Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1016

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-05-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
13/04985
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1799, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ambtsedig p-v. Art. 344.2 Sv. Ingevolge art. 344.2 Sv kan het bewijs dat verdachte het tlgd. feit heeft gepleegd, door de rechter worden aangenomen op enkel een door een bevoegde opsporingsambtenaar op ambtseed opgemaakt p-v. Genoemde bepaling maakt geen uitzondering voor feiten die tegen de opsporingsambtenaar zelf zijn gepleegd (vgl. HR 31 december 1934, NJ 1935, p. 373). Aldus geeft art. 344.2 Sv blijk van een bijzonder vertrouwen van de wetgever in de betrouwbaarheid van een p-v van een opsporingsambtenaar (vgl. HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8446, NJ 2004/452). Art. 338 Sv houdt in, voor zover hier van belang, dat het bewijs dat verdachte het tlgd. feit heeft begaan, door de rechter slechts kan worden aangenomen indien hij daarvan de overtuiging heeft bekomen. Het staat de rechter dus vrij een p-v van een opsporingsambtenaar niet tot het bewijs te laten meewerken ingeval hij o.g.v. de bijzondere omstandigheden van het geval - zoals de omstandigheid dat het strafbare feit tegen de opsporingsambtenaar zelf is gepleegd – onvoldoende ervan overtuigd is dat ook in de voorliggende zaak het vertrouwen in de betrouwbaarheid van het p-v ten volle gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is daarbij dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal rekenschap behoeft af te leggen. Dat geldt ook voor het al dan niet als enig bewijsmiddel tot het bewijs bezigen van een p-v waaraan krachtens art. 344.2 Sv de daar voorziene bijzondere bewijskracht toekomt. Op voormeld uitgangspunt is in art. 359.2 tweede volzin Sv evenwel een uitzondering gemaakt, in die zin dat ingeval m.b.t. de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel door of namens verdachte een uos is ingenomen, de rechter indien hij in zijn vonnis afwijkt van dit uos door dat bewijsmiddel toch tot het bewijs te bezigen, gehouden is in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Die motiveringsplicht geldt ook indien het standpunt betrekking heeft op een p-v i.d.z.v. art. 344.2 Sv en dit standpunt niet wordt aanvaard. Het Hof heeft hetgeen door de verdediging is aangevoerd kennelijk verstaan als een uos. ’s Hofs arrest bevat voldoende gegevens ter motivering van het niet aanvaarden van het naar voren gebrachte standpunt. Aldus heeft het Hof in voldoende mate de redenen opgegeven die tot afwijking van het uos hebben geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04985

Zitting: 26 mei 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 augustus 2013 de verdachte wegens 1. “overtreding van art. 8, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994” en 2. “wederspannigheid en wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en (ten aanzien van feit 1) een ontzegging van de bevoegdheid motorijtuigen te besturen voor de duur van negentig dagen, met aftrek van de tijd die het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. S. Jongen, advocaat te Maastricht, heeft bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 344, tweede lid, Sv, aangezien de bewezenverklaring slechts berust op de verklaringen van twee verbalisanten die nauw en persoonlijk betrokken waren bij het feit.

4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij op 9 september 2009, in de gemeente Meerssen, toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (beiden werkzaam als hoofdagent bij Korps Landelijke Politiediensten) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door zich opzettelijk gewelddadig los te trekken uit de greep van die [verbalisant 2] en vervolgens die [verbalisant 1] in het gezicht te slaan, tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar ([verbalisant 1]) enig lichamelijk letsel bekwam.”

5. Het hof heeft in het bestreden arrest, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Het hof stelt voorop dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd op grond van artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangenomen op het proces-verbaal van één opsporingsambtenaar. Door te stellen dat dit artikel in de onderhavige zaak geen toepassing behoort te vinden, omdat de verbalisanten emotioneel bij het ten laste gelegde zijn betrokken, er tegen hen een beklagprocedure is gestart en één van de verbalisanten zelf aangifte tegen verdachte heeft gedaan, stelt de verdediging een eis die de wet niet kent.

(…)

Het hof overweegt voorts dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan bovendien niet enkel berust op verklaringen van de verbalisanten, doch daarnaast voldoende steun vindt in andere zich in het dossier bevindende objectieve bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof is dan ook aan het wettelijk bewijsminimum ruimschoots voldaan.”

6. Ook als de Hoge Raad de steller van het middel mocht volgen in haar betoog dat art. 344, tweede lid, Sv niet van toepassing is op een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar jegens wie het daarin gerelateerde feit zou zijn begaan, kan het middel niet tot cassatie leiden. In de onderhavige zaak berust het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde immers niet uitsluitend op één proces-verbaal, maar zijn meer bewijsmiddelen voorhanden. Tot het bewijs is onder meer gebezigd een proces-verbaal als bedoeld in art. 344, eerste lid, aanhef en onder 2, Sv van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 2], waarin zij relateren dat de verdachte werd aangehouden op verdenking van overtreding art. 8, eerste lid, WVW 1994 en dat de verdachte tijdens de aanhouding verzet pleegde en de verbalisant [verbalisant 1] in het gezicht sloeg (bewijsmiddel 1). Ook is een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door de genoemde [verbalisant 4], tot het bewijs gebezigd, waarin hij verklaart te hebben gezien dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte hadden aangehouden, dat de verdachte door beide politieambtenaren onder controle werd gehouden, dat de verbalisant [verbalisant 1] een “dikke lip” had en dat er bloed om zijn mond zat (bewijsmiddel 2). Als bewijsmiddel is voorts gebruikt een proces-verbaal, opgemaakt door [verbalisant 2], waarin deze onder meer verklaart dat de verdachte bij gelegenheid van de aanhouding “zonder enige aanleiding of waarschuwing met zijn linkervuist, c.q. tot vuist gebalde linkerhand uithaalde en een stotende beweging maakte naar het gezicht van verbalisant [verbalisant 1]” (bewijsmiddel 3). [verbalisant 1] verklaart in een proces-verbaal van bevindingen voorts onder meer dat de verdachte bij gelegenheid van de aanhouding met een ruk zijn linkerhand los trok uit de hand van [verbalisant 2] en onmiddellijk hierna met deze los gerukte hand naar de verbalisanten een slaande beweging maakte. [verbalisant 1] zag en voelde dat de verdachte hem toen met zijn tot vuist gebalde hand met kracht tegen zijn bovenlip sloeg. Hij voelde op dat moment een hevige pijnscheut in zijn lip en bovenkaak en zag dat er bloed uit zijn mond spatte (bewijsmiddel 4). Voorts is een proces-verbaal verhoor benadeelde, inhoudende een verklaring van de genoemde [verbalisant 1], tot het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 12). Daarin verklaart [verbalisant 1] tijdens zijn werkzaamheden als hoofdagent van politie bij een aanhouding met kracht tegen zijn bovenlip te zijn geslagen door de verdachte, waarna hij direct een hevige pijnscheut in zijn lip en bovenkaak voelde. Zijn lip is daarbij open gebarsten en hij voelde en proefde bloed. Een ambulancebroeder vertelde hem dat zijn lip aan de binnenkant was gescheurd.

