Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1353

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-06-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
13/06074
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2467, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Opzet. Voor een veroordeling ter zake van het misdrijf van art. 273f.1.6 Sr is vereist dat het opzet van de dader behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht is op de uitbuiting van een ander. Onjuiste rechtsopvatting Hof. Geen cassatie: het opzet kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/06074

Zitting: 2 juni 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 22 november 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens onder 1. en 5. telkens “mensenhandel”, en 10. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 13/06193, 14/00001, 14/02137, 14/02142, 14/02144 en 14/02263. De cassatieberoepen in de zaken 13/06193 en 14/02137 zijn ingetrokken. In de overige zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, heeft namens verdachte vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Ten laste van verdachte is - voor zover voor de bespreking van de middelen van belang - bewezenverklaard dat:

“1.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 07 februari 2007 te Amsterdam - opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] ;

bestaande die handelingen hieruit dat verdachte is/heeft

- [betrokkene 1] (tijdens haar prostitutiewerkzaamheden) in de gaten gehouden en/of in haar buurt gebleven en/of haar gecontroleerd en/of zorg gedragen voor de controle en/of het toezicht op haar prostitutiewerkzaamheden en/of zijn bevindingen door gegeven/gemeld aan [betrokkene 2] en/of zijn mededader(s) en

- de huur van zijn woning/verblijfplaats laten betalen door [betrokkene 1] en

- geld van haar in ontvangst genomen en

- op afroep beschikbaar geweest als bodyguard voor één of meer van zijn mededader(s) en/of voor [betrokkene 1] en- [betrokkene 1] begeleid/gebracht van en naar haar kamer/werkplek alwaar zij zich prostitueerde;

5.

hij in de periode van 01 september 2006 tot 6 november 2006 te Amsterdam - opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [betrokkene 3] ;

bestaande die handeling(en) hieruit dat verdachte is/heeft

- [betrokkene 3] (tijdens haar prostitutiewerkzaamheden) in de gaten gehouden en/of haar gecontroleerd en/of zorg gedragen voor de controle en/of het toezicht op haar prostitutiewerkzaamheden en

- van haar beschermingsgelden geïnd en

- geld van haar in ontvangst genomen en

- op afroep beschikbaar geweest als bodyguard voor één of meer van zijn mededader(s) en/of voor [betrokkene 3] en

- [betrokkene 3] begeleid/gebracht van haar kamer/werkplek alwaar zij zich prostitueerde en/of van en naar haar/hun woning/verblijfplaats teruggebracht en/of [betrokkene 3] aldus in (een) auto('s) vervoerd;”

5. In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het opzet bij seksuele uitbuiting slechts gericht hoeft te zijn op het trekken van voordeel uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling en derhalve niet op de situatie van seksuele uitbuiting zelf, althans dat het oordeel van het hof dat het bestanddeel “opzet” zich niet uitstrekt tot de uitbuiting onjuist en/of onbegrijpelijk is.

6. Het bestreden arrest houdt hierover het volgende in:

Interpretatie delictsomschrijving artikel 273f eerste lid aanhef sub 6 Sr

In het kader van de vraag of sprake is van opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [betrokkene 1] , heeft het openbaar ministerie het hof uitdrukkelijk verzocht de rechtsvraag te beantwoorden of het voor een bewezenverklaring van dat feit nodig is te bewijzen dat het opzet van verdachte mede gericht was op de uitbuiting van de ander. Het antwoord op die vraag kan naar het oordeel van het hof worden gevonden in de wetsgeschiedenis.

Het huidige artikel 273f eerste lid aanhef sub 6 Sr vindt zijn oorsprong in het oude artikel 250a eerste lid aanhef sub 4 Sr zoals dat in de Wet opheffing algemeen bordeelverbod (Stb. 1999, 464) werd geïntroduceerd. Daarin werd strafbaar gesteld 'degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder 1 genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen'. Deze onder 1 genoemde omstandigheden betreffen de (ongeoorloofde) middelen die een uitbuitingsituatie creëren of, anders gezegd, de (dwang)middelen waardoor iemand zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. Als achtergrond wordt in de bijbehorende Memorie van Toelichting de introductie van deze strafbaarstelling, voor zover hier van belang, als volgt gemotiveerd: "Daar het niet volstrekt zeker is of met behulp van deelnemingsconstructies in voldoende mate effectief kan worden opgetreden tegen achtergronddaders, wordt voorgesteld ook uitdrukkelijk strafbaar te stellen degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde, terwijl hij weet of behoort te weten dat die andere zich onvrijwillig prostitueert (...)" (Kamerstukken II 1996-1997, 25 437, nr. 3, p. 9)

Naar het oordeel van het hof kan deze (oude) delictsomschrijving niet anders worden uitgelegd dan dat het opzet gericht dient te zijn op het voordeel trekken en dat als bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid de verdachte op zijn minst redelijkerwijs moet vermoeden dat diegene van wie hij voordeel trekt zich in een uitbuitingsituatie bevindt. De vergelijking dringt zich in dit verband op met het delict schuldheling. Ook de Memorie van Toelichting bij de Wet opheffing algemeen bordeelverbod geeft geen aanleiding de daarbij geïntroduceerde delictsomschrijving van artikel 250a eerste lid aanhef sub 4 anders te interpreteren. Daarin wordt alleen ten aanzien van het tevens nieuw geïntroduceerde artikel 250a eerste lid aanhef sub 5 ('degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, indien die ander minderjarig is') uitdrukkelijk vastgesteld dat het opzet gericht dient te zijn op het voordeel trekken en dus niet op de minderjarigheid (Kamerstukken II 1996-1997, 25437, nr. 3, p. 9).

