Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1263

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-05-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
13/03201
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2886, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rioolputmoord / kofferbakmoord. Slagende bewijsklacht medeplegen moord. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474 m.b.t. medeplegen en medeplichtigheid. Aan ’s Hofs vaststelling kan zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet worden ontleend dat verdachte aan de bewezenverklaarde moord een zodanige intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten kan worden gesproken. Conclusie A-G: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/03201

Mr. Harteveld

Zitting 19 mei 2015

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 26 april 2013 - met vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde - de verdachte ter zake van 3. “medeplegen van moord”, en 4. “medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3. Het betreft hier de geruchtmakende zaken die in de media de “kofferbak- en rioolputmoord” worden genoemd. Op respectievelijk 14 en 16 oktober 2008 verdwenen twee Surinaamse mannen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , spoorloos. Het lichaam van [slachtoffer 2] werd op 14 november 2008 ontdekt in een rioolput in Almere en dat van [slachtoffer 1] werd op 1 december 2008 gevonden in de kofferbak van een auto die al weken geparkeerd stond in een woonwijk in Nieuw-Vennep. Een schietincident in de nacht van 16 op 17 oktober 2008, waarbij de medeverdachte [medeverdachte 1] , de ex-vriend van de verdachte, gewond raakte aan zijn been en hij tevens de verdachte raakte in haar onderlichaam, leverde uiteindelijk een cruciale doorbraak op in de twee liquidaties. Wanneer agenten zich naar aanleiding van het gemelde schietincident naar de woning aan het [a-straat 1] in Amsterdam-Slotervaart begeven, worden een aantal spullen in beslag genomen, die later van de overleden [slachtoffer 2] blijken te zijn. Uit onderzoek is gebleken dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] niet meer levend zijn gezien na een bezoek bij een tropische groente- en fruithandel. De één in Amsterdam-Zuidoost, de ander in Almere. De medeverdachte [medeverdachte 4] is eigenaar van beide toko’s. [medeverdachte 4] zou door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn afgeperst. Beide mannen blijken in de toko’s van [medeverdachte 4] te zijn doodgeschoten. De verdachte is in hoger beroep alleen veroordeeld voor haar aandeel in de moord op [slachtoffer 2] en vrijgesproken van betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 1] .

4. De eerste drie voorgestelde middelen keren zich tegen de bewezenverklaring van feit 3 (medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] ). Ik geef, voor een beter begrip van de zaak, eerst de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen weer.

5. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat:

“zij op 16 oktober 2008 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met een anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen kogels afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.”

6. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een schriftelijk stuk, houdende de letterlijke uitwerking van een verhoor van de verdachte [verdachte] , afgenomen op 9 maart 2009 door de verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 14] , opgenomen in de pagina's 120 tot en met 148 in dossier 17 van een dossier van de regiopolitie Flevoland met het kenmerk 2008075809 en sluitingsdatum 18 juni 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van de [verdachte] (op de pagina's 122 tot en met 126,128,129 en 140):

Op 16 oktober (het hof begrijpt: 16 oktober 2008) vertelde [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) mij dat hij een paar telefoontjes had gehad van [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ). Ik begreep uit het verhaal dat hij [slachtoffer 2] niet had betaald en dat [slachtoffer 2] daar boos over was. Hij ontweek [slachtoffer 2] al twee dagen. Wanneer [slachtoffer 2] belde voor geld, dan ontweek [medeverdachte 4] hem.

[medeverdachte 4] was best wel bang. Hij was vrij zenuwachtig.

Er waren op dat moment een paar illegale werknemers van hem bezig in Almere.

[slachtoffer 2] bleef hem maar bellen, maar hij nam niet op.

Ik ben met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) naar Almere gegaan. In Almere aangekomen, ben ik in het kantoor gaan zitten. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] waren elders in of bij de toko. Toen ik zag dat [slachtoffer 2] kwam, ben ik hem tegemoet gelopen. [slachtoffer 2] vroeg mij of [medeverdachte 4] in de buurt was. Ik zei dat ik niet wist waar hij was en dat ik wel even zou kijken of hij achter was. Ik ben toen naar het magazijn gelopen. Op een gegeven moment ben ik terug gelopen en heb ik gezegd dat ik niet wist waar hij is. Ik zei dat hij net nog hier was en dat hij even moest wachten. Ik weer terug gegaan naar het kantoor. Toen heeft het zeker nog een kwartier geduurd. Toen kwam hij weer en vroeg waar hij nou was. Ik zei tegen hem dat ik het niet wist en dat hij toch even zal moeten wachten.

Toen is hij weg gereden, maar hij kwam gelijk weer terug. Op het moment dat hij terug kwam, kreeg ik een sms-je, met als inhoud "als je nu niet tevoorschijn komt, dan gebeuren er rare dingen". Een paar minuten daarna hoorde ik het schot.

Er waren drie illegale werknemers.

Toen ik het schot hoorde (...) liep ik naar buiten en toen zag ik [medeverdachte 1] met een pistool in zijn handen. [slachtoffer 2] lag voor zijn auto. [medeverdachte 1] vroeg om een vuilniszak. Kom ik met een groentezakje aan. Toen werd hij boos. Ik had zoiets van hallo, er ligt geen spitskool op de grond.

[medeverdachte 1] ging in de auto van [slachtoffer 2] kijken naar de spullen die in de auto lagen. Hij zei tegen mij dat ik handschoenen moest aantrekken en hij vroeg mij te kijken wat er in een zwarte map in die auto zat. Daarna heb ik op verzoek van hem een plastic tasje gehaald. Daar heeft hij de spullen van [slachtoffer 2] in gedaan. Toen hebben ze het lijk in de kofferbak gedaan. Ik leunde tegen de Caddy aan en toen zei [medeverdachte 1] tegen mij dat ik die auto terug zou gaan rijden. We zijn vervolgens naar Amsterdam gereden.