7. Uit het voorafgaande volgt dat het hof het bewijs dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend heeft doen steunen op één proces-verbaal van één opsporingsambtenaar. Ook als het standpunt zou worden aanvaard dat een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal in een zaak als de onderhavige niet toereikend zou zijn, zou het middel derhalve niet tot cassatie kunnen leiden. Voor zover aan het middel de veronderstelling ten grondslag ligt dat het bewijs evenmin kan worden aangenomen op meerdere processen-verbaal die zijn opgemaakt door verschillende verbalisanten die “nauw en persoonlijk” bij het feit waren betrokken, faalt het, omdat deze veronderstelling geen steun vindt in het recht.

8. Daarbij zou ik het kunnen laten. Nu de steller van het middel echter een vraag opwerpt die voor de rechtspraktijk van betekenis is en die in de rechtspraak niet eenduidig wordt beantwoord, meen ik dat een antwoord van de Hoge Raad op de aan de orde gestelde vraag kan bijdragen aan de rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Om die reden zal ik inhoudelijk ingaan op de vraag of art. 344, tweede lid, Sv ook geldt in geval het een proces-verbaal betreft waarin wordt verklaard over een feit dat tegen de verbalisant is begaan.

9. Art. 344, tweede lid, Sv luidt als volgt:

“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft gepleegd, kan door den rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.”

10. Het bepaalde in art. 344, tweede lid, Sv ziet op processen-verbaal die voldoen aan de in art. 344, eerste lid, onder 2, Sv genoemde vereisten. Het proces-verbaal moet in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar en de mededeling behelzen van feiten of omstandigheden die door hem zelf zijn waargenomen of ondervonden.

11. Art. 344, tweede lid, Sv behelst een uitzondering op de in art. 342, tweede lid, Sv neergelegde regel, dat het bewijs van het ten laste gelegde niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. In materiële zin is immers sprake van de verklaring van de opsporingsambtenaar als getuige, ook al is deze in een proces-verbaal neergelegd. Ook de enkele verklaring van een verdachte is voor het bewijs ontoereikend (art. 341, vierde lid, Sv). In deze bewijsminimumvoorschriften komt het besef van de feilbaarheid van de menselijke waarneming en verklaringen tot uitdrukking. De feitenrechter zal het bewijs van het ten laste gelegde moeten baseren op meer dan één bron.1 In zoverre neemt het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar dat voldoet aan de in art. 344, eerste lid, onder 2, Sv neergelegde vereisten in ons bewijsrecht een bijzondere positie in. De bijzondere bewijskracht geldt niet als in het proces-verbaal niet de waarneming van de verbaliserende opsporingsambtenaar, maar de verklaring van een (andere) getuige is opgetekend.2 In een andere benadering zou de hoofdregel van art. 342, tweede lid, Sv eenvoudig kunnen worden omzeild door de verklaring van de getuige op te nemen in een proces-verbaal. De vraag rijst waarom de wetgever aan het proces-verbaal waarin de waarnemingen van een opsporingsambtenaar zijn opgenomen, in afwijking van de hoofdregel, bijzondere bewijskracht heeft toegekend.

12. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn gelegen in het vertrouwen dat de wetgever heeft gesteld in processen-verbaal van bevoegde opsporingsambtenaren die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt. In de regel geldt dat het aan de feitenrechter is voorbehouden het bewijsmateriaal te selecteren en te waarderen. Art. 344, tweede lid, Sv laat de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter onverlet. Het staat de rechter vrij het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar als bedoeld in die bepaling terzijde te schuiven. Uit het toekennen van bijzondere bewijskracht aan dit bewijsmiddel spreekt niettemin vertrouwen in de betrouwbaarheid daarvan. In die lijn merkt mijn voormalig ambtgenoot Wortel op dat art. 344, tweede lid, Sv van een groot vertrouwen van de wetgever in opsporingsambtenaren getuigt. Daarmee wordt volgens hem verondersteld dat opsporingsambtenaren getrainde en op hun terrein deskundige waarnemers zijn, die zo objectief mogelijk alles vastleggen dat voor de beoordeling van het mogelijk strafbare handelen relevant kan zijn. Ten aanzien van andere getuigen wordt er juist rekening mee gehouden dat emoties, gebrek aan inzicht of eigenbelang een incomplete of zelfs vervormde weergave van de gebeurtenissen kunnen opleveren.3 In zijn arrest van 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8446, NJ 2004/452, m.nt. Knigge overweegt de Hoge Raad eveneens in deze lijn dat uit art. 344, tweede lid, Sv volgt dat de wetgever een bijzonder vertrouwen heeft gesteld in de betrouwbaarheid van een door een opsporingsambtenaar opgesteld proces-verbaal in de zin van art. 344, eerste lid, onder 2, Sv.

13. Volgens Blok en Besier wordt de bijzondere bewijskracht van de bedoelde processen-verbaal gewettigd door twee waarborgen, die de juistheid van de inhoud van dergelijke processen-verbaal zouden moeten bevorderen. In de eerste plaats worden zij opgemaakt door personen die in het bijzonder belast zijn met en onderwezen zijn in het vaststellen van door hen waargenomen strafbare feiten. In de tweede plaats worden zij opgemaakt onder de “verse indruk” van hun waarneming.4 Ik zou daaraan willen toevoegen dat het proces-verbaal moet voldoen aan de wettelijke waarborgen, waartoe behoort dat het op ambtseed of –belofte is opgemaakt (art. 153 Sv). Als niet aan de wettelijke waarborgen is voldaan, is het proces-verbaal slechts aan te merken als een ‘ander geschrift’ als bedoeld in art. 344, eerste lid, aanhef en onder 5, Sv, waarop art. 344, tweede lid, Sv niet van toepassing is.5 Daaruit kan worden afgeleid dat het de wetgever te doen is geweest om de ‘verse’ waarnemingen die de opsporingsambtenaar heeft opgetekend in processen-verbaal die voldoen aan de wettelijke waarborgen. Dat volgt ook uit het feit dat de bijzondere bewijskracht niet geldt voor alle verklaringen die door opsporingsambtenaren worden afgelegd. Een verklaring die een opsporingsambtenaar ter terechtzitting aflegt, komt geen bijzondere bewijskracht toe, ook al is deze afgelegd terwijl de opsporingsambtenaar onder ede stond. Ook een proces-verbaal waarin de verbalisant optekent hetgeen een andere opsporingsambtenaar aan hem heeft verklaard, ontbeert bijzondere bewijskracht.6