Bij de Wet ter uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel (Kamerstukken II 2003-2004, 29 291, nrs. 1-2) is de delictsomschrijving in artikel 250a eerste lid aanhef sub 4 vervangen door de huidige delictsomschrijving in artikel 273 lid 1 aanhef sub 6. Daarin werd als schuldige aan mensenhandel strafbaar gesteld 'degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander'. Ter toelichting hierop valt in de Memorie van Toelichting slechts te lezen dat daarmee het bepaalde in artikel 250a, eerste lid, onderdeel 4, geacht wordt te zijn uitgebreid tot andere vormen van uitbuiting dan seksuele uitbuiting (Kamerstukken II 2003-2004, 29 291, nr. 3, p. 19). Bij de verdere behandeling van deze wet wordt aan deze delictsomschrijving verder geen aandacht besteed, zodat de conclusie gerechtvaardigd lijkt dat de wetgever geen wijziging in de reikwijdte van de strafbaarstelling van het opzettelijk voordeel trekken uit seksuele uitbuiting heeft willen nastreven.

De slotsom, en daarmee het antwoord op de door het openbaar ministerie opgeworpen rechtsvraag, moet daarom ook zijn dat het opzet bij seksuele uitbuiting slechts gericht hoeft te zijn op het trekken van voordeel uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling en derhalve niet op de situatie van seksuele uitbuiting op zichzelf. Naar het oordeel van het hof blijft, gelet op het voorgaande, echter wel als voorwaarde voor strafbaarheid op grond van artikel 273 lid 1 aanhef sub 6 staan dat diegene die voordeel trekt weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat sprake is van seksuele uitbuiting.

Om te komen tot een bewezenverklaring dient derhalve wettig en overtuigend bewezen te kunnen worden:

1. Dat sprake was van een uitbuitingssituatie;

2. Dat verdachte daaruit opzettelijk voordeel heeft getrokken;

3. Dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat sprake was van een uitbuitingsituatie.”

7. De bewezenverklaringen zien op het voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander zoals thans als een vorm van mensenhandel strafbaar is gesteld in art. 273f lid 1 onder 6˚ Sr. Die strafbepalingen werd voorafgegaan door art. 250a en 273 (oud) Sr. Art. 273a (oud) Sr kwam op 1 januari 2005 in de plaats van art. 250a Sr, dat op zijn beurt art. 250ter Sr verving. Met ingang van 31 augustus 2006 werd art. 273a (oud) Sr vernummerd tot het tegenwoordige art. 273f Sr. De navolgende bespreking richt zich op de uitleg van het in casu toepasselijke art. 273a (oud) Sr, maar geldt evenzeer voor het gelijkluidende art. 273f Sr.

8. Art. 250a (oud) Sr hield tot 1 januari 2005 in, voor zover hier van belang:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:

1° degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt;

(…)

4° degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder 1° genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen;

Art. 273a (oud) Sr luidde sinds 1 januari 2005, voor zover van belang:

“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf (…) gestraft:

1° degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;

(…)

6° degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander;

(…)

2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.”

De opvolger van art. 273a Sr, het thans geldende art. 273f Sr, is in zoverre gelijkluidend.

9. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de wettekst is af te leiden dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het profijt trekken als de uitbuiting en wordt het oordeel van het hof dat de wetgever bij de wijziging van de strafbaarstelling van het opzettelijk voordeel trekken uit seksuele uitbuiting geen wijziging in de reikwijdte van die strafbaarstelling heeft willen nastreven, betwist. Op grond daarvan wordt gesteld dat het hof een te ruime en daarmee onjuiste uitleg heeft gegeven aan de in art. 273a lid 1 onder 6 (oud) Sr opgenomen strafbaarstelling van het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander, door te oordelen dat opzet op de uitbuiting niet is vereist, maar dat het redelijkerwijs moeten vermoeden van een uitbuitingssituatie volstaat.

10. De vraag die hier aan de orde wordt gesteld is of culpa ten aanzien van de uitbuitingssituatie voldoende is voor een bewezenverklaring van het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting, of dat (een vorm van) opzet op die uitbuiting is vereist. Daarbij is van belang of de wetgever een inhoudelijke wijziging van die strafbaarstelling heeft beoogd met het sinds 1 januari 2005 weglaten van het bestanddeel “terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden” dat - kortgezegd - sprake is van een uitbuitingssituatie.