[medeverdachte 4] had [slachtoffer 2] benaderd om [slachtoffer 1] om te brengen.

2. Een schriftelijk stuk, houdende de letterlijke uitwerking van een verhoor van de verdachte [verdachte] , afgenomen op 9 maart 2009 door de verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 14] , opgenomen in de pagina's 169 tot en met 232 in dossier 17 van een dossier van de regiopolitie Flevoland met het kenmerk 2008075809 en sluitingsdatum 18 juni 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van de [verdachte] (op de pagina's170, 172, 173, 195, 209, 210, 217 en 229):

[medeverdachte 4] was helemaal van slag. [slachtoffer 2] komt met één doel daar. Die wil zijn geld. Die perst [medeverdachte 4] af. [medeverdachte 4] heeft geen geld. Die kan hem dus niet betalen. Natuurlijk had ik het gevoel dat het best fout kon lopen. Dat besef je je op het moment dat je daar al bent. Het sms-je dat [medeverdachte 4] van [slachtoffer 2] had gekregen, heeft [medeverdachte 4] doorgestuurd naar mij. Ik heb [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: het lijk van [slachtoffer 2] ) naar de Bijlmer gereden. Ik wist dat [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) is omgebracht door [medeverdachte 1] . Ik weet dat [medeverdachte 1] niet bang is om te schieten. [medeverdachte 1] heeft mij verteld dat hij [slachtoffer 1] had neergeschoten. [slachtoffer 1] perste [medeverdachte 4] af. Ik heb wel eens vaker ruzie gesust. Daar zou ik best wel een goede rol in hebben kunnen spelen.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 229):

Maar dat doe je niet, want [slachtoffer 2] komt en vraagt: Waar is [medeverdachte 4] ?

als verklaring van de [verdachte] (op pagina 229):

Ja.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 229):

En dan bemoei je je verder ook nergens mee, omdat je dan bingo speelde.

als verklaring van de [verdachte] (op pagina 229):

Ja, nee, maar wat moet ik tegen [slachtoffer 2] zeggen? Wat? Lul, wat kom je doen, je perst [medeverdachte 4] af? Nee, natuurlijk niet. Wat had je verwa(cht)? Wat had ik dan moeten doen op dat moment dat die [slachtoffer 2] binnen komt? Ik kan toch niks doen? [medeverdachte 4] die was ergens.

3. Een schriftelijk stuk, houdende de letterlijke uitwerking van een verhoor van de verdachte [verdachte] , afgenomen op 9 maart 2009 door de verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 14] , opgenomen in de pagina's 169 tot en met 232 in dossier 17 van het hierboven onder 1 genoemde dossier van de regiopolitie Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van [verdachte] (op de pagina's 210 en 211 en 215 tot en met 217):

Op dinsdagavond (het hof begrijpt: op 14 oktober 2008) belde [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) mij. Hij zei dat er iets gebeurd was en dat [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) volgens hem in de winkel (het hof begrijpt: in de toko aan de Ganzenhoef in Amsterdam) is geweest en hij vroeg mij of ik [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) even kon bellen. [medeverdachte 1] heeft mij gebeld en heeft mij verteld dat het was gebeurd, dat hij [slachtoffer 1] heeft neergeschoten. Hij vertelde dat hij drie keer had moeten schieten. [slachtoffer 1] is neergeschoten door [medeverdachte 1] omdat hij [medeverdachte 4] afperste.

4. Een schriftelijk stuk, houdende de letterlijke uitwerking van een verhoor van de verdachte [verdachte] , afgenomen op 14 februari 2009 door de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 13] , opgenomen in de pagina's 416 tot en met 447 in dossier 17 van een dossier van de regiopolitie Flevoland met het kenmerk 2008075809 en sluitingsdatum 18 juni 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van de [verdachte] (op pagina 416):

Op 16 oktober (het hof begrijpt: 16 oktober 2008) was ik op de Bolderweg in Almere, met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . [slachtoffer 2] kwam aanrijden en hij kwam naar binnen en hij vroeg waar [medeverdachte 4] was. Toen zei ik: "Ja, hij is hier ergens", "Je moet even wachten" en "Hij zal wel zo komen".

als relaas van de verbalisanten (op pagina 418):

Jij bent naar de winkel van [medeverdachte 4] in Almere gegaan. Wist je dat er iets ging gebeuren?

als verklaring van [verdachte] (op pagina 418):

Ja.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 418):

Wist je dat hij hem dood zou maken?

als verklaring van de [verdachte] (op pagina 418):

Nou kijk. er was natuurlijk sprake van hè, ik los dit wel voor je op. [medeverdachte 4] werd afgeperst door [slachtoffer 2] .

als relaas van de verbalisanten (op pagina 419):

En de reden dat hij dood is gemaakt, wat is dat dan geweest?

als verklaring van de [verdachte] (op pagina 418):

Ja, die afpersing.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 426):

Hoe lang heeft [slachtoffer 2] op straat gelegen?

als verklaring van de [verdachte] (op pagina 426):

Niet lang, want het was flup, flup, flup, handelen en weg.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 443):

Wanneer is het jou duidelijk geworden dat er iets met [slachtoffer 2] ging gebeuren?

als verklaring van de [verdachte] (op pagina 443):

Nou, op een gegeven moment stuurde [medeverdachte 4] mij een sms-je terwijl ik op het kantoor zat. [slachtoffer 2] had een sms-je naar [medeverdachte 4] gestuurd en [medeverdachte 4] stuurde dat smsm-je naar mij toe. De tekst kwam er op neer dat [slachtoffer 2] zei: "Het duurt me nu te lang, als je nu niet komt gaan er ongelukken gebeuren".

als verklaring van de [verdachte] (op pagina 424):

