Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1188

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-05-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
14/01388
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2872, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Klachtvereiste echtgenoot bij diefstal. Art. 316 Sr. Echtscheiding. ’s Hofs vaststelling dat het huwelijk tussen X en verdachte t.t.v. de tlgd. periode door echtscheiding was ontbonden, brengt mee dat verdachte op het moment dat de strafvervolging tegen haar is aangevangen geen echtgenoot van X was als bedoeld in art. 316.1 of 2 Sr. De in art. 316.2 Sr bedoelde klacht is in zodanig geval niet vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01388

Zitting: 12 mei 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 13 december 2013 verdachte wegens “diefstal, waarbij de schuldig het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte heeft mr. H.P.J. van der Eerden, advocaat te Den Haag, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop – en daarmee welwillend gelezen –, klaagt over het oordeel van het Hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 29 november 2013 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“(…)

De raadsman van de verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven.

De raadsman brengt in dat verband naar voren:

De verdediging is van mening dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Mijn cliënte en aangever zijn volgens Turks recht nog gehuwd en strafvervolging is derhalve, gelet op artikel 316, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, uitgesloten. Bij beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 maart 2010 is de echtscheiding tussen mijn cliënte en aangever uitgesproken. Voorts is bij beschikking van 2 juli 2010 door diezelfde rechtbank het verzoek om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen afgewezen. Hieruit blijkt dat de goederengemeenschap nog steeds bestaat. Ik wil deze beschikkingen graag aan het hof overleggen. De echtscheidingsbeschikking van 2 maart 2010 is tijdig ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Subsidiair ben ik van mening dat mijn cliënte op grond van artikel 316, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht alleen vervolgd kan worden naar aanleiding van een tegen haar gerichte klacht van de aangever. Nu deze klacht ontbreekt, dient het openbaar ministerie ook om deze reden in de vervolging van mijn cliënte niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsman legt de beschikking d.d. 2 maart 2010 en de beschikking d.d. 2 juli 2010, beide gegeven door de rechtbank 's-Gravenhage, aan het hof over.

(…)

De raadsman brengt hierop naar voren:

Het is een klachtdelict en mijns inziens blijkt niet ondubbelzinnig dat er een klacht is ingediend.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt het hof bij monde van de voorzitter mede dat het hof - nu de raadsman eerst na de voordracht van de zaak een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft gedaan en hetgeen dienaangaande naar voren is gebracht overigens ook niet zonder inhoudelijke behandeling van de zaak valt te beoordelen - eerst bij arrest ter zake een beslissing zal nemen.

(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging en brengt in dat verband het volgende naar voren:

Ik persisteer bij hetgeen ik eerder op deze zitting ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heb opgemerkt.

(…)”

5. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft het Hof, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe primair aangevoerd dat de verdachte en de aangever volgens Turks recht nog gehuwd zijn en strafvervolging derhalve, gelet op artikel 316, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, is uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte op grond van artikel 316, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht alleen vervolgd kan worden naar aanleiding van een tegen haar gerichte klacht van de aangever. Nu deze klacht ontbreekt, is het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk.

Het hof overweegt dienaangaande dat blijkens de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 maart 2010 op verzoek van de verdachte - op welk verzoek het Nederlands recht van toepassing is verklaard - de echtscheiding tussen haar en de aangever is uitgesproken. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat deze echtscheidingsbeschikking tijdig in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Derhalve was de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode en mitsdien ook op het moment dat de vervolging tegen haar is aangevangen geen echtgenoot van de aangever in de zin van artikel 316, eerste of tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verweren, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte, worden dan ook verworpen.”

6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij op tijdstippen gelegen in de periode van 3 augustus 2011 tot en met 22 augustus 2011 te 's-Gravenhage en te Rotterdam, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] , zulks nadat zij, verdachte, die weg te nemen geldbedragen telkens onder haar bereik had gebracht door middel van een valse sleutel.”

7. De steller van het middel heeft aangevoerd dat er in het onderhavige geval slechts twee mogelijkheden zijn: “of er wordt vastgesteld dat zij (verdachte; PV) op het moment van (aanvang van) vervolging nog gehuwd is op grond waarvan vervolging is uitgesloten volgens artikel 316 lid 1 of, danwel er wordt vastgesteld dat zij gescheiden is/was op grond waarvan vervolging slechts kan geschieden op klacht volgens artikel 316 lid 2 (…).” Nu het Hof heeft vastgesteld dat verdachte van aangever is gescheiden, had het op grond van art. 316, tweede lid, Sr, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dienen te verklaren in haar vervolging, nu een klacht van aangever ontbreekt, dan wel dienen te motiveren waarom het Hof aan dit vereiste is voorbijgegaan.