11. Met ingang van 1 januari 2000 is in art. 250a, lid 1 onder 4° (oud) Sr degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder 1° genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen strafbaar gesteld. Met de wetswijziging waarbij deze strafbaarstelling in de wet werd opgenomen, werd onder meer het bordeelverbod opgeheven en de exploitatie van onvrijwillige prostitutie en van prostitutie door jeugdigen strafbaar gesteld.1 De wetsgeschiedenis houdt ten aanzien van die wetswijziging, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Het voorgestelde artikel 250a Sr. komt in de plaats van de artikelen 250bis Sr. (bordeelverbod), 432 aanhef en onder 3° Sr. (soutenage) en 250ter Sr. (mensenhandel). Het stelt strafbaar een aantal vormen van exploitatie van onvrijwillige prostitutie en van prostitutie waarbij minderjarigen zijn betrokken, en mensen- en kinderhandel. Het aanvankelijk voorgestelde artikel 250a, geïnspireerd op het in wetsvoorstel 21 027 voorgestelde artikel 250bis, stelde strafbaar enige vormen van exploitatie van prostitutie. Het huidige artikel 250ter stelt mensenhandel strafbaar. Beide bepalingen beogen te voorkomen dat een persoon zich tegen zijn wil beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling met derden.

(…)

Het in artikel 250ter gehanteerde begrip prostitutie wordt nu niet in de wet gedefinieerd. Daaronder wordt in de regel verstaan het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. Ik stel voor om deze omschrijving in het nieuwe artikel 250a op te nemen.

Artikel 250a, onderdeel 1°, komt vrijwel overeen met artikel 250ter, eerste lid, onderdeel 1°.

(…)

De onderdelen 4° en 5° zijn nieuw. Daar het niet volstrekt zeker is of met behulp van deelnemingsconstructies in voldoende mate effectief kan worden opgetreden tegen achtergronddaders, wordt voorgesteld ook uitdrukkelijk strafbaar te stellen degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde, terwijl hij weet of behoort te weten dat die ander zich onvrijwillig prostitueert, dan wel indien die ander minderjarig is. Strafrechtelijk optreden tegen exploitatie van onvrijwillige prostitutie en van prostitutie door minderjarigen kan beter worden geëffectueerd, indien strafbaar wordt gesteld het opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen (vgl. artikel 432, onderdeel 3°, Sr. inzake soutenage). In deze delictsomschrijving is het bestanddeel opzet opgenomen. Dat is nodig, omdat zonder deze toevoeging ook onachtzaam handelen onder de delictsomschrijving zou vallen, in tegenstelling tot de onderdelen 1° tot en met 3° onderscheidenlijk artikel 432, onderdeel 3°, waarin het opzet reeds is besloten in de delictsomschrijving (dwingt/beweegt/aanwerft/medeneemt/ontvoert/brengt) onderscheidenlijk als souteneur voordeel trekken). Het opzet dient gericht te zijn op het voordeel trekken, niet op de minderjarigheid. Voordeel van deze delictsomschrijving is dat niet het bewijs zal behoeven te worden geleverd dat de minderjarige is bewogen door degene die voordeel geniet. Het is voldoende om te bewijzen dat de dader opzettelijk voordeel trekt uit de seksuele handelingen van de minderjarige.”2

“Het voorgestelde artikel 250a ziet – kort gezegd – op exploitatie van onvrijwillige prostitutie en van prostitutie door minderjarigen. Artikel 250a spreekt niet van exploitatie, maar spreekt van het dwingen of bewegen van een persoon – onder bepaalde omstandigheden die vormen van onvrijwilligheid omschrijven – dan wel van het brengen van een minderjarige, tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. Ook degenen die opzettelijk voordeel trekken van deze prostitutie, zijn strafbaar gesteld. De clubhouder, de raameigenaar of de souteneur kan zich schuldig maken aan de in de onderdelen 1° en 3° strafbaar gestelde gedragingen, door het ondernemen van activiteiten die tot de onvrijwillige prostitutie leiden, dan wel profijt trekken van een situatie die door een ander is veroorzaakt.”3

12. Met ingang van 1 januari 2005 kwam art. 273a Sr in de plaats van art. 250a Sr. Daarbij werd het bestanddeel “uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling” vervangen door “de uitbuiting van een ander”, en verviel het bestanddeel “terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder 1° genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen”. De wetsgeschiedenis houdt daaromtrent in, voor zover hier van belang:

“In de onderdelen 6° tot en met 9° zijn allerlei vormen van het trekken van profijt uit mensenhandel en uitbuiting strafbaar gesteld. Voor een effectieve bestrijding van mensenhandel is het immers wenselijk dat niet alleen de mensenhandelaren zelf, maar ook de uitbaters van de uitbuiting waarop de mensenhandel is gericht, uitdrukkelijk strafbaar worden gesteld en daardoor effectief kunnen worden aangepakt. Voor deze uitbreiding heeft model gestaan artikel 250a, eerste lid, onderdelen 4° tot en met 6°.

