Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1032

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-05-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
14/01918
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1808, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht medeplegen vernieling autobanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01918

Zitting: 19 mei 2015

Mr. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof ‘s Hertogenbosch heeft bij arrest van 4 april 2014 de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien weken, waarvan zeven weken voorwaardelijk, onder aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en in dat kader de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft
mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkernisse, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van de vernieling van de banden van de Toyota met kenteken [001].

3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.

dat hij op 17 maart 2012 te Renesse, gemeente Schouwen-Duiveland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en wederrechtelijk banden van een auto (te weten: een Toyota met kenteken [001]), toebehorende aan [betrokkene 1], heeft vernield

en

dat hij op 17 maart 2012 te Renesse, gemeente Schouwen-Duiveland, opzettelijk en wederrechtelijk een band van een auto (te weten: een Opel met kenteken [002]), toebehorende aan [betrokkene 2], en een band van een auto (te weten: een Daihatsu met kenteken [003]), toebehorende aan
[betrokkene 3], en een band van een auto (te weten: een Renault met kenteken [004]), toebehorende aan [betrokkene 4], heeft vernield.”

3.2. Het hof heeft - voor zover hier van belang - ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende vastgesteld en overwogen1:

“Beoordeling van feit 1

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 17 maart 2012, omstreeks 00.15 uur, kregen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de melding dat in Renesse twee banden van een personenauto waren lek gestoken door de inzittenden van een bestelauto. Het voorval zou hebben plaatsgevonden op het evenemententerrein aan de Hogezoom te Renesse. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren binnen enkele minuten ter plaatse, waar zij werden aangesproken door [betrokkene 5], beveiliger van horecazaak "[A]". [betrokkene 5] vertelde dat hij had gezien dat twee mannen, die in een lichtkleurige bestelauto waren weggereden, gebukt tussen de op het evenemententerrein naast "[A]" geparkeerde auto's hadden gezeten en dat de auto waar de mannen naast hadden gezeten nu twee lekke banden bleek te hebben.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat de linkervoorband en de linkerachterband van de door [betrokkene 5] bedoelde auto, zijnde een rode Toyota Starlet, voorzien van het kenteken [001], leeg stonden en dat zich in het zijvlak van de banden een snede bevond.

Op 17 maart 2012 verklaarde aangever [betrokkene 1] dat hij eigenaar is van de Toyota Starlet met het kenteken [001], die hij rond 23.30 uur (het hof begrijpt: op 16 maart 2012) had geparkeerd op het evenemententerreintje aan de Hogezoom te Renesse. [betrokkene 1] verklaarde verder dat hij rond 00.30 uur (het hof begrijpt: op 17 maart 2012) werd aangesproken door de portier van "[A]", genaamd [betrokkene 5], en dat hij, [betrokkene 1], daarop bij zijn auto was gaan kijken en zag dat beide linkerbanden van zijn auto lek waren. [betrokkene 1] verklaarde dat aan niemand het recht of de toestemming was gegeven tot het plegen van het feit.

De getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij op 17 maart 2012 werkzaam was als portier van café "[A]" aan de Hogezoom te Renesse. [betrokkene 5] verklaarde dat hij zich die dag omstreeks 00.10 uur op het terras van het café bevond en dat hij toen zag dat twee gasten, die eerder in café "[A]" waren geweest en daarbij vervelend waren, op het parkeer- terrein naast "[A]" rondhingen en tussen tvvee auto's bezig waren. [betrokkene 5] verklaarde verder dat de twee mannen in een grijze bestelauto stapten, die geparkeerd stond naast een rode Toyota met het kenteken [001], en vervolgens hard wegreden. Volgens de getuige [betrokkene 5] had de bestelauto schade aan de rechterzijde.

