Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1015

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-05-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
14/02104
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1793, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02104 M

Zitting: 26 mei 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte] 1

1. De militaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 3 april 2014, behalve ten aanzien van de beslissingen op het beslag, bevestigd een vonnis van de militaire kamer van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 30 september 2013, waarbij de verdachte ter zake van feit 1 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Het hof heeft voorts de onttrekking aan het verkeer bevolen van een aantal patronen en de teruggave aan de verdachte gelast van in beslag genomen geldbedragen van € 100 en € 500.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. De vier middelen hebben betrekking op het onder feit 1 bewezen verklaarde.

4. Aan de verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat:

“hij op meerdere tijdstippen althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 december 2011, in de gemeente Oss, althans elders in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten, een of meerdere personenauto's en/of sieraden en/of geldbedragen en/of waardepapieren en/of wapens en/of een of meerdere hond(en) en/of andere op waarde te waarderen (on)roerende goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet althans van (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere personenauto's en/of sieraden en/of geldbedragen en/of waardepapieren en/of wapens en/of een of meerdere hond(en) en/of andere op waarde te waarderen (on)roerende goederen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij/zij wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en)- onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf, van het plegen van welk misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt.”

5. Daarvan is bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 december 2011, in Nederland, voorwerpen, te weten, personenauto’s en/of sieraden en/of geldbedragen en/of wapens en/of honden en/of andere op waarde te waarderen roerende goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf, van het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering2:

“Op het adres [a-straat 1] staan, naast verdachte en zijn echtgenote [betrokkene 1], ingeschreven [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2008 en [kind 2], geboren [geboortedatum] 2003. Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte is een desktop van het merk Samsung in beslag genomen. Op die desktop is een foto aangetroffen waarop een kind is te zien omringd door plantenresten. Verdachte bevestigt dat op de foto van zijn woonkamer en zijn zoon [kind 1] te zien zijn. [kind 1] is geboren op [geboortedatum] 2008 dus na aanvang van de tenlastegelegde periode. De verbalisanten verklaren dat de uitgestalde en in vuilniszakken verpakte planten die op die foto zijn te zien, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hennepplanten betreffen waarvan de toppen zijn uitgelegd vermoedelijk om te drogen en de overige delen van de planten klaargemaakt worden om te worden weggegooid. Verdachte heeft over de foto noch bij de politie noch ter terechtzitting een verklaring willen afleggen.

Op grond van het voorgaande leidt de militaire kamer af dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode bezig heeft gehouden met het plegen van enig strafbaar feit en wel het voorhanden hebben van softdrugs, hennep.

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte is een groot aantal kassabonnen en andere rekeningen aangetroffen en in beslaggenomen. Op nagenoeg alle bonnen staat vermeld dat de betaling contant is gebeurd. Tijdens het onderzoek met betrekking tot het witwassen is de periode van bevraging beperkt tot 2 jaren en wel van 01-01-2010 tot 01-01-2012. In die periode werd voor een totaalbedrag van € 48.881,99 aan contante betalingen verricht.

Naar aanleiding van een onderzoek bij de belastingdienst is vastgesteld dat verdachte in 2008 kon beschikken over een netto inkomen per maand van € 1.913,83, in 2009 over € 1.939,08 en in 2010 over € 2.044,58. De echtgenote van verdachte, [betrokkene 1], kon in 2010 beschikken over een netto inkomen per maand van € 29,75.

Voor wat betreft de inkomsten en uitgaven van verdachte is een zogenaamde kasopstelling samengesteld. Uit die kasopstelling is vastgesteld dat, uitgaande van een beginsaldo van € 50,- op 1 januari 2006, er tot en met 6 december 2011 zijnde de tenlastegelegde periode, aan legale contante ontvangsten (inclusief bankopnamen) sprake is van een bedrag van € 62.729,37, het eindsaldo voor wat betreft de contante ontvangsten sprake is van een bedrag van € 2.433,78 waardoor beschikbaar was om contant uit te geven een bedrag van € 60,345,59.

Aan feitelijke contante uitgaven (inclusief bankstortingen) is een bedrag van € 135.038,92 vastgesteld in voornoemde periode.

Op grond van het voorgaande stelt de militaire kamer vast dat tegenover de legaal door verdachte ontvangen inkomsten een bedrag van € 74.693,33 door verdachte contant is uitgegeven waarvoor geen legale herkomst gevonden is.

