Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1307

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-05-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
14/02423
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2452
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1 . Art. 51 Sv. 2. Het in hulpeloze toestand achterlaten van een ander a.b.i. art. 7.1.b WVW 1994. 3. Vordering b.p.

Ad 1. Falende klacht over het niet naleven van het in art. 51, tweede volzin, Sv vervatte voorschrift. Uit het aan de cassatieschriftuur gehechte stuk kan niet worden afgeleid dat de appelmemorie, die zich niet bevindt bij de aan de HR toegezonden stukken, daadwerkelijk bij de Rb is ingediend. Nu ook anderszins aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, moet het er voor worden gehouden dat de in cassatie overgelegde appelmemorie niet aanwezig was in het dossier dat het Hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in h.b., terwijl onvoldoende grond bestaat voor het ernstige vermoeden dat voormelde appelmemorie ter griffie van de Rb (of door enige andere justitiële autoriteit) is ontvangen en vervolgens in het ongerede is geraakt.

Ad 2. De opvatting dat slechts sprake kan zijn van het in hulpeloze toestand achterlaten als bedoeld in art. 7.1.b WVW 1994 indien 'de ander' niet op eigen kracht hulp kan inroepen , is onjuist. Het oordeel van het Hof dat verdachte een fietser in een “hulpeloze toestand” a.b.i. art. 7.1.b WVW 1994 heeft achtergelaten, geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van dat begrip, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de fietser door de botsing met de auto van verdachte ten val is gekomen, dat haar fiets t.g.v. van de botsing is weggeslingerd en totaal is vernield en dat de fietser, die bij het opstaan een flinke pijn in linkerschouder en linkervinger voelde, na de aanrijding op een stootbalk in de berm van de weg is gaan zitten en vervolgens door een onbekende begeleid is naar haar woning.

Ad 3. De b.p. heeft vergoeding gevorderd van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de aanrijding. ’s Hofs oordeel dat de gevorderde schade rechtstreeks is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde feit (overtreding van art. 7.1 WVW 1994), is - mede gelet op de vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde (overtreding van art. 5 WVW 1994) - zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

CAG anders t.a.v. middelen betreffende vordering b.p.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02423

Zitting: 26 mei 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, zitting houdende te Zwolle, heeft bij arrest van 12 februari 2014 het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Utrecht van 13 april 2012, waarbij de verdachte wegens 1. “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en 2. “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftig dagen en (ten aanzien van feit 1) een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aanvulling van gronden1 bevestigd, behalve wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat art. 51 Sv in hoger beroep is geschonden, aangezien niet blijkt dat een afschrift van de appeldagvaarding naar de raadsman van de verdachte is verzonden en evenmin blijkt dat het hof heeft onderzocht of de raadsman een afschrift van de appeldagvaarding heeft ontvangen.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 13 april 2012 is de verdachte wel verschenen maar is geen raadsman aanwezig. De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van diezelfde datum veroordeeld.

(ii) Namens de verdachte heeft mr. W.G.L. Burgers, advocaat te Utrecht, op 17 april 2012 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

(iii) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 29 januari 2014 is op 2 december 2013 tevergeefs aangeboden op het GBA-adres van de verdachte ( [a-straat 1] in Utrecht) en is vervolgens, na niet te zijn afgehaald op het postkantoor, op 16 december 2013 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Oost-Nederland. Voorts is op 16 december 2013 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar het GBA-adres van de verdachte. Het in de appelakte vermelde adres van de verdachte ( [b-straat 1] in Utrecht) betreft een oud, intussen achterhaald GBA-adres.

(iv) Op de terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2014 is noch de verdachte noch een raadsman verschenen. Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en heeft de zaak vervolgens inhoudelijk behandeld. Op 12 februari 2014 heeft het hof uitspraak gedaan.

(v) Bij faxbericht van 18 augustus 2014, gericht aan de griffier van de Hoge Raad, heeft mr. Van de Bergh verzocht de stukken aan te vullen met de stelbrief van de raadsman in hoger beroep. Een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad heeft op 19 augustus 2014 telefonisch aan mr. Van de Bergh doorgegeven dat zich in het dossier geen stelbrief bevindt en dat volgens de stukken op de terechtzitting in hoger beroep geen advocaat aanwezig was.

(vi) Bij faxbericht van 19 augustus 2014, gericht aan de griffier van de Hoge Raad, heeft mr. Van de Bergh verzocht “de appelschriftuur van mr. Burgers” aan het dossier toe te voegen. Volgens mr. Van de Bergh heeft hij een kopie van “de appelschriftuur” van mr. Burgers ontvangen. Dit stuk is aan het faxbericht gehecht en houdt het volgende in:

“Appelmemorie

Rechtbank Utrecht

inzake

16-050566-12

het hoger beroep van

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981

wonende te Utrecht en te dezer zake domicilie kiezende te Utrecht aan de Wittevrouwenstraat 44 ten kantore van de advocatenmaatschap Burgers en Ran, waarvan mr. W.G.L. Burgers ten deze voor [verdachte] voornoemd optreedt en voorzover zulks nodig is door hem bepaaldelijk is gevolmachtigd deze schriftuur voor het in te dienen.

