Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1018

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-05-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
14/05931
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1801, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Afwijzing getuigenverzoek. ’s Hofs oordeel dat het horen van de CIE-runners niet noodzakelijk is, is niet zonder meer begrijpelijk. 2. Afwijzing verzoek om ttz. de opgenomen tapgesprekken te beluisteren. Het Hof heeft het verzoek als onvoldoende onderbouwd en overigens ook niet noodzakelijk afgewezen. Gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05931 Mr. Machielse

Zitting 12 mei 2015 Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 14 oktober 2014 voor

1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

3 subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en

6: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van in het arrest genoemde voorwerpen, de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen zoals in het arrest vermeld en de in het arrest genoemde schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen. Mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3. Voor een goed begrip van de eerste drie middelen geef ik de bewezenverklaring van feit 3 subsidiair weer. Deze luidt aldus dat

"[betrokkene 3] en een mededader op 24 mei 2011 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, ter uitvoering van het door voornoemde [betrokkene 3] en diens mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, toebehorende aan waardetransport Brinks of de Rabobank,

en daarbij die voorgenomen diefstal te laten voorafgaan en te laten vergezellen en te laten volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [betrokkene 4] gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

hebbende voornoemde [betrokkene 3] en/of diens mededader opzettelijk

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht gehouden op voornoemde [betrokkene 4], en

- een (binnen)deur van de Rabobank (welke leidt naar een ruimte waar een geldautomaat staat en/of alwaar de overdracht van het geldtransport plaatsvindt) geramd en/of opengebroken en/of vernield, en

- " Geef mij de zakken, dit is echt" en "Geld, geld of andere zaken", geroepen, althans gezegd, en

- kraaienpoten op de weg gegooid/geworpen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid,

tot het plegen van welk voorgenomen misdrijf hij, verdachte, omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 mei 2011 te Driebergen-Rijsenburg of elders in Nederland opzettelijk middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk

- kraaienpoten te vervaardigen en/of ter beschikking te stellen en/of te leveren aan voornoemde [betrokkene 3] en/of diens mededader welke vanuit een vluchtauto door voornoemde [betrokkene 3] en/of diens mededader(s) op het wegdek zijn gegooid/geworpen), ".

4.1. Het eerste middel klaagt dat het hof voor het bewijs van dit feit relevant heeft geacht dat verdachte kort na de overval een ontmoeting heeft gehad met een van de vermoedelijke uitvoerders van de overval, welke ontmoeting is geobserveerd. De verdediging heeft aangevoerd dat sprake was van een stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv. Aan deze stelselmatige observatie had een bevel van de officier van justitie ten grondslag moeten liggen, welk bevel ontbreekt. Het observatieresultaat had daarom niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Het hof heeft het verweer dat sprake was van stelselmatige observatie ontoereikend gemotiveerd verworpen.

4.2. Het arrest houdt dienaangaande het volgende in:1

"De observatie

Het observatieteam van de politie heeft op 24 mei 2011 omstreeks 14:00 uur waargenomen dat verdachte contact had met een onbekende man en samen met hem een rondje door de wijk liep. De onbekende man maakte drukke armbewegingen. Deze onbekende man is door verbalisant [verbalisant] herkend als [betrokkene 3].

Verweer verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de observatie op 24 mei 2011 heeft te gelden als een stelselmatige observatie zodat artikel 2 van de politiewet onvoldoende basis bood voor de observatie terwijl een bevel, als bedoeld in artikel 126g van het wetboek van Strafvordering heeft ontbroken. Een en ander levert een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de bevindingen van die observatie.

Het hof overweegt als volgt.

Observaties als de onderhavige, waarvoor geen machtiging als bedoeld in art. 126g Sv is gegeven, kunnen onrechtmatig zijn als zij onder meer in verband met de plaats, duur, intensiteit en frequentie geschikt zijn om een min of meer compleet beeld te krijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene.

