Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:133

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
13/01472
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:509, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01472

Zitting: 10 februari 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 28 oktober 2012 door het Hof ’s-Hertogenbosch van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) vrijgesproken en voor “doodslag” tot zes jaren gevangenisstraf veroordeeld. Voorts heeft het Hof gelast dat verzoeker ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof het beroep op psychische overmacht heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:

“hij op 13 augustus 2011 in de gemeente Venray opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in de hals en het bovenlichaam gestoken en meermalen met een hamer op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 oktober 2012 heeft de raadsman van verzoeker voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende verweer gevoerd:

“(…)

Ik zal geen beroep op een handelen van mijn cliënt uit noodweer doen, maar doe wel een beroep op een handelen uit psychische overmacht. De situatie in de woning van het slachtoffer heeft bij mijn cliënt gevoelens van angst, weerzin en walging opgewekt. Bovendien zijn gevoelens van decompensatie op gang gebracht door de paniek die hij voelde. Deze gevoelens zijn uiteindelijk omgezet in een psychotische drang om zichzelf uit de woning te bevrijden. Deze drang is van buiten gekomen.

Op dat moment kon hij in redelijkheid geen weerstand bieden aan de verleiding om het mes te pakken. Door de rechtbank wordt in het vonnis het verweer op psychische overmacht verworpen omdat er sprake zou zijn geweest van culpa in causa. Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 1989 (NJ 1990,48) ben ik van mening dat, indien iemand zichzelf verwijtbaar in een situatie brengt, dit een geslaagd beroep op een strafuitsluitingsgrond niet hoeft uit te sluiten. Met betrekking tot de verwerping van het verweer door de rechtbank merk ik op dat ik van mening ben dat dit een zeer gekunsteld verhaal is. Het drugsgebruik door mijn cliënt op de parkeerplaats is namelijk niet voortgekomen uit behoeftebevrediging.

Mijn cliënt heeft ernstige stoornissen die ertoe leiden dat pathologisch drugsgebruik nodig is om alle angsten en emoties in toom te houden. Al de manco's van mijn cliënt die hem belemmeren zich vrij onder de mensen te begeven, speelden bij uitstek op in de situatie waar hij zich op dat moment bevond. Die pathologie in samenhang met zijn persoonlijkheidsstructuur hebben ervoor gezorgd dat hij daar op die parkeerplaats opnieuw drugs heeft gebruikt. De psychiater meent echter dat het drugsgebruik van cliënt op de parkeerplaats plaatsvond op een helder moment, een moment dus waarop hij bij bewustzijn was en keuzevrijheid had. De rechtbank gaat hier in mee. De rechtbank zegt ook dat cliënt wist dat hij psychotisch kon worden van drugs. Ik wijs het hof erop dat het wellicht zo is dat mijn cliënt wist dat hij psychotisch zou worden van het drugsgebruik, maar hij wist niet dat hij er agressief door zou kunnen worden. Dat was hem nog nooit eerder overkomen. Dit beaamt zijn familie. Mijn cliënt heeft een zachtaardig karakter en is altijd iedere vechtpartij uit de weg gegaan. Hij heeft niet aanvaard dat hij agressief zou worden want hij wist überhaupt niet dat hij dit kon worden van drugs.”

6. Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

“Het hof stelt voorop dat voor een succesvol beroep op psychische overmacht vereist is dat er sprake is van een van buiten komende drang, waartegen het wellicht niet onmogelijk is zich te verweren, maar waarbij van verdachte niet kan worden gevergd dat hij daartegen weerstand biedt. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden van het geval alsmede met de persoonlijkheidskenmerken van verdachte.

Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt van het navolgende. Verdachte heeft na gebruik van drugs via internet contact met het slachtoffer gehad. Zij hebben hun seksuele fantasieën in msn-gesprekken uitgewisseld, waarbij verdachte zich presenteerde als de onderdanige persoon en het slachtoffer de dominante rol vervulde. Vervolgens heeft het slachtoffer verdachte vanuit Venray opgehaald in Roosendaal. Verdachte had zich intussen gehuld in een string en netkousen. Dat was volgens afspraak evenals het door het slachtoffer in de auto onderweg naar Venray al zoeken van toenadering. Op een parkeerplaats heeft verdachte nog meer drugs gebruikt om zijn seksuele interesse niet te laten wegebben en met het doel wat losser te worden. Dat gebeurde ook, want hij dacht toen: "waarom ook niet, laat het maar gebeuren" (pagina 9 van de verklaring van 14 augustus 2011, 17.13 uur).