1. Op 17 april 2012 is door mr W.G.L. Burgers daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd door [verdachte] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 13 april 2012 gewezen.

2. [verdachte] komt in beroep tegen veroordeling en de aan hem opgelegde straf.

3. [verdachte] is noch in het bezit van de aantekening mondeling vonnis noch van de stukken waarop recht is gedaan, zodat hij eerst na ontvangst van deze stukken in staat zal zijn deze schriftuur inhoudelijk aan te vullen en eventuele getuigen die zouden dienen te worden gehoord reeds te voren op te geven.

4. [verdachte] houdt zich dan ook het recht voor een en ander spoedig na ontvangst van een en ander aan te vullen.

Utrecht, 25 april 2012

W.G.L. Burgers, advocaat

[handtekening]”

Aan dit faxbericht is geen stuk gehecht waaruit kan worden afgeleid dat deze “appelmemorie” daadwerkelijk is verzonden naar de strafgriffie van de rechtbank. De faxgegevens op de bovenkant van de “appelmemorie” hebben kennelijk betrekking op het tijdstip waarop mr. Burgers het stuk heeft doorgezonden aan mr. Van de Bergh (op 19 augustus 2014 om 9:52 uur) en op het tijdstip waarop mr. Van de Bergh het stuk aan de Hoge Raad heeft toegezonden (op 19 augustus 2014 om 10:36 uur).

(vii) Aan de cassatieschriftuur is een kopie van de hiervoor weergegeven “appelmemorie” gehecht. Ook aan de schriftuur is geen stuk gehecht waaruit kan worden afgeleid dat deze “appelmemorie” daadwerkelijk is verzonden naar de strafgriffie van de rechtbank. De faxgegevens op de bovenkant van de “appelmemorie” hebben kennelijk betrekking op het tijdstip waarop mr. Burgers het stuk heeft doorgezonden aan mr. Van de Bergh (op 19 augustus 2014 om 9:52 uur).

5. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevatten niets waaruit kan volgen dat voor de behandeling van de zaak van de verdachte in hoger beroep een afschrift van de appeldagvaarding aan een voor de verdachte optredende raadsman is gezonden.

6. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel onder verwijzing naar de aan de cassatieschriftuur gehechte “appelmemorie” de klacht dat mr. Burgers in hoger beroep als raadsman van de verdachte had behoren te worden erkend en behandeld, aangezien mr. Burgers een appelschriftuur heeft ingediend bij de Rechtbank te Utrecht.

7. Bij de cassatieschriftuur is niet overgelegd een brief van de griffier van de rechtbank waarin de ontvangst van de in het middel bedoelde “appelmemorie” is bevestigd. Daarbij wijs ik er nog op dat deze “appelmemorie” zonder nadere specificering is gericht aan de “Rechtbank Utrecht” in plaats van op de voet van art. 410, eerste lid, Sv aan de (straf)griffie van de Rechtbank te Utrecht, terwijl in de aanhef van dit stuk geen nadere adresgegevens dan wel een faxnummer van de rechtbank staan vermeld. Evenmin is een verzendrapport of een ander stuk overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat voornoemd document daadwerkelijk per post dan wel per fax is verzonden naar de strafgriffie van de rechtbank. De “appelmemorie” van de raadsman bevindt zich niet bij de ingevolge art. 434, eerste lid, Sv door de griffier van het hof aan de griffier van de Hoge Raad gezonden stukken van het geding. Nu een ontvangstbevestiging of een bewijsstuk van verzending zoals hiervoor bedoeld niet is overgelegd en ook anderszins aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, moet het ervoor worden gehouden dat de in cassatie overgelegde “appelmemorie” niet aanwezig was in het dossier dat het hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in hoger beroep, terwijl onvoldoende grond bestaat voor het ernstige vermoeden dat voornoemde “appelmemorie” op de griffie van de rechtbank en/of op de griffie van het hof is ontvangen en vervolgens in het ongerede is geraakt.2

8. De onderhavige zaak verschilt daarmee van de zaken die hebben geleid tot HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416, HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6743 en HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:BI1375. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv niet is nageleefd. In die zaken is in cassatie een stelbrief van een advocaat, gericht aan de strafgriffie van het hof, overgelegd. In die zaken was in cassatie tevens een verzendrapport c.q. transactierapport overgelegd, waaruit kon worden afgeleid dat deze brief daadwerkelijk tijdig per fax was verzonden naar de strafgriffie van het hof. De Hoge Raad overwoog dat de inhoud van dit rapport voldoende grond biedt voor het ernstige vermoeden dat die brief wel ter griffie van het hof is ontvangen doch aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt. In het onderhavige geval is in cassatie geen bewijsstuk van verzending overgelegd.