Het hof stelt vast dat de observatie van verdachte voor een beperkt aantal uren, te weten van omstreeks 12:55 uur op 24 mei 2011 tot omstreeks 15:16 uur op dezelfde dag heeft plaatsgevonden. Voorts is er geobserveerd vanaf openbare plekken, in de openbare ruimte en zijn er - anders dan een videocamera waarbij slechts op een tweetal momenten is gefilmd - geen technische hulpmiddelen gebruikt. Dat de observatie ook enige tijd op en rond de woning van verdachte heeft plaatsgevonden, maakt dat gelet op het vorenstaande niet anders. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen."

4.3. In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat door de observaties slechts een beperkt inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en dat de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit niet zijn geschonden.2 Observaties kunnen jegens de geobserveerde onrechtmatig zijn indien zij in verband met de plaats waar zij zijn uitgevoerd, de duur, intensiteit en frequentie ervan, alsmede het gebruik van technische hulpmiddelen, geschikt zijn om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene.3 In de onderhavige zaak is slechts eenmalig gedurende enige uren geobserveerd. In de rechtspraak zijn voorbeelden te vinden van veel intensievere observaties die niettemin niet als stelselmatig zijn aangemerkt.4 Van groot belang is de plaats die onder observatie is genomen. Gaat het om het in de openbare ruimte waarnemen van wat zich daar afspeelt, dan is dit een sterke indicatie dat geen sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die een bijzondere legitimatie behoeft.5

4.4. De observatie waarop de verdediging haar pijlen richt, betreft een eenmalige gebeurtenis op de openbare weg. Dat bij de waarneming meerdere observanten betrokken zijn geweest, maakt niet dat er dus een completer beeld van het persoonlijk leven van verdachte kan worden gevormd dan wanneer er slechts één observant werkzaam is geweest. Het aanwenden van een technisch hulpmiddel is in de onderhavige zaak enkel geschied ter registratie en niet om bijvoorbeeld waar te kunnen nemen wat anders niet gezien had kunnen zijn. Het hof heeft naar mijn oordeel getoetst aan de juiste maatstaven en de verwerping van het verweer toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

5.1. Het tweede middel keert zich tegen de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om de contacten van verdachte bij de CIE als getuige op te roepen. Het betreft functionarissen van de politie, bekend als [betrokkene 2] en [betrokkene 1] die als runners van de CIE zouden functioneren. De achterliggende gedachte bij de verdediging is geweest dat deze runners zouden kunnen verklaren dat verdachte hen heeft gesproken over kraaiepoten en dat in het kader van die contacten verdachte kraaiepoten in handen heeft gehad, hetgeen kan verklaren waarom er op de kraaiepoten die zijn gebruikt bij de overval in Driebergen lichaamsmateriaal is aangetroffen dat overeenstemt met verdachtes DNA-profiel. De gang van zaken rond dit getuigenverzoek blijkt uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in appel, uit het tussenarrest en eindarrest en is naar mijn oordeel correct in de schriftuur weergegeven.

5.2. Ter terechtzitting van 17 september 2013 is de appelschriftuur van de verdediging ter sprake gebracht. De advocaat van verdachte heeft toen verzocht om [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op te roepen om meer duidelijkheid te krijgen over verdachtes verhaal over de kraaiepoten. Op 1 oktober 2013 heeft het hof een tussenarrest gewezen. In dat arrest is het verzoek om de CIE-runners als getuige te horen aldus afgewezen:

"Het hof zal het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (CIE-runners) afwijzen.

Verdachte heeft een verklaring afgelegd over hoe het mogelijk is dat zijn DNA op de kraaienpoten terecht is gekomen. In de appelschriftuur wordt verwezen naar deze verklaring. Deze verklaring komt er, kort gezegd, op neer dat verdachte.de kraaienpoten uit een loods heeft gehaald en aan de CIE-runners heeft laten zien. Deze CIE-runners hadden echter geen interesse waarna verdachte de kraaienpoten weer heeft teruggebracht naar de loods.