Personenauto's:

Op 7 september 2010 koopt verdachte een BMW 320d met kenteken [AA-00-AA] voor een bedrag van € 22.500,-. Na inruil van een Volvo personenauto wordt een bedrag van € 6.000,- op het factuurbedrag in mindering gebracht waardoor blijft te betalen € 16.500,-. Deze overeenkomst is vastgelegd in een koopovereenkomst, waarop verdachte als koper staat vermeld, die op 3 september 2010 door verdachte in Groningen is ondertekend. Verdachte herkent de handtekening op die koopovereenkomst als zijnde zijn handtekening. De factuur, gedateerd 7 september 2010, is aan [verdachte], [a-straat 1], [plaats], gericht. Autobedrijf [A] v.o.f te [plaats], alwaar voornoemde BMW is gekocht, heeft op de factuur op 6 september 2010 een bedrag van € 6.500,-- ontvangen van de bankrekening van [betrokkene 2] e/o. De stiefvader van verdachte, [betrokkene 2], verklaart dat [verdachte] (verdachte) de auto heeft opgehaald.

Uit een door de politie ingesteld onderzoek is vastgesteld dat verdachte op 26 augustus 2011 aangifte heeft gedaan van vernieling van een BMW 320d met kenteken [AA-00-AA]. De vernieling zou hebben plaatsgevonden in de [a-straat 1] te [plaats].'4 Getuige [betrokkene 5] verklaart dat hij weet dat verdachte een BMW heeft. Getuige [betrokkene 6] verklaart op de vraag in welke auto [verdachte] (verdachte) rijdt: "een BMW volgens mij". De vader van verdachte, [betrokkene 4] verklaart op de vraag "hoeveel auto's heeft uw zoon [verdachte]?": "Twee auto's. Zijn BMW en zijn Ford Ka."

Op 3 oktober 2011 is bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer een postcode bevraging gedaan op het adres [a-straat 1], [...] te [plaats]. Hieruit is gebleken dat de navolgende voertuigen op dit adres staan geregistreerd: Ford, type Ka 1.31, met kenteken [BB-00-BB] en op naam gesteld van verdachte. [betrokkene 3], voorheen eigenaar van de Ford Ka, verklaart de auto te koop te hebben aangeboden op de website van marktplaats. Er reageerde een jongedame die samen met haar vriend en moeder zijn langsgekomen en een proefrit hebben gemaakt. Na de proefrit hebben zij de auto gekocht. De jonge man betrof een atletische, beetje patserig persoon die in een opzichte auto reed met lichtmetalen velgen, een BMW 320, kleur zwart. De Ford Ka is verkocht op 14 maart 2011. De auto is verkocht voor een bedrag van € 2.550,- welk bedrag contant in, voor zover de getuige zich kan herinneren, in biljetten van 50 euro werd betaald. De getuige weet dit nog omdat het een behoorlijke stapel was.

Op grond van het voorgaande stelt de militaire kamer vast dat zowel de BMW alsmede de Ford Ka door verdachte zijn gekocht en aan hem in eigendom toebehoorden.


(…)

Sieraden:

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte werden op de zolder een tweetal doosjes aangetroffen met als opschrift Pequignet en Movado. Ook werd tijdens de doorzoeking een tweetal horloges aangetroffen, te weten een herenhorloge van het merk EP Pequignet en een dameshorloge van het merk Movado, welke aan de echtgenote van verdachte, [betrokkene 1] werden getoond. [betrokkene 1] verklaarde dat deze horloges gekocht zijn bij een juwelier genaamd [B] aan de [b-straat 1] te [plaats]. Uit informatie, verkregen van [B] blijkt dat [verdachte], [a-straat 1] te [plaats], op 10 juni 2006 een horloge van het merk Movado gekocht heeft ter waarde van € 1.930,--. Voor de aankoop heeft [verdachte] € 30,- korting gekregen. Het bedrag van € 1.900,-- werd contant betaald. Ook blijkt uit voornoemde informatie dat [verdachte], [a-straat 1] te [plaats] op 15 augustus 2006 een horloge van het merk EP Pequignet heeft gekocht ter waarde van € 2.890,--. [verdachte] ontving een korting van 8% en het restant, € 2.658,--, werd contant betaald.