9. In aanmerking genomen dat uit het voorgaande volgt dat voornoemde “appelmemorie” pas in cassatie door de steller van het middel aan de stukken van het geding is toegevoegd en gelet op het feit dat zich bij die stukken voor de procedure in hoger beroep geen stelbrief van een advocaat bevindt, is niet aannemelijk geworden dat uit enig in het dossier aanwezig stuk aan het hof kon blijken dat de verdachte voor de fase van hoger beroep was voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, op grond waarvan deze raadsman als zodanig behoorde te worden erkend.3 Aldus is van niet-naleving van het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv in hoger beroep geen sprake.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten aanzien van feit 1 ten onrechte heeft geoordeeld dat “een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten” zoals bedoeld in art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994.

12. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij op 14 december 2010 te Odijk, gemeente Bunnik, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Werkhovenseweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [betrokkene] , geboren [geboortedatum] 1991) letsel en schade was toegebracht en in hulpeloze toestand werd achtergelaten.”

13. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) De op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende (bewijsmiddel A):

“Ik ben op 14 december 2010 te Odijk als bestuurder van een taxi doorgereden, nadat ik betrokken was geraakt bij een verkeersongeval op de Werkhovenseweg.”

(ii) Een op 14 december 20104 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene] , voor zover inhoudende (bewijsmiddel 1):

“(blz. 18) Op 14 december 2010, omstreeks 08.10 uur, fietste ik in de richting van de Werkhovenseweg in Odijk. Toen ik bij Werkhovenseweg aankwam, zag ik dat het verkeer uit de richting Werkhoven stapvoets reed en zelfs soms stilstond, dus in file reed/stond. Ik stak toen deze Werkhovenseweg over. Het is mij bekend dat naast de rijbaan van die Werkhovenseweg een busstrook is aangelegd. Ik stak deze Werkhovenseweg fietsend over. Toen ik vervolgens de daar gelegen busstrook over wilde steken zag ik plotseling van rechts, over die busstrook een grijze personenauto naderen, die volgens mij vrij hard reed. Ik kon die auto niet meer ontwijken en botste tegen de auto. Door die klap kwam ik ten val en de fiets waarop ik reed werd door die klap als het ware onder mij weggeslingerd. (blz. 19) Ik weet niet wie de bestuurder van die grijskleurige auto, die mij had aangereden, is en weet verder niets af van die auto. Ik voelde bij het opstaan een flinke pijn in mijn linkerschouder en linkervinger. Omdat ik zoveel last van mijn schouder hield, ben ik naar het ziekenhuis in Zeist gegaan. Daar constateerde men dat mijn linkersleutelbeen en linkervinger gebroken was. De genezing zal ongeveer 4 tot 6 weken duren. Mijn fiets is door die aanrijding totaal vernield. Ik doe hierbij aangifte van het feit dat die autobestuurder is doorgereden na deze aanrijding.”

(iii) Een geneeskundige verklaring van 21 maart 2011, opgemaakt door de huisarts drs. N. Hofs, voor zover inhoudende (bewijsmiddel 2):

“(blz. 22) Medische informatie betreffende [betrokkene] . Uitwendig waargenomen letsel: Uit brief Diakonessenhuis d.d. 14/12/2010:

- drukpijn buitenzijde sleutelbeen links;

- 4e vinger links: zwelling en drukpijn, schaafwond;

- enkel rechts: schaafwond tpv achillespees.

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 14/12/12010.

Overige informatie:

- röntgenonderzoek: breuk sleutelbeen links buitenzijde en plaatletsel 4e vinger links.

- kon in maart 2011 die vinger nog niet volledig buigen.”

(iv) Een proces-verbaal van politie van 22 oktober 2012, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant] , voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van de verbalisant (bewijsmiddel 3):

“(blz. 16) Op 14 december 2010, omstreeks 14.00 uur, verscheen voor mij aan het bureau van politie te Utrecht, een manspersoon. Deze persoon vertelde mij dat hij het vermoeden had dat hij een aanrijding had gehad op de weg van Odijk naar Breukelen. Hij vertelde mij dat hij bestuurder was op een taxibus voor groepsvervoer. Ik hoorde dat hij daar in de gemeente reed om een groep kinderen op school af te zetten. Hij hoorde dat de kinderen tegen hem riepen dat hij moest uitkijken. Gelijk daarna hoorde hij een klap, alsof hij iets had geraakt. Hij heeft vervolgens niet omgekeken of hij daadwerkelijk iemand had geraakt. Hij vertelde mij dat hij gewoon was doorgereden.

De persoon gaf op te zijn genaamd: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] . [verdachte] legitimeerde zich met een rijbewijs, waarop een goed gelijkende foto zat van de persoon die voor mij stond.”

14. Het hof heeft - door het vonnis van de politierechter en de daarin opgenomen “bewijsoverweging” te bevestigen - ter nadere motivering van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“De Politierechter is van oordeel dat verdachte het slachtoffer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Voorts is de politierechter van oordeel dat er geen sprake van is dat verdachte zich vrijwillig bij de politie heeft gemeld, nu uit het dossier blijkt dat hij zich eerst bij de politie heeft gemeld, nadat hem duidelijk was geworden dat er meldingen over de aanrijding waren gedaan en er getuigen bleken te zijn.”