Uit de brief van CIE-officier, mr. B. Wind, van 27 januari 2013 volgt dat uit onderzoek is gebleken dat geen informant die wordt of is gerund door de CIE Amsterdam al dan niet in de door verdachte gestelde periode kraaienpoten heeft laten zien of heeft aangeboden aan runners van de CIE. De CIE-officier stelt in de brief vast dat de bewering van verdachte onjuist is. De raadsman heeft in zijn algemeenheid opgemerkt dat de inhoud van de brief niet uitsluit dat verdachte is benaderd door runners van de CIE uit een andere regio. De

raadsman heeft die opmerking niet nader geconcretiseerd en derhalve onvoldoende onderbouwd. Overigens zijn geen feiten en omstandigheden gesteld, noch gebleken, op grond waarvan getwijfeld zou kunnen worden aan de brief van de CIE-officier. Gelet op het vorenstaande is er vooralsnog geen begin van aannemelijkheid van het alternatieve scenario van verdachte zodat verdachte naar het oordeel van het hof bij het niet horen van deze getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad."

5.3. Vervolgens heeft verdachte zelf contact gezocht met de CIE-runner [betrokkene 2] en deze inderdaad aan de lijn gekregen. Ook de advocaat van verdachte heeft verklaard dat hij zelf telefonisch met deze [betrokkene 2] heeft gesproken. Daarom is er volgens de advocaat wel een begin van aannemelijkheid van de toedracht die door verdachte is geschetst. Vervolgens heeft het hof besloten dat de gesprekken die verdachte vanuit de Penitentiaire Inrichting met [betrokkene 2] heeft gevoerd moeten worden uitgeschreven wanneer zij nog voorhanden zijn. Vervolgens is het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst. Ter terechtzitting van 27 mei 2014 zijn de telefoongesprekken die verdachte met [betrokkene 2] heeft gevoerd besproken. Deze gesprekken zijn geregistreerd en woordelijk uitgewerkt. Vervolgens heeft het hof aldus beslist:

"Het hof stelt voorop dat deze verzoeken zijn gedaan in het licht van de alternatieve verklaring van verdachte over hoe het kan dat zijn DNA op de kraaienpoten terecht is gekomen. De verdediging wenst uit een andere bron dan verdachte bevestiging te zien voor dat alternatieve scenario. Ingewikkeld daarbij is dat verdachte wisselend heeft verklaard over de vraag of het DNA op de kraaienpoten terecht is gekomen door contacten met de CIE en hoe of juist op een eerder moment. Uit de uitgewerkte tapgesprekken is echter wel gebleken - en in zoverre bevestigd - dat er contacten met de CIE zijn geweest en dat er met de CIE is gesproken over kraaienpoten. Dit volgt ook uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 mei 2014, opgemaakt door Wind en Venema. Dat de CIE niet in een eerder stadium op eigen initiatief opening van zaken heeft gegeven over de contacten die verdachte met de CIE onderhield, is gelegen in het algemene opsporings- en afschermingsbelang. Het is nu aan de rechter om de waarde van het door verdachte geschetste alternatieve scenario te wegen.

De verzoeken van de raadsman zijn gelet op het vorenstaande onvoldoende onderbouwd en overigens ook niet noodzakelijk. De verzoeken worden daarom afgewezen."

5.4. Op 30 september 2014 heeft de advocaat van verdachte het woord ter verdediging gevoerd overeenkomstig een pleitnota. Het thema van de kraaiepoten en de rol van de CIE daarin wordt uitgebreid besproken. Volgens de pleitnota is vast komen te staan dat verdachte contact met de CIE heeft gehad over kraaiepoten. Volgens verdachte heeft hij kraaiepoten aan de runners aangeboden. Verdachte heeft een verklaring gegeven hoe zijn lichaamsmateriaal op een van de kraaiepoten terecht is kunnen komen. Volgens de verdediging is onvoldoende bewijs om aan te nemen dat verdachte de kraaiepoten die bij de overval zijn gebruikt heeft geleverd. Overigens kan ook onmogelijk worden vastgesteld wat voor wetenschap met betrekking tot het strafbaar feit verdachte zou hebben gehad als hij de kraaiepoten wel zou hebben geleverd.