In het voorgestelde onderdeel 6° wordt het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting, zoals omschreven in het tweede lid, strafbaar gesteld. Daarmee wordt het bepaalde in artikel 250a, eerste lid, onderdeel 4°, uitgebreid tot andere vormen van uitbuiting dan seksuele uitbuiting.”4

13. De wetsgeschiedenis met betrekking tot art. 250a (oud) Sr houdt niet expliciet in of ten aanzien van het strafwaardige voordeel trekken uit uitbuiting zowel opzet op het voordeel trekken als op de uitbuiting is vereist. Uit het feit dat die oude bepaling echter mede inhield dat de voordeeltrekker moest weten of redelijkerwijs moest vermoeden dat sprake was van een uitbuitingsituatie, kan worden afgeleid dat de ‘voordeeltrekker’ zich in ieder geval op de een of andere manier bewust moest zijn van die situatie en dat gelet op de woorden ‘redelijkerwijs moet vermoeden’ culpa voldoende was. Uit die wetsgeschiedenis volgt echter ook dat het bestanddeel ‘opzettelijk’ in de delictsomschrijving is opgenomen omdat zonder die toevoeging ook onachtzaam handelen onder de delictsomschrijving zou vallen, hetgeen de wetgever kennelijk wilde voorkomen. In dat licht lijkt het in art. 250a (oud) Sr opgenomen zinsdeel ‘redelijkerwijs moet vermoeden’ ten aanzien van – kort gezegd – de uitbuitingssituatie, dat duidt op een vorm van culpa op die bijkomende omstandigheid van de uitbuiting5, niet overeen te komen met hetgeen verder uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid met betrekking tot het bestanddeel ‘opzettelijk’. Vervolgens is in de delictsomschrijving van het voordeel trekken in 273a Sr het bestanddeel ‘redelijkerwijs moet vermoeden’ dat sprake was van een uitbuitingssituatie niet meer opgenomen. De wetsgeschiedenis ten aanzien van die gewijzigde bepaling, houdt alleen in dat de strafbaarstelling van voordeel trekken uit uitbuiting wordt uitgebreid naar andere vormen van uitbuiting dan seksuele uitbuiting. Op (de reden van) het vervallen van genoemd bestanddeel, of waarop precies het opzet moet zijn gericht, wordt verder niet ingegaan.

14. De literatuur is daarover ook niet helemaal eenduidig. Zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, wordt in het commentaar op art. 273f in Noyon/Langmeijer & Remmelink (door mijn ambtgenoot Machielse) gesteld dat het opzet ook op de uitbuiting gericht moet zijn en dat culpa niet genoeg is. Alink en Wiarda zijn minder stellig en schrijven dat uit het opzetvereiste volgt dat de dader zich in ieder geval bewust moet zijn van de relevante omstandigheden waaruit de uitbuiting voortvloeit. In dit verband kan ook gewezen worden op de opmerking van de Nationale Rapporteur Mensenhandel dat voor het strafbare voordeel trekken uit uitbuiting geldt dat degene die profijt trekt weet, of behoort te weten dat uitbuiting plaats vindt, maar dat opzet op de uitbuiting zelf niet is vereist.6

15. Ik heb geen jurisprudentie gevonden omtrent de reikwijdte van het opzet ten aanzien van het voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander. Wel wijs ik op de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge van 2 juni 2009 waarin hij onder meer de vraag aan de orde stelt of sprake moet zijn van “doelbewust” misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of van een kwetsbare positie als bedoeld in art. 273a (oud) Sr.7 In die conclusie merkt Knigge onder meer op dat men alleen misbruik kan maken van omstandigheden als men zich op enigerlei wijze van die omstandigheden bewust is en dat er in de strafrechtelijke context van art. 273a (oud) Sr geen reden is om meer te eisen dan voorwaardelijk opzet. Daarbij verwijst hij naar het arrest van de Hoge Raad van 5 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD5235) dat onder meer inhoudt dat de dader zich bewust zal moeten zijn van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat tenminste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Naar aanleiding daarvan stelt Knigge dat voorwaardelijke opzet op dat misbruik dus voldoende is en dat niet de eis wordt gesteld dat het misbruik “doelbewust” was, laat staan dat van “misbruik” pas sprake kan zijn als de dader het initiatief neemt en het slachtoffer actief benadert. Hij stelt verder dat de wetgever met de invoering van art. 273a (oud) Sr uitvoering heeft gegeven aan internationale regelgeving, die blijkens de doeleinden van het Palermo Protocol onder meer gericht is op een effectieve bestrijding van mensenhandel en bescherming van slachtoffers, zonder wijziging aan te brengen in hetgeen reeds strafbaar was gesteld in art. 250a (oud) Sr8, hetgeen volgens Knigge meebrengt dat noch de ratio legis noch de wetsgeschiedenis van art. 273a (oud) Sr steun biedt voor het stellen van de eis van initiatief en actief handelen door verdachte.