Uit de inbeslaggenomen bonnen, waarvan een overzicht is gemaakt betreffende contante betalingen die door verdachte zijn gedaan in de periode 01 januari 2010/01 januari 2012 kan worden vastgesteld dat op 12 januari 2010, 23 februari 2010 en 15 oktober 2010 voor een totaalbedrag van € 6.695,-- is betaald aan [C] voor de aankoop van 2 Breitling horloges.

Geldbedragen:

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte op 6 december 2011 is op verschillende locaties in de woning contant geld aangetroffen tot een totaalbedrag van € 2.433,78.

Wapens:

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte op 6 december 2011 zijn een tweetal vuurwapens aangetroffen, te weten een Luger 9mm Tangfoglio 9x19 mm en een Smith & Wesson kaliber .357. Uit eerder genoemd bonnenoverzicht blijkt dat verdachte op 14 december 2010 een bedrag van € 900,-- betaald heeft aan [D] betreffende de aankoop van een Smith and Wesson en op 8 november 2011 € 1.550,-- aan [E] betreffende de aankoop van de Tangfoglio.

Honden:

Uit een door verdachte op 5 juli 2011 ondertekend contract kan worden vastgesteld dat hij in de V.S. voor een bedrag van $ 10.000,-- (omgerekend € 7.692,20) twee honden heeft gekocht. Verdachte erkent dat hij de twee bij hem aangetroffen honden heeft gekocht.

(…)

Andere op waarde te waarderen roerende goederen:

In de periode van 8 tot 15 april 2011 is verdachte op vakantie in Egypte geweest voor welke vakantie een bedrag van € 2.029,97 is betaald.

In de periode 6 augustus 2011 tot en met 14 augustus 2011 is verdachte op vakantie geweest in Antalya te Turkije. De reis is geboekt op 11 februari 2011 en de reissom bedroeg € 2.857,50. De reissom is betaald door [betrokkene 7] te [plaats].

Vanaf 6 februari 2012 verbleef verdachte voor een vakantie in Lapland. Uit onderzoek is vastgesteld dat deze vakantie op 20 oktober 2011 tot stand is gekomen. De reis kostte in totaal € 3.005,-. De reis is geboekt door [betrokkene 1], [a-straat 1] te [plaats]. Als deelnemers aan de reis zijn opgegeven [betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1983 en [verdachte], geboren [geboortedatum] 1981. Een bedrag van € 598,50 is overgemaakt van de rekening van [betrokkene 2] en € 2.406,50 van de rekening op naam van [betrokkene 8].

Gesteld wordt dat genoemde drie vakanties schenkingen betroffen van ouders / stiefouders. Verdachte is op 9 april 2010 gehuwd met [betrokkene 1]. De volledige reissom voor de reis naar Egypte is betaald door de stiefvader van verdachte [betrokkene 2]. De militaire kamer acht het niet onaannemelijk dat deze reis verdachte als huwelijkscadeau is geschonken. De militaire kamer acht het daarentegen onaannemelijk dat verdachte binnen een tijdsbestek van enkele maanden daarna nog tweemaal een vrij kostbare vakantie als geschenk gekregen heeft, mede gelet op de ongebruikelijke wijze van betaling van die reizen, via rekeningen van meerdere andere personen.

Overige: Naast voornoemde aankopen zijn er nog vele contante uitgaven door verdachte gedaan. Het volledig overzicht betreffende deze contante betalingen is weergegeven in de hiervoor aangehaalde kasopstelling welke als bijlage is gevoegd bij het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.

Verdachte weigert op hem gestelde vragen te antwoorden en weigert inzicht te geven in zijn financiële uitgavenpatroon zoals hiervoor weergegeven, of over bronnen van contant geld. Dat heeft tot gevolg dat de militaire kamer geen rekening kan houden met eventueel alternatieve bronnen voor de gedane uitgaven. Bij gebreke van een legale inkomstenbron voor de door verdachte gedane contante uitgaven kan het naar het oordeel van de militaire kamer daarom niet anders dan dat verdachte gelden uit enig misdrijf op de wijze zoals hiervoor omschreven heeft witgewassen.”

7. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het vonnis van de rechtbank ten onrechte heeft bevestigd, aangezien het vonnis innerlijk tegenstrijdig is doordat het onder 1 bewezen verklaarde is gekwalificeerd als “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, terwijl bewezen is verklaard dat de verdachte voorwerpen heeft witgewassen, terwijl die voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf, van welk misdrijf de verdachte een gewoonte heeft gemaakt.

8. Het middel gaat uit van een lezing van de bewezenverklaring waarin de zinsnede “van welk misdrijf hij een gewoonte heeft gemaakt” niet betrekking heeft op het witwassen, maar op het misdrijf waaruit de witgewassen voorwerpen afkomstig zijn. In die lezing zou de verdachte van dit laatste misdrijf een gewoonte hebben gemaakt en niet van het witwassen. Naar mijn mening berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het derhalve feitelijke grondslag.

9. Het hof heeft het ten laste gelegde kennelijk en niet onbegrijpelijk verstaan als te zijn toegesneden op gewoontewitwassen in de zin van art. 420ter Sr. Uit de kwalificatie van het bewezen verklaarde volgt dat het hof is uitgegaan van een tenlastelegging die inhoudt dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het misdrijf witwassen, door het verwerven, voorhanden hebben, overdragen en/of omzetten althans gebruikmaken van de ten laste gelegde voorwerpen terwijl hij wist dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf. Die uitleg van de tenlastelegging is met haar bewoordingen niet onverenigbaar en moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd3. In de hiervoor weergegeven tekst van de tenlastelegging is in lijn met het bepaalde in art. 420ter Sr opgenomen dat “bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, van het plegen van welk misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt”. Ook uit het gebruik van het enkelvoud en meervoud volgt dat de gewoonte het witwassen betreft en niet het onderliggende misdrijf. De dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg vermeldt ook art. 420ter Sr (naast het impliciet subsidiair ten laste gelegde witwassen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid, onder b Sr) als het wettelijk voorschrift waarbij het ten laste gelegde feit 1 primair is strafbaar gesteld. Uitgaande van die uitleg, is van de in het middel bedoelde innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 423 Sv het vonnis niet heeft vernietigd, aangezien uit het arrest van het hof bezwaarlijk anders kan volgen dan dat het hof een andere beslissing heeft genomen ten aanzien het bewezen verklaarde en de bewijsmotivering dan de rechtbank. Daartoe wijst de steller van het middel op de beslissingen die het hof heeft genomen omtrent het beslag en de motivering daarvan.

12. Het hof heeft het vonnis wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 bevestigd. Daarbij heeft het hof de gronden waarop het vonnis rust, en daarmee dus de bewijsvoering, overgenomen. Wel heeft het hof het vonnis vernietigd ten aanzien van de beslissingen omtrent het beslag, en vervolgens onder meer beslist tot de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen geldbedragen van € 100 en € 500. Deze beslissing heeft het hof als volgt gemotiveerd:

“Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de bij verdachte aangetroffen bedragen van € 100 en € 500 niet kan worden vastgesteld dat deze op enigerlei wijze afkomstig zijn van misdrijf en derhalve ook niet zijn witgewassen. Deze bedragen dienen derhalve te worden teruggegeven aan verdachte”.

13. De overweging van het hof dat niet kan worden vastgesteld dat de geldbedragen van € 100 en € 500 van misdrijf afkomstig zijn en daarom niet zijn witgewassen, lijkt strijdig met de bewijsvoering in het bevestigde vonnis. Lees ik het vonnis goed, dan doelt de rechtbank met de in de bewezenverklaring genoemde witgewassen “geldbedragen” op het contante bedrag van in totaal € 2.433,78 dat in de woning van de verdachte is aangetroffen. De kennisgeving inbeslagneming die de rechtbank daarbij tot het bewijs bezigt, laat zien dat zich bij dat totaalbedrag bedragen van € 100 en € 500 bevonden.4 Aangezien ik uit het dossier niet opmaak dat onder de verdachte andere bedragen van deze grootte in beslag zijn genomen, ga ik ervan uit dat het hof op deze twee bedragen het oog heeft gehad bij de beslissing tot teruggave.

