jaar oud was, heeft mijn vader mij vanuit Curaçao meegenomen naar Nederland. Ik ben toen bij hem gaan wonen aan de [b-straat 1] . Toen ik ongeveer elf jaar oud was, moest ik weer seks met hem hebben in de kamer van mijn halfbroer. Hij kwam op mij liggen en deed zijn penis weer in mijn vagina.

Na die dag heb ik tot aan mijn dertiende nog ongeveer vijf keer seks met mijn vader moeten hebben. Dat ging steeds op dezelfde manier. Hij riep mij bij zich en dan moest ik weer op bed gaan liggen. Soms was dit het bed van mijn halfbroer en soms het bed van mijn vader. De ene keer moest ik mijzelf uitkleden en de andere keer deed hij mijn kleren uit. Hij kleedde zichzelf altijd uit als wij op bed lagen. Ik moest dan op hem gaan liggen of hij kwam op mij liggen. Mijn benen deed hij altijd met zijn handen uit elkaar. Hij kwam dan altijd met zijn penis in mijn vagina en ging hierna op en neer in mij. Ik weet dat hij altijd een harde penis had, doordat ik echt voelde dat er iets hards in mijn vagina ging. Voordat hij bij mij naar binnen ging smeerde hij altijd zijn penis in met Vaseline. Ik weet dat dit Vaseline was, omdat er altijd een crèmekleurige pot met een roze deksel naast het bed op de grond stond. Nadat ik op mijn dertiende voor het eerst ongesteld was geworden, is er nooit meer iets gebeurd.

Een paar jaar later raakte ik in gesprek met [betrokkene 3] . Wij vertelden aan elkaar wat mijn vader ons had aangedaan.

In 2008 heb ik alles aan mijn vriendin [betrokkene 4] verteld.

Begin januari 2010 kreeg ik ruzie met mijn vader. Ik wilde toen alles aan mijn moeder vertellen. Mijn vriendin [betrokkene 4] heeft het hele misbruikverhaal aan mijn moeder verteld. Mijn zus, die ook in het huis aanwezig was, kwam op ons gehuil af. Toen ze hoorde dat ik seksueel misbruikt was door mijn vader, vertelde zij dat het ook bij haar was gebeurd vroeger.

3. het proces-verbaal aangifte van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. PL17E0 2010045551-1, d.d. 20 februari 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 51 t/m 57):

als de op 20 februari 2010 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 3] (geboren op [geboortedatum] 1985):

Mijn oom [verdachte] heeft mij seksueel misbruikt toen ik vijftien jaar oud was. Hij woonde destijds met mijn nichtje [betrokkene 2] aan de [b-straat 1] te Rotterdam. Op een dag was ik bij [verdachte] en [betrokkene 2] . Ik weet de datum niet zeker, maar het staat mij bij dat het 4 december 2000 was. Ik had erge spierpijn in mijn rug. Toen ik dit tegen [verdachte] zei, stelde hij voor om mijn rug te masseren. We zijn toen naar de slaapkamer van [betrokkene 2] gegaan. Daar moest ik me van [verdachte] helemaal uitkleden. Ik ben vervolgens op mijn buik op iets hoogs gaan liggen. Hij begon mijn rug te masseren met olie. Opeens voelde ik dat hij mijn billen begon te masseren. Ik voelde dat hij met beide handen tussen mijn benen ging en met zijn vingers echt tussen mijn schaamlippen kwam. Ik voelde dat hij tussen mijn schaamlippen bleef wrijven met zijn vingers. Ook kan ik mij herinneren dat hij met zijn vingers over mijn clitoris ging en deze masseerde. Het staat mij bij dat hij ook aan de voorkant via mijn vagina tussen mijn schaamlippen zat.

Diezelfde avond ben ik met mijn kleren aan op het bed van [verdachte] gaan liggen om televisie te kijken. Opeens kwam [verdachte] naast mij op bed liggen. Ik lag op mijn zij en hij kwam achter mij liggen met zijn hele lichaam tegen mij aan en zijn beide armen om mij heen. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei dat hij [betrokkene 1] op haar negende al had geleerd hoe zij met mannen moest doen als ze seks met hen had. Hij had haar al voorbereid, zei hij. Ik voelde dat hij met zijn hand over mijn borsten wreef. Daarna heeft hij mijn shirtje uitgedaan en begon over mijn blote borsten heen te wrijven. Op een gegeven moment waren ook mijn broek en onderbroek uit en lag ik helemaal naakt op bed. Hij deed mijn benen uit elkaar en begon mijn vagina en clitoris te likken. Hij kwam hierbij met zijn tong echt tussen mijn schaamlippen. Hij haalde zijn penis door zijn gulp uit zijn broek en begon met zijn penis over mijn vagina heen te wrijven.