15. Voorts heeft het hof in aanvulling op deze bewijsoverweging in de bestreden uitspraak onder “aanvulling gronden” nog het volgende overwogen:

“Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit overweegt het hof aanvullend als volgt.

Het hof stelt vast dat aangeefster, [betrokkene] , na de aanrijding even op een stootbalk in de berm van de Werkenhovenseweg is gaan zitten. Zij is vervolgens door een haar onbekende man begeleid naar haar woning en had zoveel last van haar schouder dat zij daarop naar het ziekenhuis is gegaan. Daar werd geconstateerd dat haar linkersleutelbeen en linkervinger gebroken waren. Uit voormelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte aangeefster na de aanrijding in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten.”

16. De tenlastelegging is wat betreft feit 1 toegesneden op art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994). Daarom moeten de in de bewezen verklaarde tenlastelegging voorkomende woorden “in een hulpeloze toestand werd achtergelaten” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.

17. Art. 7, eerste lid, WVW 1994 luidt als volgt:

“Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:

a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;

b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.”

Art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, WVW 1994 is opgenomen in paragraaf 1 van hoofdstuk II van de Wegenverkeerswet 1994 betreffende “verkeersgedrag” en “gedragsregels” (in het verkeer) en richt zich tot degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt.5 De bepaling strekt ertoe dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken de daarbij gewonde personen waar mogelijk onmiddellijk hulp biedt.6

18. De memorie van toelichting7 bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wegenverkeerswet 1994, houdt ten aanzien van art. 6 WVW 1994, welke bepaling nadien is vernummerd tot art. 7 WVW 1994, onder meer het volgende in:

“Artikel 6

Artikel 6 bevat het zogenaamde vluchtmisdrijf; het dient ter vervanging van artikel 30, eerste lid, van de huidige Wegenverkeerswet (het tweede lid is ondergebracht in artikel 173 van het wetsvoorstel; het wordt hierna besproken).

In de praktijk blijkt de huidige bepaling op een enkel punt na goed toepasbaar. Vandaar dat de kern in de voorgestelde bepaling is overgenomen.

(…)

De kern van de bepaling

Evenals in artikel 30 van de Wegenverkeerswet is geregeld, mag ook volgens de voorgestelde bepaling degene die bij een verkeersongeval is betrokken of anderszins een ongeval heeft veroorzaakt, in twee gevallen de plek des onheils niet of niet zonder meer verlaten.

In het eerste geval mag hij zulks slechts als hij, indien bij dat ongeval een ander is gedood of gewond dan wel schade aan een ander is toegebracht, behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij met een motorrijtuig reed, tevens die van dat motorrijtuig.

In het tweede geval mag hij de plaats van het ongeval niet verlaten indien een ander die bij dat ongeval is gewond, daardoor in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.

Het betreft hier dus twee totaal verschillende gevallen.

In het eerste dient degene die ten gevolge van een ongeval is gedupeerd in de gelegenheid te worden gesteld desgewenst de verzekering(en) van de andere bij het ongeval betrokkene te kunnen aanspreken. Het gaat hier primair om de WA-verzekering. De gedupeerde heeft daartoe gegevens van die ander nodig: zijn naam, adres etc. alsmede voor zover door die ander met een motorrijtuig is gereden, gegevens van dat motorrijtuig (met name het kenteken indien het motorrijtuig kentekenplichtig is).

Aangetekend zij dat die mogelijkheid van het vaststellen van de identiteit los staat van de schuldvraag. Naderhand kan blijken dat het aanspreken van de verzekering van de tegenpartij ongegrond is, aangezien de gedupeerde volledig zelf aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. De beoordeling van die schuldvraag is echter irrelevant als het ongeval net heeft plaatsgevonden. Betrokkenen dienen dan zo veel mogelijk over en weer de gegevens uit te wisselen opdat de afwikkeling van de schade etc. naderhand op een behoorlijke wijze kan geschieden.

De verplichting de ander in de gelegenheid te stellen tot het verzamelen van de benodigde gegevens wordt dermate essentieel geacht dat het verzaken daarvan reeds bij de totstandkoming van artikel 30 van de Wegenverkeerswet als misdrijf strafbaar werd gesteld. Er is thans des te meer aanleiding dit te continueren gegeven de fors gegroeide mobiliteit, met name met motorrijtuigen, in de loop der decennia.

Het tweede geval betreft de plicht een ander bij te staan indien hij ten gevolge van het ongeval ernstig is gewond. Evenals in het eerste geval is het hier irrelevant of en in hoeverre degene die bij een ongeval is betrokken daaraan schuld draagt. Ook indien naderhand zou worden vastgesteld dat de gewonde zelf volledig voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijk is, is het niet verantwoord die gewonde aan zijn lot over te laten.

