Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1033

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
14/03145
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1819
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2863
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolg alcoholslotprogramma (asp). HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:434. Hetgeen in dat arrest is overwogen m.b.t. de strafvervolging van een verdachte t.z.v. het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank, geldt ook in zaken betreffende de weigering van verdachte mee te werken aan een onderzoek a.b.i. art. 8.2 aanhef en onder a, WVW 1994. In het gegeven dat de uitkomst van de beslissingen t.z.v. het asp van de HR (ECLI:HR:NL:2015:434) en de RvS (ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622) niet zodanig voorzienbaar was dat de procesdeelnemers in reeds aanhangige strafzaken daarmee rekening hadden behoren te houden en daarom in feitelijke aanleg hadden moeten klagen over, kort gezegd, dubbele vervolging, vindt de HR aanleiding om in zaken waarin vóór 3 maart 2015 uitspraak is gedaan die nog niet onherroepelijk is geworden, te doen wat het hof had behoren te doen, mits (i) tegen de uitspraak tijdig beroep in cassatie is ingesteld, (ii) in de cassatieschriftuur is aangevoerd dat sprake is van dubbele vervolging in die zin dat verdachte t.z.v. hetzelfde feit de verplichting is opgelegd tot deelname aan het asp, en (iii) die stelling door de raadsman is gestaafd met bescheiden aan de herkomst waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld. De onder (iii) genoemde voorwaarde geldt niet indien o.g.v. ’s hofs vaststellingen dan wel o.g.v. de op de voet van art. 434.1 Sv aan de HR gezonden stukken van het dossier de feitelijke grondslag van het middel als vaststaand kan worden aangenomen. Na het onderhavige arrest moet het voor de advocatuur voldoende duidelijk zijn dat en hoe in gevallen als de onderhavige in cassatie met vrucht een beroep kan worden gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging. Daarom zal de HR, alvorens zo een verweer te honoreren, slechts in zaken waarin de cassatieschriftuur is ingekomen vóór het onderhavige arrest alsnog gelegenheid bieden tot staving van het middel. Uit het vorenoverwogene volgt dat i.c. de raadsman van verdachte in de gelegenheid behoort te worden gesteld zijn stelling dat sprake is van dubbele vervolging in die zin dat verdachte t.z.v. hetzelfde feit de verplichting is opgelegd tot deelname aan het asp, alsnog te staven door overlegging van bescheiden aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan het origineel of een gewaarmerkte kopie van het besluit van het CBR waarbij aan verdachte de verplichting is opgelegd aan een asp deel te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2015/61 met annotatie van mr. W.H. Regterschot
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03145

Zitting: 16 juni 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 2 juni 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van € 700,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen hechtenis. Het hof heeft verdachte daarnaast de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 4 maanden.

  2. Mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt.

  4. Het hof heeft vastgesteld dat in een tot bewijs gebezigd proces-verbaal van politie onder de naam van verbalisant De Ruit niet diens handtekening staat (maar kennelijk de handtekening van iemand anders). Dat levert volgens het hof een onherstelbaar vormverzuim op, nu die handtekening deel uitmaakt van het genoemde proces-verbaal. Het hof heeft echter geoordeeld dat dat geen grond is voor niet-ontvankelijkverklaring. Het hof is kennelijk evenmin van oordeel dat het grond is voor bewijsuitsluiting gezien het feit dat bedoeld proces-verbaal door het hof tot bewijs is gebezigd. Die oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn ook niet onbegrijpelijk. Het ontbreken van de juiste handtekening betekent immers niet zonder meer dat dat proces-verbaal niet tot bewijs kan worden gebezigd. Het betekent alleen dat geen sprake is van een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal als bedoeld in art. 344 lid 1 onder 1° Sv, en dus niet van een bewijsmiddel dat op grond van art. 344 lid 5 Sv op zichzelf voldoende is voor een bewezenverklaring. Het document kan echter wel worden aangemerkt als een ‘ander geschrift’ in de zin van art. 344 lid 1 onder 5 Sv en als zodanig tot bewijs worden gebezigd, zij het uitsluitend “in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen”. Dat is hier het geval nu naast genoemd document, niet alleen het in het middel genoemde (wél ambtsedig opgemaakt) proces-verbaal ten aanzien van de verrichte ademanalyse tot bewijs is gebezigd, maar ook de verklaring van verdachte, inhoudend dat hij de bewuste nacht inderdaad niet heeft meegewerkt aan de ademanalyse. Daardoor vindt genoemd document voldoende steun in de overige gebezigde bewijsmiddelen uit andere bron en is de bewezenverklaring van kortgezegd de weigering mee te werken aan een ademonderzoek, voldoende naar de eis der wet met redenen omkleed.