5.5. Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen:

"Verdachte heeft eerst op 17 januari 2013 een verklaring gegeven voor het aangetroffen DNA op de kraaienpoten.

Deze verklaring luidt kort gezegd dat verdachte de CIE (thans TCI), [betrokkene 1] en [betrokkene 2], in februari of maart 2011 heeft verteld over kraaienpoten die in een loods werden gemaakt. Verdachte heeft van de CIE de opdracht gekregen de kraaienpoten in te kopen. Hij heeft de kraaienpoten meegenomen naar een ontmoeting met de CIE en ze daar aan hen getoond. Bij gelegenheid daarvan moet zijn DNA op de kraaienpoten terecht zijn gekomen. De CIE wilde de kraaienpoten echter niet hebben waarna verdachte de kraaienpoten naar de loods heeft teruggebracht.

Uit de brief van ClE-officier van justitie, mr. B. Wind van 27 januari 2013 volgt dat uit onderzoek is gebleken dat geen informant die door de CIE Amsterdam al dan niet in de door verdachte gestelde periode kraaienpoten heeft laten zien of heeft aangeboden aan runners van de CIE. Voorts is niet gebleken dat een informant opdracht of toestemming heeft gekregen van de CIE of een ClE-officier van justitie om kraaienpoten aan te kopen of te verkrijgen. De officier van justitie stelt vervolgens vast dat de bewering van verdachte onjuist is en er - vanwege opsporings- en veiligheidsbelangen - derhalve geen noodzaak bestaat opening van zaken te geven over de vraag of verdachte door de CIE is benaderd. In het proces-verbaal van De Wind van 13 januari 2014 - dat tot stand is gekomen nadat verdachte op eigen initiatief vanuit de PI telefonisch contact heeft opgenomen met [betrokkene 2] - is vermeld dat de brief van 27 januari 2013 op volledige waarheid berust. Wel volgt ditmaal uit het proces-verbaal dat de CIE, bij monde van [betrokkene 2], met verdachte over kraaienpoten heeft gesproken. Kennelijk heeft de officier van justitie het verantwoord geacht, al dan niet gelet op het gegeven dat verdachte zelf telefonisch contact heeft gezocht met [betrokkene 2], opening van zaken te geven over de CIE contacten die verdachte heeft gehad en waarover bij gelegenheid van een van die contacten is gesproken. Van onwaarheden of onjuistheden in de hierover opgemaakte processen-verbaal is het hof echter niets gebleken. In voormeld proces-verbaal wordt benadrukt dat er met verdachte geen afspraken zijn gemaakt over kraaienpoten zoals door hem is beweerd.

Uit de gesprekken die verdachte met [betrokkene 2] vanuit de PI heeft gevoerd valt weliswaar op te maken dat er over kraaienpoten is gesproken maar niet dat er afspraken met de CIE zijn gemaakt zoals door verdachte is beweerd noch dat hij kraaienpoten al dan niet in opdracht van de CIE heeft meegenomen en aan de CIE heeft laten zien. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 mei 2014, opgemaakt door De Wind en de chef van de CIE, Venema, volgt dat de CIE met verdachte over kraaienpoten heeft gesproken maar niet dat hij kraaienpoten aan een of meer runners heeft laten zien of aangeboden hetgeen ook niet door runners van de CIE is gevraagd aan verdachte.

Het hof acht de verklaring van verdachte over de vraag op welke wijze zijn DNA op de kraaienpoten is gekomen niet aannemelijk gelet op bovenvermelde informatie van de CIE. Dat er contacten zijn geweest met de CIE staat op grond van het bovenvermelde vast, maar doet aan het vorenstaande niets af. Op geen enkele wijze is gebleken dat vanwege de CIE, politie of openbaar ministerie onwaarheden en/of onjuistheden naar voren zijn gebracht.