Aangekomen in de woning heeft het slachtoffer op verzoek van verdachte koffie gezet en is hij gaan douchen, waarna verdachte een mes heeft gepakt om het slachtoffer daarmee te bedreigen en zodoende van hem de huissleutels te krijgen, zodat hij de woning kon verlaten.

Op het moment dat het slachtoffer - die verdachte met het mes op zich afzag komen – op verdachte toeliep, heeft verdachte hem met het mes in zijn schouder gestoken, waarna de situatie is geëscaleerd in een aaneenschakeling van geweld.

Verdachte heeft verklaard dat hij aldus heeft gehandeld omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer de deuren van de woning had afgesloten en hij derhalve de woning niet kon verlaten. Of dit feitelijk ook zo is geweest, kan het hof overigens niet met zekerheid vaststellen, maar duidelijk is wel geworden dat bij verdachte de angst ontstond dat de seksuele fantasieën uit de msn-gesprekken waarheid zouden worden, hij dit niet (meer) wilde en vreesde dat hij zich daaraan niet zou kunnen onttrekken en (mede) daardoor in paniek is geraakt.

Uit vorenstaande volgt dat de ontstane situatie, te weten dat verdachte en het slachtoffer zich samen in de woning van laatstgenoemde bevonden waarbij het de bedoeling was om seksuele omgang te hebben, geheel vrijwillig tot stand was gekomen. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat het slachtoffer zich op enigerlei wijze onheus tegen verdachte heeft opgesteld, zoals bijvoorbeeld verdachte tegen zijn wil in de woning opsluiten. Integendeel het slachtoffer heeft koffie gezet voor verdachte en is zich op verzoek van verdachte gaan douchen. Voorts is door verdachte ook niet tegen het slachtoffer zelfs maar de wens geuit om uit de woning te vetrekken. Onder die omstandigheden kan er naar het oordeel van het hof niet worden gesproken van een van buiten komende drang als vereist voor een geslaagd beroep op psychische overmacht.

Overigens ook in het geval al aangenomen zou moeten worden dat er sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon bieden, dan nog zou een beroep op psychische overmacht falen. Het ontstaan van paranoïde paniek bij verdachte is immers aan verdachte zelf toe te rekenen. Verdachte heeft op weg van Roosendaal naar Venray drugs gebruikt uit de wens tot seksuele behoeftebevrediging, terwijl hij wist dat hij na het gebruik van verdovende middelen psychotisch kon worden. Desondanks is hij tot dat gebruik overgegaan.”

7. Bij psychische overmacht gaat het om een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.1 Uit deze definiëring blijkt reeds het normatieve karakter van de onderhavige schulduitsluitingsgrond. Dat neemt niet weg dat in het kader van de psychische overmacht – en de benaming duidt daar al op - ook ruimte is voor een psychologische component nu daarbij de persoonlijkheid van de verdachte kan worden betrokken, zo valt te lezen in het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1144, NJ 2012/590. Uit ditzelfde arrest kan tevens worden afgeleid dat naarmate het delict ernstiger is, de toets of sprake is van een verontschuldigbare psychische overmacht zwaarder zal zijn.2 Voorts kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.3

8. Wordt een uitdrukkelijk voorgedragen verweer strekkende tot psychische overmacht door de feitenrechter niet aanvaard, dan geldt de responsieplicht als bedoeld in art. 358, derde lid, Sv en art. 359, tweede lid eerste volzin, Sv. Dat brengt vanzelfsprekend mee dat daaraan voorafgaand de feitenrechter zal hebben te onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van deze exceptie al dan niet zijn vervuld en dat hij in het vonnis of arrest van zijn bevindingen rekenschap dient af te leggen.