Gelet op het karakter van het voorschrift behoeft het geen verbazing te wekken dat het schenden van deze verplichting van meet af aan als misdrijf strafbaar is gesteld. Vanzelfsprekend wordt voorgesteld hierin geen verandering te brengen.”

19. Uit de wetsgeschiedenis volgt aldus dat het niet relevant is of de betrokkene schuld draagt aan het ongeval en daarmee door zijn eigen verkeersgedrag heeft bijgedragen aan het ontstaan van het letsel. Ook wanneer naderhand wordt vastgesteld dat de hulpbehoevende zelf volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval, is het niet verantwoord deze aan zijn lot over te laten. Wel dient te worden vastgesteld dat er voor het slachtoffer een hulpeloze toestand is ontstaan, waardoor het slachtoffer afhankelijk is van de hulp van anderen.8

20. Rechtspraak van de Hoge Raad over dit onderdeel van art. 7 WVW 1994 is schaars. In HR 2 februari 1988, DD 88.218 had een ongeval plaatsgevonden waarbij het slachtoffer zodanig was getroffen dat hij ’s nachts een kwartier lang op het wegdek bleef liggen, onder zodanige omstandigheden dat een automobilist over hem heen reed. De Hoge Raad liet het veroordelend arrest van het hof in stand. Daarbij bleef de aard van het letsel in het midden. De omstandigheid dat het letsel kennelijk zodanig was, dat het slachtoffer ten gevolge daarvan midden in de nacht op het wegdek was blijven liggen, (nog) niet voorzien van hulp, was toereikend voor de bewezenverklaring van de hulpeloze toestand.

21. De term ‘hulpeloze toestand' duidt op het ontbreken van hulp. Als het slachtoffer geen hulp behoeft, kan niet worden gesproken van een hulpeloze toestand. Hetzelfde geldt indien aan het slachtoffer reeds adequate hulp wordt geboden, bijvoorbeeld doordat zich een arts of verpleger over het slachtoffer ontfermt. Het gaat mij echter te ver aan te nemen dat het bewijs dat de verdachte het slachtoffer in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten niet is te leveren indien het verkeersongeval in een stad of in een dorpskern heeft plaatsgevonden, omdat er dan bijna altijd getuigen van het ongeval zijn, die zich kunnen ontfermen over het slachtoffer.9 Voor straffeloosheid is naar mijn mening onvoldoende dat de bij een verkeersongeval betrokkene er gemakshalve op vertrouwt dat omstanders voor het slachtoffer zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat die hulp op dat moment daadwerkelijk wordt geboden. Een dergelijke visie staat haaks op de ratio van de strafbaarstelling, waarbij van de bij het ongeval betrokkene wordt gevergd dat hij zich zelf bekommert om het hulpbehoevende slachtoffer.10 Ik sluit mij dan ook graag aan bij de volgende woorden van mijn voormalig ambtsgenoot Wortel:

“De toevallige, althans van wil en gedrag van de verdachte onafhankelijke, omstandigheid dat - naar achteraf kan worden geconstateerd - derden het nodige hebben gedaan om een slachtoffer van de nodige hulp te voorzien kan derhalve de strafbaarheid van handelen in strijd met het in art. 7, eerste lid onder b WVW 1994 gegeven verbod niet opheffen.”11

22. Uit de bewijsmiddelen kan zonder meer worden afgeleid dat de verdachte als bestuurder van een taxi(bus), rijdend over een busstrook, een overstekende fietser ( [betrokkene] ) heeft aangereden op een provinciale weg en is doorgereden zonder zich te bekommeren om het lot van de aan haar linkersleutelbeen en haar linkervinger gewonde fietser. Het middel spitst zich toe op het bewijs van het onderdeel ”hulpeloze toestand”. Ik concentreer mij in het onderstaande op de vraag of uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de genoemde [betrokkene] zich na de aanrijding in een hulpeloze toestand bevond.

23. Uit de bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de hiervoor onder 15 weergegeven bewijsoverweging, volgt dat het hof het volgende heeft vastgesteld:

(i) door de klap van de botsing tussen de fiets van [betrokkene] en de auto die de verdachte bestuurde is [betrokkene] ten val gekomen;

(ii) de fiets van [betrokkene] is als gevolg van de botsing weggeslingerd en “totaal” vernield;

(iii) [betrokkene] heeft aan de aanrijding flinke pijn overgehouden;

(iv) [betrokkene] is na de aanrijding op een stootbalk in de berm gaan zitten, waarna zij door een haar onbekende man is begeleid naar haar woning;

(v) omdat [betrokkene] zoveel last van haar schouder bleef houden, is zij nog dezelfde dag naar een ziekenhuis gegaan, alwaar is geconstateerd dat haar linkersleutelbeen en haar linkervinger gebroken waren.

