Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1308

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-05-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
14/02465
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2446, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv, u.o.s. m.b.t. betrouwbaarheid getuige. Het Hof heeft i.s.m. art. 359.2 Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het u.o.s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02465

Mr. Machielse

Zitting 26 mei 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 17 maart 2014 voor 1: Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, 2: Een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, en 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden. Voorts heeft het hof de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest vermeld.

2. Mr. G.M.J. van Oijen, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr. drs. W.J.W. van Eijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de veroordeling voor feit 1. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen over de verklaringen van de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] . Het hof heeft de verklaringen van deze getuige wel voor het bewijs gebruikt maar niet in het bijzonder de redenen gegeven waarom het hof van dit uitdrukkelijk ingenomen standpunt afweek. Het derde middel bevat een soortgelijke klacht, maar dan ten aanzien van feit 2. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.2. Op 12 februari 2014 heeft de advocaat van verdachte het woord ter verdediging gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities. Daarin wijst de advocaat er op dat niet vaststaat dat de collega van [betrokkene 3] van [C] B.V. daadwerkelijk met de verdachte een telefoongesprek heeft gevoerd (§ 7). [betrokkene 1] is door het hof ter terechtzitting van 5 februari 2014 als getuige gehoord. De betrouwbaarheid van [betrokkene 1] komt in de pleitnota uitgebreid aan de orde. De advocaat wijst op ongerijmdheden en onduidelijkheden in de verklaringen die deze getuige heeft afgelegd en gaat uitgebreid in op de details van die verklaringen. Volgens de pleitnota zijn de verklaringen van deze getuige onbetrouwbaar. Daarom ontbreekt het bewijs en moet verdachte worden vrijgesproken (§ 12 tot en met 29).

3.3. Als feit 1 is bewezenverklaard dat

"hij in de periode van 01 september 2006 tot en met 18 juli 2007 in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

- een valse jaarrekening van [A] B.V. betreffende het boekjaar 2005 en

- een valse tussentijdse balans van [A] B.V. per 30 juni 2006 en

- een valse jaarrekening van [A] B.V. betreffende het boekjaar 2006 en

- meerdere valse aanbiedingsbrieven van [B] B.V.

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als waren

die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat hij verdachte die jaarrekeningen en tussentijdse balans en aanbiedingsbrieven heeft doen toekomen aan [C] B.V. voor de beoordeling van kredieten en leveranciers van [A] B.V. en bestaande die valsheid hierin dat verdachte heeft doen voorkomen dat de voormelde jaarrekening en tussentijdse balans en aanbiedingsbrieven waren opgemaakt door [B] B.V. accountants-administratieconsulenten;

en

hij in de periode van 01 september 2006 tot en met 18 juli 2007 in Nederland meermalen telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

- een valse jaarrekening van [A] B.V. betreffende het boekjaar 2005 en

- een valse jaarrekening van [A] B.V. betreffende het boekjaar 2006 en

- een valse tussentijdse balans van [A] B.V. per 30 juni 2006 en

- meerdere valse aanbiedingsbrieven van [B] B.V.

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als waren die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat hij, verdachte, de jaarrekeningen en tussentijdse balans en aanbiedingsbrieven heeft doen toekomen aan [D] N.V. en [E] N.V. voor de beoordeling van kredieten van leveranciers van [A] B.V. en heeft doen toekomen aan Fortis Bank N.V. ter verkrijging van een hypotheek op het pand gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] en bestaande die valsheid telkens hierin dat verdachte heeft hebben doen voorkomen dat de voormelde jaarrekeningen en tussentijdse balans en aanbiedingsbrieven waren opgemaakt door [B] B.V. accountants-administratieconsulenten;".

En als feit 2 dat

"hij in de periode van 01 maart 2007 tot en met 27 juni 2007 op na te noemen plaatsen een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en anderen de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte en/of zijn mededaders, telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

- op tijdstippen in de periode van 01 april 2007 tot en met 05 juni 2007, te Oss en Oud-Beijerland telkens een hoeveelheid aardappelen van [F] B.V. en

- op tijdstippen in de periode van 01 april 2007 tot en met 03 mei 2007, te Oss en Amsterdam telkens een hoeveelheid kipproducten en/of vleesproducten van [G] B.V. en

- op een tijdstip in de periode van 01 april 2007 tot en met 14 mei 2007 te Oss en Dordrecht een hoeveelheid vleesproducten van [H] B.V. en