De dag daarna heb ik alles verteld aan de dochter van [verdachte] , [betrokkene 6] . Ongeveer een jaar later heb ik het aan mijn moeder verteld. Zij heeft de familie ingelicht. Toentertijd is er een gesprek geweest tussen [verdachte] , mij, mijn tante [betrokkene 7] , mijn tante [betrokkene 8] en mijn moeder.

Ongeveer twee jaar geleden vertelde [betrokkene 2] aan mij dat haar vader haar seksueel had misbruikt toen ze heel klein was. Ik heb haar toen verteld dat ik ook seksueel misbruikt was door [verdachte] . Tijdens dat gesprek bleek dat we het gevoel altijd al hadden gehad, maar het nooit echt aan elkaar hadden verteld.

4. het proces-verbaal verhoor getuige van de politie Rotterdam-Rijmond, nr. 2010015485-4, d.d. 28 januari 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 16 t/m 19 en bijlage blz. 20 en 21):

als de op 28 januari 2010 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :

In januari 2010 vertelde [betrokkene 1] mij dat [betrokkene 2] een brief zou hebben geschreven aan [verdachte] . Ik heb de brief gelezen en voelde dat er iets niet goed was. Ik ben met [betrokkene 1] naar huis gegaan, toen kwamen [betrokkene 2] en haar vriendin [betrokkene 4] ook. Ik vertelde [betrokkene 2] dat ik de brief had gelezen en vroeg wat er was gebeurd. Ik hoorde dat [betrokkene 4] tegen mij zei dat [betrokkene 2] seksueel misbruikt was door [verdachte] . [betrokkene 2] vertelde dat haar nicht [betrokkene 3] tegen haar had gezegd dat [verdachte] haar ook seksueel had misbruikt. Ik heb [betrokkene 3] gebeld. Ze zei dat ze inderdaad ook door [verdachte] was misbruikt. Daarna vertelde [betrokkene 1] dat hij het ook bij haar had gedaan. De brief die [betrokkene 2] aan [verdachte] heeft gestuurd, geef ik aan u.

5. het proces-verbaal verhoor getuige van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. PL17E0 2010030290-3, d.d. 11 maart 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 36 t/m 38):

als de op 11 maart 2010 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :

Ongeveer twee jaar geleden vertelde [betrokkene 2] aan mij dat haar vader [verdachte] haar gebruikt had voor seks. Ze vertelde dat het meerdere keren was gebeurd thuis aan de [b-straat 1] . Ze vertelde dat hij het ook met haar nicht [betrokkene 3] had gedaan.

In januari 2010 heeft [betrokkene 2] een brief geschreven over alles wat er gebeurd was. Ik heb begrepen dat haar vader die brief heeft gevonden en aan haar moeder heeft laten lezen. Op die dag, begin januari, vroeg haar moeder waar die brief over ging. [betrokkene 2] vroeg of ik het aan haar moeder wilde vertellen. Ik heb toen tegen haar moeder gezegd dat haar vader [betrokkene 2] gebruikte voor seks. Toen de zus van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , het hoorde, zei ze dat hij ook iets bij haar had gedaan.

6. het proces-verbaal verhoor verdachte van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. PL17E0 2010045551-8, d.d. 14 april 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 69 t/m 72):

als de op 14 april 2010 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van verdachte:

[betrokkene 2] kwam vanaf ongeveer haar zesde levensjaar bij mij in Nederland wonen. [betrokkene 3] kwam toen ook regelmatig bij mij thuis, ze bleef dan ook wel slapen. [betrokkene 3] had op een gegeven moment pijn over haar hele lichaam. Ik heb haar toen gemasseerd op een matras in de slaapkamer van [betrokkene 2] . Omdat ik toen zelf pijn had, ben ik in mijn eigen slaapkamer op bed naar liggen. [betrokkene 3] is toen bij mij komen liggen. [betrokkene 3] is daarna naar huis gegaan en heeft aan haar moeder verteld dat ze seksueel geprikkeld was door mijn massage.