Ik weet dat [slachtoffer 1] altijd op maandag en/of dinsdag geld kwam halen in de winkel aan Ganzenhoef.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] met het nummer 2009030916761, opgemaakt op ambtsbelofte/ambtseed op 10 maart 2009 door [verbalisant 10] voornoemd, en [verbalisant 14] , hoofdagent van de regiopolitie Flevoland, opgenomen in de pagina's 591 tot en met 608 in dossier 9, map ll, van het hierboven onder 1 genoemde dossier van de regiopolitie Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van de verbalisanten (op de pagina's 592, 596 en 598):

We gaan terug naar de avond van 16 oktober 2008, in de bazaar aan de Bolderweg. Er is iemand (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) neergeschoten. Wat wordt er gezegd nadat het schot is gevallen?

als verklaring van de verdachte [verdachte] (op pagina 599):

[medeverdachte 4] zei tegen [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: de verdachte, [medeverdachte 3] ) dat hij het hier moest schoonmaken.

als relaas van de verbalisanten:

Waar is hier?

als verklaring van de verdachte [verdachte] (op pagina 599):

Waar [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) heeft gelegen.

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] met het nummer 2009021213186, opgemaakt op ambtsbelofte opl2 februari 2009 door [verbalisant 10] , inspecteur van de regiopolitie Flevoland, en [verbalisant 12] , hoofdagent van de regiopolitie Flevoland, opgenomen in de pagina's 073 tot en met 078 in dossier 17 van het hierboven onder 1 genoemde dossier van de regiopolitie Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van de [verdachte] (op pagina 076):

[medeverdachte 4] moest [slachtoffer 1] € 1.500,- per week betalen. Dat gebeurde al meer dan een jaar.

7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] met het nummer 2009032614203186, opgemaakt op ambtsbelofte op 26 maart 2009 door [verbalisant 12] voornoemd en [verbalisant 6] , hoofdagent van de regiopolitie Flevoland, opgenomen in de pagina's 333 tot en met 338 in dossier 17 van het hierboven onder 1 genoemde dossier van de regiopolitie Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van de [verdachte] (op pagina 335):

[medeverdachte 4] kon het niet meer aan dat hij door twee personen werd afgeperst. Ik weet niet wat bij [medeverdachte 4] de knop heeft doen omdraaien om twee personen af te maken. Kijk, [medeverdachte 1] bood zichzelf aan om hem te helpen.

8. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] met het nummer 2009021404134, opgemaakt op ambtsbelofte op 12 februari 2009 door [verbalisant 10] voornoemd, en [verbalisant 18] , brigadier van de regiopolitie Felvoland, opgenomen in de pagina's 080 tot en met 083 in dossier 17 van het hierboven onder 1 genoemde dossier van de regiopolitie Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van de verbalisanten (op pagina 082):

We willen een antwoord op de vraag wie [slachtoffer 2] heeft doodgemaakt.

als verklaring van de [verdachte] (op pagina 082):

[medeverdachte 1] .

als relaas van de verbalisanten (op pagina 082):

En dat is [medeverdachte 1] ?

als verklaring van de [verdachte] (op pagina 082):

Ja.

als relaas van de verbalisanten (op pagina 082):

[medeverdachte 1] heeft [slachtoffer 2] doodgemaakt.

als verklaring van de [verdachte] (op pagina 082):

Ja.

9. Een deskundigenrapport d.d. 19 november 2008 opgesteld door Dr. B. Kubat arts en patholoog, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut (Dossier 2, Forensisch Onderzoek, map 2, pag. 65 e.v.) inhoudende als conclusie van de deskundige:

Het overlijden van [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1979, wordt verklaard door verbloeding opgetreden ten gevolge van een doorschot door de borstkas al dan niet in combinatie met een schotverwonding aan de schedel en de hersenen.

10. Een proces-verbaal van bevindingen aanhouding en doorzoeking met het nummer 2008290477-1, opgemaakt op ambtseed op 17 oktober 2008 door [verbalisant 15] , inspecteur van politie, hulpofficier van justitie, dienstdoende bij D5 Bureau Districtsrecherche, opgenomen in de pagina's 51 t/m 53 van dossier 11, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 17 oktober 2008 ben ik naar perceel [a-straat 1] gegaan. De doorzoeking werd door mij geopend. Tijdens de doorzoeking werden de navolgende goederen aangetroffen en inbeslaggenomen:

1. Vanaf de bank in de woonkamer een zwartkleurige riem.

....

4. Vanonder de salontafel een plastic tasje persoonlijke bescheiden ten name van [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1979.

….

6. Een autosleutel van het merk Opel vanaf de bank in de woonkamer.

11. Een proces-verbaal van bevindingen met het nummer 2008290477-1, opgemaakt op ambtsbelofte op 19 oktober 2008 door [verbalisant 16] , brigadier van politie, dienstdoende bij D5 Bureau Districtsrecherche, opgenomen in de pagina's 55 en 56 van dossier 11, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 17 oktober 2008 werd er doorzoeking verricht in perceel [a-straat 1] te Amsterdam. Tijdens de doorzoeking werden onder andere, in een plastic tas, persoonlijke bescheiden van een persoon genaamd [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1979, aangetroffen. In het plastic tasje zaten onder andere een rijbewijs, paspoort, kentekenbewijs [CC-00-DD] , welke op naam of ten name was gesteld van [slachtoffer 2] .