- op een tijdstip in de periode van 15 mei 2007 tot en met 23 mei 2007 te Oss en Bergeijk een hoeveelheid eieren van [I] B.V. en

- op tijdstippen in de periode van 1 maart 2007 tot en met 5 juni 2007 te Oss en Cuijk een hoeveelheid kipproducten en/of vleesproducten en/of visproducten van [J] B.V.

en

- op tijdstippen in periode van 27 maart 2007 tot en met 01 mei 2007 te Oss en Apeldoorn een hoeveelheid vleesproducten van [K] B.V. en

- op tijdstippen in de periode van 04 mei 2007 tot en met 18 mei 2007 te Oss en Dedemsvaart een hoeveelheid kipproducten van [L] B.V. en

- op tijdstippen in de periode van 20 april 2007 tot en met 15 mei 2007 te Oss en Reeuwijk een hoeveelheid kaas van [M] B.V. en

- op tijdstippen in de periode van 8 mei 2007 tot en met 21 mei 2007 te Oss en Bodegraven een hoeveelheid kaas van [N] VOF en

- op tijdstippen in de periode van 01 april 2007 tot en met 14 mei 2007 te Oss en Doetinchem een hoeveelheid kipproducten van [O] B.V. en

- op 15 mei 2007 te Oss en Wormer een hoeveelheid kalkoenvlees van [P] B.V. en

- op 10 mei 2007 te Oss en Dordrecht een hoeveelheid kipproducten van [Q] B.V. en

- op 15 mei 2007 te Oss en Den Ilp een hoeveelheid kipproducten van [R] B.V. en

- op 16 mei 2007 te Oss en Groningen een hoeveelheid sauzen van [S] B.V. en

- op tijdstippen in de periode van 16 mei 2007 tot en met 19 juni 2007 te Oss en Venlo een hoeveelheid champignons van [T] B.V.;".

3.4. Voor het bewijs van de feiten 1 en 2 heeft het hof 72 bewijsmiddelen gebruikt. Het merendeel daarvan bevat de verklaringen van personen of bedrijven die schade hebben geleden omdat hun rekeningen niet werden betaald. Ook zijn er verklaringen waaruit de valsheid van de jaarrekeningen van [A] B.V. ( [A] ) en de aanbiedingsbrieven op naam van [B] B.V. is af te leiden. De eerste drie bewijsmiddelen zijn bevindingen van de verbalisanten over wat bij de Kamer voor Koophandel bekend is over de [A] . Bewijsmiddel 12 houdt een verklaring in van [betrokkene 3] van kredietverzekeraar [C] B.V., waarin deze verklaart dat een collega op 12 oktober 2006 een telefoongesprek heeft gevoerd met een medewerker van [A] , [verdachte] genaamd, waarmee volgens het hof verdachte is bedoeld, waarin deze [verdachte] aangaf dat hij de financiële gegevens over 2005 zou opsturen. Vervolgens zijn de jaarcijfers over 2005 en het eerste halfjaar van 2006 van [A] ontvangen middels een aanbiedingsbrief van [A] die was ondertekend door [medeverdachte 2] en was voorzien van een aanbiedingsbrief van [B] B.V. aan de directie van [A] . In bewijsmiddel 67 is een verklaring opgenomen van [medeverdachte 2] , welke ik in haar geheel weergeef:

" [verdachte] zocht een nieuwe bestuurder voor zijn stichting. Ik had daar wel oren naar en we hebben een afspraak gemaakt. [verdachte] vertelde dat hij voornemens was te stoppen met zijn bestuursfunctie, hij was voorzitter van de Stichting [V] . Ik moest een stichting gaan beheren. Via [verdachte] werd mij duidelijk dat de Stichting [V] enig aandeelhouder was van [A] . Ik hoefde me niet bezig te houden met de in- en verkoop van de firma. De enige taak die ik had was het contante geld afstorten bij de bank. Verder moest ik bij alle formele financiële handelingen als bestuurder optreden, zoals (...) het aanvragen van een hypotheek en (...) het afstorten van gelden.

De feitelijke activiteiten binnen [A] werden uitgevoerd door anderen, daar had ik niets mee van doen. Ik weet dat het werk werd gedaan door [medeverdachte 1] en [betrokkene 10] .

Door [medeverdachte 1] werd ik altijd gebeld om geld af te storten. [betrokkene 10] en [medeverdachte 1] werkten daar al toen ik daar kwam werken.