Daar komt bij dat verdachte zich bij de politie lang op zijn zwijgrecht heeft beroepen en eerst op 17 januari 2013 met een verklaring over zijn DNA op de kraaienpoten is gekomen. Bovendien heeft verdachte over de vraag op welk moment zijn DNA op de kraaienpoten is terecht gekomen en op welke wijze wisselend verklaard. Het hof zal de aangetroffen DNA-sporen van verdachte op de kraaienpoten derhalve bezigen tot het bewijs.

De raadsman heeft, indien het hof de van verdachte aangetroffen DNA-sporen voor het bewijs zal bezigen, - in voorwaardelijk zin - zijn gedane verzoeken (het hof begrijpt de verzoeken, zoals gedaan in het mailbericht van 13 mei 2014 (en herhaald ter terechtzitting van 27 mei 2014 ) herhaald.

Het hof heeft ter terechtzitting van 27 mei 2014 de verzoeken van de verdediging afgewezen. Het hof ziet, gelet op het hiervoor overwogene, geen aanleiding om die beslissing te herzien. Het verzoek om de runners [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen was bovendien daarvoor al door het hof afgewezen in het tussenarrest van 1 oktober 2013. In het tussenarrest is toen aangegeven dat verdachte die getuigen wilde horen ter bevestiging van zijn verklaring dat zijn DNA op de kraaienpoten terecht is gekomen, omdat verdachte die kraaienpoten uit een loods heeft gehaald en aan CIE-runners heeft laten zien. Het hof was toen van oordeel dat geen begin van aannemelijkheid voor het alternatieve scenario van de verdachte bestond en dat verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging werd geschaad door het niet horen van deze getuigen. Ter zitting van 14 januari 2014 heeft de verdachte verklaard dat hij in een loods een tas vond, dat hij de tas heeft opengemaakt en dat hij zag dat daarin kraaienpoten zaten. Eén kraaienpoot zou hem toen door de tas heen in zijn been

hebben geprikt. Na de overval in Driebergen zou verdachte zijn benaderd door de CIE-runners. Verdachte is toen weer naar de loods gegaan en heeft kraaienpoten opgehaald en meegenomen naar de plaats waar hij de CIE-runners zou ontmoeten. Verdachte kan niet zeggen of hij de kraaienpoten aan de CIE-runners heeft getoond.

Met zijn verklaring lijkt de verdachte te willen stellen dat de reden dat het DNA is aangetroffen op de kraaienpoten een andere is dan zijn betrokkenheid bij de overval in Driebergen. Uit de verklaringen van verdachte blijkt niet hoe de CIE-runners dit kunnen bevestigen. Verdachte heeft niet gesteld dat de CIE-runners iets kunnen verklaren over de omstandigheid dat verdachte de kraaienpoten in de loods vond en zich daaraan heeft geprikt. De keer dat verdachte met de CIE-runners had afgesproken en kraaienpoten bij zich zou hebben gehad, vond plaats na de overval in Driebergen. De kraaienpoten die verdachte toen bij zich zou hebben gehad, kunnen niet de kraaienpoten zijn die de politie voordien in de vluchtauto heeft aangetroffen. Het hof ziet daarom nog steeds geen verdedigingsbelang om [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen. Het bijkomende argument van de verdediging om te kunnen onderzoeken of er mogelijk vormen zijn verzuimd, maakt dat niet anders. Het verzoek om [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen wordt bijgevolg opnieuw afgewezen. Ook de andere verzoeken, die het hof reeds op 27 mei 2014 heeft afgewezen, worden opnieuw afgewezen, omdat het hof de noodzaak tot het horen van die getuigen, het beluisteren van telefoongespreken ter zitting, het toevoegen van gesprekken en schriftelijke stukken niet is gebleken."