12. Een schriftelijk stuk, houdende een NFI-deskundigenrapport, opgemaakt door ir. H.J.T. Janssen d.d. 9 maart 2009, opgenomen in de pagina's 595 t/m 619 van dossier 2 van het hierboven onder 1 genoemde dossier van de regiopolitie Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Riem, merk G-star [AAAQ7856NL]

Bloed

De riem [AAAQ7856NL] is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Op de voorzijde van de riem is bij de letter "L” van het opschrift "Originals" een bloedspoor waargenomen. De riem is op deze plaats bemonsterd. [AAAQ7856NL]#1

Op de achterzijde van de riem is bij een rode pijl een bloedspoor aangetroffen. De riem is op deze plaats bemonsterd [AAAQ7856NL]#2

Sporenmateriaal

[AAAQ7856NL]#1

Bemonstering riem

G-star

Celmateriaal kan Afkomstig zijn van slachtoffer [slachtoffer 2] en minimaal twee andere onbekende personen (zie toelichting 3)

Berekende frequentie DNA-profiel

kleiner dan één op één miljard (DNA-hoofdprofiel)

Sporenmateriaal

[AAAQ7856NL]#2

Bemonstering riem

G-star

Celmateriaal kan Afkomstig zijn van slachtoffer [slachtoffer 2] en minimaal één andere onbekende persoon (zie toelichting 4)

Berekende frequentie DNA-profiel

kleiner dan één op één miljard (DNA-hoofdprofiel)

Toelichting 3:

Uit dit DNA-mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid. Het afgeleide DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 2] . De berekende frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.

Toelichting 4:

In het DNA-profiel van het celmateriaal in deze bemonstering zijn additionele, zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar die kunnen duiden op aanwezigheid van een relatief zeer geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon.

13. Een proces-verbaal van bevindingen met het nummer 2008290477-1, opgemaakt op ambtsbelofte op 11 november 2008 door [verbalisant 16] , brigadier van politie, dienstdoende bij D5 Bureau Districtsrecherche, opgenomen in de pagina's 59 en 60 van dossier 11, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 11 november verscheen voor mij verdachte [medeverdachte 1] . De verdachte kwam zijn inbeslaggenomen spullen op halen. Hij verklaarde vrijwillig hierover het volgende: Toen ik die avond thuis kwam zag ik die Opel sleutel op de stoel liggen. Verder kan ik u verklaren dat de G-star riem van mij is. Ik begrijp dat u het nog voor onderzoek houdt.

14. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met het nummer 20090326.1300.3015.A, opgemaakt op ambtsbelofte op 26 maart 2009 door [verbalisant 5] voornoemd en [verbalisant 10] voornoemd, opgenomen in de pagina's 029 tot en met 038 in dossier 20 van het hierboven onder 1 genoemde dossier van de regiopolitie Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van de verdachte [betrokkene 11] (op de pagina's 035 en 036):

Op 16 oktober ( het hof begrijpt: 16 oktober 2008) was ik aanwezig op de Bolderweg in Almere. Ik was daar samen met onder meer [betrokkene 12] (het hof begrijpt: ( [betrokkene 12] ), [betrokkene 4] en [medeverdachte 3] , het neefje van [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: de verdachte, [medeverdachte 3] ).

[medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) kwam omstreeks 21.30 uur aan op de Bolderweg, samen met een donkere man (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) en een blanke vrouw die [verdachte] heet (het hof begrijpt: [verdachte] ).

[betrokkene 12] kwam naar ons toe en hij zei dat we weg moesten gaan, omdat er problemen zouden komen. Toen [betrokkene 12] vlak bij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] was had hij gehoord dat dit werd gezegd.

Daarna kwam [slachtoffer 2] terug.

Na ongeveer tien minuten hoorde ik een schot.

15. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met het nummer 2009040604321, opgemaakt op ambtsbelofte op 6 april 2009 door [verbalisant 5] voornoemd en [verbalisant 10] voornoemd, opgenomen in de pagina's 080 tot en met 085 in dossier 20 van het hierboven onder 1 genoemde dossier van de regiopolitie Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van de verdachte [betrokkene 11] (op de pagina's 082 en 083):

Enige tijd nadat ik een geluid (het hof begrijpt: het geluid van een knal of schot) had gehoord, ben ik naar de voorkant van de winkel gelopen. Ik zag bloed op straat liggen, in een vlek met een doorsnee van ongeveer vijftig centimeter. Ik hoor dat [medeverdachte 3] zegt dat we moeten schoonmaken. Ik heb gezien dat [betrokkene 4] en [medeverdachte 3] het (het hof begrijpt: het gedeelte van de plaats van het delict waar het bloed lag) hebben schoongemaakt met water.

16. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] met het nummer 20090507.1205.4321, opgemaakt op ambtsbelofte op 7 mei 2009 door [verbalisant 8] , brigadier van de regiopolitie Flevoland, en [verbalisant 5] , brigadier van de regiopolitie Flevoland, opgenomen in de pagina's 916 tot en met 926 in dossier 9, map III van het hierboven onder 1 genoemde dossier van de regiopolitie Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van de verdachte [medeverdachte 3] (op de pagina's 920 en 921)

Op 16 oktober 2008 was ik in Almere (het hof begrijpt: in de toko aan de Bolderweg). Daar waren tevens aanwezig [betrokkene 12] , [betrokkene 4] en [betrokkene 13] (het hof begrijpt: de drie illegale werknemers). [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) is er omstreeks 20.30 uur a 21.00 uur gedurende ongeveer een kwartier geweest. Daarna kwamen [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ), [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) en [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) aanrijden. [medeverdachte 4] zei tegen ons: "Ga naar achteren allemaal".

(...)

Ik zag dat Annandmet een brandslang op de straat spoot. Hij spoot op het gedeelte van het asfalt dat omhoog loopt richting het rolluik van de winkel. Hij stond ongeveer twee meter van het rolluik af. Ik hoorde [verdachte] zeggen: " [medeverdachte 4] , laten we gaan, laat die jongens dit doen".

17. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met het nummer 2009032411153982, opgemaakt op ambtseed op 24 maart 2009 door [verbalisant 2] , brigadier van de regiopolitie Flevoland, en [verbalisant 3] , hoofdagent van de regiopolitie Flevoland, opgenomen in de pagina's 1273 tot en met 1282 in dossier 9, map IV van een dossier van de regiopolitie Flevoland met het kenmerk 2008075809 en sluitingsdatum 18 juni 2009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van de verbalisanten (op pagina 1274):

Wij hebben gehoord datjij werkzaam was in de winkel aan de Ganzenhoef in Amsterdam Zuid-Oost toen [slachtoffer 1] om het leven werd gebracht op 14 oktober 2008. Wat kun jij ons daarover vertellen?

als verklaring van de verdachte [betrokkene 4] (op de pagina's 1276 en 1277)

[slachtoffer 1] werd doodgeschoten toen hij in de winkel was op die dag. Ik hoorde een pistoolschot. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag. Ik heb bloed op de grond gezien.Ik heb met [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) gesproken over de telefoon. Zij vroeg mij of het klaar was en zij vroeg mij de schutter aan de telefoon te geven. Ik gaf de telefoon aan de schutter.”

7.1. Het eerste middel klaagt ten aanzien van feit 3 over het bewijs van het medeplegen.

7.2. Het Hof heeft in het bestreden arrest onder de subkopje ‘Het medeplegen’ onder de kop ‘Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde’ als volgt overwogen:

“Het medeplegen

Eenmaal gearriveerd bij de toko, worden de daar werkzame drie illegalen in het bijzijn van de verdachte naar achteren gestuurd door [medeverdachte 4] . Dit laatste duidt er naar het oordeel van het hof al op dat zich iets af gaat spelen dat weinig goeds voorspelt.

De verdachte houdt zich vervolgens op in de kantoorruimte van de toko en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] houden zich elders in of bij de toko op. Op een gegeven moment arriveert [slachtoffer 2] , waarop de verdachte een gesprek met [slachtoffer 2] aanknoopt. Op de vragen van [slachtoffer 2] waar [medeverdachte 4] is, antwoordt de verdachte binnen een kwartier tot twee keer toe dat [medeverdachte 4] ergens in de buurt is en dadelijk wel zal komen. Dat blijkt uit de politieverhoren van de verdachte (dossier 17, pagina's 125 en 443). Deze mededelingen van de verdachte aan [slachtoffer 2] kunnen niet anders gezien worden dan als verhullend en/of misleidend naar [slachtoffer 2] toe. Immers, uit niets blijkt dat [medeverdachte 4] , die zich eerder op die avond zeer nerveus heeft getoond voor [slachtoffer 2] , in de toko een persoonlijke ontmoeting met [slachtoffer 2] zal aangaan. Niet gebleken is voorts dat [medeverdachte 4] zich heeft ingesteld op een dergelijke persoonlijke ontmoeting en evenmin is gebleken dat [medeverdachte 4] daartoe enige intentie had of heeft geuit. Integendeel, [medeverdachte 4] ging een (persoonlijk) contact met [slachtoffer 2] telkens uit de weg op die avond. Niet gebleken is dat de verdachte op dat moment pogingen in het werk heeft gesteld [medeverdachte 4] te roepen, te bellen of een sms-bericht te sturen, met de mededeling dat [slachtoffer 2] hem wenst te spreken. [slachtoffer 2] vertrekt vervolgens. Op het moment dat [slachtoffer 2] daarna terugkomt naar de toko, ontvangt de verdachte op haar mobiele telefoon een sms-bericht, dat afkomstig is van [slachtoffer 2] en is gericht aan [medeverdachte 4] , en dat door [medeverdachte 4] kennelijk naar haar is doorgestuurd vanaf diens mobiele telefoon. De strekking van dat sms-bericht is dat er problemen komen wanneer [medeverdachte 4] nu niet tevoorschijn komt. Voor zover dat de verdachte tot dan toe nog niet bekend of duidelijk was, kan het niet anders zijn geweest dan dat dit bericht erop duidde dat er van [slachtoffer 2] een verbaal dreigende houding richting [medeverdachte 4] uit ging en dat dit in elk geval vanaf dat moment kenbaar was voor de verdachte. Waar de verdachte heeft verklaard dat inhoud en/of strekking van dit sms-bericht haar op dat moment niet duidelijk zijn geweest, acht het hof de verdachte ongeloofwaardig. Enkele minuten nadien wordt [slachtoffer 2] neergeschoten door [medeverdachte 1] . De verdachte verricht vervolgens kennelijk onbewogen verdere ondersteunende en uitvoerende handelingen, te weten met betrekking tot het wissen van sporen van het misdrijf en het wegvoeren van het lijk.

Onder de hiervoor vermelde omstandigheden heeft verdachte [slachtoffer 2] ten onrechte in de waan gelaten dat er een gesprek met [medeverdachte 4] of betaling zou volgen in plaats van hem te waarschuwen of er op een andere manier voor te zorgen dat [slachtoffer 2] weg zou gaan. Op die manier heeft zij er een bijdrage aan geleverd dat [slachtoffer 2] bij de toko in de buurt bleef en terugkwam waardoor het voor [medeverdachte 1] mogelijk was [slachtoffer 2] neer te schieten Er was aldus sprake van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] .

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 10 april 2012 aangevoerd dat zij op 14 oktober 2008 uitsluitend is meegegaan om [medeverdachte 4] morele ondersteuning te kunnen bieden en omdat zij een sussende en/of bemiddelende rol meende te kunnen spelen in het geheel. Het hof acht deze lezing van de feiten door de verdachte ongeloofwaardig. Uit niets is immers gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte op de daartoe geschikte en aangewezen momenten daadwerkelijk invulling heeft gegeven of heeft willen geven aan de rol die zij zichzelf meent toe te kennen. Daarnaast heeft de verdachte niet op een eerder daartoe aangewezen moment - tijdens de politieverhoren - kenbaar gemaakt een dergelijke rol te hebben willen vervullen op 14 oktober 2008.”