De getuige [betrokkene 5] heeft voorts verklaard dat deze mannen op 16 maart 2012 omstreeks 23.00 uur bij hem de zaak "[A]" in kwamen en dat hij de mannen, gezien hun luidruchtige en vervelende gedrag, in de zaak constant heeft gevolgd en in de gaten heeft gehouden. Volgens [betrokkene 5] had een van de mannen kort haar en was hij gekleed in een roze/rood shirt met rechthoekige opdruk. De andere man had volgens [betrokkene 5] krullend haar, droeg een wit shirt en was dikker dan de andere man. De mannen waren na hun verblijf in café "[A]" naar het er tegenover gelegen café "[B]" gegaan. Op 17 maart 2012, omstreeks 00.00 uur, zag [betrokkene 5] de mannen weer op het parkeerterrein. Zij reden toen weg in een bestelauto nadat zij iets tussen twee auto's hadden gedaan.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft op 17 maart 2012 omstreeks 22.45 uur de - op de dossierpagina's 16 en 17 weergegeven - foto's van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] getoond aan de getuige [betrokkene 5], waarbij de onderschriften voor de getuige [betrokkene 5] onleesbaar waren. Naar aanleiding van deze opsporingsconfrontatie verklaarde de getuige [betrokkene 5] over de persoon op bijlage 1 (hof: verdachte): "Dit is zeker de persoon waarover ik in mijn verklaring sprak als de persoon in het roze shirt. Ik herken hem aan zijn gelaatsuitdrukking. Zijn haardracht en kleding op de foto is niet zoals gisteravond. " Over de persoon op bijlage 2 (hof: medeverdachte [medeverdachte]) verklaarde de getuige [betrokkene 5]: "Deze persoon herken ik voor 100% als de persoon waarover ik in mijn verklaring sprak als de man met het krullende haar en dikkere postuur.”

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 16 maart 2012, omstreeks 23.50 uur, op een bankje naast het terras van café "[A]" in Renesse zat. Volgens de getuige [getuige 1] had hij vanaf dat bankje zicht op het parkeerterrein. Op 16 maart 2012, omstreeks 23.56 uur, zag de getuige [getuige 1] dat twee mannen voorbij kwamen. De getuige [getuige 1] had de mannen eerder gezien toen zij in café "[A]" aan de bar zaten. Hij weet dat nog omdat de mannen opvielen doordat ze luidruchtig waren. Volgens de getuige [getuige 1] droeg een van de mannen een roze/rood shirt en de andere een wit shirt.

De getuige [getuige 1] heeft voorts verklaard dat de mannen naar een bestelauto liepen die tegenover hem op het parkeerterrein stond en dat hij zag dat de man met het witte shirt bukte en een stekende beweging maakte naar de linkerachterband van de auto die rechts naast de bestelauto stond geparkeerd. Na deze beweging hoorde [getuige 1] een hard sissend geluid. De getuige [getuige 1] zag vervolgens dat de man met het witte shirt naar de voorzijde van de bestelauto liep en een stekende beweging maakte naar de Imkervoorband van de auto die rechts naast de bestelauto stond geparkeerd. Na deze beweging hoorde [getuige 1] weer een hard sissend geluid. [getuige 1] hoorde ook dat beide mannen lachten. [getuige 1] zag vervolgens dat de man met het witte shirt aan de bijrijderskant instapte, waarna de bestelauto achteruit reed en vervolgens het parkeerterrein verliet.

Terwijl de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bezig waren met het opnemen van de verklaring van de getuige [betrokkene 5] kregen zij de melding van de meldkamer om te gaan naar bungalowpark "De Soeten Haerd" (het hof leest: "De Soeten Haert ") aan de Rampweg te Renesse, alwaar op dat moment autobanden lek gestoken zouden worden en een ruzie aan de gang zou zijn tussen gedupeerden en de mogelijke daders. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn onmiddellijk ter plaatse gegaan, waar zij zagen dat een tiental personen op de straat voor huisje 143 stond. De verbalisanten werden aangesproken door een van de bewoners van huisje 143, genaamd [getuige 2], die mededeelde dat hij had gezien dat een persoon in een roze shirt op het park de rechterachterbanden van auto's had lek gestoken. [getuige 2] wees de verbalisanten tevens op een manspersoon in een wit shirt die zich in de menigte bevond en vertelde dat hij had gezien dat die man samen met de persoon in het roze shirt was geweest toen de banden werden lek gestoken. De aangewezen persoon voldeed aan het signalement dat door [betrokkene 5] verstrekt was (liet hof begrijpt dat bedoeld wordt: [betrokkene 5], beveiliger van café "[A]") en werd door de verbalisanten aangehouden. Het betrof [medeverdachte].

De verbalisanten zagen dat in het parkeervak tegenover huisje 143 een grijze Citroen Berlingo stond, die aan de rechterzijde schade had. De verbalisanten maakten uit de gesprekken van de aanwezige personen op dat deze Citroen Berlingo toebehoorde aan de persoon met het roze shirt. Voor zijn aanhouding had [medeverdachte] aan de verbalisanten verteld dat hij en zijn maat die avond met die auto in Renesse waren geweest.