14. In de bovenstaande benadering ligt de nadruk op de veronderstelde betrouwbaarheid van het bewijsmiddel.7 Daarmee is echter niet alles gezegd. Melai zoekt de ratio van art. 344, tweede lid, Sv niet zo zeer in de bijzondere deskundigheid die opsporingsambtenaren in vergelijking met andere getuigen zouden bezitten, maar in praktische overwegingen. Aan de bepaling zouden utiliteitsoverwegingen ten grondslag liggen, in het bijzonder de gedachte dat het strafproces zonder bedoeld voorschrift vrijwel niet zou kunnen functioneren. Hij wijst daarbij in het bijzonder op de kleinere criminaliteit, de overtredingen, waarbij de rechter voor het bewijs veelal is aangewezen op een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.8 Ook indien art. 344, tweede lid, Sv wordt bezien tegen de achtergrond van utiliteitsoverwegingen, moet worden geconstateerd dat de wetgever het klaarblijkelijk verantwoord heeft geacht voor de bedoelde processen-verbaal van opsporingsambtenaren een uitzondering te maken op de regel dat het bewijs niet slechts kan worden gegrond op één bron.

15. In beide benaderingen getuigt art. 344, tweede lid, Sv aldus van vertrouwen in processen-verbaal van opsporingsambtenaren die overeenkomstig de wettelijke waarborgen zijn opgemaakt. De veronderstelling dat waarnemingen van opsporingsambtenaren die in de bedoelde processen-verbaal zijn neergelegd in de regel betrouwbaar zijn, is gestuit op kritiek. Critici wijzen erop dat uit psychologisch onderzoek niet volgt dat de waarneming van politieambtenaren beter zou zijn dan die van de gemiddelde burger.9 Die kritiek heeft doorgaans een algemene strekking en is gebaseerd op de feilbaarheid van de menselijke waarneming en herinnering, waaraan ook opsporingsambtenaren zich niet kunnen onttrekken.10 Het middel heeft een beperktere strekking. Het concentreert zich op de vraag of een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar waarin deze een feit verbaliseert dat jegens hem zou zijn begaan ook de bijzondere bewijskracht van art. 344, tweede lid, Sv heeft.

In het onderstaande zal ik ter beantwoording van deze vraag eerst ingaan op de tekst en de geschiedenis van de wet en vervolgens op de rechtspraak.

16. Over de tekst van de wet kan ik kort zijn. In art. 344, tweede lid, Sv, in samenhang bezien met art. 344, eerste lid, aanhef en onder 2, Sv, wordt geen onderscheid gemaakt naar gelang de opsporingsambtenaar verbaliseert over een feit dat jegens hem is begaan dan wel over enig ander feit. In de tekst van de wet is aldus geen steun te vinden voor het door de steller van het middel beoogde onderscheid.

17. Het genoemde onderscheid komt in de wetsgeschiedenis wel terug, zij het dat moet worden teruggegrepen op de voorbereidende werkzaamheden van de Commissie-Ort.11 Uit de notulen van de vergaderingen van de commissie volgt dat de leden van de commissie met elkaar van mening verschilden over de vraag of het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar in de bewijsleer een bijzondere positie zou moeten innemen. Leden die meenden dat in dit verband geen verschil zou moeten bestaan tussen verklaringen van opsporingsambtenaren en die van andere getuigen vonden leden op hun weg die het “praktisch onhoudbaar” en “zedelijk onverantwoord” achtten als een politieambtenaar alleen zou moeten surveilleren en ten aanzien van tegen hem begane misdrijven niet alleen op zijn proces-verbaal zou mogen worden afgegaan. De situatie waarbij de verbalisant zelf slachtoffer is geworden van het misdrijf waarover hij verbaliseert, is aldus gebruikt ter rechtvaardiging van de bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. Dat beeld wordt echter weer vertroebeld door een vervolgens gedaan voorstel, dat ertoe strekt de processen-verbaal van opsporingsambtenaren toe te laten als “volledig bewijs”, met uitzondering van zaken waarin het gaat om misdrijven tegen die ambtenaren gepleegd. Uiteindelijk werd aangekoerst op een compromis: in geval het bewijs van een tegen een opsporingsambtenaar begaan feit slechts wordt gegrond op het proces-verbaal van die opsporingsambtenaar, zal de rechter in zijn vonnis de beweegredenen moeten vermelden die tot het aannemen van dat bewijs hebben geleid.12 Voorstanders betoogden dat met dit voorstel gelijkheid tussen opsporingsambtenaren en andere getuigen kon worden gerealiseerd en dat het feit dat een misdrijf tegen de getuige is begaan diens betrouwbaarheid zal doen verminderen. Ook dit compromis haalde de eindstreep echter niet. In het ontwerp van de Staatscommissie werd uiteindelijk afgezien van een stelsel van bewijsminima. Als één van de argumenten voor het niet opnemen van een ‘unus testis nullus testis’- voorschrift werd aangevoerd dat het inconsequent zou zijn een dergelijk voorschrift wel op te nemen ten aanzien van getuigen maar niet ten aanzien van een door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal. Als om praktische redenen zou worden gekozen voor het aanvaarden van een dergelijk proces-verbaal als enig bewijsmiddel, achtte de commissie het beter de rechter ook bij het beoordelen van de bewijskracht van een getuigenverklaring vrij te laten.13 In het Oorspronkelijk Regeringsontwerp is dit voorstel overgenomen, met een vergelijkbare toelichting.14 Wel werd erop gewezen dat ook zonder minimumvoorschrift de veroordeling van een verdachte op de enkele verklaring van één getuige hoogst zeldzaam zou zijn.15

