Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1023

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-06-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
14/05647
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2824, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verdeling gemeenschappelijk aangekocht bedrijfspand. Belangenafweging; waardering feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/05647

mr. J. Spier

Zitting 19 juni 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[eiser]

(hierna [eiser] )

tegen

[verweerder]

(hierna [verweerder] )

1 Feiten

1.1

In cassatie kan van de navolgende feiten worden uitgegaan.1

1.2

Partijen zijn broers. Zij zijn nazaten van [betrokkene 1] .

1.3

In het jaar 2003 hebben partijen gezamenlijk de onroerende zaak (bedrijfsruimte) aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: het bedrijfspand) gekocht en geleverd gekregen, ieder voor de onverdeelde helft, voor een koopsom van € 800.000. In bet bedrijfspand was destijds de eerste fabriek van [betrokkene 1] gehuisvest.

1.4

Het bedrijfspand wordt thans gedeeltelijk verhuurd aan de Stichting Beheer Automobielmuseum Deventer. Een ander deel van het pand wordt verhuurd aan de Coöperatieve “iDEfabriek U.A”. Een derde deel van het pand, het schiphuis, is verhuurd aan Sara Lee Ltd, voorheen [A] B.V. De overige delen van het pand worden niet commercieel geëxploiteerd.

1.5

Bij beschikking van de Kantonrechter in de rechtbank Leeuwarden van 20 juli 2011 is [eiser] met uitsluiting van [verweerder] belast met het beheer van het bedrijfspand. Deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd. [eiser] heeft de uitvoering van het beheer in handen gegeven van [betrokkene 2] van A7 makelaars te Joure.

2 Procesverloop

2.1

[eiser] heeft [verweerder] op 20 april 2010 gedagvaard voor de Rechtbank Noord-Nederland (toen nog: Rechtbank Leeuwarden) en, voor zover thans nog van belang, gevorderd verdeling van de gemeenschap die hij heeft met [verweerder] , des dat de bedrijfsruimte aan hem wordt toebedeeld.

2.2

[verweerder] heeft verweer gevoerd; hij heeft een reconventionele vordering ingesteld, strekkende tot, onder meer, toewijzing van zijn vordering tot verdeling van de gemeenschap die hij heeft met [eiser] .2

2.3

Na een groot aantal tussenvonnissen heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 6 februari 2013 in conventie en reconventie – heel kort weergegeven - geoordeeld dat aan [eiser] het bedrijfspand wordt toegedeeld.

2.4

[verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen de (negen) vonnissen van de Rechtbank en, voor zover thans nog van belang, gevorderd deze vonnissen te vernietigen; hij heeft voorts verdeling van de gemeenschap die tussen partijen bestaat gevorderd, des dat het bedrijfspand aan hem zal worden toebedeeld.

2.5

In zijn arrest van 15 juli 2014 heeft het Hof het eindvonnis en de daaraan ten grondslag liggende tussenvonnissen van de Rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende (kort gezegd) partijen gelast over te gaan tot verdeling, aldus dat het bedrijfspand aan [verweerder] wordt toebedeeld, onder de verplichting om aan [eiser] wegens onderbedeling te betalen € 287.000. Het Hof oordeelde daartoe voor zover in cassatie van belang:

“3.7 Partijen hebben het bedrijfspand in 2003 gekocht, omdat zij het erfgoed van het bedrijf [A] zoveel mogelijk wilden bewaren. Tussen partijen zijn geschillen gerezen over het beheer en zij verlangen verdeling van de eenvoudige gemeenschap, die het bedrijfspand en de saldi op de rekeningen voor het beheer daarvan omvat, als bedoeld in artikel 3:185 lid 1 BW.

3.8

[verweerder] komt in de grieven 1 en 3 op tegen de beslissing van de rechtbank om het bedrijfspand aan [eiser] toe te delen. [verweerder] en [eiser] wensen beiden het bedrijfspand toebedeeld te krijgen.

3.9

Het hof stelt voorop dat, zoals [verweerder] heeft gesteld, artikel 3:185 lid 1 BW bepaalt dat de rechter, indien hij de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt, naar billijkheid rekening houdt met zowel de belangen van partijen als met het algemeen belang.

3.10

Partijen hebben ieder voor zich toegelicht waarom zij het bedrijfspand toebedeeld willen krijgen en hoe zij voornemens zijn dat pand te gaan exploiteren. Uit die toelichtingen blijkt het volgende.