  5. Het middel faalt.

  6. In het tweede middel wordt geklaagd dat het hof verdachte ten onrechte voor eenzelfde feit andermaal heeft gestraft.

  7. De onderhavige veroordeling betreft zoals gezegd het niet meewerken aan een ademonderzoek op 19 augustus 2012. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het CBR voor diezelfde weigering om mee te werken aan verdachte de maatregel van het Alcoholslotprogramma (ASP) heeft opgelegd. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof Den Haag van 22 september 20141, wordt betoogd dat die maatregel moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM en dat daarom het openbaar ministerie in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden nu verdachte bescherming had moeten worden geboden tegen een dubbele bestraffing.

8. Tegen genoemd arrest van het Hof Den Haag is cassatie ingesteld en de Hoge Raad heeft dat cassatieberoep verworpen in de zogenaamde Alcoholslotzaak.2 Hoewel volgens de Hoge Raad art. 68 Sr in dat geval niet van toepassing was omdat geen sprake was van – kort gezegd – meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter, oordeelde de Hoge Raad dat de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank wel in strijd is met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het ASP is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen volgens de Hoge Raad immers meebrengen – en brengen in die gevallen ook mee – dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft.

9. Ik merk in de eerste plaats op dat ook hier art. 68 Sr niet van toepassing is, nu geen sprake is van meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter. Voor zover in het middel wordt geklaagd over schending van genoemde bepaling, faalt het. Ik meen echter dat dit verdachte niet kan worden tegengeworpen omdat de cassatieschriftuur dateert van voor het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015, waarbij de Hoge Raad zoals hiervoor onder 8 vermeld heeft beslist. Op grond daarvan acht ik het billijk dat de klacht in het middel wordt opgevat als een klacht dat de strafvervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde.

10. De vraag is vervolgens of ook in de onderhavige zaak sprake is van een strafvervolging die in strijd is met de beginselen van een goede procesorde vanwege een onherroepelijk geworden oplegging van een ASP aan verdachte op grond van hetzelfde feit als waar de strafvervolging op ziet. Hoewel het bij de onderhavige strafvervolging niet gaat om het rijden onder invloed zoals in het hiervoor genoemde arrest, maar om de weigering mee te werken aan een ademonderzoek, doet dat niet af aan de toepasselijkheid van de hiervoor weergegeven overwegingen van de Hoge Raad op de onderhavige zaak. Het gaat er immers om of naast een strafvervolging een ASP is opgelegd voor hetzelfde strafbare feit. Niet van belang is welk strafbare feit dat dan betreft.

11. Nu kan uit de stukken in het dossier niet onomstotelijk worden opgemaakt dat een ASP aan verdachte is opgelegd, laat staan dat het is opgelegd ter zake van hetzelfde strafbare feit als waarvoor verdachte in het bestreden arrest is veroordeeld. Blijkens de processen-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep hebben de verdachte en zijn raadsman op beide zittingen gesteld dat een ASP aan verdachte was opgelegd, maar dat hij geen gevolg heeft gegeven aan dat besluit omdat hij ervoor heeft gekozen zich te verdedigen en tot de dag van de terechtzitting in hoger beroep (van 2 juni 2014) geen rijbewijs heeft. Noch de rechtbank, noch het hof is daarop ingegaan en uit het arrest blijk niet dat die door de verdediging gestelde omstandigheid een rol heeft gespeeld bij de vordering van het openbaar ministerie of bij de strafoplegging. Ook overigens blijkt niet uit het dossier dat aan verdachte een ASP is opgelegd. Wel blijkt daaruit dat verdachte zijn rijbewijs voor negen maanden is ingevorderd met ingang van 19 augustus 2012. Ik heb daarom op 7 mei 2015 navraag gedaan bij het openbaar ministerie en mij is door advocaat-generaal mr. Van Leent, Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, op 19 mei 2015 per e-mail medegedeeld dat aan verdachte inderdaad op 31 augustus 2012 een ASP is opgelegd wegens hetzelfde feitencomplex als waar de onderhavige strafzaak op ziet, te weten de weigering mee te werken aan een ademanalyse op 19 augustus 2012. De desbetreffende e-mailwisseling is op 8 juni 2015 aan de raadsman van verdachte toegezonden en hierop is binnen de gestelde termijn (uiterlijk 15 juni 2015) geen reactie binnengekomen.

12. Gelet op het voorgaande moet er in cassatie vanuit worden gegaan dat in de onderhavige zaak aan verdachte onherroepelijk de verplichting tot deelname aan het ASP is opgelegd. Dat betekent dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging niet juist is en dat het middel slaagt,3 zodat het cassatieberoep gegrond moet worden verklaard en het bestreden arrest moet worden vernietigd. Nu de zaak tot niets anders kan leiden dan tot het oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, kan de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen de zaak zelf in die zin afdoen.4

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter is vernietigd en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:GHDHA:2014:3017.

2 HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434.

3 Zie het eerder genoemde HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, rov. 4.5.

4 Zie bijvoorbeeld: HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1561 en HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:114.