[medeverdachte] verklaarde op 17 maart 2012 tegenover de politie dat hij de dag daarvoor met zijn vriendin, haar zus en de vriend van die zus, [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte], verdachte), was aangekomen op een camping in Renesse en dat zij in huisje 144 zaten. [medeverdachte] verklaarde verder dat [verdachte] omstreeks 24.00 uur {het hof begrijpt: het begin van 17 maart 2012) sigaretten wilde gaan halen en dat zij toen bij een soort van skihut (het hof begrijpt: dat bedoeld wordt: café "[A]") naar binnen zijn gegaan en daar een paar pilsjes hebben gedronken. Volgens [medeverdachte] zijn hij en [verdachte] vervolgens naar de overkant gegaan, waar zij ook een paar pilsjes hebben gedronken. Volgens [medeverdachte] waren zij met een bestelauto en reed [verdachte].

Op 19 maart 2012 verklaarde [medeverdachte] tegenover de politie dat hij die nacht een wit shirt droeg en [verdachte] een roze shirt.

Op 17 maart 2012 te 01.10 uur werd op de locatie Rampweg te Renesse als verdachte aangehouden:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983 (hof: verdachte).

De verdachte verklaarde op 17 maart 2012 tegenover de politie dat hij met een aantal personen op een vakantiepark in Renesse verbleef en dat hij de bestuurder was van een grijze Berlingo (het hof begrijpt dat bedoeld wordt: een grijze Citroën Berlingo).

De getuige [getuige 2] heeft tegenover de politie verklaard dat hij met zijn familie, onder wie zijn zwager, een weekend in huisje 143 op bungalowpark "De Soeten Haert" verbleef. [getuige 2] verklaarde dat hij op 17 maart 2012, omstreeks 00.30 uur, op bed lag toen hij hoorde dat een auto kwam aanrijden. [getuige 2] opende daarop het raam en zag dat twee mannen uit een Citroen Berlingo stapten. [getuige 2] zag dat een van de mannen gekleed was in een wit shirt en dat de andere man een roze shirt droeg. [getuige 2] zag verder dat de man in het roze shirt naar een geparkeerde auto liep die links van de Citroen geparkeerd stond. [getuige 2] zag dat de man in het roze shirt een steekbeweging maakte naar de rechterachterband van die geparkeerde auto. [getuige 2] hoorde daarop het sissen van een leeglopende band. [getuige 2] zag dat de man in het roze shirt het rijtje geparkeerde auto's langsliep en dat hij de rechterachterband van een Renault Laguna lek stak. Dit betrof de auto van de zwager van [getuige 2]. [getuige 2] is vervolgens naar buiten gegaan. Hij zag toen dat de banden van de auto's echt lek waren.

(…)

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs met betrekking tot feit 1

Door de verdediging is bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

(…)

Het hof overweegt ambtshalve als volgt.

C.

Op grond van de door de getuige [getuige 1] afgelegde verklaring, moet worden aangenomen dat de medeverdachte [medeverdachte] ("de man in het witte shirt") degene is geweest die op het evenemententerrein aan de Hogezoom te Renesse stekende bewegingen heeft gemaakt naar de linkerachterband en de linkervoorband van de Toyota Starlet van aangever [betrokkene 1]. Uit het gegeven dat de getuige [getuige 1], nadat hij die stekende bewegingen zag, telkens een hard sissend geluid hoorde en uit de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die zagen dat die autobanden leeg stonden en dat zich in het zijvlak van de banden een snede bevonden, leidt het hof af dat het niet enkel bij stekende bewegingen is gebleven maar dat de banden van de Toyota Starlet van aangever [betrokkene 1] door de man in het witte shirt ook werkelijk lek zijn gestoken en dus vernield.

De vraag of de verdachte voor de gedragingen van de man in het witte shirt strafrechtelijk medeverantwoordelijk kan worden gehouden wordt door het hof bevestigend beantwoord.