18. De Tweede Kamer hechtte echter aan de handhaving van de aloude bewijsregel ‘unus testis nullus testis’ en de minister liet zich van de wenselijkheid van het alsnog opnemen van het bewijsminimumvoorschrift zonder omhaal van woorden overtuigen. Hoewel in de memorie van toelichting de opvatting naar voren komt dat een onderscheid in bewijskracht tussen processen-verbaal en verklaringen van (andere) getuigen inconsequent zou zijn, is het bedoelde onderscheid zonder nadere discussie wel in de wet opgenomen, nadat leden van de Tweede Kamer hadden aangegeven dat het opnemen van een “unus testis’- bepaling gepaard zou moeten gaan met een bepaling als het huidige art. 344, tweede lid, Sv, “indien men althans ten aanzien van processen-verbaal van ambtenaren het huidige stelsel wil handhaven”.16 Kennelijk was dat het geval, waarna alsnog in de wet is opgenomen dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd kan worden aangenomen op (uitsluitend) het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.17 Tijdens de mondelinge beraadslagingen is het onderwerp nog kort aan de orde gekomen. Het Kamerlid Kleerekoper wees de minister erop dat de omstandigheid dat het bewijs kan worden aangenomen op één proces-verbaal “in het volkshart leeft als een ernstige grief tegen de bewijsvoering”. Minister Heemskerk antwoordde dat de mogelijkheid van “tegenbewijs” open blijft. De minister benadrukte dat de bijzondere bewijskracht de eis van de rechterlijke overtuiging onverlet laat. Wel merkte hij op:

“Wanneer men in de practijk heeft processen-verbaal wegens het op den openbareen weg verkeeren in kennelijken staat van dronkenschap, dan is dat toch zeker een betere wijze van het feit te constateeren, dan wanneer men zich zou beroepen op voorbijgangers, die den persoon minder nauwkeurig hebben waargenomen.”18

19. Uit de wetsgeschiedenis kan aldus het volgende worden afgeleid. De Commissie-Ort heeft gedebatteerd over de bewijskracht van processen-verbaal waarin de opsporingsambtenaar een jegens hem begaan feit verbaliseert. Tot overeenstemming leidde deze discussie niet. In het ontwerp van de commissie, dat in zoverre is overgenomen in het Oorspronkelijk regeringsontwerp, is afgezien van een stelsel van bewijsminima. In de memorie van toelichting komt tot uitdrukking dat het enerzijds inconsequent zou zijn onderscheid in bewijskracht te maken tussen processen-verbaal van opsporingsambtenaren en anderzijds verklaringen van (andere) getuigen, terwijl daaruit anderzijds de praktische behoefte naar voren komt een bewezenverklaring uitsluitend te kunnen gronden op een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. Kennelijk heeft het laatste argument de doorslag gegeven om uiteindelijk, toen alsnog een stelsel van bewijsminima in het gewijzigde wetsvoorstel werd opgenomen, een uitzonderingspositie te creëren voor dergelijke processen-verbaal. Tijdens de parlementaire behandeling klonk in het citaat van de minister iets door van het vertrouwen in de waarneming van de opsporingsambtenaar. Daarbij lijkt overigens niet de omstandigheid dat de opsporingsambtenaar doorgaans een objectieve waarnemer is doorslaggevend te zijn. De minister zette de waarneming van de opsporingsambtenaar immers af tegen die van “voorbijgangers”, die niet als slachtoffers waren aan te merken.

20. Uit het voorafgaande volgt dat noch aan de tekst van de wet noch aan de wetsgeschiedenis (zwaarwegende) argumenten zijn te ontlenen voor het onderscheid in bewijskracht zoals dat door de steller van het middel wordt beoogd.19 Voorts volgt uit het voorafgaande dat de argumenten die thans worden aangevoerd tegen de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar jegens wie het feit zou zijn begaan niet nieuw zijn. Die argumenten hebben niet geleid tot een van art. 344, tweede lid, Sv afwijkend bewijsminimumvoorschrift.

21. Wel kan worden gewezen op twee ontwikkelingen die de discussie hebben beïnvloed. In de eerste plaats kunnen de argumenten die tegenstanders aanvoerden tegen de veronderstelde betrouwbaarheid van verklaringen van verbalisanten die tevens slachtoffer zijn nader worden onderbouwd aan de hand van rechtspsychologische literatuur, waaruit kan worden afgeleid dat er rekening mee moet worden gehouden dat de waarnemingen en herinneringen van personen die emotioneel bij het feit zijn betrokken vertekend kunnen zijn.20

22. Een andere ontwikkeling die de wetgever niet zal hebben voorzien, betreft de situatie waarin de verbaliserende opsporingsambtenaar als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding indient. In dat geval is de verbaliserende ambtenaar tevens partij in het geding. Hoewel opsporingsambtenaren die het slachtoffer zijn geworden van een strafbaar feit het recht niet kan worden ontzegd van de wettelijke mogelijkheden tot voeging gebruik te maken, doet het gebruik van dat recht in bagatelzaken de geloofwaardigheid van de strafrechtspleging geen goed. Die praktijk lijkt een negatieve invloed te hebben op het vertrouwen in processen-verbaal van opsporingsambtenaren in dergelijke zaken.21 Zo wekt het bevreemding dat een verbalisant aan wie de woorden “jij bent echt een homo” zijn toegevoegd, aanleiding ziet een vordering tot schadevergoeding in te dienen, die vervolgens wordt toegewezen.22 In een andere zaak was de politieambtenaar voor “sukkel” uitgemaakt, hetgeen ook leidde tot een - toegewezen - vordering tot schadevergoeding.23 Ook in een zaak waarin de verdachte de woorden "waarom loog je" en "jij moet niet liegen" had gebruikt, zag de politieambtenaar kennelijk de noodzaak van het indienen van een vordering tot schadevergoeding.24 Strikt genomen gaat het daarbij om de vraag naar de opportuniteit van het indienen van vorderingen, die te onderscheiden is van de discussie over art. 344, tweede lid, Sv. Niettemin lijkt de kritiek op het gemak waarmee in beledigingszaken, waarin zaken tegen opsporingsambtenaren toch al oververtegenwoordigd zijn, vorderingen tot schadevergoeding worden ingediend, zijn weerslag te hebben op het vertrouwen in processen-verbaal die zijn opgemaakt door verbalisanten die tevens een financieel belang bij de uitkomst van de procedure hebben. De kans van slagen van de vordering is in dergelijke gevallen immers in de praktijk mede afhankelijk van de inhoud van het door het slachtoffer zelf opgemaakte proces-verbaal.25

23. De vraag rijst of het in het middel bepleite onderscheid in bewijskracht tussen processen-verbaal die een jegens de verbalisant begaan feit betreffen en andere processen-verbaal steun vindt in de rechtspraak. In dit verband verdient een vooroorlogs arrest van de Hoge Raad de aandacht.26 In die zaak had het hof het bewijs van de ten laste gelegde belediging van de veldwachter Moerland gegrond op diens proces-verbaal en op zijn verklaring ter terechtzitting afgelegd. De Hoge Raad verwees naar het bepaalde in art. 344, tweede lid, Sv en overwoog:

“dat art. 344 in het genoemde lid geen uitzondering maakt voor feiten, die tegen den opsporingsambtenaar zelven zijn gepleegd; dat dus het Hof, wat de wettigheid van het bewijs betreft, had kunnen volstaan met als bewijsmiddel enkel het proces-verbaal van Moerland te bezigen nu daaruit van het telastegelegde feit in zijn geheel bleek, al heeft het gemeend volledigheidshalve ook diens verklaring als getuige ter terechtzitting afgelegd als bewijsmiddel in het arrest te moeten opnemen(…)”.