[verweerder] vindt dat het bedrijfspand een uniek karakter heeft en voor de familie behouden moet blijven. [verweerder] heeft geen kinderen. Hij heeft in 2010 door de architecten [B] te [plaats] een studie laten maken naar de gebruiksmogelijkheden van het bedrijfspand. Er is inmiddels een nieuw plan gemaakt, waarbij het bedrijfspand gebruikt gaat worden voor de ontwikkeling op het gebied van verblijfsrecreatie, watersport, horeca, maar ook een duidelijke link houdt met de achtergelegen fabriek [van betrokkene 1] . Van dat plan zijn bescheiden in het geding gebracht. [verweerder] heeft het plan voorgelegd aan de gemeente De Friese Meren. [betrokkene 3] van de gemeente heeft bij e-mail van 23 mei 2014 met betrekking tot het plan geschreven dat het past binnen een aantal gemeentelijke beleidskaders, maar dat er nog wel een aantal zaken zijn die nader uitgewerkt moeten worden. [verweerder] is voornemens het pand onder te brengen in een rechtspersoon als een trust of (naar Nederlands recht) in een stichting, die het plan zal gaan uitvoeren. Voor die stichting zullen mensen worden aangezocht die bij de gemeenschap van [plaats] en haar historie betrokken zijn. [verweerder] wil de stichting zelf gaan financieren. Hij verwacht dat de exploitatie van het pand bij de door hem voorgestane zakelijk, dynamische en commerciële aanpak op termijn winst zal op leveren.

[eiser] vindt ook dat de fabriek voor de familie behouden moet blijven. Hij heeft kinderen, maar wil niet dat het pand tot zijn nalatenschap gaat behoren. Hij is voornemens om het beheer van het pand in de bestaande stichting het Kofschip onder te brengen. Zijn zoon, een internationaal zakenman, is als bestuurder bij die stichting betrokken. Het doel van die stichting is het in stand houden van familiegebouwen/zaken van [betrokkene 1] en andere historische gebouwen in [plaats] .

[eiser] is sedert 20 juli 2011 de enige beheerder van het bedrijfspand.

Er zijn thans drie huurders. Deze gebruiken ieder een deel van het pand. Een groot deel van het pand wordt niet commercieel gebruikt. [eiser] prijst zich gelukkig dat hij in deze voor de vastgoedmarkt moeilijke tijden, de bestaande huurders heeft kunnen behouden. [eiser] heeft, voor het eerst tijdens de pleitzitting bij dit hof, meegedeeld dat in 2013 een concept-huurovereenkomst is gesloten met een onderneming genaamd [C] . Volgens [eiser] zou [C] het pand bijna volledig in gebruik gaan nemen om daar een koffiebranderij, haar hoofdkantoor en een opleidingsschool voor koffiebranderij in te vestigen. Verder was er een voornemen om aan de waterkant een terras aan te leggen. Er zou daarom een verbouwing en forse investering nodig zijn en, gezien de vele procedures die door [verweerder] zijn aangespannen, heeft [eiser] het verstandig geacht om het traject met [C] vooralsnog stop te zetten. [eiser] geeft aan met [C] te hebben gesproken over participatie in de plannen die de provincie en de gemeente hebben met het gebied. Volgens [eiser] heeft hij ook met [A] gesproken, omdat het bedrijfspand in de geurzone van [A] en Imperial Tabacco ligt.

Verder heeft [eiser] bewerkstelligd dat de gemeente de bestemming van het pand heeft gewijzigd van zware industrie naar lichte industrie, waarbij de fabriek haar huidige functie grotendeels kan behouden.

3.11

Uit het voorgaande blijkt dat partijen beiden een emotioneel belang hebben bij behoud van het pand. De omstandigheid dat [verweerder] in eerste aanleg heeft voorgesteld om het pand te veilen, maakt dat niet anders. In hoger beroep moet worden beslist op grond van de huidige feiten en omstandigheden. Het hof acht in het licht daarvan aannemelijk dat [verweerder] thans het bedrijfspand toebedeeld wil krijgen om dat op een commercieel verantwoorde manier duurzaam te kunnen exploiteren en om daarbij de nagedachtenis aan de onderneming van zijn voorouders, in ere te kunnen houden.