Het hof acht in dit verband van belang dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 5] inhouden dat hij had gezien dat de mannen, die later aan de hand van de met [betrokkene 5] gehouden opsporingsconfrontatie geïdentificeerd werden als de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], op het parkeerterrein tussen twee auto's bezig waren en dat die personen in een bestelauto wegreden nadat zij tussen twee auto's iets hadden gedaan. Voorts acht het hof van belang dat uit de verklaring van de getuige [getuige 1] blijkt dat hij, nadat de man in het witte shirt stekende bewegingen had zien maken naar de banden van een geparkeerde auto en vervolgens een hard sissend geluid hoorde, beide mannen hoorde lachen. [getuige 1] zag vervolgens dat de man met het witte shirt aan de bijrijderskant instapte, waarna de bestelauto achteruit reed en vervolgens het parkeerterrein verliet.

Uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte vervolgens als bestuurder van de Citroen Berlingo hard van het parkeerterrein wegreed.

Het hof leidt uit het vorenstaande niet slechts af dat de verdachte ter plaatse en ten tijde van de gedragingen van de man met het witte shirt aanwezig was maar ook dat de verdachte zich van die gedragingen niet heeft gedistantieerd. In tegendeel: de verdachte heeft met die gedragingen ingestemd door samen met de man met het witte shirt om de gevolgen van diens gedragingen te lachen en nadien ook zelf nog autobanden lek te steken. Aldus is naar het oordeel van het hof sprake geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking met de man in het witte shirt, dat de verdachte als medepleger strafrechtelijk verantwoordelijk gehouden kan worden voor diens gedragingen.

(…)”

3.3.

In de toelichting klaagt het middel dat het hof op basis van de bewijsmiddelen niet heeft kunnen oordelen dat de verdachte zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt dat er van medeplegen kan worden gesproken. De door het hof in zijn nadere bewijsoverweging aangehaalde omstandigheden dat:

i. de verdachte aanwezig is geweest bij het leksteken van de banden door de medeverdachte;

ii. de verdachte zich niet heeft gedistantieerd van deze gedraging van zijn medeverdachte;

iii. de verdachte met die gedraging heeft ingestemd door met de medeverdachte om de lekke banden van de Toyota te lachen en nadien (elders) zelf ook nog autobanden lek te steken,

zijn volgens het middel onvoldoende om als medeplegen te kunnen worden aangemerkt.

3.4.

In het licht van de recente rechtspraak van Uw Raad2 omtrent het leerstuk medeplegen, waarvan het hof overigens nog geen kennis had kunnen nemen, meen ik dat ’s hofs oordeel lijdt aan een motiveringsgebrek.

3.5.

Ten eerste is van belang dat uit de bewijsmiddelen niet van enige uitvoeringshandeling (d.w.z. het leksteken zelf) blijkt. Wil het onderwerpelijke handelen van de verdachte kunnen worden bestempeld als ‘medeplegen’, moet dit ontbreken van enige uitvoeringshandelingen - indachtig genoemde rechtspraak - gecompenseerd worden door een grotere rol in, bijvoorbeeld, de voorbereiding van het delict.

3.6.

Anders dan de omstandigheid dat de verdachte de bestuurder was van de grijze bestelauto waarmee hij en zijn medeverdachte naar het evenemententerrein aan de Hogezoom te Renesse zijn gereden (en weer zijn vertrokken), en de omstandigheid dat beiden daar voorafgaand aan het delict twee cafés hebben bezocht, kan uit de bewijsmiddelen niet blijken van een belangrijke rol van de verdachte voorafgaand aan het feit. In het bijzonder kan niet blijken van enig plan of overleg vooraf. Ook volgt uit de bewijsmiddelen niet zonder meer dat de verdachte zijn medeverdachte heeft aangemoedigd of aangespoord tot het leksteken van de banden van de Toyota.

3.7.

Voorts kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de verdachte anderszins substantieel heeft bijgedragen aan het delict . Alleen het zich niet distantiëren en het (achteraf) instemmen met het leksteken is mijns inziens dan ook niet voldoende om van medeplegen te kunnen spreken.3 Wel komt daar nog bij dat de verdachte, zoals is bewezenverklaard, later ook eigenhandig autobanden heeft lek gestoken. Echter, voor zover het hof het handelen van de beide verdachten als één (voortgezet) feitencomplex heeft gezien, valt ook dat niet zonder meer uit de bewijsredenering af te leiden. Derhalve heeft het hof onvoldoende duidelijk gemaakt welke gronden de kwalificatie dragen.

3.8.

Het middel slaagt.

3.9.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

3.10.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het onder 1 bewezenverklaarde en de strafoplegging, en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het betreft Promisoverwegingen, hier overgenomen zonder de voetnoten.

2 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637.

3 Vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356.