24. Uit dit arrest volgt dat de bijzondere bewijskracht die art. 344, tweede lid, Sv toekent aan de in dat artikel bedoelde processen-verbaal ook van toepassing is als het proces-verbaal een jegens de verbalisant begaan feit betreft. De overwegingen van de Hoge Raad zijn toegesneden op de wettigheid van het bewijs. De omstandigheid dat één proces-verbaal van de betrokken verbalisant voldoende wettig bewijs oplevert, laat onverlet dat de rechter zal moeten beoordelen of hij op grond van de inhoud daarvan de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan (art. 338 Sv).

25. Verschillende hoven en rechtbanken hebben de afgelopen jaren een andere koers gevaren. De bijzondere bewijskracht van art. 344, tweede lid, Sv is in die zaken, waarin het feit tegen de verbalisant zou zijn begaan, niet toegekend aan het proces-verbaal van de betrokken verbalisant. Beide hiervoor geschetste ontwikkelingen - de kennis over de mogelijke vertekening van waarnemingen en herinneringen van emotioneel bij het feit betrokkenen en de situatie waarin de verbalisant tevens als (benadeelde) partij in het geding is betrokken - lijken daaraan te hebben bijgedragen. Ik wijs in dit verband op het arrest van het Hof Amsterdam van 25 september 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8201:

“Hoewel op grond van artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar voldoende bewijs kan vormen van ten laste gelegde feiten, zal het hof deze bijzondere bewijskracht niet toekennen aan het proces-verbaal van [verbalisant] met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Hij heeft het door hem gerelateerde immers niet waargenomen als objectieve verbalisant, maar mede als slachtoffer van de door hem ervaren dreigingen. De fysieke en psychische effecten die van die dreigingen en de voorafgaande achtervolging met hoge snelheid van de verdachten door [verbalisant] het gevolg kunnen zijn geweest, kunnen zeer wel leiden tot objectief beschouwd foute of vertekende waarnemingen en/of herinneringen als hiervoor aan de orde zijn geweest.”

26. In een andere zaak overwoog het hof dat in het normale geval de bijzondere bewijskracht aan een ambtsedig proces-verbaal wordt verleend mede omdat verbalisanten over het algemeen geen belang hebben om een voorstelling van zaken te geven die niet overeenstemt met de werkelijkheid. Nu de desbetreffende verbalisant zich in de zaak tevens als benadeelde partij had gevoegd, zou deze er volgens het hof belang bij kunnen hebben om in de verleiding te kunnen komen om niet onbevangen en onbevooroordeeld verslag te doen van de door hem waargenomen feiten. Om die reden ontzegde het hof aan het proces-verbaal de bijzondere bewijskracht van art. 344, tweede lid, Sv.27 Het Gerechtshof Den Haag oordeelde in een zaak waarin de verbalisant ook de aangever was dat meer bewijsmateriaal voorhanden moet zijn dan alleen diens proces-verbaal.28

27. De grondtoon in de genoemde uitspraken van de feitenrechters is dezelfde. Die komt erop neer dat de bijzondere bewijskracht op grond van de veronderstelde betrouwbaarheid van het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar, die mede is gestoeld op diens objectieve waarneming, niet geldt voor die gevallen waarin die objectiviteit niet zonder twijfel is. De positie van de opsporingsambtenaar als objectieve waarnemer wordt in deze benadering centraal gesteld. Die positie komt in het geding zodra er een ander, subjectief belang kan worden aangewezen dat de verslaglegging kan hebben beïnvloed. Daarmee is niet gezegd dat daadwerkelijk van een gekleurde weergave sprake is. De gedachte is dat de rechter zich in die benadering rekenschap zal moeten geven van het genoemde risico, evenals bij andere getuigen. Met de veronderstelling dat de opsporingsambtenaar een objectieve waarnemer en verslaglegger is, verdraagt zich moeilijk dat dezelfde opsporingsambtenaar partij wordt in het geschil. Hoewel de rechter de mogelijkheid heeft in het kader van de overtuiging rekening te houden met de genoemde factoren, lijkt in de genoemde uitspraken een stap verder te worden gegaan door aan te nemen dat de bijzondere bewijskracht van art. 344, tweede lid, Sv in de daar bedoelde gevallen niet van toepassing is.

28. Uit het voorafgaande volgt dat ten aanzien van de bewijskracht van processen-verbaal van opsporingsambtenaren jegens wie het geverbaliseerde feit is begaan verschillende benaderingen denkbaar zijn. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 december 1934, NJ 1935, p. 373 overwogen dat art. 344, tweede lid, Sv geen uitzondering maakt voor feiten die tegen de verbalisant zijn begaan. Een tweede benadering, die spreekt uit de hiervoor besproken uitspraken van feitenrechters, houdt in dat de bijzondere bewijskracht van art. 344, tweede lid, Sv alleen geldt als de opsporingsambtenaar niet als slachtoffer dan wel als benadeelde partij is aan te merken. Een derde benadering houdt het midden tussen beide: art. 344, tweede lid, Sv geldt voor alle gevallen waarin opsporingsambtenaren in de wettelijke vorm proces-verbaal opmaken van wat zij hebben waargenomen of ondervonden, maar op de rechter rust wel een bijzondere motiveringsplicht in geval het bewijs uitsluitend wordt gebaseerd op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar tegen wie het feit zou zijn gepleegd. In de literatuur zijn stemmen opgegaan voor een vierde, verderstrekkende benadering, te weten de afschaffing van art. 344, tweede lid, Sv. De uitzonderingspositie die de wetgever voor het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal heeft geschapen, zou volgens de auteurs goede grond missen.29 Deze benadering laat ik hier rusten. Het is aan de wetgever voorbehouden te beoordelen of art. 344, tweede lid, Sv nog bestaansrecht heeft.