8. Art. 316, eerste lid, Sr sluit strafvervolging uit wanneer de dader “de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot” is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd. In cassatie richt de klacht zich niet op toepassing van het eerste lid van art. 316 Sr, maar uitsluitend op toepassing van het tweede lid van art. 316 Sr. Het tweede lid van deze bepaling maakt vervolging van de “van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot” van degene tegen wie het misdrijf is gericht eerst mogelijk indien er sprake is van een tegen hem, door degene tegen wie het misdrijf is gepleegd, ingediende klacht. In beide gevallen dient het aldus te gaan om de – al dan niet van tafel en bed of van goederen gescheiden – echtgenoot van degene tegen wie het misdrijf is gericht. Art. 316, eerste lid, Sr en art. 316, tweede lid, Sr zijn dan ook niet van toepassing in gevallen waarin het huwelijk (volledig) is ontbonden door een echtscheiding, nu in dergelijke gevallen van “echtgenoot” niet meer kan worden gesproken. Het voorgaande vindt steun in de geschiedenis van de totstandkoming van de bepaling. Daarin worden de volgende gronden voor de uitzonderingen als bedoeld in art. 316 Sr vermeld:

“Het ontwerp wil de strafvervolging alleen zien uitgesloten tegen den dader of den medepligtige die de echtgenoot is van hem, tegen wien het misdrijf gepleegd werd, met deze beperking (ontleend aan het ontwerp van 1847), dat de uitsluiting niet geldt, in geval de echtgenooten van tafel en bed gescheiden zijn.1 Door het huwelijk ontstaat eene vereeniging, die ook op de wederzijdsche goederen der echtgenooten grooten invloed uitoefent, die een gemeenschappelijken eigendom, althans een gemeenschappelijk bezit of eene gemeenschappelijke bestemming van het goed, eene eigenaardige regeling van het beheer en regt van beschikking ten gevolge heeft, zelfs waar de gemeenschap formeel is uitgesloten of beperkt. De grond van art. 343, al. 1, blijft dus voortbestaan zoolang de verpligting tot zamenwoning aanwezig is (…).”2

En voorts:

“De beginselen waarop art. 316 rust, zullen moeten beslissen hoever men de personae exceptae zal uitstrekken. Welke zijn in ’t algemeen de gronden voor de uitzonderingen in art. 316? Mijns inziens, twee. Een zedelijke en een materiele grond. Waar niet anders dan een vermogensdelict aanwezig is, daar verbiedt een zedelijke grond, dat personen, die in de innigste betrekking tot elkander staan, door den Staat tegenover elkander zullen worden geplaatst op eene strafzitting, de een als beklaagde, de ander als klager en benadeelde. In de tweede plaats een stoffelijke grond. De personen, hier bedoeld, verkeeren tot elkander in eene zeer bijzondere verhouding, ook wat het vermogen betreft. Er is feitelijk een soort van codominium. (…)”3

Niet valt in te zien waarom art. 316 Sr van toepassing zou zijn ingeval van (volledige) ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. De gronden voor de uitzonderingen zijn immers in het geheel niet meer aanwezig.

9. Het middel, waarin het Hof wordt verweten dat het (zonder motivering) aan het klachtvereiste is voorbijgegaan, berust aldus op een verkeerde lezing van ’s Hofs arrest. Het Hof is daaraan immers niet voorbijgegaan, maar heeft geoordeeld dat art. 316, tweede lid, Sr in het onderhavige geval niet van toepassing is, nu het huwelijk is ontbonden door een echtscheiding. Het oordeel van het Hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in haar vervolging, nu de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode en mitsdien ook op het moment dat de vervolging tegen haar is aangevangen geen echtgenoot was van de aangever in de zin van artikel 316, eerste of tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht geeft, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat blijkens de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 maart 2010 op verzoek van de verdachte - op welk verzoek het Nederlands recht van toepassing is verklaard - de echtscheiding tussen haar en de aangever is uitgesproken en dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat deze echtscheidingsbeschikking tijdig in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven en in het licht van het voorgaande, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het amendement strekkende om in het eerste en tweede lid achter “van tafel en bed” in te voegen de woorden “of van goederen” werd later met 26 tegen 25 stemmen aangenomen.

2 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, 1881, p. 491 (MvT).

3 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, 1881, p. 494 (Minister van Justitie Modderman tijdens de beraadslagingen in de Tweede Kamer).