16. Daarnaast wijs ik ook op de jurisprudentie met betrekking tot de vergelijkbare delictsomschrijving “opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed” in art. 416 lid 2 Sr, waaraan het hof ook in zijn hierboven aangehaalde overweging refereert. Die jurisprudentie houdt in dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als het feit dat de opbrengst uit een door misdrijf verkregen goed komt.9 Dat sluit aan bij de omstandigheid dat in de regel wordt aangenomen dat de wetgever door middel van de plaatsing van het woord opzet in het zinsverband van een delictsomschrijving heeft willen aanwijzen waarop dat woord betrekking heeft. Voor de strafbaarheid van een feit waarbij in de omschrijving ‘opzettelijk’ voorkomt, moet het opzet in beginsel gericht zijn op elk bestanddeel dat na dat woord wordt genoemd, of zoals Smidt het formuleert: het woord opzet staat steeds zo dat het steeds beheerst ‘de gehele omschrijving van het strafbare feit zoals die daarna volgt’.10

17. Wat betekent dit nu voor de beoordeling van het middel? Mijns inziens volgt uit het feit dat het woord “opzettelijk” in de delictsomschrijving voorafgaat aan het bestanddeel “uitbuiting”, dat het opzet ook daarop gericht moet zijn. Maar dan niet in de betekenis van de algemene vorm van opzet waarbij de profiteur de uitbuiting(situatie) heeft gewild en daartoe zelf actief het initiatief heeft genomen, maar - net als bij het hiervoor genoemde voordeel trekken uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed” – in de betekenis van de bijzonder opzetvorm “wetende dat”. Daaronder valt zowel het ‘weten’ (opzet), als de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat sprake is van uitbuiting (voorwaardelijk opzet).11 Deze interpretatie sluit ook aan bij hetgeen Knigge heeft geschreven over de uitleg van misbruik maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of van een kwetsbare positie in het kader van dezelfde strafbepaling. Steun voor die opvatting vind ik ook in de wetsgeschiedenis, waaruit immers blijkt dat de strafbaarstelling van de profiteurs van uitbuiting nadrukkelijk niet is gericht op de mensenhandelaren zelf (wiens handelen gericht is op het uitbuiten van anderen en die situatie vaak actief bevorderen), maar op degenen die deze uitbuiting uitbaten. Daaraan doet mijns inziens niet af dat de delictsomschrijving in 273a en f Sr niet meer inhoudt dat de profiteur weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat sprake is van uitbuiting. De delictsomschrijving van het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander impliceert immers ook zonder die zinsnede dat die wetenschap, eventueel in de zin van bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans is vereist, zodat de opzet-eis daarin al besloten ligt.12 Nu omtrent de reden van het schrappen van de zinsnede die begint met ‘redelijkerwijs moet vermoeden’ uit de wetsgeschiedenis of anderszins ook niets blijkt, heeft de wetgever kennelijk met het schrappen van bedoelde zinsnede niet beoogd het opzetvereiste (in de zin van wetenschap) te laten vervallen. Dat ligt denk ik anders ten aanzien van het eerder ook opgenomen bestanddeel dat de profiteur “redelijkerwijs moet vermoeden” dat sprake is van een uitbuitingssituatie. Daarop kom ik hierna onder 19 terug.

18. Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van het hof dat voor de bewezenverklaring van het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander, geen opzet op de uitbuiting is vereist, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daarover klaagt het middel dus terecht. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden nu het hof voor de bewezenverklaring onder meer wel noodzakelijk heeft geacht dat de verdachte wist dat sprake was van een uitbuitingssituatie. Dat lijkt enigszins in tegenspraak met zijn oordeel dat geen opzet op die uitbuitingssituatie is vereist, maar ik versta het oordeel van het hof zo dat het tot uitdrukking heeft willen brengen dat niet is vereist dat verdachte de uitbuitingssituatie heeft beoogd of bewerkstelligd of daartoe het initiatief heeft genomen, maar enkel dat hij zich bewust is van die situatie en daar opzettelijk voordeel uit trekt. Zo bekeken ligt in de overwegingen van het hof besloten dat het wél opzet in de zin van wetenschap nodig acht voor de bewezenverklaring van het voordeel trekken, hetgeen op hetzelfde neerkomt als opzet in de vorm van “wetende dat”. Indien het oordeel zo gelezen wordt, zie ik geen reden voor vernietiging.

19. Datzelfde geldt ten aanzien van het oordeel van het hof dat voor de bewezenverklaring voldoende is dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat sprake was van een uitbuitingssituatie, een vorm van culpa dus. Uit de bewoordingen van de wettelijke bepalingen, de wetsgeschiedenis en de genoemde literatuur leid ik af dat voor de strafwaardigheid van het voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander is vereist dat de profiteur zich in ieder geval enigszins bewust is van die uitbuitingssituatie of weet dat de aanmerkelijk kans bestaat dat daarvan sprake is (en daaruit voordeel trekt). Culpa ten aanzien van die situatie is dus ontoereikend. Dat omvat immers de verwijtbare onvoorzichtigheid; het verwijtbaar niet op hoogte zijn, daar niet op letten, daarover niet nadenken.13 Het hof heeft dan ook ten onrechte in de delictsomschrijving ingelezen dat ook sprake is van het strafbare voordeel trekken uit uitbuiting als de profiteur redelijkerwijs had moeten vermoeden dat sprake was van een uitbuitingssituatie. Ook dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden nu de bewezenverklaring niet inhoudt dat het hof die culpa bewezen heeft geacht en uit de gebezigde bewijsmiddelen zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte zich bewust is geweest van de uitbuitingssituatie waarin de slachtoffers [betrokkene 1] en [betrokkene 3] zich bevonden en daaruit opzettelijk voordeel heeft getrokken.

20. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

21. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof een onjuiste en/of onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel “voordeel trekken”, althans dat het zijn oordeel ter zake van dat bestanddeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

22. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het begrip “voordeel trekken’ op twee manieren kan worden uitgelegd. Enerzijds kan ‘voordeel trekken’ worden opgevat als het ‘uitbaten’ zelf en dus het enkele verkrijgen van inkomsten uit - in dit geval - de uitbuiting van een ander. Anderzijds kan het worden opgevat als het genieten van daadwerkelijk voordeel, in de zin van inkomsten die extra worden verkregen in vergelijking met een ‘normale’ vergoeding voor verleende diensten of geleverde producten. Anders dan de steller van het middel zie ik geen enkele grond te kiezen voor zijn stelling, dat uitgegaan moet worden van de tweede uitleg. De strafbaarstelling van het voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander is bedoeld om die uitbuiting tegen te gaan. Gelet daarop moet worden aangenomen dat elk voordeel of elke vorm van inkomsten die iemand verkrijgt uit, of verkrijgt als gevolg van die uitbuiting, strafbaar is omdat dat de uitbuiting immers mede in stand houdt. Dat geldt ook voor verdiensten die op zich zelf in een redelijke verhouding staan tot de diensten die daarvoor zijn geleverd. Het oordeel van het hof geeft dan ook geen blijk van een onjuiste uitleg van het begrip ‘voordeel trekken’. Het oordeel dat daarvan sprake is, is ook niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan zonder meer worden afgeleid dat de desbetreffende slachtoffers werden uitgebuit en dat verdachte aan die situatie geld verdiende. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van de strafoplegging, te weten dat verdachte er weinig aan heeft verdiend, dat hij zelf werd uitgebuit en dat hij ook oog had voor de belangen van de meisjes, hen hielp en zelfs een slachtoffer uit het milieu zou hebben gered, maakt dat niet anders. Het hof hoefde dit met betrekking tot de strafmaat gevoerde verweer niet als een bewijsverweer op te vatten en verder geldt dat de genoemde omstandigheden niet uitsluiten dat verdachte (ook) voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting.

23. Het middel faalt.

24. In het derde middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaring van feit 1 onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd, in het vierde middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaring van feit 5 onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

25. Het bestreden arrest bevat ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1, voor zover hier van belang, de volgende bewijsoverweging:

“Met de rechtbank, het openbaar ministerie en de raadsman is het hof van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is voor het met [betrokkene 2] medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 1] voor zover dat is toegesneden op artikel 273a (oud)/273f eerste lid aanhef, sub 1, 4 en 9. Hetzelfde geldt voor het tenlastegelegde zwaar lichamelijk letsel dat het gevolg zou zijn geweest van de mensenhandel. Verdachte moet van dit alles worden vrijgesproken.

Anders dan de raadsman acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van mensenhandel voor zover dat is toegesneden op artikel 237a (oud)/273f eerste lid aanhef, sub 6 Sr. Dat betekent dat het hof de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden anders kwalificeert dan de rechtbank. Op basis van die feiten en omstandigheden komt het hof tot bewezenverklaring van het zelfstandig plegen van mensenhandel in de vorm van het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander en derhalve tot een deel van het primair tenlastegelegde feit. Het hof komt daardoor niet toe aan niet toe aan de door de rechtbank bewezenverklaarde subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan mensenhandel.”

26. Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 5 is in het arrest eenzelfde overweging opgenomen. Het hof heeft verdachte dus ten aanzien van beide feiten vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen van mensenhandel en het zwaar lichamelijk letsel dat het gevolg zou zijn geweest van de mensenhandel, en heeft een groot deel van de in de tenlasteleggingen genoemde (en kennelijk door anderen dan de verdachte gepleegde) uitbuitingshandelingen daaruit weggestreept. Het hof heeft wel bewezenverklaard dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van respectievelijk [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , welk voordeel trekken blijkens die bewezenverklaringen dan heeft bestaan uit de daarin opgenomen handelingen (zie hiervoor onder 4).

27. In beide middelen wordt gesteld dat nu het begrip uitbuiting onvoldoende feitelijke betekenis toekomt, uit de bewezenverklaring zou moeten blijken waaruit de uitbuiting heeft bestaan en dat nu dat niet het geval is, de bewezenverklaring onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel lijkt hier twee dingen door elkaar te halen. Als een in een bewezenverklaring voorkomend begrip onvoldoende feitelijke betekenis heeft en daarin niet nader is omschreven, leidt dit tot een gebrek in de motivering van de daarop gebaseerde kwalificatie van het desbetreffende feit. Uit het bewezenverklaarde kan dan immers niet volgen dat de bewezenverklaarde gedraging(en) het desbetreffende strafbare feit oplevert (of opleveren). Als een in de bewezenverklaring voorkomend onderdeel onvoldoende steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, dan is de bewezenverklaring onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.

