Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1012

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-06-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
14/03316
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1794, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht medeplegen opzettelijk telen hennep. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474 m.b.t. medeplegen en medeplichtigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03316

Zitting: 16 juni 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij arrest van 11 juni 2014 de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en “mishandeling, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, onder aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Door de verdachte is cassatie ingesteld. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt over het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen (van het opzettelijk telen van hennep).

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1.

hij in de periode van 12 januari 2010 en 25 mei 2010 te Assen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [a-straat 1] te Assen) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 212 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakte proces-verbaal (pagina 34 e.v. van het proces-verbaal met nummer PL031S 2010063956), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 25 mei 2010 om 12:43 uur heeft er een doorzoeking plaats gevonden in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Assen in het kader van de Wet Wapens en Munitie en de Opiumwet. Dit naar aanleiding van een aangifte van huiselijk geweld. De aangeefster [betrokkene 1] , verklaarde dat de verdachte [verdachte] haar een pistool tegen haar hoofd had gezet. Tevens was er informatie dat er een hennepkwekerij van [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte, [verdachte] ) in de woning bevond. Dit had de aangeefster tegen de collega's [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op 13 mei 2010 verteld (PV nr. 2010029008-2).

Op zolder werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

De volgende gegevens gekregen van Enexis:

[a-straat 1] te Assen:

Contractant [verdachte] , M, [geboortedatum] .1971, sinds 23.06.09.

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat er op zolder van de woning een hennepkwekerij was ingericht.

Ik zag dat men bezig was geweest om hennep in de hennepkwekerij te oogsten.

Ik zag dat de kweekruimte een afmeting van ongeveer 5 bij 7 meter had.

Op de grond stonden er in totaal 212 zwarte plastic bloempotten, met daarin in totaal 212 hennepplanten met een gemiddelde hoogte van ongeveer 50 a 60 cm.

In beslag werd genomen: 212 vrouwelijke hennepplanten.

2. Het in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakte proces-verbaal (pagina 50 van het proces-verbaal met nummer 2010013299 / 2010029008), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Het testmateriaal maakt deel uit van een hoeveelheid van 212 volgroeide hennepplanten uit de hennepkwekerij in de woning aan de [a-straat 1] te Assen.

De kleuromslag, na het in contact brengen met het testmateriaal in de testampul, ging over van kleur helder grijs naar helder rood. Dit is een indicatie voor het Opiumwetmiddel cannabis/hennep, als vermeld op de lijst II van de Opiumwet.

3. Het in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakte proces-verbaal (pagina 68 e.v. van het proces-verbaal met nummer PL031S 2010029008- 44), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

V: Omschrijf de derde verdieping van de woning [a-straat 1] in Assen eens?

A: Er zat een wietplantage en er zou de eerste keer geoogst worden. En [betrokkene 1] zou een gedeelte van het geld krijgen. Ik denk de helft maar dat weet ik niet precies. Ze had een gedeelte van het geld verwacht van deze oogst.

A: Ik heb de personen geregeld die de wietplantage gemaakt hebben.

V: Laten we twee weken voor nemen en eind mei 2010 ben je opgepakt.

A: Volgens mij waren ze toen al klaar. De oogst was zo een beetje klaar.

V: Hoe weetje dat?

A: Ze zeiden dat het ongeveer 8, 9 weken zou duren.

V: Zolang heeft die er wel in gezeten?

A: Ja wel 8 weken. Vanaf toen was de deur op slot.

V: Dus halverwege februari is die aangelegd?

A: Nou reken uit.

V: Dat doe ik, halverwege mei tellen we drie maanden terug, dat is februari.

A: Nou 8, 9 weken voor een oogst, misschien tien. En dan nog twee week voor het bouwen of zo.

V: Waarom zouden die mensen dat geld aan jou geven?

A: Omdat ik mensen heb geregeld die voor haar de plantage hebben gemaakt. Ik stond er tussenin.

V: Dus de betaling zou ze krijgen via jou?

A: Ja.

A: Ik ben wel op zolder geweest en in het hok voor de plantage.