7. het proces-verbaal verhoor getuige van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. PL17E0 2010045551-3, d.d. 11 maart 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 58 t/m 60):

als de op 11 maart 2010 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 9] :

Ik ben de moeder van [betrokkene 3] . [verdachte] is mijn broer. Ik denk ergens in maart 2001 vertelde [betrokkene 3] aan mij dat ze was misbruikt door [verdachte] . [betrokkene 3] vertelde dat ze een keer bij [betrokkene 2] en [verdachte] aan het logeren was en dat ze ’s avonds op het bed van [verdachte] televisie lag te kijken. Hij had op bed heel hard in haar tieten geknepen en had met zijn penis aan het randje van haar vagina gezeten. Toen hij dit deed, zou hij tegen haar gezegd hebben dat hij dit ook bij zijn stiefdochter [betrokkene 1] had gedaan, zodat ze wist hoe ze met mannen om moest gaan. Toen ze mij dit vertelde, herinnerde ik mij een logeerpartijtje van een jaar eerder. Ik weet nog dat we in de auto zaten en dat [betrokkene 3] zei dat ze pijn in haar schouders had. [verdachte] zei toen dat hij haar wel even zou masseren. Toen is het waarschijnlijk gebeurd.

In januari 2009 heb ik aan [verdachte] gevraagd of het waar was. Ik hoorde dat hij tegen mij zei dat [betrokkene 3] heel nieuwsgierig was en dat het een extase was. Hij ontkende dus niks, maar bleef heel vaag.

8. het proces-verbaal verhoor getuige van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. PL17E0 2010045551-4, d.d. 11 maart 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 61 t/m 63):

als de op 11 maart 2010 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 12] :

Ik ben de zus van [betrokkene 3] . Ergens in 2001 zei mijn moeder dat er iets ergs was gebeurd en dat ome [verdachte] incest had gepleegd met [betrokkene 3] . Ik ben naar [betrokkene 3] toegegaan. Zij vertelde dat zij tijdens het logeren op het bed van [verdachte] had gelegen. Zij had pijn in haar schouders, waarop hij haar had gemasseerd. Hierbij had hij haar borsten betast en aan haar vagina gezeten. Ook had hij geprobeerd om zijn penis in haar vagina te steken.

9. het proces-verbaal verhoor getuige van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. PL17E0 2010015485-10, d.d. 24 juni 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ongenummerd):

als de op 24 juni 2010 tegenover deze opsporingsambtenaren telefonisch afgelegde verklaring van [betrokkene 13]:

[verdachte] is mijn vader. Ongeveer tien jaar geleden heeft [betrokkene 3] aan mij verteld dat ze de dag daarvoor bij mijn vader thuis door hem was gemasseerd, omdat ze pijn in haar lichaam had. Ze vertelde dat mijn vader hierna haar broek naar beneden deed en haar geslachtsdeel heeft aangeraakt.

10. het proces-verbaal verhoor van getuigen, parketnummer 10/651043-10, RC-nummer 10/1258, d.d. 1 oktober 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door de rechtercommissaris in de rechtbank Rotterdam. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als de op 1 oktober 2010 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 10] :

Ik heb tot 2001 bij mijn vader aan de [b-straat 1] in Rotterdam gewoond. [betrokkene 3] kwam vaak bij ons logeren. Ik herinner mij dat [betrokkene 3] in december 2000 bij ons was. Ze had pijn in haar rug. Mijn vader heeft haar toen gemasseerd. Het is mij bekend dat er in de familie spanning is ontstaan, omdat [betrokkene 3] iets had gezegd over mijn vader.

11. het proces-verbaal verhoor van getuigen, parketnummer 10/651043-10, RC-nummer 10/1258, d.d. 1 oktober 2010, opgemaakt in de wettelijke vorm door de rechtercommissaris in de rechtbank Rotterdam. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als de op 1 oktober 2010 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 11] :

[betrokkene 3] heeft mij twee jaar geleden verteld dat [verdachte] haar thuis heeft misbruikt, toen zij bij [betrokkene 2] logeerde.