3.12

Partijen zijn geen van beiden financieel afhankelijk van eventueel uit het bedrijfspand te generen inkomsten. Zij willen beiden dat het pand, althans in ieder geval de voorgevel met de aanduiding “ [aanduiding] “, behouden zal blijven. Verder zijn zij beiden voornemens om het pand en het beheer daarvan in een stichting onder te brengen. Zij hebben verschillende inzichten over de wijze waarop het pand geëxploiteerd moet worden. [verweerder] staat een zakelijkere wijze van beheer voor dan [eiser] , die in het bedrijfspand ook culturele activiteiten wil laten plaatsvinden. Deze verschillen zijn niet dusdanig dat daaraan kan worden ontleend dat de één voornemens is om daarbij meer zichtbaar dan de ander tot uitdrukking te laten komen dat het bedrijfspand de eerste fabriek van [betrokkene 1] is geweest. Er is dan ook niet komen vast te staan dat één van de broers een zwaarwegender belang heeft bij toedeling van het bedrijfspand aan hem, dan de ander, zodat het algemeen belang de doorslag zal moeten geven.

3.13

Het hof is van oordeel dat het algemeen belang wordt gediend wanneer het bedrijfspand - dat aan de waterkant op een beeldbepalend punt in [plaats] staat - een functie krijgt dat past bij de plannen die de gemeente en provincie met de omgeving van het pand hebben.

[verweerder] heeft zijn plan voorgelegd aan de gemeente en er zo blijk van gegeven bij zijn plannen ter zake van de ontwikkeling van het bedrijfspand rekening te willen houden met de wensen van de gemeente en de provincie.

[eiser] heeft er ter zitting blijk van gegeven de plannen die de gemeente met de omgeving van het pand heeft af te keuren. Hij heeft wel overleg met de gemeente gehad, maar volgens [eiser] was daarmee niets te beginnen.

[verweerder] heeft derhalve, anders dan [eiser] , inmiddels concrete handelingen verricht waaruit blijkt dat hij bereid is tot overleg met de gemeente en de provincie.

3.14

[eiser] heeft gesteld dat het plan van [verweerder] vermoedelijk niet haalbaar is, omdat er bestuursrechtelijke belemmeringen zijn en er kennelijk niet is gesproken met de huidige eigenaar van de fabrieken van [betrokkene 1] .

Het hof onderkent dat de plannen van [verweerder] zich in een beginfase van ontwikkeling bevinden, maar [eiser] heeft evenmin een volledig uitgewerkt plan met betrekking tot de exploitatie van het bedrijfspand als geheel overgelegd. Nu [verweerder] overleg heeft gepleegd met de gemeente wordt de kans op bestuursrechtelijke belemmeringen beperkt. Verder zijn er geen aanwijzingen dat [verweerder] de voor zijn plan benodigde overeenstemming met de huidige eigenaar van de [A] fabrieken niet zal kunnen bereiken.

3.15

[eiser] heeft gesteld dat [verweerder] ongeschikt is tot het beheer van het bedrijfspand. Het hof gaat daaraan voorbij.

[eiser] heeft in het licht van de betwisting door [verweerder] niet voldoende onderbouwd dat [verweerder] zijn toestemming tot het verrichten van onderhoud van het bedrijfspand heeft geweigerd daar waar onderhoud noodzakelijk was voor het behoud van dat pand. Het overigens door [eiser] aangevoerde is voornamelijk terug te voeren op acties van [verweerder] die voorvloeien uit het verschil van inzicht dat partijen hebben over de wijze waarop het bedrijfspand moet worden beheerd. [eiser] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat [verweerder] ongeschikt is tot het voeren van beheer, zeker niet in een situatie dat hij het beheer naar eigen inzicht zal kunnen uitvoeren. Overigens heeft [eiser] , in de periode dat hij met uitsluiting van [verweerder] het beheer voerde, dat beheer voornamelijk beperkt tot behoud van de bestaande situatie, waarin slechts een deel van het bedrijfspand commercieel wordt gebruikt. Dat [eiser] met [C] heeft onderhandeld maakt dat niet anders, nu [eiser] dat plan niet nader heeft uitgewerkt en er bovendien blijk van heeft gegeven bezwaren te hebben tegen de plannen die de provincie en gemeente met het gebied hebben.

3.16

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien brengt het hof tot het oordeel dat het, rekening houdend met de belangen van partijen en het algemeen belang, billijk is om het pand aan [verweerder] toe te delen. Daarbij heeft zwaar meegewogen dat [verweerder] , meer dan [eiser] , handelingen heeft verricht waaruit blijkt dat hij zijn plannen met het bedrijfspand wil inpassen in de plannen van de gemeente en de provincie.”