24. In het licht van voornoemde omstandigheden, geeft het oordeel van het hof dat [betrokkene] zich na de aanrijding in een hulpeloze toestand bevond geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij neem ik in aanmerking dat [betrokkene] weliswaar zelf is opgestaan, maar kennelijk gelet op de aard van het letsel naar haar woning moest worden begeleid en een ziekenhuisbezoek noodzakelijk was. Uit het “schadeopgaveformulier misdrijven”, dat zich bij de stukken bevindt, volgt dat het ziekenhuis op 15 kilometer afstand van de woning van [betrokkene] is gelegen, terwijl een gebroken sleutelbeen doorgaans betekent dat de patiënt niet kan autorijden of fietsen, nog daargelaten dat haar fiets ten gevolge van de aanrijding was vernield. Daaruit kan worden afgeleid dat zij voor het vervoer naar het ziekenhuis eveneens was aangewezen op de hulp van anderen.12

25. De van de wil en het gedrag van de verdachte onafhankelijke omstandigheid dat derden na het verkeersongeval het nodige hebben gedaan om [betrokkene] van hulp te voorzien, betekent niet dat zij zich na de aanrijding niet in een hulpbehoevende toestand bevond. Op het moment dat de verdachte na de aanrijding doorreed, was die hulp ook nog niet voorhanden.. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zich na de aanrijding niet om het lot van de aangereden fietser heeft bekommerd.

26. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op de betekenis van de woorden ‘in hulpeloze toestand brengen’, zoals bedoeld in art. 255 Sr. Volgens de steller van het middel blijkt niet dat er een gevaar voor het leven of de gezondheid van [betrokkene] bestond en evenmin dat zij zich niet zelf kon redden. Nog daargelaten de vraag of de betekenis van het bestanddeel ‘hulpeloze toestand’ in beide bepalingen kan worden gelijk geschakeld, kon het hof uit de bewijsmiddelen afleiden dat het slachtoffer na de aanrijding ten gevolge van het daarbij toegebrachte letsel afhankelijk was van de hulp van derden, terwijl de verdachte haar in die hulpbehoevende toestand heeft gelaten door door te rijden. Aldus kan het bewezen verklaarde uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

27. Het middel faalt.

28. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene] ten onrechte heeft toegewezen, nu van rechtstreekse schade als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit niet is gebleken. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de vordering van de benadeelde partij [betrokkene] strekkende tot vergoeding van immateriële schade heeft toegewezen, onder meer omdat niet is gebleken dat ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde letsel is toegebracht. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

29. De benadeelde partij [betrokkene] heeft zich in eerste aanleg gevoegd in het strafgeding voor een schadebedrag van in totaal € 1.224,78, bestaande uit een bedrag van € 974,78 aan materiële schade en een bedrag van € 250,- aan immateriële schade (“smartengeld”). De door de benadeelde partij geleden schade zou volgens het onderbouwde voegingsformulier (“schadeopgaveformulier misdrijven”) zijn veroorzaakt door de “aanrijding waarna bestuurder is doorgereden” op 14 december 2010 in Odijk. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, is de benadeelde partij aldaar niet verschenen en heeft de verdachte niets aangevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.13 De verdachte heeft slechts in reactie op de vordering van de officier van justitie, onder meer inhoudende dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk dient te worden toegewezen, opgemerkt dat hij haar eis “heftig” vindt. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig de vordering van de officier van justitie deels toegewezen tot een bedrag van € 1.097,36, bestaande uit materiële en immateriële schade. Vervolgens heeft de benadeelde partij door middel van een “wensenformulier” aangegeven dat zij haar eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding in hoger beroep wenst te handhaven. Op de terechtzitting in hoger beroep is noch de verdachte noch een raadsman verschenen, terwijl de benadeelde partij evenmin is verschenen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, aangezien de vordering van de benadeelde partij is gekoppeld aan feit 3 en de verdachte van dit feit is vrijgesproken.

30. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toegewezen tot een bedrag van € 1.224,78, bestaande uit € 974,78 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade. Het hof heeft daartoe overwogen uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot dit bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, nu door of namens de verdachte noch de hoogte van de vordering noch het verband tussen de vordering en het delict is betwist.

31. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. In cassatie kan niet met vrucht voor het eerst worden geklaagd over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering op de grond dat deze niet rechtstreeks in haar belang is getroffen. De beoordeling van een dergelijke klacht vergt een onderzoek van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is.14

32. Voorts vergt de beoordeling van een inhoudelijke beslissing over de vordering van de benadeelde partij, verweven als zij is met waarderingen van feitelijke aard, een (nieuw) feitenonderzoek, waarvoor in cassatie geen plaats is.15 Dergelijke kwesties kunnen derhalve niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht. Dit betekent dat de verdachte zijn voorstelling van zaken met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij en de hoogte van die vordering aan de feitenrechter zal moeten presenteren.16

33. Indien het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de vordering van de benadeelde partij tot een bepaald bedrag niet heeft betwist, is een klacht in cassatie over (de motivering van) de toewijzing van de vordering tot dat bedrag gedoemd te stranden. De vordering van de benadeelde partij is een civiele vordering. De in het civiele recht geldende regel dat een stelling die niet of onvoldoende door de wederpartij wordt betwist, als vaststaand dient te worden aangenomen, is daarop van toepassing.17