14. Hoewel gelet op het voorafgaande de vraag kan worden gesteld hoe de motivering van de beslissing omtrent het beslag zich tot de bewijsvoering verhoudt, meen ik dat het middel niet kan slagen. Het middel berust immers op de veronderstelling dat het hof het vonnis van de rechtbank aldus niet had mogen bevestigen. Die veronderstelling is onjuist. In de bewezenverklaring is, voor zover hier relevant en kort samengevat, slechts opgenomen dat “geldbedragen” zijn witgewassen, zonder specificatie van de omvang van de desbetreffende bedragen. Die bewezenverklaring en de bewijsvoering laten de mogelijkheid open dat niet alle geldbedragen die zijn aangetroffen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Ook als moet worden aangenomen dat het hof er, anders dan de rechtbank, van uit is gegaan dat de bedragen van € 100 en € 500 niet uit enig misdrijf afkomstig zijn, kan de bewezenverklaring ten aanzien van “geldbedragen” in stand blijven. Het hof had in dat geval het vonnis in zoverre kunnen bevestigen met aanvulling of verbetering van gronden.5 Mocht al van enige tegenstrijdigheid sprake zijn, kan het arrest in die zin verbeterd worden gelezen. Daarbij merk ik nog op dat het hierbij gaat om een klein deel van de geldbedragen die zijn aangetroffen.

15. Het middel faalt.

16. Het derde middel richt zich met verschillende klachten tegen de motivering van het oordeel dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn, in het licht van het in hoger beroep aangevoerde. In de eerste plaats wordt aangevoerd dat de verdachte in hoger beroep een verklaring heeft gegeven voor de foto waarop zijn zoon, omringd door hennepplanten, staat afgebeeld, waardoor de overweging in het bevestigde vonnis dat de verdachte noch bij de politie noch ter zitting over deze foto een verklaring heeft willen afleggen “in de lucht is komen te hangen”. Ten tweede is volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het voorhanden hebben van hennep het misdrijf is geweest dat tot de witgewassen voorwerpen heeft geleid, aangezien het voorhanden hebben van hennep geen omzet pleegt te genereren. Ten derde heeft het hof volgens de steller van het middel verzuimd te reageren op hetgeen de raadsman ter zake heeft aangevoerd.

17. Ik begin met de eerste klacht. Uit de hiervoor weergegeven bewijsvoering volgt dat het hof uit een foto waarop volgens hem de zoon van de verdachte is omringd door, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, henneptoppen en overige delen van hennepplanten, heeft afgeleid dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode heeft bezig gehouden met het plegen van een strafbaar feit, te weten het voorhanden hebben van hennep. Daartoe is overwogen dat de verdachte over die foto noch bij de politie noch ter zitting een verklaring heeft willen afleggen.

18. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2014 blijkt dat de verdachte ten aanzien van de bedoelde foto aldaar heeft verklaard dat zijn vader van iemand een stekje had gekregen, dat dat stekje behoorlijk was uitgegroeid, dat de verdachte de plant had omgezaagd en geknipt, dat het ging om een uit de kluiten gewassen plant en dat hij later heeft gehoord dat de kwaliteit van de wiet ‘niets’ was.6 Weliswaar heeft de verdachte hiermee in hoger beroep, zoals de steller van het middel aanvoert, een verklaring gegeven voor de foto, maar deze verklaring doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van hennep geenszins af. De verklaring van de verdachte geeft aan dit oordeel veeleer steun. Deze verklaring stond reeds om deze reden niet in de weg aan een bevestiging van het vonnis door het hof.

19. Aan de tweede klacht ligt de veronderstelling ten grondslag dat het hof heeft vastgesteld dat het voorhanden hebben van hennep het misdrijf is geweest dat heeft geleid tot de witgewassen voorwerpen. Daarmee berust de klacht op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak en mist deze derhalve feitelijke grondslag.

20. Het hof is van oordeel is dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte gelden uit enig misdrijf heeft witgewassen. De redenering waarbij ‘het niet anders kan zijn’ dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn, past bij een bewijsconstructie waarbij geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf. Naar vaste rechtspraak kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht dat onder een verdachte aangetroffen contant geld "uit enig misdrijf afkomstig is", indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.7 Dit geldt niet alleen voor contante geldbedragen, maar eveneens voor (andere) voorwerpen.8