2.6

[eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. [eiser] heeft afgezien van een schriftelijke toelichting.

3 Inleiding

3.1

Het gaat in deze zaak om een (zakelijk) geschil tussen twee broers. Het Hof had de ondankbare taak om daarin een knoop door te hakken.

3.2

Het lastige van deze zaak is dat voor de standpunten van beide partijen wat te zeggen valt. Dat blijkt alleen al hieruit dat Rechtbank en Hof tot een tegengestelde uitkomst zijn gekomen. Het Hof wijst er bovendien in rov. 3.11 op dat beide broers een emotioneel belang hebben bij het behoud van het pand en in rov. 3.12 in fine dat hun belangen even zwaar wegen. Daarom heeft voor het Hof het algemeen belang de doorslag gegeven (rov. 3.12 in fine).

3.3

Voor zover de klachten ertoe strekken dat het Hof heeft miskend dat de stellingen van [eiser] gewicht in de schaal leggen, berusten ze op een verkeerde lezing van ’s Hofs arrest. Het Hof zag dat niet anders. Het was “slechts” van oordeel dat deze belangen niet zwaarder wogen dan die van zijn broer.

3.4 ’

s Hofs oordeel berust op een waardering van de relevante feiten en omstandigheden. De meeste heeft het Hof met zoveel woorden besproken. Het Hof was niet gehouden om op ieder afzonderlijk argument in te gaan, tenzij het ging om een aangevoerde omstandigheid die, indien juist, (in het oog springend) de balans ten gunste van de andere partij zou moeten doen doorslaan. Bij dit alles valt nog te bedenken dat de zaak in appel is bepleit in aanwezigheid van beide broers die, blijkens het proces-verbaal, ook beiden het woord hebben gevoerd. Het ligt daarom voor de hand dat het Hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op hetgeen toen is voorgevallen en besproken.

3.5

Hierna zal ik de klachten bespreken met inachtneming van het voorafgaande. De enkele omstandigheid dat het Hof (wellicht) ook tot een ander oordeel had kunnen komen, is geen grond voor cassatie. Immers is de Hoge Raad geen derde feitelijke instantie. Klachten die ertoe strekken dat de Hoge Raad zich aan een eigen feitelijke beoordeling of waardering moet zetten, missen daarom aanstonds doel. Zo’n zakelijke benadering spreekt [eiser] allicht minder aan, maar de Hoge Raad is nu eenmaal gebonden aan het wettelijk kader. Zelfs als de Hoge Raad zou menen dat voor het standpunt van [eiser] (iets) meer valt te zeggen dan voor dat van zijn broer, is dat nog steeds geen grond voor cassatie. Daarom onthoud ik me ook van het uitspreken van een eigen oordeel over mijn waardering van de wederzijdse belangen; zo’n oordeel doet er immers niet toe. Ik volsta ermee op te merken dat ’s Hofs oordeel binnen de ruime marges van het begrijpelijke blijft. Voor verdergaande inhoudelijke toetsing is in cassatie, behoudens juridische misslagen waarvan geen sprake is, geen plaats.

4 Bespreking van de klachten

4.1

Onderdeel 1.1 betoogt dat het Hof in de rov 3.7 - 3.16 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het bedrijfspand toe te delen aan [verweerder] en niet aan [eiser] door niet bij zijn oordeelsvorming alle (relevante) omstandigheden van het onderhavige geval te betrekken. Met name heeft het Hof de navolgende - volgens het onderdeel tussen partijen vaststaande - feiten en omstandigheden niet (kenbaar) bij zijn oordeelsvorming betrokken:

(i) [eiser] heeft in het kader van de door hem bij dagvaarding d.d. 20 april 2010 geëntameerde procedure tot verdeling van het pand gevorderd dat het pand aan hem zou worden toegedeeld; [verweerder] heeft pas in appel – drie jaar later - gevorderd dat het pand niet aan [eiser] maar aan hem zou moeten worden toegedeeld;

(ii) sedert de verwerving van het pand door partijen in 2003 heeft [verweerder] zich nooit daadwerkelijk bezig gehouden met het beheer ervan, maar zich beperkt tot het “bestoken” van [eiser] met vele gerechtelijke procedures en het lastig vallen van de huurders;

(iii) [verweerder] heeft slechts op twee momenten iets laten blijken omtrent zijn (beweerde) belangstelling voor het pand:

- een als productie 11 bij de memorie van grieven d.d. 8 oktober 2013 overgelegde “studie gebruiksmogelijkheden oude [A] te [plaats]” van architectenbureau [B] d.d. 21 mei 2010 waar sedert die datum niets mee gedaan is;

- een op 23 mei 2014 (zeventien dagen vóór hét pleidooi in hoger beroep) door de advocaat van [verweerder] ingediende kopie van een (vrijblijvende) emailbrief van Gemeente De Friese Meren van die datum aan de advocaat van [verweerder] met daarbij een collage van bewerkte foto’s met twee plattegronden uit de vorengenoemde studie van architectenbureau [B] uit 2010, een en ander zonder verklarende tekst, en een kopie van een kennelijk door Grontmij ten behoeve van de (sinds januari 2014 niet meer bestaande) Gemeente Skarsterlân al in 2012 opgestelde “toekomstvisie”.

(iv) Beide partijen hebben gesteld het pand te willen inbrengen in een stichting; [eiser] in de (sinds 1977 bestaande) Stichting het Kofschip en [verweerder] in een stichting die nog moet worden opgericht;

(v) Het Hof Leeuwarden heeft hij beschikking van 6 maart 2012, welke beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, geoordeeld:

rov. 8 “ [eiser] heeft aangevoerd dat hij de onroerende zaak als familiebezit wil behouden en dat er plannen zijn ontwikkeld om dat mogelijk te maken. Hij heeft dat uitgebreid toegelicht. Zoals hierna onder 9. en 10. zal blijken heeft [verweerder] onvoldoende onderbouwd dat [eiser] niet op verantwoorde wijze aan dat voornemen uitvoering zal kunnen geven.”;

rov. 9 “Aan de geestelijke vermogens van [eiser] twijfelt het Hof niet. Hij heeft een verklaring van zijn huisarts overgelegd waarin deze verklaart dat uit niets blijkt dat ook maar enigszins hoeft te worden getwijfeld aan [eiser] ’s geestelijke vermogens. Omdat de inhoud van die verklaring niet is weersproken, zal het Hof deze voor juist houden.”

rov. 10 “ [eiser] heeft aannemelijk gemaakt dat er reële mogelijkheden zijn tot het behalen van een goed rendement wanneer hij met het beheer wordt belast. Voor de omstandigheid dat hij op dit moment niet van alle gebruikers een (commerciële) vergoeding vraagt, heeft hij ter zitting een afdoende rechtvaardiging gegeven. Het is onvoldoende om te oordelen dat hij geen economisch verantwoord beheer zal voeren.”

rov. 11 “ [verweerder] heeft van zijn kant niet duidelijk gemaakt wat hij met de onroe- rende zaak wil, anders dat hij deze wil veilen en in afwachting daarvan - vanuit Zuid-Afrika - tot commerciële exploitatie wil overgaan, en dat hij opdrachten heeft gegeven tot het verrichten van zijns inziens noodzakelijk onderhoud. Die noodzaak wordt door [eiser] gemotiveerd bestreden.”.

(vi) Omtrent “de plannen” van de Provincie is niets gesteld of anderszins gebleken; omtrent “de plannen” van de Gemeente (Skarsterlân) is alleen de in pos. 1.1 onder (iii) door Grontmij in 2012 opgestelde “Toekomstvisie” bekend waaraan de Gemeente De Friese Meren nog geen gevolg heeft gegeven, althans is daaromtrent in deze procedure niets gesteld of anderszins gebleken.

4.2

Voor zover het onderdeel een rechtsklacht vertolkt, voldoet het niet aan de daaraan te stellen eisen. Dit geldt ook voor de motiveringsklacht nu deze aanstuurt op een feitelijke herbeoordeling waarvoor in cassatie evenwel geen plaats is. Bovendien komt niet uit de verf waarom deze stellingen zouden afdoen aan het door het Hof bereikte oordeel. De rechter is niet verplicht in te gaan op alle stellingen van partijen; hij behoeft slechts in te gaan op essentiële stellingen. Uit het feit dat bepaalde omstandigheden niet met zoveel woorden in de motivering van het oordeel aan de orde worden gesteld, kan daarom niet worden afgeleid dat de rechter die omstandigheden niet zou hebben gewogen.