Ik heb met [verdachte] nadat ik bestuurder ben geworden nooit meer over [A] gesproken.

[medeverdachte 1] deed de in- en verkoop van het bedrijf, [betrokkene 10] hield volgens mij de administratie bij."

Voorts is bewijsmiddel 60 relevant:

"69. Een proces-verbaal van verhoor (met bijlagen)69, d.d. 9 mei 2008, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 2] , zakelijk weergegeven:

(pagina's 102-106)

Ik werd als bestuurder "voorzitter" van de Stichting [V] ingeschreven.

Ik wist dat ik formeel aansprakelijk kon worden gesteld als bestuurder. Ik had daar geen problemen mee, omdat het bedrijf door [verdachte] als liquide en solvabel bedrijf werd afgeschilderd. Ik zag later ook dat er werd gehandeld, er werd ingekocht, verkocht en ik zag dat er geld binnenkwam.

V: Weet u of leveranciers aan [A] een kredietverzekering hadden?

A: Ja. Dat had ik gehoord van [verdachte] . Dat vertelde hij al in de eerste gesprekken. [verdachte] heeft toen o.a. de namen Atradius en Euler Hermes genoemd. De leveranciers aan [A] kregen in mijn ogen dus altijd hun goederen betaald.

V: Wat kunt u zeggen over het zojuist aan u getoonde faxbericht van [A] aan [C] d.d. 04-12-2006, ondertekend met [medeverdachte 2] ?

A: Dit faxbericht ken ik niet. Ik heb dat niet opgemaakt. Het is niet mijn handtekening. Ik heb nooit gesproken met medewerkers van [C] . Ik heb ook

nooit jaarstukken naar hun opgestuurd.

(...)

Ik had er geen invloed op welke leveranciers wel en welke niet betaald mochten worden. Ik nam die beslissing niet.

Ik was af en toe op de zaak en dan was ik er maar kort.

Maar degene die het meest belastend over verdachte heeft verklaard is [betrokkene 1] . Het betreft de bewijsmiddelen 70 en 71:

"70: Een proces-verbaal van verhoor70, d.d. 14 april 2008, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

(pagina's 136-143)

Binnen de Vleescentrale gebruikte ik de naam [betrokkene 10] . [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben mij die naam gegeven.

Ik ben naar [A] (hierna: [A] ) gegaan. Ik denk dat het eind januari 2007 is geweest, omdat ik in februari daar ben gaan werken. Daar was [betrokkene 2] aanwezig en ook [medeverdachte 1] . Ik zou daar secretariële werkzaamheden doen. Ik moest brieven opstellen, telefoontjes plegen en bedrijven benaderen om zaken te doen. Ik zocht met name op internetsites waar bedrijven stonden, die zaken deden met een kredietverzekering. Ik moest van alle soorten bedrijven benaderen, variërend tussen vlees, groenten en kaas. Ik deed alleen de inkoop van goederen. Ik nam steeds de telefoon op.

Het was een bedrijf voor inkoop van grote hoeveelheden levensmiddelen. Die levensmiddelen gingen vervolgens door naar de Grossmarkt in Duitsland. Ik had door dat die levensmiddelen voor de helft van de prijs werden doorverkocht naar Duitsland. Ik werkte altijd met [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] had contacten met [J] . [verdachte] kwam regelmatig op kantoor.

[J] leverde bevroren producten en daar bemoeide [verdachte] zich mee.

[medeverdachte 1] werkte ook voor [verdachte] , hij was door [verdachte] aangenomen.

[verdachte] kreeg al het geld van alles wat er verkocht werd. Ik weet dat omdat [verdachte] er altijd was als er kopers op het bedrijf waren. [verdachte] ging dan altijd naar een klein kantoortje met de koper. Ik moest dan het geldtelmachientje bij hem brengen.

De vleescentrale was verdeeld in twee afdelingen. Een afdeling werd gedaan door [medeverdachte 1] . Al het geld dat daarvan binnen kwam ging naar [verdachte] . De andere afdeling werd gedaan door [betrokkene 2] . Van al het geld wat door [betrokkene 2] werd binnen gebracht, kreeg [verdachte] de helft.

Ik had met [medeverdachte 1] dagelijks contact.

Ik had contact met klanten uit Duitsland om door te geven welke goederen er aan zouden komen. Wij verzorgden toen het transport naar Duitsland. [verdachte] gaf mij later de opdracht om geen transporten naar Duitsland meer te regelen.