12. Wat opvalt in het bestreden arrest is dat het hof, afgezien van de overwegingen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2]6 (aangeefster van de feiten 2 en 3) geen enkele overweging wijdt aan de bewijsconstructie, behoudens de standaardoverweging:

“Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht”

13. Zoals hiervoor onder 9 aangegeven heeft het hof voor de gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de bijlage bij het vonnis van de rechtbank. Het vonnis van de rechtbank is door het hof echter vernietigd omdat het zich met de inhoud hiervan niet kon verenigen.7 Daarmee heeft het hof weliswaar de gebruikte bewijsmiddelen van de rechtbank integraal overgenomen, maar niet de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de bewijsconstructie. Dat is gelet op de aard van de gebezigde bewijsmiddelen problematisch. De rechtbank heeft bij de bewezenverklaring namelijk gebruik gemaakt van schakelbewijs hetgeen blijkt uit de volgende bewijsoverwegingen:

“De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid of de geloofwaardigheid van de verklaringen van de slachtoffers te twijfelen. Deze verklaringen komen de rechtbank als oprecht voor, juist vanwege het consistente en gedetailleerde karakter daarvan. Voorts speelt daarbij een rol dat zowel uit de verklaringen van de slachtoffers als uit verklaringen van getuigen blijkt dat er reeds eerder en langer geleden (ver vóór de aangiftes) door slachtoffers gesproken is over de seksuele handelingen van de verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het moment en de wijze van het naar buiten treden door de slachtoffers niet, passen bij het doelbewust vals beschuldigen van de verdachte. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt immers dat deze verklaringen op essentiële punten overeenkomen wat betreft specifieke handelingen van de verdachte. Daarbij maken de slachtoffers in hun verklaringen een scherp onderscheid tussen hoe vaak, wanneer en waar het misbruik plaatsvond. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat mensen die onware verhalen vertellen, hiertussen doorgaans minder differentiëren.

De verklaring van [betrokkene 3] vertoont bovendien opmerkelijke overeenkomsten met de verklaring van de verdachte zelf, waarbij opvallende bijzonderheden worden genoemd, zoals het tijdens een logeerpartij in de slaapkamer masseren van [betrokkene 3] . Ook dit heeft de rechtbank mee laten wegen in de bewijswaardering, temeer nu ook een zoon ( [betrokkene 10] ) de zus van de verdachte ( [betrokkene 9] ) en een andere dochter van de verdachte ( [betrokkene 11] ) hierover hebben verklaard.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van ieder van de slachtoffers afzonderlijk steun vinden in de verklaringen van de andere slachtoffers. Bij de bewezenverklaring van de feiten zoals deze bij 1, 2, 3, en 5 van de dagvaarding aan de verdachte ten laste zijn gelegd zal de rechtbank derhalve naast de verklaring van het slachtoffer tevens de verklaringen van de andere slachtoffers tot het bewijs bezigen. De verklaringen worden voorts ondersteund door getuigenverklaringen, waarbij de rechtbank in het bijzonder wijst op de verklaring van [betrokkene 4] , vriendin van [betrokkene 2] , de verklaring van [betrokkene 9] , de zus van de verdachte en de verklaring van [betrokkene 6] , een dochter van de verdachte. Deze getuigen verklaren dat zij reeds jaren vóór de aangiftes in kennis zijn gesteld van de seksuele handelingen van de verdachte.”

14. Omdat het hof zelf in zijn arrest in het geheel geen nadere overweging heeft gewijd aan de bewijsconstructie, blijkt daaruit niet welke bewijsmiddelen het hof redengevend heeft geacht voor de onderscheiden bewezenverklaarde feiten en kan daaruit evenmin worden afgeleid welke bewijsmiddelen het hof als steunbewijs heeft aanmerkt voor de door de aangeefsters afgelegde verklaringen. Door dit gebrek aan motivering blijft de mogelijkheid open dat het bewijs van de tenlastegelegde feiten inderdaad, zoals in het middel wordt gesteld, uitsluitend gebaseerd is op de verklaringen van de respectievelijke aangeefsters van die feiten. Daarbij is het verband tussen de ‘alleenstaande’ getuigenverklaringen en het overige gebruikte bewijsmateriaal niet zonder meer duidelijk, waardoor het hof zijn kennelijk oordeel dat voldaan is aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv had moeten motiveren.8Het hof heeft – anders dan de rechtbank – evenmin tot uitdrukking gebracht dat het een bewijsconstructie met schakelbewijs voor ogen heeft gehad. Nu enige motivering hieromtrent ontbreekt, is de bewezenverklaring ten aanzien van alle feiten onvoldoende met redenen omkleed.