7.3. In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.2

Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

7.4. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat (i) de verdachte er van op de hoogte was dat [medeverdachte 4] wekelijks werd afgeperst door [slachtoffer 1] en dat [medeverdachte 4] [slachtoffer 2] had benaderd om [slachtoffer 1] om te brengen, waarna hij vervolgens ook door deze werd afgeperst; (ii) de verdachte erbij was toen [medeverdachte 1] [medeverdachte 4] zijn hulp aanbood om definitief een einde te maken aan de afpersingspraktijken; (iii) de verdachte wist dat [medeverdachte 1] twee dagen eerder, te weten op 14 oktober 2008, [slachtoffer 1] met vuurwapengeweld om het leven had gebracht; (iv) de verdachte samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] in de avond van 16 oktober 2008 naar de toko van [medeverdachte 4] in Almere is gegaan, teneinde [slachtoffer 2] daar te treffen, terwijl zij wist dat er betalingsproblemen waren tussen [medeverdachte 4] en [slachtoffer 2] en dat [medeverdachte 4] [slachtoffer 2] niet onder ogen wilde komen; (v) [medeverdachte 4] heeft uitgesproken dat er problemen zouden komen waarna hij samen met [medeverdachte 1] zich ergens in de toko heeft opgehouden en de verdachte [slachtoffer 2] heeft opgevangen met een misleidend verhaal; en (vi) de verdachte, na het neerschieten van [slachtoffer 2] in de toko door [medeverdachte 1] , met de auto het lichaam van [slachtoffer 2] naar de Bijlmer in Amsterdam heeft vervoerd.

7.5. In zijn hiervoor onder 7.2. weergegeven nadere bewijsoverwegingen is het Hof voorts nader ingegaan op verdachtes specifieke rol op de dag van de moord op [slachtoffer 2] als ‘medepleger’ van die moord. Daarbij heeft het Hof in het bijzonder in aanmerking genomen de omstandigheid dat de verdachte een gesprek met [slachtoffer 2] heeft aangeknoopt en hem in de waan heeft gelaten dat [medeverdachte 4] er aan zou komen in het kader van de door [slachtoffer 2] gevorderde betaling, terwijl zij wist dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zich ergens in of bij de toko ophielden, en het feit dat de verdachte er op die manier voor heeft gezorgd dat [slachtoffer 2] bij de toko in de buurt bleef en terugkwam, waardoor het voor [medeverdachte 1] mogelijk was om [slachtoffer 2] neer te schieten. Dit samenstel van gedragingen van de verdachte heeft het Hof kennelijk gezien als een essentiële uitvoeringshandeling voorafgaand aan de moord. Met andere woorden: het misleidende gesprek dat de verdachte met [slachtoffer 2] voerde was noodzakelijk om de moord uiteindelijk te kunnen plegen. Aldus verstaan ligt in de overwegingen van het Hof besloten dat de gedragingen van de verdachte onderdeel uitmaakten van het vooringenomen moordplan, zodat vaststaat dat zij een wezenlijke bijdrage aan het delict heeft geleverd. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, daarbij in aanmerking nemende de feiten en omstandigheden die voortvloeien uit de bewijsmiddelen, zoals uiteengezet onder 7.4. Daaruit volgt dat de verdachte wist van de hoed en de rand betreffende de verhoudingen en spanningen tussen de verschillende personen en de gemaakte plannen. Ook wijs ik er op dat de verdachte na afloop van de moord heeft meegeholpen met het wissen van de sporen door het lijk van de plaats delict weg te voeren en dat zij zich op geen enkel moment van de gedragingen van de medeverdachten heeft gedistantieerd. Indien de nadere bewijsoverwegingen van het Hof op zichzelf worden beschouwd, lijken de daarin door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden op het eerste gezicht te bestaan uit gedragingen die eerder met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebrachte dan met medeplegen. Anders dan de steller van het middel meen ik echter dat ’s Hofs nadere bewijsoverwegingen in samenhang met de bewijsmiddelen dienen te worden gelezen en verstaan. Gelet op de bewijsvoering in zijn geheel beschouwd meen ik dus dat het oordeel van het Hof dat de verdachte aan het bewezenverklaarde een zodanige bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] kan worden gesproken, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en het voorts niet onbegrijpelijk is.3De bewezenverklaring van het tenlastegelegde 'medeplegen' is derhalve naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.4

7.6. Het middel faalt.

8.1. Het tweede middel behelst de klacht ten aanzien van feit 3 dat verdachtes opzet op de dood van [slachtoffer 2] niet uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid.

8.2. Het Hof heeft in het bestreden arrest onder de subkopje ‘Het opzet’ onder de kop ‘Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde’ als volgt overwogen:

“Het opzet

Uit het strafdossier blijkt dat de verdachte er vooraf van op de hoogte was dat de medeverdachte [medeverdachte 4] wekelijks geldbedragen moest afstaan aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . In de kringen van de verdachte en haar medeverdachten wordt in dat verband gesproken over afpersing van [medeverdachte 4] door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Voorts stelt het hof vast dat de verdachte wetenschap had van het plan van de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] om een einde te maken aan de situatie dat [medeverdachte 4] wekelijks geldbedragen aan [slachtoffer 1] moest afdragen. Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachte er van op de hoogte was dat [slachtoffer 1] op 14 oktober 2008 door middel van vuurwapengeweld om het leven was gebracht door [medeverdachte 1] , in opdracht van [medeverdachte 4] . Dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] konden beschikken over een vuurwapen heeft verdachte aldus ook geweten.

Op 16 oktober 2008 is de verdachte er van op de hoogte dat er op die dag problemen zijn tussen [medeverdachte 4] en [slachtoffer 2] en dat het daarbij gaat om de afdracht van geld door [medeverdachte 4] aan [slachtoffer 2] . Zij is er tevens van op de hoogte dat [medeverdachte 4] dan erg nerveus is en dat [medeverdachte 4] het (telefonisch) contact met [slachtoffer 2] veelvuldig vermijdt.