21. In het licht van het voorafgaande, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. In de bewijsoverweging ligt immers besloten dat het volgens het hof niet anders kan zijn dan dat de bewezen verklaarde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn, in welk verband het hof heeft meegewogen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring voor een legale herkomst heeft verschaft.9 Het hof is kennelijk van oordeel geweest dat er geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de bewezen verklaarde voorwerpen en een bepaald misdrijf, en dus ook niet met het door het hof geconstateerde voorhanden hebben van hennep door de verdachte. Ook ten aanzien van de omstandigheden waaruit het hof afleidt dat het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen (middellijk) van misdrijf afkomstig zijn, beroept het hof zich niet op het voorhanden hebben van hennep door de verdachte, maar op de omstandigheid dat een legale contante inkomstenbron voor de door de verdachte gedane contante uitgaven ontbreekt. Dit roept de vraag op waarom het hof dan toch heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van hennep. Kennelijk is dit voor het hof niet meer geweest dan een aanwijzing dat sprake is van voorwerpen uit misdrijf afkomstig, zonder dat het voorhanden hebben van hennep als zodanig als dat onderliggende misdrijf wordt aangemerkt.10

22. De derde klacht, die ook berust op de opvatting dat het hof van oordeel is geweest dat de witgewassen voorwerpen afkomstig zijn uit het voorhanden hebben van hennep, gaat aldus uit van een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak, en faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.

23. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

24. Het vierde middel neemt tot uitgangspunt dat de bewijsvoering is gebaseerd is op “een interpretatie van het uitgavenpatroon, tegen de aanname dat de verdachte geen (kenbare) legale inkomsten zou hebben gehad”. Zoals blijkt uit de toelichting, klaagt dit middel dat het oordeel dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn in het licht van hetgeen ter zitting in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onvoldoende met redenen is omkleed.

25. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte onder meer het volgende verklaard:

“Ik dacht dat ik in eerste aanleg zou worden vrijgesproken. Ik had geld gespaard. Ik verdiende € 1.500 per maand en woonde nog gewoon thuis. Ik houd niet van banken. Het bedrag aan rente dat je ontvangt is niet hoog. Ik zie liever wat ik heb. U houdt mij voor dat dat toch risico's inhoudt, bijvoorbeeld in geval van brand of diefstal. Ik vertrouw banken niet.”

26. De ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Het hoger beroep

Heden heeft Cl toegelicht hoe het zo kan zijn dat hij gedurende de litigieuze periode over meer contanten kon beschikken dan uiteindelijk door justitie 'gezien'.

(…)

Gelet op het dossier en meer in het bijzonder gezien de vele contante betalingen die zijn verricht; is het uiterst onaannemelijk dat Cl (en zijn partner) op 1 januari 2006 slechts beschikte over EUR 50 aan contanten.

Het is veeleer aannemelijk dat Cl reeds toen beschikte over substantiële contanten en dat ook in de periode daarvoor Cl gewoon was a contant te betalen.

Ik stel vast dat Cl vóór zijn carrière als militair bij zijn oom heeft gewerkt. Zijn vrouw zegt daarover bij de RC: "Hij heeft voordat hij bij de luchtmacht werkte, bij zijn oom gewerkt als loodgieter. Dat was een fulltime baan."

Een fulltime dienstverband terwijl je bij je bij ouders woont en geen geld hoeft af te dragen, staat garant voor een substantieel vermogen aan het einde van deze periode. Gesteld dat Cl per maand (conservatief) EUR 1.000 apart heeft gelegd, dan levert dat jaarlijks 12.000 euro op. In 5 jaar tijd is dat 60.000 euro.

Bij de politie heeft Cl al verklaard dat hij al jaren spaart [pv d.d. 7-12-11 te 13.00 uur pag. 17 van 19];

In de pleitnota e.a. staat:

“Spaargeld

Door het OM is tevens geen rekening gehouden met het spaargeld van CL. Daarmee heeft hij diverse uitgaven gedaan. CL is eind 2006 op zichzelf gaan wonen en werd voor die tijd altijd (financieel) onderhouden door zijn ouders. CL heeft van jongs af aan altijd werk gehad en verdiende op vroege leeftijd al redelijk goed (blijkt ook uit de rekeningafschriften) en gedurende de tijd dat hij bij zijn ouders woonde heeft hij een flink geldbedrag bij elkaar gespaard.