4.3

Ten overvloede de onder (i) genoemde stelling miskent dat het hoger beroep mag worden gebruikt voor verandering of vermeerdering van eis;3 bovendien is het Hof in rov. 3.11 uitdrukkelijk op deze stelling ingegaan. Met betrekking tot stelling (ii) wordt niet verwezen naar vindplaatsen van de stellingen in de gedingstukken voor zover het de gerechtelijke procedures betreft; voor zover het onderdeel met deze stelling refereert aan het lastig vallen van de huurders mist het feitelijke grondslag nu het Hof daarop in rov. 3.15 klaarblijkelijk respondeert. Op de wellicht enigszins ter zake dienende stellingen genoemd onder (v) is het Hof ingegaan in rov. 3.13 en 3.15; op evident niet relevante stellingen behoefde het Hof niet in te gaan. Met betrekking tot stelling (iii) wordt evenmin verwezen naar vindplaatsen van de stellingen in de gedingstukken, zodat het onderdeel stukloopt op art. 407 lid 2 Rv. Hetzelfde geldt voor stelling (vi). Uit de weergave van de stellingen van beide broers in rov. 3.10 blijkt genoegzaam dat het Hof de onder (iv) genoemde omstandigheden heeft verdisconteerd; zie voorts rov. 3.14.

4.4

Onderdeel 1.2 bouwt voort op onderdeel 1.1 en faalt dus eveneens. Het miskent bovendien dat het Hof zijn oordeel in rov. 3.13 heeft onderbouwd, terwijl tegen de daar gegeven motivering geen begrijpelijke klacht wordt gericht.

4.5

Onderdeel 1.3 verlangt van de Hoge Raad dat hij in de stukken gaat grasduinen om na te gaan of er enige basis is voor de klacht. Het had op de weg van eiser tot cassatie gelegen om op dit punt in feitelijke aanleg nuttige stellingen te betrekken of verweer te voeren. Bovendien gaat de klacht voorbij aan ’s Hofs motivering in rov. 3.13 tweede en vierde alinea. Tegen ’s Hofs wél gegeven motivering is geen klacht gericht. Met name wordt ook niet bestreden dat [verweerder] anders dan zijn broer inmiddels concrete handelingen heeft verricht waaruit blijkt dat hij bereid is tot overleg met de gemeente en de provincie (rov. 3.13 vierde alinea).

4.6

De onderdelen 2.1 en 2.2 mislukken omdat ze geen beroep doen op een door [eiser] in feitelijke aanleg betrokken stelling dat het Hof rekening had moeten houden met huurdersbelangen. Het Hof was daartoe m.i. niet ambtshalve gehouden, daargelaten of juist is dat dergelijke belangen onder het algemeen belang kunnen worden gevangen zoals onderdeel 2.1 aanvoert.4

4.7

Onderdeel 3.1 verwijt het Hof niet te zijn ingegaan op een eerdere beschikking van het Hof nopens de stelling dat [verweerder] ongeschikt was tot het beheer. Deze klacht is onbegrijpelijk, reeds omdat de in het onderdeel geciteerde passage uit deze – niet door hemzelf maar door zijn broer in geding gebrachte – beschikking hieromtrent niets inhoudt.

4.8

Onderdeel 3.2 is eveneens onbegrijpelijk. Voor zover het Hof al in had moeten gaan op deze beschikking, die, als gezegd, niet door eiser tot cassatie in geding is gebracht, kan hem dat niet baten. De passages in de beschikking waarop de klacht doelt, zien namelijk niet op de “geschiktheid” van [verweerder] om het pand “te beheren”, maar op de vraag wat hij met de onroerende zaak wil gaan doen. Bovendien, maar dat ten overvloede, heeft het Hof blijkens rov. 3.10 en 3.11 zijn oordeel gebaseerd op posterieure gegevens.

4.9

Hoewel, als gezegd, (wellicht) een ander oordeel denkbaar was geweest en de teleurstelling van [eiser] (dus) begrijpelijk is, ligt het beroep voor verwerping gereed. Afhandeling op de voet van art. 81 lid 1 RO lijkt alleszins aangewezen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ontleend aan rov. 3.2-3.5 van het in cassatie bestreden arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 15 juli 2014.

2 Zie voor nadere uitwerking rov. 4.1 van het vonnis van 10 november 2010 van de Rechtbank Leeuwarden.

3 Asser Procesrecht/Bakels/Hammerstein & Wesseling-van Gent 4/2012 nr. 164.

4 Met heel veel goede wil zou wellicht in de pleitnota van mr. Dankoor in appel onder 10 een stelling kunnen worden gelezen die in de buurt komt, maar als dat al zo is en als die stelling al voldoende duidelijk is, is zij tardief.