5.6. Het middel stelt dat de afwijzing van het verzoek om [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen ontoereikend is gemotiveerd. De runners van de CIE zouden immers kunnen verklaren over de contacten met verdachte waarin de kraaiepoten een rol speelden. Wellicht zouden zij kunnen bevestigen dat verdachte het met hen over kraaiepoten heeft gehad en dat verdachte hun heeft gezegd dat hij deze reeds eerder – waarmee het middel kennelijk bedoelt: al voor de overval te Driebergen – in handen heeft gehad. Aldus zou kunnen worden verklaard hoe het lichaamsmateriaal van verdachte op de bij die overval gevonden kraaiepoten is terechtgekomen en zou de ontkenning van verdachte iets met die overval te maken te hebben weer aannemelijker zijn.

5.7. Ik moet bekennen dat de motivering die het hof aan de afwijzing van het verzoek in het arrest ten grondslag heeft gelegd volgens mij zeker niet sterk te noemen is. Inmiddels staat immers vast dat verdachte met de runners van de CIE over kraaiepoten heeft gesproken. In het proces-verbaal van 6 mei 2014 van officier van justitie Wind en hoofd CIE Venema staat weliswaar, zoals de advocaat ter besloten terechtzitting van 27 mei 2014 heeft opgemerkt, dat eerst op 7 juli 2011 verdachte met de CIE heeft gesproken over de kraaiepoten, en dat dus eventuele kraaiepoten die verdachte toen bij zich had niet bij de overval van 24 mei 2011 kunnen zijn gebruikt. De advocaat heeft er echter ook op gewezen dat verdachte ter terechtzitting van 14 januari 2014 heeft verklaard dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] met hem contact hebben opgenomen naar aanleiding van een plofkraak in Lelystad waarbij kraaiepoten waren gebruikt - en de tenlastelegging van feit 4, waarvan verdachte is vrijgesproken, heeft betrekking op zo een plofkraak te Lelystad die op of omstreeks 21 maart 2011 is gepleegd - en dat verdachte toen aan hen zou hebben gezegd dat hij wel wist waar zulke kraaiepoten lagen. De advocaat doelde hier op het besloten gedeelte van het onderzoek ter terechtzitting op 14 januari 2014. Inderdaad heeft de verdachte toen uitgebreid verklaard over zijn contacten met de CIE. Het DNA van verdachte moet volgens de verdediging vóór de overval terecht zijn gekomen op de kraaiepoten die na de overval van 24 mei 2011 zijn aangetroffen. Als verdachte het al vóór 24 mei 2011 met [betrokkene 2] of [betrokkene 1] over de kraaiepoten zou hebben gehad en deze dus al voor die datum had aangetroffen, zou de bewering van verdachte dat bij het aantreffen van de kraaiepoten zijn lichaamsmateriaal daarop terecht zou kunnen zijn gekomen en niet bij de overval, aan kracht kunnen winnen. Aan de hand van de door hen opgemaakte journaals zouden de runners moeten kunnen nagaan wanneer de contacten met verdachte hebben plaatsgevonden en wat de inhoud van die contacten zou zijn geweest.6

5.8. Ik merk in dit verband op dat het hof het blijkens de bewijsvoering voor mogelijk houdt dat DNA materiaal van verdachte op de kraaiepoten is terechtgekomen doordat verdachte die kraaiepoten heeft geleverd. Als aldus al lichaamsmateriaal van verdachte kan zijn gedeponeerd op de kraaiepoten is toch zeker niet uitgesloten dat dit geschiedt als verdachte kraaiepoten uit een door hem aangetroffen tas haalt en bekijkt.

De conclusie van het hof dat het aantreffen van lichaamsmateriaal op de kraaiepoten redengevend is voor de medeplichtigheid waarvoor verdachte is veroordeeld, is naar mijn indruk wezenlijk voor de veroordeling. Als het scenario waarop de verdediging doelt aannemelijk zou zijn, zouden alleen ten nadele van verdachte nog overblijven de verkeersgegevens van telefoonnummer 576 op 23 mei 2011 om 22:17 in combinatie met de verkeersgegevens op 23 mei 2011 om 22:20 van de telefoonnummers 466 en 467 – welke telefoonnummers door het hof in verband zijn gebracht met de overval – en de ontmoeting op 24 mei 2011 rond 14.00 uur tussen verdachte en [betrokkene 3], die op goede gronden ervan werd verdacht de dader van die overval te zijn. Dat zou zeker onvoldoende grondslag bieden voor een veroordeling. Gelet op het belang van het DNA bewijs is het verzoek van de verdediging naar mijn oordeel voldoende onderbouwd.7 Mijns inziens kan niet worden gezegd dat de informatie die de verdediging van de runners wenste te verkrijgen al overvloedig uit het dossier blijkt.8 Ik wijs er bovendien op dat OM en CIE steeds de boot hebben afgehouden en slechts na succesvolle inspanningen van de verdediging hebben erkend dat de runners met verdachte over kraaiepoten hebben gesproken.