28. In de regel strekt een klacht dat een term in de tenlastelegging onvoldoende feitelijke betekenis heeft tot nietigverklaring van de dagvaarding omdat deze niet aan de in art. 261 lid 1 Sv gestelde eis van opgaven van het feit voldoet. De ratio van die eis is dat het voor een verdachte voldoende duidelijk moet zijn wat hem wordt verweten. Dat de klacht hier (enkel) ziet op de bewezenverklaring is begrijpelijk omdat de tenlastelegging wel een uitgebreide opsomming van feitelijke handelingen bevatte waaruit de uitbuiting zou hebben bestaan en deze uiteindelijk in verband met de bewezenverklaring voor wat betreft de onderdelen waarvan is vrijgesproken zijn weggestreept. Het gevolg hiervan is dat een nadere feitelijk omschrijving van de uitbuiting zelf in de (overblijvende) bewezenverklaring is weggevallen. In zoverre wordt er terecht over geklaagd dat uit de bewezenverklaring niet blijkt waaruit de uitbuiting zou hebben bestaan. In de middelen wordt echter niet geklaagd dat en waarom geen sprake is geweest van uitbuiting of dat dat niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen, maar slechts dat die uitbuiting niet nader is omschreven in de bewezenverklaringen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan echter zonder meer worden afgeleid dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] werden uitgebuit (zoals het hof ook heeft overwogen in het bestreden arrest), terwijl dat feit op zichzelf noch in cassatie, noch ten overstaan van het hof, is weersproken. Gelet daarop zijn de bewezenverklaringen voldoende met redenen omkleed, zodat de middelen in zoverre reeds daarom falen.14

29. Verder wordt op zichzelf terecht geklaagd dat niet uit de bewijsvoering kan volgen dat verdachte ermee bekend was of had behoren te zijn dat de huur van de woning waarin hij verbleef werd betaald door [betrokkene 1] . Anders dan de steller van het middel, meen ik echter niet dat dat afdoet aan de bewezenverklaring van feit 1 voor zover inhoudend dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [betrokkene 1] door haar de huur te laten betalen. Het gaat er bij deze bewezenverklaring om dat sprake was van uitbuiting van [betrokkene 1] en dat verdachte daar opzettelijk voordeel uit heeft getrokken. Daarvoor is niet vereist dat hij elk ‘voordeel’ rechtstreeks van [betrokkene 1] ontving, het gaat erom dat het voordeel het gevolg was van de uitbuiting van [betrokkene 1] en dat verdachte dat wist. In dat verband doet het er niet toe of hij al dan niet wist dat [betrokkene 1] zijn huur betaalde, maar is het voldoende dat hij wist dat de huur van zijn woning werd betaald uit de uitbuiting van [betrokkene 1] . Dat laatste kan, met enige welwillendheid, wel uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

30. In het derde middel wordt er ook over geklaagd dat uit de bewezenverklaring van feit 1 niet blijkt dat verdachte geld van [betrokkene 1] in ontvangst heeft genomen, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] geld aan verdachte heeft gegeven dat afkomstig was van andere vrouwen en dus niet afkomstig was uit de uitbuiting van [betrokkene 1] zelf. Uit die bewijsmiddelen heeft het hof echter ook kunnen afleiden dat [betrokkene 1] geld van (of voor) haarzelf aan verdachte heeft gegeven. Zo houdt bewijsmiddel 15 in als verklaring van [betrokkene 1] dat zij verdachte meestal zelf betaalde, houdt bewijsmiddel 24 als mededeling van [betrokkene 2] aan verdachte in dat [betrokkene 1] geld aan verdachte zou geven, en houdt bewijsmiddel 29A in dat [betrokkene 1] zegt dat ze verdachte al geld heeft gegeven. De bewezenverklaring van feit 1 is dus ook in zoverre voldoende met redenen omkleed.

31. Tenslotte wordt in het vierde middel terecht geklaagd dat het hof ten aanzien van feit 5 bewijsmiddelen heeft gebezigd die niet zien op de bewezenverklaarde periode. Het gaat om getapte gesprekken die kort na de bewezenverklaarde periode hebben plaatsgevonden. Vier daarvan betreffen gesprekken tussen [betrokkene 3] en ene [betrokkene 6] waarin wordt besproken dat [betrokkene 3] van die [betrokkene 6] moet gaan werken en hoeveel geld [betrokkene 3] heeft of moet betalen, één van die gesprekken betreft een gesprek tussen [betrokkene 3] en ene [betrokkene 17] waarin [betrokkene 3] onder meer aangeeft dat ze veel stress heeft over wat er gebeurd is, en dat ‘hij’ haar vermoordt als hij terugkomt en zij er nog is. Die gesprekken zijn kennelijk tot bewijs gebezigd ter onderbouwing van de bewezenverklaarde uitbuiting van [betrokkene 3] waarvan verdachte gedurende enige tijd heeft geprofiteerd. Nu die gesprekken kort na de bewezenverklaarde periode hebben plaatsgevonden, deels gaan over die periode en deels kennelijk - en niet onbegrijpelijk - door het hof illustratief zijn geacht voor de verhouding tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 6] , heeft het hof deze mijns inziens redengevend kunnen achten voor zijn oordeel dat ook in de bewezenverklaarde periode sprake was van uitbuiting van [betrokkene 3] . Maar ook indien deze bewijsmiddelen als niet redengevend moeten worden aangemerkt, behoeft dat niet tot cassatie te leiden nu de bewezenverklaring ook zonder die bewijsmiddelen toereikend is gemotiveerd. Uit de overige bewijsmiddelen heeft het hof namelijk kunnen afleiden dat [betrokkene 3] door een [betrokkene 6] alias [betrokkene 6] werd uitgebuit. Hetzelfde geld voor de door het Hof van de rechtbank overgenomen bewijsoverweging ten aanzien van feit 5.