34. Gelet op hetgeen hiervoor onder 31 tot en met 33 is voorop gesteld en in aanmerking genomen dat in feitelijke aanleg door of namens de verdachte niet is geklaagd over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij vanwege het ontbreken van rechtstreekse schade, zijn de middelen tevergeefs voorgesteld. Het verweer dat de benadeelde partij geen rechtstreeks schade ten gevolge van het bewezen verklaarde feit zou hebben geleden, kan immers niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd. Hieraan doet niet af dat de advocaat-generaal bij het hof heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.18

35. De middelen falen.

36. Het vijfde middel behelst de klacht dat het hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv de opgelegde vrijheidsstraf onvoldoende met redenen heeft omkleed.

37. Het hof heeft ter motivering van de opgelegde straf - door het vonnis van de politierechter en de daarin opgenomen strafmotivering te bevestigen - het volgende overwogen:

“De strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Voorts heeft de politierechter rekening gehouden met voormeld uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De politierechter is, anders dan de officier van justitie heeft geëist, gelet op alle feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak, van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van voormelde duur passend en geboden is. Gelet op de ernst van het feit en het zeer verwijtbare gedrag van verdachte aansluitend aan de aanrijding, is de politierechter van oordeel dat een werkstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde.”

38. Voorts heeft het hof in aanvulling op deze strafmotivering onder “toepasselijke wettelijke voorschriften” nog het volgende overwogen:

“Het hof heeft acht geslagen op veroordelingen van verdachte na het bewezenverklaarde feit. In aanvulling op het vonnis van de politierechter heeft het hof derhalve gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Toepassing van dit artikel geeft het hof geen aanleiding om de straf als door de politierechter opgelegd, aan te passen.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.”

39. Ingevolge art. 359, zesde lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, dient het hof bij de oplegging van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid. Aan dit vereiste is voldaan indien in de strafmotivering tot uitdrukking is gebracht dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

40. In de hiervoor onder 37 en 38 weergegeven strafmotivering heeft het hof gemotiveerd uiteengezet dat - in navolging van de in eerste aanleg opgelegde straf - niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftig dagen passend en geboden is. Deze strafoplegging is voldoende gemotiveerd. In aanmerking genomen dat door of namens de verdachte geen strafmaatverweer is gevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Anders dan de steller van het middel betoogt, voldoet de strafmotivering aan de op grond van art. 359, zesde lid, Sv te stellen eisen.19

41. Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, heeft het hof wat betreft de motivering van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet slechts rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, de persoon van de verdachte en het uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Het hof heeft immers daarnaast gerefereerd aan de toepasselijkheid van art. 63 Sr. Voorts heeft het hof, in reactie op de vordering van de officier van justitie in eerste aanleg, overwogen dat gelet op alle feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftig dagen passend en geboden is en dat gelet op de ernst van het (onder 1 bewezen verklaarde) feit en het zeer verwijtbare gedrag van de verdachte aansluitend op de aanrijding (feit 1) een werkstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde. Het stond het hof vrij in de strafmotivering zowel in algemene zin te verwijzen naar de ernst van de feiten als ter nadere motivering van de gekozen strafmodaliteit nogmaals de nadruk te leggen op de ernst van feit 1 en de verwijtbaarheid van het desbetreffende gedrag van de verdachte.

42. Het middel faalt.

43. Ambtshalve vestig ik nog de aandacht op het volgende. Ingevolge art. 27, eerste lid, Sr dient de rechter bij het opleggen van een gevangenisstraf te bevelen dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. De stukken van het geding houden in dat de verdachte op 17 mei 2011 om 10:40 uur in verzekering is gesteld en dat hij op diezelfde dag om 15:00 uur in vrijheid is gesteld. Het hof heeft door het vonnis van de politierechter te bevestigen, terwijl in dat vonnis geen aftrek zoals bedoeld in art. 27 Sr is toegepast, nagelaten het in art. 27, eerste lid, Sr bepaalde in acht te nemen, voor zover het deze inverzekeringstelling betreft. In aanmerking genomen dat de verdachte niet voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak op deze grond, behoeft dit verzuim niet tot cassatie te leiden.20

44. De middelen falen, terwijl het derde middel, het vierde middel en het vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

45. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze aanvulling van gronden heeft betrekking op een aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, voor zover inhoudende dat de verdachte de aangeefster in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten, en op de toepassing van art. 63 Sr onder “toepasselijke wettelijke voorschriften”. Voorts heeft het hof de verdachte op de voet van art. 404, vijfde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak voor feit 3.

2 Vgl. HR 13 november 2007, NJB 2007/2353, rov. 3, HR 12 oktober 2004, nr. 00557/04 (niet gepubliceerd), rov. 3, HR 5 maart 2002, NS 2002/128, rov. 3, HR 25 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1937, NJ 2003/541, rov. 3 en HR 20 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4400, rov. 4.