29. Ik meen dat geen goede gronden bestaan voor het verlaten van het uitgangspunt, zoals in HR 31 december 1934, NJ 1935, p. 373 is verwoord. De tekst van de wet maakt geen onderscheid tussen de bewijskracht van processen-verbaal van een opsporingsambtenaar tegen wie het feit zou zijn begaan aan de ene kant en die van andere opsporingsambtenaren aan de andere kant. De wetsgeschiedenis biedt ook geen steun voor het maken van onderscheid tussen beide situaties.30 De wetgever heeft het risico onder ogen gezien dat processen-verbaal van de politie niet in alle gevallen een adequate weergave geven van hetgeen heeft plaatsgevonden, maar daarin geen grond gezien processen-verbaal van opsporingsambtenaren bijzondere bewijskracht te ontzeggen. Het genoemde risico zou in de praktijk moeten worden ondervangen in het kader van de selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter, die moet beoordelen of hij uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. In dat verband is ook gewezen op de mogelijkheid de verbalisant als getuige te doen horen.31 Bij een beoordeling van een dergelijk getuigenverzoek ligt het gelet op het voorafgaande niet in de rede de verdediging de bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal in de zin van art. 344, tweede lid, Sv tegen te werpen.32 De aanvaardbaarheid van die bijzondere bewijskracht is door de wetgever immers mede in verband gebracht met de mogelijkheid van een kritische toetsing van het bewijsmiddel door de rechter, in welk verband ook het horen van de verbalisant als getuige betekenis kan hebben.

30. In geval het bewijs uitsluitend is gegrond op het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar zal in voorkomende gevallen een nadere motivering geboden zijn. Het aannemen van een bijzondere motiveringsverplichting in gevallen waarin het desbetreffende feit tegen de opsporingsambtenaar is begaan, is in het kader van de beraadslagingen door de Commissie-Ort wel overwogen, maar een daartoe strekkend voorstel is in de voorbereidende fase verworpen, terwijl het later niet is teruggekeerd. In geval geen verweer is gevoerd, behoeft de omstandigheid dat het bewijs uitsluitend is gegrond op het proces-verbaal van de politieambtenaar tegen wie het feit is begaan geen bijzondere motivering. Het komt mij voor dat de rechtspraak over het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, hier leidend zal moeten zijn. De terughoudendheid die uit de hiervoor genoemde uitspraken van hoven en rechtbanken spreekt om in de gevallen waarin de verbalisant tevens slachtoffer dan wel benadeelde partij is het bewijs uitsluitend te baseren op diens verklaring, zou naar mijn mening van betekenis kunnen zijn voor de rechterlijke overtuiging, maar niet voor de toepasselijkheid van de wettelijke bewijsminimumvoorschriften.

31. Bij dit alles passen twee kanttekeningen. De bijzondere bewijskracht die toekomt aan processen-verbaal van opsporingsambtenaren veronderstelt dat die processen-verbaal aan de daaraan te stellen eisen voldoen. In een zaak als de onderhavige, waarin de tenlastelegging is geënt op (onder meer) wederspannigheid, is een bewezenverklaring slechts aan de orde als de betrokken ambtenaar werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Art. 152 Sv bevat een verbaliseringsplicht ten aanzien van het opgespoorde strafbare feit of van al hetgeen door de opsporingsambtenaar tot opsporing is verricht of bevonden. Teneinde te beoordelen of sprake is van handelen in de rechtmatige uitoefening van de bediening, is de opsporingsambtenaar ook gehouden in het proces-verbaal inzicht te geven in het eventuele geweld dat de betrokken ambtenaar zelf heeft toegepast. Het niet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit kan immers aan de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging in de weg staan.33 Het door de opsporingsambtenaar uitgeoefende geweld wordt echter niet altijd in het proces-verbaal vermeld.34

32. In de tweede plaats volgt uit het voorafgaande dat de combinatie van de bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal van een verbalisant die tevens als benadeelde partij in het geding betrokken is, vragen oproept. Het gaat in dat verband om een civiele vordering die uit doelmatigheidsredenen in het strafproces is ingebed. Het proces-verbaal bevat in dit verband een verklaring van een procespartij. In gevallen waarin het relaas en de daarop gebaseerde vordering voldoende gemotiveerd worden betwist, zal de beoordeling van de vordering aan de hand van civielrechtelijke maatstaven moeten plaatsvinden. De regels inzake de stelplicht en de bewijslastverdeling in civiele zaken zijn daarop van toepassing en niet de strafvorderlijke bewijsminimumvoorschriften.35 De bijzondere bewijskracht die in strafvorderlijke zin toekomt aan de verklaring van het verbaliserende slachtoffer heeft geen pendant in het burgerlijk procesrecht. Art. 164, tweede lid, Rv bepaalt ter zake van het horen van een partij als getuige zelfs dat haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel oplevert, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

33. Voorts heeft de verbalisant, aan wiens proces-verbaal bijzondere bewijskracht toekomt, een verantwoordelijkheid bij het beoordelen of het indienen van een vordering tot schadevergoeding aangewezen is. In de ‘Landelijke richtlijn aanpak van geweld tegen politieambtenaren binnen de Nationale Politie’ worden in dit verband terecht vraagtekens geplaatst bij de praktijk van voeging in geval van beledigingszaken. In voorkomende gevallen kunnen deze volgens de richtlijn een averechtse werking hebben op “het uitstralen van gezag”, terwijl het indienen van een dergelijke vordering zonder dat sprake is van schade als onterecht wordt beschouwd. Die constatering raakt overigens de onderhavige zaak niet. Het hof heeft immers vastgesteld dat geweld tegen de betrokken opsporingsambtenaar is gebruikt, terwijl in cassatie de beslissing op de vordering van de benadeelde partij niet ter discussie staat.

34. Ik keer terug naar het middel. Ik gaf reeds aan dat het middel niet kan slagen, omdat het bewijs in de onderhavige zaak niet uitsluitend is aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. Daarbij komt dat het hof zonder blijk te hebben geven van een onjuiste rechtsopvatting heeft aangenomen dat art. 344, tweede lid, Sv ook toepassing kan vinden indien de verbalisant “emotioneel bij het ten laste gelegde (is) betrokken”, bijvoorbeeld omdat hij slachtoffer is van het feit.

35. Het middel faalt.

36. Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verklaringen van de verbalisanten bruikbaar zijn voor het bewijs. Volgens de steller van het middel bevatten die verklaringen tegenstrijdigheden en zijn zij gekleurd, waardoor het hof niet had kunnen komen tot een bewezenverklaring.