9. Naar mijn oordeel heeft het Hof het onderhavige verweer op goede gronden verworpen. Het Hof heeft eerst de feiten en omstandigheden, voor zoveel aannemelijk, vastgesteld waarbij het - wat de feitelijke gang van zaken ten tijde van de bewezenverklaarde doodslag betreft - noodzakelijkerwijs grotendeels heeft moeten uitgaan van de herinnering die verzoeker naar zijn zeggen daarvan nog heeft. Een dergelijke subjectieve lezing is in de regel (sterk) gekleurd en dus zal deze een objectieve toetsing moeten kunnen doorstaan. In dat verband merk ik op dat volgens het deskundigenrapport van het NFI (bewijsmiddel 5) maar liefst “20 scherprandige huidletsels met het aspect van steek- en snijverwondingen” op het lichaam van het slachtoffer zijn aangetroffen en “bij leven opgelopen uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd passend bij tenminste zesmaal geslagen worden op het hoofd met een zwaar voorwerp”. Voorts heeft het Hof vastgesteld – en naar mijn mening op grond van het voorhanden materiaal kunnen vaststellen - dat niet is gebleken dat het latere slachtoffer bij hem thuis zich op enigerlei wijze onheus tegen verzoeker heeft opgesteld.

10. Aldus kon het Hof, gelijk het heeft gedaan, tot de slotsom komen dat in casu niet kan worden gesproken van een van buiten komende drang als vereist voor een geslaagd beroep op psychische overmacht. Aan dit bestreden oordeel doet niet af de overweging van het Hof dat wel duidelijk is geworden dat verzoeker in paniek is geraakt.4 Uit ’s Hofs motivering van de verwerping van het beroep op psychische overmacht kan immers worden afgeleid dat deze paniek niet voldoende is voor het aannemen van de voor psychische overmacht vereiste van buiten komende drang. Daarmee heeft het Hof – met een zekere, aan de individualiteit van verzoeker ontstijgende, objectivering als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat een beroep op subjectieve overmacht in het onderhavige geval niet opgaat, omdat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker zich niet heeft beseft dat hij op een normale manier uit de woning had kunnen vertrekken, bijvoorbeeld toen het latere slachtoffer koffie zette of zich douchte.5 Dat oordeel is, gelet op ’s Hofs vaststellingen, onbegrijpelijk noch onjuist.

11. Een aantal feiten en omstandigheden die thans door de steller van het middel in de toelichting wordt genoemd, te weten dat het hier gaat om een bepaalde overeengekomen rolverdeling en een leeftijdsverschil, is bij het ter terechtzitting gevoerde verweer niet naar voren gebracht. Op die feiten en omstandigheden ga ik nu dan ook niet in.

12. Daarnaast heeft het Hof nog geoordeeld dat het beroep op psychische overmacht, ware er wél sprake van een dergelijke drang geweest, niet kan slagen omdat het ontstaan van “paranoïde paniek” bij verzoeker aan hemzelf te wijten is. Voor zover het middel zich daartegen keert kan het niet tot cassatie leiden, nu het een overweging ten overvloede betreft.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel, dat klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, is terecht voorgesteld. Namens verzoeker is op 5 november 2012 beroep in cassatie ingesteld, welk beroep overigens partieel weer is ingetrokken bij akte van 23 juni 2014. Het dossier is blijkens de op de stukken geplaatste stempel bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 23 augustus 2013, zodat – verzoeker is in verband met deze zaak gedetineerd - de termijn waarbinnen de stukken bij de Hoge Raad moeten zijn binnengekomen is overschreden met bijna drie maanden. Voortvarende behandeling van de zaak, te weten een uitspraak binnen veertien maanden na het instellen van het beroep in cassatie, kan de overschrijding van de inzendingstermijn niet meer compenseren. Een en ander moet leiden tot vermindering van de aan verzoeker opgelegde gevangenisstraf.

15. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6734, NJ 2012/594.

2 Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, aant. 3 bij art. 40 Sr (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt tot 2 april 2013) en J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, 2012, p. 291.

3 HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2067, NJ 2005/94 m.nt. Mevis (rov. 3.5.).

4 Zie omtrent emoties als schrik, paniek en angst bij psychische overmacht: NLR, a.w., aant. 3 bij art. 40 Sr.

5 Vgl. HR 20 november 1979, NJ 1980/129.