Al met al meen ik dat de afwijzing van het verzoek om de runners van de CIE op enigerlei wijze te horen op ontoereikende gronden is gebaseerd en niet begrijpelijk is.

6.1. Het derde middel klaagt over de afwijzing door het hof van de verzoeken van de verdediging om nader onderzoek. De steller van het middel gaat enkel in op de weigering van het hof om ter terechtzitting de opgenomen tapgesprekken te beluisteren, reden waarom ook ik mij tot een bespreking van dit onderdeel zal beperken.

6.2. Het proces-verbaal van het openbaar deel van de terechtzitting van 27 mei 2014 houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat de gesprekken die verdachte vanuit de PI gevoerd heeft met [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ad verbatim zijn uitgewerkt en bij de gedelegeerd raadsheer-commissaris, in tegenwoordigheid van de advocaat-generaal en de raadsman, zijn uitgeluisterd. Ook het aanvankelijk gemiste gesprek van 6 januari 2014 is bij de raadsheer-commissaris boven water gekomen en uitgeluisterd. Dit gesprek is nadien ad verbatim uitgewerkt en aan de raadsman, advocaat-generaal en het hof ter beschikking gesteld.

Voorts is op 6 mei 2014 een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de CIE-officier van justitie, mr B. Wind, en de chef TCI van de eenheid Amsterdam, F. Venema.

Het hof heeft, voor de duidelijkheid en om discussie in de toekomst te voorkomen, besloten dat deze stukken, inclusief het proces-verbaal van bevindingen van 8 april 2014, opgemaakt door F. Venema, als processtukken aan het dossier zullen worden toegevoegd, zo dat niet reeds is geschied.

Voorts maakt de voorzitter melding van de mail van de raadsman van 13 mei 2014 waarin hij enkele nadere onderzoekswerken heeft geformuleerd, de mail van de advocaat-generaal van 14 mei 2014 en de mail van de griffier van het hof van 15 mei 2014 inhoudende de beslissing van de Voorzitter dat vooralsnog geen aanleiding wordt gezien om in de nader geformuleerde onderzoekswensen van de raadsman te bewilligen.

De raadsman voert het woord - zakelijk weergegeven

Ik zal mijn verzoeken die ik heb gedaan bij mail van 13 mei 2014 herhalen."

Op verzoek van de advocaat en met instemming van de AG worden vervolgens, gelet op de delicate aard van de te bespreken onderwerpen, de deuren gesloten.

Tijdens het besloten gedeelte van het onderzoek ter terechtzitting heeft de advocaat het hof verzocht om de opgenomen telefoongesprekken tussen verdachte en [betrokkene 2] ter terechtzitting te beluisteren. Zo kan de inhoud van het gesprek worden vergeleken met de woordelijke uitwerking ervan en kan bovendien een indruk worden verkregen over de wijze waarop de communicatie tussen [betrokkene 2] en verdachte is verlopen. Volgens de advocaat kan daaruit blijken dat [betrokkene 2] tot op zekere hoogte de gang van zaken zoals verdachte die schilderde wel ondersteunde, zij het dat [betrokkene 2] dit niet uitdrukkelijk met zoveel woorden beaamt. De AG harnast zich vervolgens in het standpunt dat het de verdediging er alleen maar om te doen is de CIE in een kwaad daglicht te stellen.