37. Het hof heeft het standpunt van de verdediging, inhoudende dat de verklaringen van de verbalisanten “gekleurd” en derhalve niet betrouwbaar zijn, niet gedeeld. Daartoe heeft het onder meer overwogen dat de verklaringen op essentiële punten overeenkomen, terwijl het hof geen aanknopingspunten ziet voor de door de verdediging geopperde veronderstelling dat de verklaringen onderling zijn afgestemd. Het oordeel van het hof is in het licht van de hiervoor onder 6 weergegeven bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Voor zover de steller van het middel verwijst naar verklaringen die het hof niet tot het bewijs heeft gebezigd, miskent zij de vrijheid van de feitenrechter in het kader van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal.

38. Het middel faalt.

39. Het derde middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan. Het middel faalt op grond van hetgeen bij de bespreking van het eerste middel is opgemerkt.

40. Het vierde middel is gericht tegen de verwerping van een verweer van de verdediging, inhoudende dat de verbalisanten in de onderhavige zaak niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

41. Uit de bewijsmiddelen, waarvan de korte inhoud onder 6 is weergegeven, volgt dat de verdachte zich heeft verzet tegen zijn aanhouding op verdenking van overtreding van art. 8 WVW 1994. Uit het als bewijsmiddel 1 opgenomen proces-verbaal volgt dat de verbalisanten, teneinde het verzet te breken, geweld hebben gebruikt om de verdachte onder controle te houden. Het hof overwoog:

“Rechtmatige bediening

Het hof wil wel aannemen dat verdachte ten tijde van het onder 2 ten laste gelegde feit letsel heeft opgelopen. Daar staat echter tegenover dat verdachte zonder enige aanleiding begonnen is met het plegen van geweld door verbalisant [verbalisant 1] met kracht in het gezicht te slaan, waardoor deze gewond raakte en een kapotte lip had. Om te voorkomen dat verdachte nog meer klappen zou geven, heeft verbalisant [verbalisant 2] verdachte een aantal klappen in het gelaat gegeven. Beide verbalisanten moesten er vervolgens aan te pas komen om verdachte, die ook nadat hij naar de grond was gewerkt zich krachtig bleef verzetten, te boeien.

Het hof is van oordeel dat, gelet op het voortdurende en hevige verzet van verdachte, door de verbalisanten op een adequate en niet disproportionele wijze is gereageerd ter beëindiging van het gewelddadig verzet door verdachte bij diens aanhouding en ter voorkoming van meer geweld tegen verbalisant [verbalisant 1]. Daarbij overweegt het hof nog dat de verbalisanten verdachte ook mochten aanhouden nu op grond van het proces-verbaal van bevindingen er een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit was ten aanzien van verdachte (te weten: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994). Op grond daarvan waren de verbalisanten gerechtigd tot het aanhouden van verdachte. Derhalve kan het verweer van de verdediging dat sprake was van een onrechtmatige uitoefening van de bediening niet slagen. Het verweer wordt dan ook verworpen.”

42. Het hof heeft ten aanzien van het bewijs dat de opsporingsambtenaren werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening onder meer beoordeeld of het handelen van de verbalisanten voldeed aan het beginsel van proportionaliteit.36 Ook ligt in de overwegingen besloten dat het hof heeft aangenomen dat het optreden van de verbalisanten niet in strijd heeft plaatsgevonden met het subsidiariteitsbeginsel. Daarbij is het hof ervan uitgegaan dat het door de verbalisanten toegepaste geweld was geboden teneinde het verzet van de verdachte, die de verbalisant [verbalisant 1] met kracht en tot bloedens toe had geslagen, te breken. Het oordeel van het hof getuigt aldus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede in het licht van de onder 6 vermelde inhoud van de bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk, terwijl het, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, zich niet leent voor verdere toetsing in cassatie. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

43. Het middel faalt.

44. Het vijfde middel keert zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit.

45. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij op 9 september 2009, in de gemeente Beek en in de gemeente Meerssen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten drugs en/of geneesmiddelen (opiaten (morfine) en benzodiazepinen (lorazepam, oxazepam en desmethyldiazepam)), waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof- de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.”

46. In een nadere bewijsoverweging heeft het hof het volgende overwogen:

“Rijden onder invloed

Het hof overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het bewezen verklaarde gebruik door verdachte van stoffen, zoals drugs en opiaten (morfine) en benzodiazepinen (lorazépam, oxazepam en desmethyldiazepam), de rijvaardigheid kunnen verminderen. De verdediging heeft overigens ook niet aangevoerd dat verdachte daarvan niet op de hoogte was.

Bij toepassing van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 gaat het om de vraag of aangenomen mag worden dat de gemiddelde bestuurder in de vastgestelde omstandigheden van het geval niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht en een daarop gegrond ernstig vermoeden dat ook verdachte niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht (HR 27 maart 2012, NJ 2012, 475).

Het NFI heeft naar aanleiding van het onderzoek van verdachtes bloed geconcludeerd dat de rijvaardigheid waarschijnlijk negatief beïnvloed was. Voorts hebben de verbalisanten waargenomen dat verdachte vreemd rijgedrag vertoonde, hij onvast te been was en zijn ogen wijd open stonden en af en toe wegdraaiden. Tevens blijkt uit het ‘SEH dossier’ van het betreffende ziekenhuis dat verdachte ook toen hij in het ziekenhuis was nog geïntoxiceerd overkwam. Gelet op de bevindingen van het NFI, de waarnemingen van verbalisanten en de inhoud van voornoemd ‘SEH-dossier’ is het hof van oordeel dat verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.”

47. Voor een veroordeling op grond van art. 8, eerste lid (https://www.navigator.nl/), WVW 1994 is niet noodzakelijk dat er sprake is geweest van feitelijk gevaarlijk of niet aan de verkeerssituatie aangepast rijgedrag van de bestuurder. Beslissend is of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte onder een zodanige invloed van de desbetreffende stof verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.37

48. Het hof heeft in de geciteerde bewijsoverweging verwezen naar de gebezigde bewijsmiddelen. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de verdachte heeft verklaard “anderhalve dag van te voren” een “brain” te hebben gebruikt, waarmee hij bedoelt dat hij heroïne heeft gesnoven (bewijsmiddel 6). Ook heeft hij verklaard in de nacht van dinsdag 8 september op woensdag 9 september 2009 medicijnen te hebben ingenomen tegen de stress. Het ging daarbij om een kalmeringsmiddel (bewijsmiddel 7). Hij weet dat het gebruik van verdovende middelen van invloed kan zijn op zijn rijgedrag (bewijsmiddel 5). Het NFI heeft in het bloed van de verdachte de volgende (omzettingsproducten van) drugs en/of geneesmiddelen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden aangetoond: morfine, lorazepam, oxazepam en desmethyldiazepam. Het NFI concludeerde dat ten tijde van de bloedafname de rijvaardigheid waarschijnlijk negatief was beïnvloed (bewijsmiddel 8). Dr. K.J. Lusthof, apotheker-toxicoloog, die het als bewijsmiddel 8 opgenomen rapport had opgesteld, verklaarde voorts over de middelen lorazepam, oxazepam en desmethyldiazepam dat deze een negatieve invloed hebben op de rijvaardigheid (bewijsmiddel 10). De verbalisanten verklaarden onder meer dat de Audi waarin de verdachte werd aangetroffen slingerend over de rechter- en linkerrijstrook reed en diverse keren op de vluchtstrook terecht kwam (bewijsmiddelen 1 en 2).