Ik had met veel leveranciers contact, onder andere [L] uit Apeldoorn en [F] uit Oud-Beijerland. Ik gebruikte de telefoon, de fax en e-mail.

Ik ben daar eind mei 2007 weggegaan.

71. Een proces-verbaal van verhoor71, d.d. 15 april 2008, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

(pagina's 144-155)

[verdachte] had met alle bedrijven die zaken deden met [A] van doen.

Ik zag [medeverdachte 1] dagelijks in de tijd dat ik bij [A] werkte.

[medeverdachte 2] is zogenaamd de directeur van [A] , maar hij deed helemaal niets binnen het bedrijf. [verdachte] was voor mij de echte directeur, want [verdachte] nam de beslissingen en zei wat er moest gebeuren.

De handtekening van [medeverdachte 2] werd door andere mensen, zoals [medeverdachte 1] en [verdachte] , vervalst. Zij gebruikten die handtekening als dat nodig was. Ik heb dat zelf ook een keer gedaan in verband met de huur van laptops. Ik had die een keer afgekeken van de handtekening op de kopie van het paspoort van [medeverdachte 2] , die lag op de zaak.

Ik heb [medeverdachte 2] niet vaak gezien. Ik denk een keer of 3 of 4.

Ik werkte in de periode februari-maart 2007 ongeveer 20-24 uren in de week. Vanaf april 2007 werkte ik 36-40 uren bij [A] . Dat was omdat de handel op gang kwam.

Bij contante betalingen was [verdachte] bijna altijd op het bedrijf aanwezig. Het afstorten van geld werd verzorgd door [medeverdachte 1] en [verdachte] . Volgens mij werden die stortingsformulieren getekend door [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 1] en ik hadden contact met de leveranciers. Op aanvraag vanuit Duitsland werden bestellingen gedaan. Ik zocht een bedrijf die het gevraagde kon leveren. Ik bestelde dan vaak telefonisch en bevestigde de bestelling dan vak middels een fax of e-mail. Daarna werd er een datum afgesproken van de levering. Door de leveranciers werd het transport naar ons geregeld, behalve bij [F] want daar werden de goederen door ons opgehaald. Dat was ook zo bij een eierhandelaar.

Telefonisch maakten leveranciers mij bekend dat er niet betaald was."

3.5. Na de bewijsmiddelen heeft het hof nog het volgende in zijn arrest opgenomen:

"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ten aanzien van feit 1 is het volgende aangevoerd:

Verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij dit feit en ook uit de verklaringen van getuigen kan niet worden afgeleid dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften.

Geen van de getuigen heeft immers (telefonisch) gesproken met verdachte en als men vroeg om nadere financiële informatie werd men door [medeverdachte 2] verwezen naar medeverdachte [medeverdachte 1] en niet naar verdachte.

Hoewel getuige [betrokkene 3] ( [C] B.V.) heeft verklaard dat zijn collega op 12 oktober 2006 heeft gesproken met een man genaamd [verdachte] , blijkt uit niets dat die collega daadwerkelijk met verdachte heeft gesproken. Verdachte ontkent met hem te hebben gesproken. Dat vervolgens op diezelfde dag valse stukken naar [C] werden verstuurd, ondertekend door [medeverdachte 2] , wijst evenmin op betrokkenheid van verdachte bij het versturen van die stukken. Immers, verdachte kende [medeverdachte 2] op 12 oktober 2006 niet, zodat verdachte niet bekend was met de naam [medeverdachte 2] en ook niet diens handtekening onder de valse stukken kan hebben gezet. [medeverdachte 2] heeft op 4 december 2006 zelf stukken betreffende [A] aan [C] verstuurd.

De jaarstukken zijn bovendien aan de kredietverzekeraars verstuurd op een moment dat verdachte niet meer betrokken was bij [A] . Anderen hebben de naam van verdachte misbruikt.

Alleen getuige [betrokkene 1] heeft belastend over verdachte verklaard, maar zij kan over verdachte uit eigen wetenschap niets nadeligs verklaren. Bovendien is zij ongeloofwaardig, onder meer gelet op de wisselende verklaringen omtrent de grote geldbedragen die zij in de periode dat zij werkte voor [A] naar Turkije heeft overgemaakt.