Vervolgens worden de deuren weer geopend. Het proces-verbaal van het openbare deel van het onderzoek ter terechtzitting bevat de beslissing van het hof die ik aan het slot van § 5.3 van deze conclusie heb geciteerd.

6.3. In deze overwegingen doet het hof blijken dat er inderdaad contact is geweest tussen verdachte en de CIE over kraaiepoten. Het hof geeft daarin aan dat het aan de rechter is om de waarde van het alternatieve scenario te wegen en besluit met de afwijzing van de verzoeken van de advocaat omdat deze "gelet op het vorenstaande onvoldoende onderbouwd en overigens ook niet noodzakelijk" zijn.

Het hof heeft het juiste criterium gehanteerd maar een redengeving aan de afwijzing ten grondslag gelegd die inhoudsloos is. De advocaat heeft immers wél onderbouwd waarom hij het van belang vond om de gesprekken die verdachte vanuit de PI met [betrokkene 2] voerde ter terechtzitting af te luisteren, te weten omdat de wijze waarop bepaalde dingen worden gezegd of waarop wordt gereageerd op hetgeen de gesprekspartner beweert, kan getuigen van goedkeuring, instemming of afwijzing van de stellingen van de ander. Immers, evengoed als men goedkeurend kan knikken bij de woorden van de gesprekspartner kan men ook geluiden maken die geen woordelijke betekenis hebben, maar wel indicatief zijn voor de wijze waarop hetgeen de ander stelt wordt beleefd. Bovendien heeft de advocaat aangegeven dat het afluisteren van deze gesprekken in betrekkelijk korte tijd, ongeveer een halfuur, gestalte zou kunnen krijgen zodat het onderzoek daardoor nauwelijks zou worden opgehouden.9 Het middel komt mij voor gegrond te zijn.

7.1. Het vierde middel stelt dat de wrakingskamer van het hof het verzoek tot wraking van strafkamer ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De wrakingskamer heeft in zijn oordeel niet betrokken dat de strafkamer bij interlocutoir van 1 oktober 2013 het door de verdediging opgeworpen alternatief scenario naar de prullenbak had verwezen omdat er nog geen begin van aannemelijkheid daarvoor bestond, waaruit zou zijn af te leiden dat de leden van de strafkamer verdachte gewoon niet geloofden. Daarna heeft de strafkamer te kennen gegeven dit standpunt niet meer te willen heroverwegen. De wrakingskamer heeft dat onvoldoende onderkend.

7.2. Het middel behoeft geen bespreking omdat ingevolge het vijfde lid van artikel 515 Sv tegen de beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel open staat.

8. Het eerste middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het vierde middel behoeft geen bespreking. Het tweede en derde middel acht ik gegrond. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de beslissingen die zijn gerelateerd aan feit 3 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 In de weergave laat ik de voetnootmarkeringen en de inhoud van de voetnoten omwille van de leesbaarheid weg.

2 HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD9989.

3 HR 13 november 2012, NJ 2013, 413 m.nt. Borgers.

4 Bijvoorbeeld HR 11 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5442, NJB 2000, nr. 69, p. 989; HR 5 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2023, NJ 2001, 518; HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7804, NJ 2002, 301.

5 HR 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2229, NJ 2001, 207; HR 10 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0970, NJ 2001, 424; HR 29 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2752; HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0004.

6 Mr. S. Brinkhoff, Startinformatie in het strafproces, diss. RUN, Kluwer 2014, p. 126 e.v.

7 Bas de Wilde, Stille Getuigen, diss. VU, Kluwer 2015, p. 193 e.v.

8 Bas de Wilde, p. 305.

9 Vgl. HR 4 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5701, waar met het uitluisteren van de opgenomen gesprekken erg veel tijd gemoeid zou zijn, mede gelet op de weinig voortvarende houding van de verdediging, zodat het hof tot de conclusie kon komen dat het verzoek moest worden afgewezen en zodat het hof heeft kunnen oordelen dat verdere aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten behoeve van nader onderzoek niet noodzakelijk was.