Het spaargeld zette CL niet op de bank. Daar had CL geen vertrouwen in. Zijn vrouw bemoeide zich niet met het spaargeld van CL. Dikwijls kocht CL van zijn spaargeld elektronica. Het geld dat CL door de jaren heen spaarde is inmiddels zo goed als op. Het spaargeld verstopte CL op meerder plekken in huis, dat leek hem het meest veilig. Zo is er bij de doorzoeking geld aangetroffen onder het matras van CL.

Dat CL een echte spaarder was, wordt bevestigd door de stiefvader van CL die bij de RC is gehoord als getuige op 22 april 2013:

Op de vraag of getuige wist of Cl spaargeld had antwoordt hij:

"Ja. Hij heeft altijd gewerkt. Hij hoefde nooit thuis iets af te geven. Hij rookte niet, hij stapte niet, hij dronk niet. Hij kon dus altijd sparen.

Op de vraag of CL ook contanten had antwoordt hij:

"[verdachte] was niet zo'n bankman" (...) "Hij was een pinneke".

Op de vraag wat getuige daarmee bedoelt antwoordt hij:

“Hij spaarde gewoon thuis. Hij spaarde vanaf zijn 14e". “Dat legde hij in een kluisje bij ons op zolder”. (…) “Ik denk dat hij het kluisje heeft meegenomen toen hij uit huis ging.”

De vrouw van CL heeft bij de RC verklaard dat zij wist dat CL altijd heeft gespaard. Waar hij dat geld precies bewaarde weet zij niet. Wel heeft zij verklaard:

"Hij zette het niet op de bank".

(…)

Zo tegen het einde van de tenlastegelegde periode zat Cl zo'n beetje door zijn gespaarde gelden heen; hij is toen geld gaan lenen i.v.m. de aan te schaffen hond; teneinde daarmee te fokken en aldus de fondsen weer een beetje op te krikken.

Conclusie:

Uit het dossier blijkt en bleek dat Cl gedurende een langere tijd -a contant- heeft kunnen sparen. Fiscaal is zulks door een simpele druk op de knop te verifiëren; dit is nimmer gedaan.

In hoger beroep heeft Cl uitgelegd hoe en waarom hij heeft gespaard. Reeds in eerste aanleg is Cl er duidelijk over geweest dat hij liever zoveel mogelijk in contanten werkt; hij heeft geen vertrouwen in het bankwezen.

Blijkens het maatgevende arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 12-03-08 [LJN BC6515] heeft Cl -i.v.m. de herkomst van de gelden- een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken verklaring afgelegd:

"In het licht van al het voorgaande is het hof van oordeel -anders dan de rechtbank- dat bij gebreke aan direct bewijs voor het van enig misdrijf afkomstig zijn van het geld en gezien de duidelijke en verifieerbare stelling van de verdachte ten aanzien van de herkomst van het geld, het op de weg van het openbaar ministerie had gelegen om te onderzoeken of [investeerder] belangen heeft gehad in cambio-ondernemingen, welke herkomst naar het oordeel van het hof een alternatief kan zijn. Dergelijk onderzoek is niet verricht, althans het hof heeft daarvan geen resultaten in het dossier aangetroffen."

Overigens zij verwezen naar de uitspraken i.v.m. het criterium van de "volstrekte onwaarschijnlijkheid" zoals in eerste aanleg verwoord: BW6608 en BN8628.

Cl heeft gespaarde gelden aangewend en uitgegeven t.b.v. het -voor hem toen- nieuwe gezinsleven. Er is geen sprake geweest van witwassen.

Vrijspraak.”