3 Vgl. HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:660, rov. 2, HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:767, NJ 2013/483, rov. 2 en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303, NJ 2013/30, rov. 2. Uit deze arresten volgt dat voor het aannemen van de omstandigheid dat de verdachte zich in hoger beroep van rechtsbijstand heeft voorzien zodat art. 51 Sv in hoger beroep van toepassing is, niet is vereist dat zich bij de stukken van het geding een stelbrief bevindt, maar dat dit ook kan worden afgeleid uit een zich bij de stukken bevindende appelschriftuur. Vgl. voorts HR 19 december 2000, NJ 2001/161, rov. 3. Uit dit arrest blijkt dat alleen de appelakte, waarin staat vermeld dat namens de verdachte door een advocaat hoger beroep is aangewend, niet toereikend is voor de toepasselijkheid van art. 51 Sv.

4 Het proces-verbaal van politie, waarin deze verklaring is opgenomen, is op 22 december 2010 opgemaakt.

5 Zie hierover J.W. van der Hulst, Het verlaten van de plaats van een verkeersongeval, in: DD 2011, 36, p. 524-543.

6 Vgl. E.F. Stamhuis in A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994. Een strafrechtelijk commentaar, Deventer: Gouda Quint 1999, 2e druk, p. 192.

7 Zie Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 69-70 (Stb. 1994, 475).

8 Vgl. A.M. Durieux (red.), Wegenverkeerswetgeving (losbladig), Deventer: Kluwer; ’s-Gravenhage: Reed Business bv, commentaar op art. 7 WVW 1994, p. 7-8.

9 Zie voor dit standpunt: A.M. Durieux (red.), Wegenverkeerswetgeving (losbladig), Deventer: Kluwer; ’s-Gravenhage: Reed Business bv, commentaar op art. 7 WVW 1994, p. 7-8.

10 Zie in dit verband ook M.G.M. Hoekendijk, Zakboek voor de politie, hoofdstuk 23.5 “Verlaten plaats ongeval (art. 7 WVW)” (bijgewerkt tot 15 maart 2015).

11 Conclusie voorafgaand aan HR 10 april 2007, nr. 00249/06 (niet gepubliceerd). De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de aan art. 81 RO ontleende overweging.

12 Zie over de gevolgen van een gebroken sleutelbeen bijvoorbeeld C.J.M. van Loon, Claviculafractuur - een gebroken sleutelbeen, te raadplegen via www.chirurgenarnhem.nl. De kennelijke veronderstelling dat [betrokkene] zelfstandig naar het ziekenhuis is gegaan, vindt geen steun in de stukken van het geding. Uit de stukken, in het bijzonder de op 14 december 2010 bij de politie afgelegde verklaring van [getuige] en de op 14 december 2010 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene] , volgt dat kort na de aanrijding de getuige [getuige] naar de plaats van het ongeval is gefietst en van zijn fiets is gestapt om hulp te bieden. [getuige] , die naar eigen zeggen vond dat hij het meisje ( [betrokkene] ) niet alleen kon laten, heeft de beschadigde fiets van [betrokkene] van de weg gehaald, heeft aan [betrokkene] het sleuteltje van haar fiets gevraagd en heeft haar fiets op slot gezet. Vervolgens heeft [getuige] [betrokkene] lopend naar haar huis gebracht, dat op ongeveer 100 meter van het ongeval was gelegen. Bij haar woning aangekomen, bleek de moeder van [betrokkene] thuis te zijn. Vervolgens heeft [getuige] de zorg voor [betrokkene] kennelijk aan haar moeder overgedragen.

13 De verdachte werd op die terechtzitting niet bijgestaan door een raadsman.

14 Vgl. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009: BI4725, rov. 3 en de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (onder 4.3) voor HR 6 november 2012, nr. 11/02262 (niet gepubliceerd; art. 81 RO, middel 2).

15 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 302-303.

16 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (onder 3.4) voor HR 27 november 2001, nr. 02068/00 (niet gepubliceerd, art. 81 RO).

17 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (onder 3.4) voor HR 27 november 2001, nr. 02068/00 (niet gepubliceerd, art. 81 RO) en de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Jörg (onder 16) voor HR 13 november 2001, nr. 03318/00 (niet gepubliceerd; art. 81 RO, middel 3 van verdachte).

18 Vgl. HR 16 februari 2010, nr. 07/13256 (niet gepubliceerd; art. 81 RO, middel 8) en HR 30 juni 2009, nr. 07/12432 (niet gepubliceerd; art. 81 RO, middel 2).

19 Vgl. HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0011, rov. 3, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1716, rov. 2 , HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3128, rov. 3 en HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3133, rov. 4.

20 Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, NJ 2013/246 m.nt. Bleichrodt, rov. 3. In dit arrest heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een middel geoordeeld dat het verzuim om toepassing te geven aan de in art. 27 Sr bedoelde aftrek niet langer noopt tot cassatie. Vgl. voorts HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.3.