Ten aanzien van feil 2 is het volgende aangevoerd:

Verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij dit feit en geen enkele getuige heeft verklaard dat verdachte iets van doen had met de bestelling van goederen. Bovendien kunnen ook de bij verdachte aangetroffen agenda waarin het adres van [medeverdachte 1] is gebruikt, de bij verdachte aangetroffen stempel die werd gebruikt door [A] in de ten laste gelegde periode en de in de woning van verdachte aangetroffen faillissementsstukken betreffende [A] evenmin een aanwijzing vormen voor de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde flessentrekkerij.

De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] en getuige [betrokkene 1] weerleggen geenszins dat niet verdachte, maar zijzelf de flessentrekkerij hebben gepleegd.

Het hof overweegt het volgende.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.

- [A] B.V. (hierna: [A]) had in oktober 2006 geen personeel in dienst.

- Op 12 oktober 2006 stond verdachte nog ingeschreven als bestuurder van Stichting [V] B.V. (hierna: [V]). Verdachte en zijn toenmalige echtgenote [betrokkene 4] zijn eigenaar geweest van [A] . Later is er een Stichting in het leven geroepen.

Vanaf 11 april 2005 tot en met 29 november 2006 is verdachte voorzitter geweest van die Stichting, welke stichting directeur en enig aandeelhouder was van [A] (zie onder anderede verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep).

- Een medewerker van [C] B.V. (hierna: [C]) heeft op 12 oktober 2006 gesproken met een persoon " [verdachte] " van [A] , die aangaf dat hij de financiële gegevens over 2005 zou opsturen (zie de verklaring van [betrokkene 3] van [C] ).

- Uiteindelijk heeft [C] de jaarstukken over 2005 en het eerste halfjaar 2006 van [A] B.V. gekregen, met daarbij een aanbiedingsbrief van de accountant [B] (hierna: [B]), ook gedateerd 12 oktober 2006.

- Deze jaarstukken en de aanbiedingsbrief van de accountant zijn vals.

- Deze stukken zijn door [A] B.V. aan [C] gestuurd.

Uit genoemde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte die in oktober 2006 als enige actief was binnen [A] , die genoemde valse stukken opzettelijk in het verkeer heeft gebracht, hetzij rechtstreeks door ze toe te sturen aan [C] hetzij via een ander die ze als stukken van [A] waar de stukken kennelijk beschikbaar waren, heeft doorgestuurd.

Uit de bewijsmiddelen komt verder het volgende naar voren.

- Het pand van [A] , [a-straat 1] te [plaats], was eerst van verdachte en [betrokkene 4] en is later overgedragen aan de Vastgoed en exploitatiemaatschappij [U] B.V. Verdachte heeft verklaard dat zolang hun huwelijk heeft geduurd (tot 2010) verdachte en [betrokkene 4] nagenoeg geheel op de hoogte waren van elkaars financiële situatie. Verdachte heeft verklaard: Je zou kunnen zeggen dat in die periode [betrokkene 4] en [verdachte] één waren (zie verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep).

- Al in de zomer van 2006 maakt verdachte er melding van een mogelijke klant voor zowel de B.V. als voor genoemd bedrijfspand te hebben, hetgeen in oktober/november vast vormen heeft aangenomen (zie de verklaring van getuige [betrokkene 5] ). Die klant, zo leidt het hof uit de bewijsmiddelen af, blijkt medeverdachte [medeverdachte 2] te zijn.

- [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij door verdachte is benaderd om voorzitter te worden van [V] en dat zijn taak bij [A] bestond uit het bij uitsluitend formele financiële handelingen optreden als bestuurder, zoals het aanvragen van een hypotheek en het afstorten van gelden. Mede gelet op de tot bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] (in het dossier beter bekend als: [betrokkene 10] ), concludeert het hof dat [medeverdachte 2] door verdachte is ingezet als stroman.

Uit de bewijsmiddelen komt voorts het volgende naar voren.

- Verdachte is na zijn terugtreden bij [A] steeds betrokken gebleven bij (de activiteiten van) [A] , en wel als degene die het voor het zeggen had (zie de verklaring van [betrokkene 1] ).

- In het kader van die activiteiten is op verschillende momenten gebruik gemaakt van eerder genoemde valse jaarstukken (zie de verklaringen van [betrokkene 6] van [D] N.V., van [betrokkene 7] van [E] B.V., van [betrokkene 3] van [C] en van [betrokkene 8] van Fortis Bank).