15. Ik heb me nog afgevraagd of uit de bewijsmiddelen zoals deze door het hof zijn gebezigd, zonder toepassing van een schakelbewijsconstructie, zou kunnen worden gereconstrueerd zodat ten aanzien van ieder bewezenverklaard feit voldaan is aan het bewijsminimum. Dat leidt tot de volgende exercitie.

16. De bewijsmiddelen 1, 2, 3, 4, 5 en 7 hebben (mede) betrekking op het onder 1 bewezenverklaarde, het seksueel misbruik van [betrokkene 1] . Hiervan zijn de bewijsmiddelen 1, 2, 4 en 5 telkens te herleiden tot een verklaring van aangeefster [betrokkene 1] zelf. Bewijsmiddelen 3 en 7 daarentegen bevatten een (en dezelfde) de auditu verklaring van de verdachte, verwoord door getuige [betrokkene 3] , die erop neerkomt dat verdachte [betrokkene 1] heeft geleerd hoe zij seks moest hebben met mannen. Dit bewijsmiddel kan als steunbewijs worden aangemerkt, dat als zodanig niet tot een verklaring van [betrokkene 1] te herleiden is.

17. Alle bewijsmiddelen hebben (mede) betrekking op het onder 5 bewezenverklaarde, het seksueel misbruik van [betrokkene 3] . Hiervan zijn de bewijsmiddelen 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9 en 11 (in het arrest voor de tweede keer als 10. genummerd) telkens te herleiden tot een verklaring van aangeefster [betrokkene 3] zelf. Bewijsmiddel 6 bevat echter een verklaring van verdachte, inhoudende dat [betrokkene 3] bij hem thuis kwam logeren, dat hij haar heeft gemasseerd, dat [betrokkene 3] bij hem op zijn slaapkamer is komen liggen en dat hij wist dat [betrokkene 3] haar moeder had verteld dat zij seksueel geprikkeld was door zijn massage. Bewijsmiddel 7 bevat, naast een de auditu verklaring van [betrokkene 3] , de verklaring van haar moeder dat zij zich herinnert dat verdachte heeft gezegd dat hij [betrokkene 3] wel even zou masseren en dat verdachte tegen haar heeft gezegd ‘dat [betrokkene 3] heel nieuwsgierig was en dat het een extase was’. Bewijsmiddel 10 bevat de verklaring van [betrokkene 10] , inhoudende dat [betrokkene 3] vaak kwam logeren in de [b-straat 1] te Rotterdam, dat [betrokkene 3] in december 2000 bij hun was, dat zijn vader [betrokkene 3] toen heeft gemasseerd en dat er daarna spanning in de familie is ontstaan omdat [betrokkene 3] iets had gezegd over zijn vader. Deze drie bewijsmiddelen kunnen steun bieden aan de bewijsmiddelen die tot een verklaring van [betrokkene 3] te herleiden zijn.

18. De bewijsmiddelen 1, 2, 3, 4 en 5 hebben (mede) betrekking op het onder 2 en 3 bewezenverklaarde, het seksueel misbruik van [betrokkene 2]. Deze bewijsmiddelen zijn telkens te herleiden tot een verklaring van aangeefster [betrokkene 2] zelf. Ander bewijsmateriaal waaruit verdachtes betrokkenheid specifiek met betrekking tot de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten volgt, ontbreekt.

19. Op grond hiervan zou met enig puzzelwerk kunnen worden geconcludeerd dat de bewijsconstructie ten aanzien van de feiten 1 en 5 door de beugel kan. Dat geldt echter niet voor de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3. Dat zou aanleiding kunnen geven tot slechts een partiële vernietiging van het arrest van het hof, uitsluitend wat betreft de bewezenverklaring van deze laatste twee feiten. Ik vind het gebrek aan motivering door het hof echter te ernstig om door de vingers te zien. Daardoor zouden de eisen die aan een bewezenverklaring, met name in dit soort situaties waarin het aankomt op het steunbewijs, dreigen te verwateren juist daar waar duidelijkheid, ook naar de hoven toe, gewenst is. Bovendien is het niet aan de cassatierechter om op de stoel van de feitenrechter te gaan zitten. Ik meen dan ook dat in het onderhavige geval het arrest van het hof ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten niet in stand kan blijven.

20. Het middel slaagt.

21. Het tweede middel bevat de klacht dat de door het hof opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [betrokkene 2] onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.

22. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat er geen plaats is voor oplegging van een schadevergoedingsmaatregel indien het slachtoffer daar geen prijs op stelt en (sterker nog) haar civiele vordering ter zake van de vermeende schade heeft ingetrokken. In dat geval kan namelijk niet worden gesproken van schade naar burgerlijk recht, terwijl het evenmin mogelijk is om de hoogte van de schade vast te stellen. Verder wordt betoogd dat het hof gelet op voormelde gang van zaken niet tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel had mogen overgaan, zonder de verdediging in de gelegenheid te stellen op het voornemen daartoe verweer te voeren.

23. Nu ik van mening ben dat het eerste middel slaagt, zou ik het tweede middel onbesproken kunnen laten. De vraag of een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd ten behoeve van [betrokkene 2] is immers pas weer aan de orde als het hof na terugwijzing opnieuw tot een bewezenverklaring van het onder 2 en/of 3 ten laste gelegde komt. De verdediging kan dan - de huidige ervaring indachtig - ook anticiperen op die mogelijkheid en hieromtrent verweer voeren. Volledigheidshalve zal ik het middel toch bespreken.

14. Artikel 36f luidde ten tijde van het bewezenverklaarde onder 2 en 3:

“1. Bij een rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld, kan hem de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer.

2. De rechter kan de maatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

[3. t/m 6] […]”

24. De Memorie van Toelichting bij de invoering van deze bepaling luidt:

“De schadevergoedingsplicht is primair gericht op het herstel van de rechtmatige toestand en voegt, zoals in de adviezen wordt geconstateerd, geen extra leed aan de dader toe. Dit laat echter onverlet dat de schadevergoedingsmaatregel een strafrechtelijke sanctie is die, zoals hierna zal worden uiteengezet, voldoet aan de doeleinden van het strafrecht. Het verschil met een straf is echter dat de veroordeelde een verplichting wordt opgelegd, waaraan hij reeds uit andere hoofde behoort te voldoen. De maatregel voegt derhalve geen extra leed toe.

Door de schadevergoedingsplicht aan te merken als maatregel wordt voorts in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de kritiek op het tweeslachtige karakter van de schadevergoedingsstraf (TS: de schadevergoeding als bijkomende straf was het oorspronkelijke voorstel van de Commissie Terwee). Het karakter van de maatregel brengt met zich mee dat deze niet, zoals de schadevergoedingsstraf, gerelateerd behoeft te worden aan de ernst van het feit, de verwijtbaarheid van het gedrag en de draagkracht van de verdachte. Voorwaarde voor oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is dat de verdachte civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade. De omvang van de schade is voorts beslissend voor de hoogte van de maatregel.”9

“De voorwaarde van de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade is bepalend voor de reikwijdte van de kring van begunstigden van de schadevergoedingsmaatregel. Het wetsvoorstel wijkt in dit opzicht af van het voorstel van de Commissie-Terwee, waarin de bevoegdheid van de rechter om de schadevergoedingsstraf op te leggen, beperkt is tot die gevallen waarin het slachtoffer zich als benadeelde partij heeft gevoegd.

Deze beperking is niet overgenomen omdat er geen reden is de beperkingen die aan de kring van personen die zich kunnen voegen zijn gesteld en die voortvloeien uit de overwegingen waarop de voegingsprocedure berust, van toepassing te verklaren op de begunstigden van de schadevergoedingsmaatregel. Zoals in paragraaf 2.1 van deze memorie uiteen is gezet, berust de voegingsprocedure voornamelijk op proces-economische overwegingen. Deze overwegingen liggen niet ten grondslag aan de schadevergoedingsmaatregel, zodat beperkingen die voortvloeien uit de legitimatie van deze procedure niet van toepassing behoren te zijn op de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij komt dat de rechter binnen de grenzen die het materiële recht stelt vrij is in zijn straftoemeting. Hij kan de hem ter beschikking staande sancties ambtshalve toepassen. Het maken van een uitzondering op dit beginsel op grond van de praktische overweging dat het slachtoffer anders tegen zijn wil geconfronteerd kan worden met een schadevergoeding van de dader, acht ik niet nodig. Ik meen ervan uit te mogen gaan dat de rechter van de schadevergoedingsmaatregel zal afzien als het slachtoffer geen prijs stelt op schadevergoeding door de dader.”10

25. Of een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd is dus nadrukkelijk niet afhankelijk van de vraag of het slachtoffer zich als benadeelde partij heeft gevoegd of gesteld heeft schade te hebben geleden. De strafrechter kan ambtshalve oordelen of er sprake is van een schadeveroorzakend feit, waarvoor de verdachte aansprakelijk moet worden gehouden en ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel opleggen. De omvang van de schade is beslissend voor de hoogte van de maatregel.