Met die wetenschap gaat zij samen met [medeverdachte 1] , die twee dagen eerder op verzoek van [medeverdachte 4] [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht, en [medeverdachte 4] naar de toko van [medeverdachte 4] in Almere waar [slachtoffer 2] - zo weet de verdachte - die avond nog zal verschijnen om geld van [medeverdachte 4] te innen. Op grond van hetgeen verdachte voordien met betrekking tot [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had vernomen concludeert het hof dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] tijdens de ontmoeting op gewelddadige wijze om het leven zou worden gebracht.”

8.3. Zoals de steller van het middel zelf al terecht opmerkt dient het voor medeplegen van moord vereiste opzet van de verdachte niet alleen te zijn gericht op de samenwerking met haar medeverdachten, maar ook op het gevolg van het delict, te weten de dood van [slachtoffer 2] (dubbel opzet). Daartoe moet zij met de medeverdachten hebben samengewerkt. Dit is in de onderhavige zaak ook het geval geweest. Gelet op de aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen vastgestelde gang van zaken, heeft het Hof mijns inziens kunnen oordelen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat mede door haar wetenschap van en betrokkenheid bij het geheel [slachtoffer 2] uiteindelijk zou worden doodgeschoten. Daarbij zij in het bijzonder in aanmerking genomen de hiervoor onder 7.2 weergegeven nadere bewijsoverwegingen van het Hof omtrent verdachtes actieve rol op de dag van de moord op [slachtoffer 2] , waaruit kan worden afgeleid dat het Hof klaarblijkelijk heeft geoordeeld dat de verdachte door aldus te handelen zich heeft aangesloten bij de uitvoering van het delict. Het oordeel van het Hof dat verdachtes opzet in voorwaardelijke zin gericht was op de dood van [slachtoffer 2] , geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

8.4. Het middel faalt.

9.1. Het derde middel klaagt ten aanzien van feit 3 dat het oordeel van het Hof ‘dat verdachtes opzet mede de voorbedachte raad omvat’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.

9.2. Het Hof heeft in het bestreden arrest onder de subkopje ‘De voorbedachte raad’ onder de kop ‘Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde’ als volgt overwogen:

“De voorbedachte raad

Tenslotte is het hof van oordeel dat verdachtes opzet mede de voorbedachte raad omvat nu zij gelet op de gang van zaken die het hof heeft doen concluderen dat er sprake was van opzet en nauwe en bewuste samenwerken, terwijl zij zowel in de auto onderweg naar de toko als gedurende haar verblijf in het kantoortje van de toko, voldoende tijd heeft gehad voor kalm beraad en rustig overleg ten aanzien van de komende gebeurtenissen.

Onder de hierboven weergegeven omstandigheden acht het hof, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte, voorwaardelijk opzet op het medeplegen van de moord van [slachtoffer 2] aanwezig bij de verdachte.”

9.3. Over de voorbedachte raad heeft de Hoge Raad herhaalde malen het volgende overwogen5:

“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”

9.4. Blijkens de bewijsvoering van het Hof kan het volgende worden vastgesteld:

  • -

    Op 16 oktober 2008, twee dagen nadat [slachtoffer 1] is doodgeschoten, is [slachtoffer 2] om het leven gebracht door vuurwapengeweld. Dit vuurwapengeweld heeft zich afgespeeld in de groentezaak/toko van de medeverdachte [medeverdachte 4] aan de Bolderweg in Almere;

  • -

    De verdachte was erbij toen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] het plan bedachten om [slachtoffer 2] om het leven te brengen. Dit om definitief een einde te maken aan het afpersen van [medeverdachte 4] door [slachtoffer 2] (motief). [medeverdachte 4] heeft aan de verdachte en [medeverdachte 1] te kennen gegeven het niet meer aan te kunnen dat hij door twee personen (te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) werd afgeperst. De verdachte wist dat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] zijn hulp had aangeboden;

  • -

    De verdachte wist dat [medeverdachte 1] twee dagen eerder, te weten op 14 oktober 2008, [slachtoffer 1] met vuurwapengeweld om het leven had gebracht;

  • -

    Met die wetenschap is de verdachte samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] in de avond van 16 oktober 2008 naar de toko van [medeverdachte 4] in Almere gegaan, teneinde [slachtoffer 2] daar te treffen, terwijl zij wist dat er betalingsproblemen waren tussen [medeverdachte 4] en [slachtoffer 2] en dat [medeverdachte 4] [slachtoffer 2] niet onder ogen wilde komen;

  • -

    Bij aankomst in de toko werden drie werkzame illegalen door [medeverdachte 4] naar achteren gestuurd en één van hen heeft [medeverdachte 4] horen zeggen dat er een probleem zou komen;

  • -

    De verdachte heeft zich op in de kantoorruimte van de toko opgehouden en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] bevonden zich ergens in of bij de toko;

  • -

    Toen [slachtoffer 2] ook in de toko arriveerde, werd hij door de verdachte opgevangen, die hem heeft misleid door hem telkens mede te delen dat [medeverdachte 4] in de buurt was en zo zou komen, terwijl uit niets bleek dat dat het geval zou zijn;

  • -

    [slachtoffer 2] is op enig moment vertrokken, maar is snel weer terug gekomen naar de toko. Op dat moment kreeg de verdachte een sms-bericht van [medeverdachte 4] afkomstig van [slachtoffer 2] doorgestuurd met de strekking dat er problemen zouden komen als [medeverdachte 4] niet snel tevoorschijn kwam;

  • -

    Aan het voorgenomen plan is vervolgens uitvoering gegeven door [medeverdachte 1] : hij heeft enkele minuten daarna [slachtoffer 2] dood geschoten;

  • -

    De verdachte heeft onder meer samen met [medeverdachte 1] de sporen van het misdrijf gewist en haar bijdrage heeft hieruit bestaan dat zij het lijk van [slachtoffer 2] met de auto heeft weggevoerd van de plaats delict.