- Met behulp van die valse jaarstukken is ook het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] uiteindelijk door [A] gekocht (zie verklaring van [betrokkene 9]).

Nu verdachte de valse jaarstukken initieel in het verkeer heeft gebracht en nu daaraan later de jaarstukken over het hele jaar 2006 zijn toegevoegd, ook afkomstig van de accountant [B] , die heeft verklaard geen zaken voor [A] te hebben gedaan en nu er geen enkele aanwijzing in het dossier te vinden is dat de jaarstukken over heel 2006 op een andere wijze tot stand zijn gekomen dan de eerdere jaarstukken, zogenaamd afkomstig van accountant [B] , concludeert het hof dat ook de jaarstukken over het gehele jaar 2006 door verdachte in het verkeer zijn gebracht.

Gelet op deze essentiële rol van verdachte bij het in het verkeer brengen van de valse stukken, het feit dat hij de leiding is blijven behouden bij [A] , het feit dat de overdracht van bedrijf en pand zijn verlopen, zoals reeds door verdachte was voorzien en gepland in de zomer van 2006, terwijl de genoemde valse stukken zijn blijven opduiken bij (de activiteiten van) [A] is het hof van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien ook met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt, dat het verdachte is geweest die de feiten zoals bewezen verklaard onder 1 en 2 (functioneel) heeft gepleegd.

Feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een ander oordeel zijn uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren gekomen.

Het hof verwerpt het verweer."

3.6. Hetgeen de advocaat van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in de pleitnota naar voren heeft gebracht over de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 1] kan moeilijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van de conclusie dat verdachte moet worden vrijgesproken, ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Het hof heeft evenwel verklaringen van deze getuige voor het bewijs gebruikt en is aldus afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven. Dat verzuim heeft nietigheid tot gevolg.1 Met betrekking tot de verklaring van [betrokkene 3] ligt het mijns inziens genuanceerder. In wezen heeft de advocaat gesteld dat het onduidelijk is met wie de collega van [betrokkene 3] heeft gesproken, maar dat zou ik niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt willen aanmerken. In wezen gaat het er natuurlijk om of de collega van [betrokkene 3] inderdaad met verdachte in gesprek is gekomen. Daarover kan [betrokkene 3] niets met zekerheid beweren, evenmin als trouwens zijn collega.

Het eerste en derde middel slagen.

4.1. Ook het tweede middel klaagt over de veroordeling voor feit 1. Het hof heeft op twee paarden gewed, namelijk zowel het fysieke daderschap als het functioneel daderschap, maar heeft "doen toekomen" bewezenverklaard hetgeen het fysieke daderschap uitsluit. Maar functioneel daderschap kan niet worden aangenomen omdat niet is voldaan aan de IJzerdraadcriteria en ook voor fysiek daderschap ontbreekt het bewijs. Het vierde middel klaagt op dezelfde gronden over het bewijs van feit 2. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.2. Of er sprake is van fysiek daderschap of van functioneel daderschap maakt voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet uit. Wel moet uit de bewijsconstructie kunnen volgen dat er daderschap is geweest. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte het voor het zeggen had in [A] en dat hij de gang van zaken bepaalde en het geld grotendeels opstreek. Uit de verklaring van [betrokkene 1] heeft het hof kunnen afleiden dat andere betrokkenen slechts een ondergeschikte of onbeduidende rol speelden. [medeverdachte 2] bijvoorbeeld diende alleen als katvanger. In een van de eerste gesprekken die verdachte met [medeverdachte 2] had, vertelde verdachte al dat de leveranciers van [A] een kredietverzekering hadden waardoor zij altijd betaald werden (bewijsmiddel 69). En [betrokkene 1] benaderde leveranciers die eerst waren geselecteerd omdat ze zaken deden met een kredietverzekering. Het hof heeft in het midden kunnen laten of verdachte zelf fysiek bijvoorbeeld de vervalste stukken deed toekomen aan de kredietverzekeraars of aan hun klanten of zich daartoe bediende van anderen, omdat uit de bewijsconstructie volgt dat verdachte minstens bewerkstelligde dat het bewezenverklaarde zich heeft voorgedaan.

Het middel faalt.

5. Het tweede en het vierde middel zijn tevergeefs voorgesteld. Het eerste en het derde middel treffen naar mijn oordeel doel. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 13 mei 2014, NJ 2014, 391 m.nt. Schalken.