27. Het hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de bewezen verklaarde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof heeft dit oordeel hoofdzakelijk gebaseerd op een kasopstelling. Deze kasopstelling is opgesteld ten behoeve van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat in dat verband om een abstracte methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij (kort gezegd) het patroon van inkomsten en uitgaven voor de berekening van het voordeel tot uitgangspunt wordt genomen. Het verschil tussen uitgaven en ontvangsten kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. Een dergelijke methode is in het kader van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel toelaatbaar.11 Daarmee is nog niet gezegd dat uit de enkele uitkomst van een kasopstelling kan worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat het verschil tussen uitgaven en ontvangsten afkomstig is uit misdrijf.12 Daarvoor verschillen de bewijsregimes in beide procedures te zeer van elkaar. De wetgever heeft in het kader van de strafbaarstelling van witwassen ten aanzien van de criminele herkomst van het aangetroffen geldbedrag geen verlichting van de bewijslast beoogd, terwijl daarvan bij de ontnemingsprocedure juist wel sprake is. In HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194 had het hof overwogen dat in een strafzaak waarin witwassen bewezen dient te worden verklaard andere, in de zin van hogere eisen moeten worden gesteld aan de precisie en concreetheid van hetgeen bewezen moet worden verklaard en van daaraan ten grondslag te leggen redengevende feiten en omstandigheden dan in de ontnemingsprocedure. Dit heeft volgens het hof verstrekkende gevolgen voor de bewijslastverdeling in de onderscheiden procedures en voor aan de proceshouding van een verdachte te verbinden consequenties. Het hof achtte in de desbetreffende zaak niet wettig en overtuigend bewezen dat de in de tenlastelegging bedoelde geldbedragen en goederen afkomstig waren uit enig misdrijf en sprak de verdachte van het op witwassen geënte ten laste gelegde vrij. Dat oordeel was volgens de Hoge Raad, die het cassatieberoep verwierp, niet onbegrijpelijk

28. Uit de kasopstelling in de onderhavige zaak is het hof gebleken, dat de verdachte in de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 december 2011 € 60.345,59 beschikbaar had om contant uit te geven, en dat de feitelijke contante betalingen € 135.038,92 bedroegen. Daarbij is het hof uitgegaan van een beginsaldo van € 50,-. Op grond daarvan heeft het hof vastgesteld dat tegenover de legaal door verdachte ontvangen inkomsten een bedrag van € 74.693,33 door verdachte contant is uitgegeven waarvoor geen legale herkomst is gevonden.

29. Het in hoger beroep gevoerde verweer houdt in de kern in dat de verdachte tijdens de periode waarop de kasopstelling ziet beschikte over contant spaargeld dat niet in de berekening is betrokken. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte inkomsten uit eerdere banen had, hetgeen zou blijken uit rekeningafschriften. De verdachte woonde voorts tot eind 2006 bij zijn ouders, door wie hij financieel werd onderhouden. Doordat de verdachte geen vertrouwen had in het bankwezen, bewaarde hij veel geld thuis en rekende hij met contant geld af.

30. Het hof wijdt in zijn arrest enkele woorden aan de aannemelijkheid van de in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen, maar gaat ongemotiveerd voorbij aan hetgeen de verdediging ten aanzien van de herkomst van de gelden waarmee contante uitgaven zijn gedaan heeft aangevoerd. Daarmee resteren de overwegingen in het bevestigde vonnis, maar ook daarin ligt een antwoord op het aangevoerde niet besloten. Dit vonnis houdt in dit verband slechts in dat de verdachte weigert vragen te beantwoorden en weigert inzicht te verschaffen in zijn financiële uitgavenpatroon of over bronnen van contant geld, zodat geen rekening kan worden houden met eventueel alternatieve bronnen voor de gedane uitgaven. De verdachte heeft evenwel – ook in hoger beroep – een alternatieve bron aangedragen waarover het hof zich niet heeft uitgelaten. Door de juistheid van de verklaring van de verdachte en hetgeen daarover door de verdediging is aangevoerd in het midden te laten, is ‘s hofs oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

31. Het middel slaagt.

32. Het vierde middel slaagt. Het eerste, tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte, met nummer 14/02107 P, in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

2 De voetnoten zijn weggelaten.

3 Vgl. HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5659 rov. 3.5.

4 Dossierpagina 623.

5 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, rov. 2.8.2. Een vonnis waarmee de appelrechter zich wat betreft de gronden niet kan verenigen, leent zich voor bevestiging, zij het met aanvulling of verbetering van die gronden.

6 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2014, pagina 2.

7 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, rov. 2.5, NJ 2010/456.

8 Vgl. HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194, rov. 3.4.

9 Vgl. HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:325.

10 Vgl. ook HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2857.

11 HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182 en HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3569.

12 Zie ook M.D. Nuis, Witwassen én ontnemen, een voedingsbodem voor onbegrip, NJB 2013/1346 en mijn conclusie voorafgaand aan HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2758, NJ 2014/433. Zie voor een ander voorbeeld waarin een kasopstelling in het kader van het bewijs van witwassen is gebruikt: HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2857.