9.5. Uit bovengenoemde vaststellingen kan worden afgeleid dat de verdachte ruimschoots en op verschillende momenten de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven. De overwegingen dienaangaande van het Hof moeten mijns inziens aldus worden verstaan dat er daarnaast op de desbetreffende avond ook nog verschillende momenten zijn geweest waarop verdachte zich heeft kunnen bezinnen op haar handelen en de gevolgen daarvan. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen de autorit van de verdachte naar de toko met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en de tijd die is verstreken toen de verdachte in de toko was in het kantoortje en de komst van [slachtoffer 2] werd afgewacht. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof kunnen afleiden dat van tevoren het plan was beraamd om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. [medeverdachte 4] vertelde aan de verdachte en [medeverdachte 1] dat hij werd afgeperst en dat hij [slachtoffer 2] had benaderd om voor hem [slachtoffer 1] te laten omleggen, maar dat hij vervolgens ook door [slachtoffer 2] werd afgeperst. Daarop bood [medeverdachte 1] aan om hem een handje te helpen. In de bestreden uitspraak van het Hof ligt besloten dat hiermee vaststaat dat de [medeverdachte 4] samen met [medeverdachte 1] het besluit had genomen om [slachtoffer 2] op gewelddadige wijze te doden en dat de verdachte zich heeft aangesloten bij de uitvoering van dat plan op 16 oktober 2008. Op die bewuste avond gaan de verdachte, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] naar de toko en geeft [medeverdachte 4] al voor de komst van [slachtoffer 2] aan dat er problemen gaan komen. Wanneer [slachtoffer 2] arriveert wordt hij misleidend toegesproken door de verdachte, terwijl zij weet dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zich ergens in de toko ophouden. Als het geduld van [slachtoffer 2] op is, treedt [medeverdachte 1] op door [slachtoffer 2] neer te schieten. De door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden wijzen ten aanzien van de koelbloedige moord op [slachtoffer 2] op een goed doordacht plan van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] waarbij de verdachte zich heeft aangesloten, terwijl relevante contra-indicaties ontbreken. Gelet hierop heeft het Hof aldus zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk gemotiveerd tot uitdrukking gebracht dat de verdachte, die door het Hof terecht als medepleger is aangemerkt (zie de bespreking van het eerste middel), met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat haar opzet mede daarop was gericht.

9.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

10.1. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

10.2. Namens de verdachte is op 6 mei 2013 beroep in cassatie ingesteld, waarna de stukken op 16 oktober 2014 ter griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn, die zes maanden bedraagt aangezien de verdachte ten tijde van het instellen van het cassatieberoep in verband met deze strafzaak was gedetineerd, met nagenoeg 12 maanden is overschreden. De klacht is dus terecht voorgesteld.

De overschrijding van de termijn heeft tevens tot gevolg dat de behandeling van het cassatieberoep niet binnen zestien maanden6 kan worden afgerond. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering.

10.3. Het middel slaagt.

11. Het eerste middel, het tweede middel en het derde middel falen en kunnen met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering worden afgedaan. Het vierde middel is terecht voorgesteld.

12. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Anders dan in de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] , is in de onderhavige zaak geen middel voorgesteld dat is gericht tegen ’s Hofs toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] .7 In de zaak [medeverdachte 1] concludeer ik ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] , die ziet op vergoeding van zogenoemde ‘shockschade’, tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering op de grond dat behandeling van een dergelijke vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert (zie het zevende middel in die zaak). Ik acht daarbij ’s Hofs beslissing tot toewijzing ontoereikend gemotiveerd, aangezien niet in rechte is vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel waardoor [betrokkene 1] in haar persoon is aangetast. Ik heb naar aanleiding daarvan vernietiging van de bestreden uitspraak voorgesteld en daarbij aangegeven dat de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen.

Nu het Hof in de onderhavige zaak de verdachte hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de geleden schade van de benadeelde partij [betrokkene 1] , is het mijns inziens wenselijk dat de zaak ten aanzien van de desbetreffende vordering op overeenkomstige wijze wordt afgedaan.

13. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend:

- wat betreft de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] en de ten behoeve van haar aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijkverklaring van voormelde benadeelde partij in haar vordering;

- wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf;

en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de zaken tegen de medeverdachten, met griffienummers 13/03675 ( [medeverdachte 1] ), 13/02318 ( [medeverdachte 3] ) en 14/02085 ( [medeverdachte 4] ), concludeer ik vandaag eveneens.

2 Vgl. o.m. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713.

3 Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474.

4 Vgl. o.m. HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713, HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883 en de conclusie van AG Hofstee (ECLI:NL:PHR:2014:59) vóór HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:357 (HR: art: 81.1 RO).

5 Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963.

6 Op 24 november 2014 is tevergeefs getracht de aanzegging op de voet van art. 435 Sv aan de verdachte te betekenen op het in de ID-staat SKDB vermelde detentieadres P.I. Midden Holland – Haarlem PIA. De verdachte blijkt onder elektronisch toezicht deel te nemen aan een Penitentiair Programma, waarbij zij buiten de gevangenis verblijft op haar GBA-adres. De aanzegging is dan ook op 25 november 2014 rechtsgeldig betekend aan een huisgenoot (NIP) op verdachtes GBA-adres. In de hierboven beschreven situatie kan de verdachte in het kader van de redelijke termijn met een gedetineerde worden gelijkgesteld. Vgl. HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3524 en HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8808.

7 Hierbij teken ik aan dat in de onderhavige zaak de benadeelde partij [betrokkene 2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is verklaard door het Hof.