26. Gelet op het bewezenverklaarde ten aanzien van verdachtes minderjarige dochter [betrokkene 2] , dat zij in een tijdsbestek van zeven jaren meermalen seksueel door verdachte is misbruikt, is het oordeel van het hof dat zij hierdoor immateriële schade moet hebben geleden, niet onbegrijpelijk. Voor het bepalen van de omvang van de schade, had het hof concrete aanknopingspunten. [betrokkene 2] had immers in eerste aanleg een civiele vordering ingediend van € 10.000,00, evenals haar stiefzus [betrokkene 1] die ook slachtoffer was van seksueel misbruik van de verdachte en die in hoger beroep wél als benadeelde partij haar vordering handhaafde.

27. Hoewel ik ernstige twijfels heb bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel als het slachtoffer, zoals in onderhavig geval, uitdrukkelijk heeft aangegeven geen schadevergoeding te willen, heeft het hof kennelijk tot uitgangspunt genomen, dat de intrekking van de civiele vordering door [betrokkene 2] samenhangt met haar door het hof niet waarheidsgetrouw geachte verklaringen waarin zij haar beschuldigingen jegens haar vader terugneemt. Kennelijk heeft het hof hieruit afgeleid dat het niet zonder meer vast staat dat [betrokkene 2] geen prijs meer stelde op een schadevergoeding.

28. De opvatting van de verdediging die erop neerkomt dat de schadevergoedingsmaatregel niet mag worden opgelegd, indien deze niet ter terechtzitting aan de orde is geweest en niet in de lijn der verwachting (van de verdediging) lag, vindt geen steun in het recht.11 Indien het hof tot een bewezenverklaring komt, staan in beginsel alle sancties die kunnen worden opgelegd ter zake van het bewezenverklaarde tot zijn beschikking. Ik merk hierbij op dat de verdediging in de voorliggende zaak bekend was met de aanvankelijke civiele vordering van [betrokkene 2] en de gedeeltelijke toewijzing van die vordering door de rechtbank. De verdediging was ook bekend met de belastende verklaringen van [betrokkene 2] en derhalve met de mogelijkheid dat de selectie en waardering van bewijsmiddelen door het hof anders zou kunnen uitpakken dan door de advocaat-generaal en de verdediging was voorzien.

29. Het tweede middel faalt.

30. Het eerste middel slaagt en het tweede middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3704; HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009/496 m.nt. Borgers; HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512 m.nt. Borgers; HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2440, NJ 2010/ 513 m.nt. Borgers; HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728, NJ 2010/612 m.nt. Borgers; HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/ 279 m.nt. Reijntjes; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, NJ 2014/252, m.nt. Reijntjes.

2 Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 2014, p. 800-801 en ook HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, NJ 2012, 252, m.nt. Schalken,

3 Corstens/Borgers, a.w. p. 801 en zie recent HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1247, rov 2.3 en 2.4.

4 Conclusie Hofstee bij HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, met name onder punt 18.

5 HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, NJ 2014/252, m.nt. Reijntjes, zie rov. 3.4.

6 [betrokkene 2] heeft blijkens de processtukken haar belastende verklaring tegen verdachte bij de rechter-commissaris op 1 augustus 2013 en ter zitting in hoger beroep ingetrokken. De bewijsoverwegingen van het hof hebben uitsluitend betrekking op de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van [betrokkene 2] die zij eerder tegen verdachte heeft afgelegd.

7 Zie pagina 3 van het bestreden arrest.

8 HR 26 januari 2010, r.o. 3.4, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, m.nt. Borgers. HR 13 juli 2010, r.o. 2.4 en 2.5, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010, 515, m.nt. Borgers. Zie ook het overzicht in de conclusie van mijn ambtgenoot Aben bij HR 15 november 2001, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600.

9 Kamerstukken II 1989-1990, 21345, nr. 3, p. 5-6.

10 Kamerstukken II, 1989-1990, 21345, nr. 3, p. 19-20.

11 HR 20 november 2007, r.o. 3.6, ECLI:NL:HR:2007:BB2965.