49. Aldus heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte onder een zodanige invloed van de desbetreffende stof verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Het oordeel van het hof is toereikend gemotiveerd.

50. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

51. De middelen falen. Het tweede, derde, vierde en vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden voor ambtshalve cassatie heb ik niet aangetroffen.

52. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. bijvoorbeeld HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1247.

2 Vgl. HR 20 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7413.

3 Conclusie voorafgaand aan HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2365.

4 Zie A.J. Blok en L.C. Besier, Het Nederlandsche strafproces. Tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1925, p. 160-161.

5 Vgl. onder meer HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2481, NJ 2007/67.

6 Vgl. HR 23 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2365.

7 Zie ook Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014,p. 811-812, die als ratio van de bepaling zien dat dergelijke processen-verbaal waarborgen bieden voor hun inhoud, die volgens hen overigens wel door de rechter kritisch zal moeten worden beoordeeld.

8 Zie Melai/Groenhuijsen, (suppl. 59 (1987)), aant. 5 op art. 344 Sv. Blok en Besier gaan ervan uit dat art. 344, tweede lid, Sv is bedoeld voor het bewijs van talloze overtredingen. Vgl. A.J. Blok en L.C.Besier, Het Nederlandsche strafproces, tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zn. 1925, p. 160-161. Lubbers stelt zelfs dat art. 344, tweede lid, Sv enkel is geboren uit utiliteitsoverwegingen. Vgl. M.A. Lubbers, De waarde van de ambtsedige waarheid. De betrouwbaarheid en de bewijskracht van het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar, Amersfoort: Celsius juridische uitgeverij 2014,p. 104.

9 Zie onder meer W.L. Borst, De bewijsmiddelen in strafzaken, Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 229-230 en p. 286, Corstens/Borgers, p. 812, B. de Wilde, ‘Bewijsminimumregels als waarborgen voor de waarheidsvinding in strafzaken?’, in: J.H. Crijns, P.P.J. van der Meij en J.M. ten Voorde (red.), De waarde van waarheid. Opstellen over waarheid en waarheidsvinding in het strafrecht Den Haag: Boom juridische uitgevers 2008, p. 290-291 en Lubbers, a.w., p. 48-53, die tevens naar diverse publicaties van P.J. van Koppen verwijst. Zie in algemene zin ook M.J. Dubelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs, Deventer: 2014.

10 Zie bijvoorbeeld H. Anker, Over vertrouwen in ambtsedige processen-verbaal, NbSr 2008, p. 14 en 15.

11 Voluit: Staatscommissie voor de herziening van het Wetboek van Strafvordering. Zie voor de beraadslagingen van de commissie: Van Ort tot ORO (samenstelling: K. Lindenberg), Groningen 2002.

12 Zie voor de gedachtewisseling met name Van Ort tot ORO, a.w., p. 166 en p. 328-329.

13 Van Ort tot Oro, a.w., p. 489.

14 Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 2.

15 Zie Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 166.

16 Zie Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 1, p. 122-123.

17 Zie Kamerstukken II 1917/1918, 77, nr. 2.

18 Zie Handelingen TK 1919/1920, p. 1988-1989.

19 Lubbers (a.w., p. 57) merkt op dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever niet lijkt te hebben bedoeld de situatie waarin de opsporingsambtenaar tevens slachtoffer is onder het bereik van art. 344, tweede lid, Sv te brengen. Uit het voorafgaande volgt dat dit standpunt geen steun vindt in de wetsgeschiedenis.

20 Zie voor een overzicht: Lubbers, a.w., p. 55-57.

21 Vgl. P.J. van der Meij, De beledigde en bedreigde politieagent als beroepsmatig benadeelde partij. Een pleidooi voor afschaffing van de bijzondere bewijskracht en voor de categorische afwijzing van schadevergoedingen, in: Roosachtig strafrecht, Deventer: 2013, p. 401-415.

22 Vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3366, NJ 2010/672, m.nt. Buruma.

23 Zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 november 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:8352.

24 De benadeelde partij werd in deze vordering overigens niet-ontvankelijk verklaard. Vgl. HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7085, NJ 2013/49, m.nt. Mevis.

25 Zie voor een geval van misbruik, waarin een verbalisant is veroordeeld wegens het doen van een valse aangifte en meineed: Rechtbank Amsterdam 20 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX5426. De rechtbank achtte aannemelijk dat (onder meer) het perspectief dat de verdachte als benadeelde partij schadevergoeding zou kunnen verkrijgen bij de valsheid een rol had gespeeld.

26 Zie HR 31 december 1934, NJ 1935, p. 373.

27 Zie Gerechtshof Amsterdam 7 september 2011, NbSr 2012/340. Zie in deze zin ook Rechtbank Midden-Nederland 4 februari 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:570, en Rechtbank Almelo 12 januari 2010, ECLI:NL:RBALM:2010:BK9302.

28 Zie Gerechtshof te ‘s-Gravenhage 12 oktober 2012, NbSr 2013/34.

29 Zie onder meer De Wilde, a.w., p. 282-294 en Lubbers, a.w., met verdere literatuurverwijzingen.

30 Hetzelfde geldt overigens voor het onderscheid tussen processen-verbaal die overtredingen betreffen en gevallen waarin misdrijven centraal staan.

31 Zie Handelingen TK 1919/1920, p. 1988.

32 In die zin ook de kritische opmerkingen van Knigge in zijn noot onder HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8446, NJ 2004/452.

33 HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5513, NJ 2013/53, m.nt. Mevis.

34 Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 25 november 2014, nr. 13/05588 (art. 81 RO; ongepubliceerd). Zie ook Naeyé in zijn noot onder HR 16 juni 1998, NJ 1999/135.

35 Vgl. HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755, NJ 2012/135.

36 Vgl. HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5513, NJ 2013/53, m.nt. Mevis.

37 Vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4048, NJ 2004, 438 (https://www.navigator.nl/), m.nt. Reijntjes en HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR5013, NJ 2005/83.