32. Het derde en vierde middel kunnen niet tot cassatie leiden.

33. In het vijfde middel wordt tenslotte geklaagd over de strafmotivering, in het bijzonder over het oordeel van het hof dat geen sprake was van een schending van de redelijke termijn.

34. Uit de stukken blijkt dat verdachte op 12 maart 2007 in verzekering is gesteld, dat de rechtbank in eerste aanleg vonnis heeft gewezen op 18 februari 2011, dus bijna vier jaar na de inverzekeringstelling en dat het hof vervolgens ruim twee en een half jaar nadat hoger beroep was ingesteld door zowel het openbaar ministerie als namens de verdachte, het nu in cassatie bestreden arrest heeft gewezen. Het hof heeft ten aanzien van dat tijdsverloop het volgende overwogen:

“Het hof acht anders dan door de verdediging is betoogd het tijdsverloop niet van dien aard dat sprake is van schending van de redelijke termijn. Hoewel in eerste aanleg noch in hoger beroep een einduitspraak is gevolgd binnen twee jaar, acht het hof het tijdsverloop in verhouding tot de omvang van het dossier en het onderzoek, de ingewikkeldheid van de zaken en de verwevenheid met andere zaken redelijk. Dat het openbaar ministerie er voor heeft gekozen een deel van de verdachten in het Sneeponderzoek eerder te dagvaarden dan verdachte acht het hof begrijpelijk gezien het feit dat die verdachten ten tijde van de behandeling van hun strafzaak preventief gehecht waren.”

35. Hiermee heeft het hof zijn oordeel dat geen sprake was van een schending van de redelijke termijn voldoende gemotiveerd. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof voorrang heeft gegeven aan samenhangende zaken waarin de verdachten preventief gedetineerd waren en daarin eerder uitspraak heeft gedaan. Die omstandigheid doet voorts in het geheel niet af aan hetgeen het hof ter motivering van de lange behandelduur van de zaak verder heeft overwogen. De genoemde omvang van het dossier en het onderzoek, de ingewikkeldheid van de zaak, en de verwevenheid met andere zaken, heeft het hof zonder meer redengevend kunnen achten voor zijn oordeel dat het tijdsverloop redelijk was.

36. Het middel faalt.

37. Het tweede, derde, vierde en vijfde middel kunnen met toepassing van art. 81 lid 1 RO worden afgedaan.

38. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

39. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II, 1996-1997, 25437, nr. 3 (MvT), p. 2.

2 Kamerstukken II, 1996-1997, 24 437, nr. 3 (MvT), p. 8-9.

3 Kamerstukken II, 1996-1997, 25 437, nr. 5, p. 11.

4 Kamerstukken II 2003-2004 29 291, nr. 3, P. 18-19.

5 J. de Hullu, Materieel strafrecht, 5e druk, p. 257-258.

6 Noyon/Langemeijer & Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 8 op art. 273f (bijgewerkt tot 1 januari 2015 door prof.mr. A.J. Machielse), Marnix Alink en Just Wiarda, ‘Materieelrechtelijke aspecten van mensenhandel in het Nederlands stafrecht’, in: Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland , Preadviezen 2010. De staatsrechtelijke positie van de politieke partijen, Materieelrechtelijke aspecten van mensenhandel, Schade van derden in het aansprakelijkheidsrecht, (Boom Juridische uitgevers: Den Haag 2010), p. 228, en Nationaal Rapporteur Mensenhandel, Mensenhandel. Jurisprudentie mensenhandelzaken 2009-2012. Een analyse, (2012), p. 30-31.

7 ECLI:NL:PHR:2009:BI7099, rov. 17-24.

8 Knigge verwijst naar de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2003-2004, 29 291, nr. 3, p. 10.

9 HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:532 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3489..

10 Zie mijn ambtgenoot Machielse in zijn algemene commentaar in Noyon/Langemeijer & Remmelink, aant. 11 (bijgewerkt tot 17 juni 2013) waarin hij onder meer verwijst naar Smidt. Zie ook: Tekst&Commentaar Strafrecht, 10e druk, aant. 6, waarbij overigens wel wordt gesteld dat de profijttrekker zelf niet de uitbuiter behoeft te zijn en met verwijzing naar het onderhavige arrest kennelijk is bedoeld aan te geven dat nu de vraag is of nog steeds geldt dat het opzet ook gericht moet zijn op de uitbuiting. Voorts: J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, p. 213.

11 J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, p. 247-249.

12 Zie de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Silvis, ECLI:NL:HR:2011:BQ6736 onder rov. 9 ten aanzien van het opzettelijk voordeel trekken uit fraude.

13 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, p. 253-258.

14 Zie bijvoorbeeld de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 14 mei 2013 met nummer ECLI:NL:PHR:2013:46 onder 5.2.