Op 20 september 2010 werd de verdachte [betrokkene 2] gehoord en verklaarde:

De woning aan de [a-straat 1] te Assen heb ik vanaf 11 april 2008 gehuurd. Ik heb de woning begin 2009 gemeubileerd aan [betrokkene 1] verhuurd.”

6. Het hoger beroep is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 mei 2014. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

“(…)

Verdachte verklaart op vragen van de voorzitter - zakelijk weergegeven:

lk weet dat er een hennepplantage in de woning van mijn ex-vriendin [betrokkene 1] is aangetroffen, maar ik heb er niets mee te maken. Nee, ik heb daar in die tijd niet gewoond. Ik was er wel eens omdat [betrokkene 1] er woonde. Ik heb er misschien wel ingeschreven gestaan, maar dat zegt tegenwoordig toch niets? Ik weet niet meer wat de reden was om mij daar in te schrijven. Die periode heb ik achter mij gelaten. Mijn kinderen sliepen daar inderdaad ook in die tijd. Er kwamen meerdere mensen over de vloer. De buren hebben dat ook verklaard.

Het zou kunnen dat de elektriciteit op mijn naam stond. Ik heb geen bemoeienis gehad met de kwekerij. Als dat anders staat vermeld in mijn verklaring bij de politie, dan heeft de politie mijn verklaring verkeerd genoteerd. Als ik zou weten dat er een hennepkwekerij aanwezig was en de aansluiting voor elektriciteit op mijn naam zou laten zetten, dan is dat toch niet slim? [betrokkene 1] zat in de prostitutie. Ik stond in die tijd ingeschreven op de [b-straat] te Groningen.

Ik heb geen contact meer met [betrokkene 1] . Zij is spoorloos. Ik vind het ook zo vreemd dat ik in 2010 verhoord ben en er vervolgens nooit meer wat van hoorde. Twee jaar later, toen de zaak van [betrokkene 2] erbij kwam, werd er ineens wel wat mee gedaan. Als er beter onderzoek was gedaan, had [betrokkene 1] gehoord kunnen worden. Ik heb niets te maken met de hennepkwekerij en ook niet met de diefstal van elektriciteit.

(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging - zakelijk weergegeven:

Ik verzoek uw hof cliënt vrij te spreken van de feiten 1, 2 en 3. Aan die feiten heeft hij zich niet schuldig gemaakt, ook niet als medepleger. Er zijn veel aanknopingspunten in het dossier te vinden dat cliënt niet betrokken was bij de hennepkwekerij. De hennepplantage was van [betrokkene 1] . Zij wilde uit de prostitutie en dacht door middel van de hennepkwekerij op eenvoudige wijze inkomsten te kunnen genereren. Feit 1 had eerder berecht moeten worden. Als de berechting eerder had plaatsgevonden had [betrokkene 1] gehoord kunnen worden. Er is hooguit sprake van medeplichtigheid als het gaat om feit 1.

(…)”

7. Voorts heeft het hof ten aanzien van de bewezenverklaring nog het volgende overwogen:

“Bewijsverweren feit 1

Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Het hof is van oordeel dat het gevoerde verweer wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, met name door verdachtes verklaring bij de politie afgelegd op 7 juni 2010, omstreeks 13.02 uur. Hieruit komt naar voren dat verdachte de mensen geregeld heeft die voor zijn toenmalige vriendin de plantage hebben aangelegd en dat de betaling voor de hennepplantage aan verdachtes toenmalige vriendin via verdachte liep.”

8. In de toelichting klaagt het middel dat het hof op basis van de bewijsmiddelen niet heeft kunnen oordelen dat de verdachte zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt dat er van medeplegen kan worden gesproken. De door het hof in zijn nadere bewijsoverweging aangehaalde omstandigheden dat:

i) de verdachte mensen heeft geregeld die voor zijn toenmalige vriendin de plantage hebben aangelegd en;

ii) de betaling voor de hennepplantage (een deel van de opbrengst) aan verdachtes toenmalige vriendin via hem liep,

zijn volgens het middel onvoldoende om als medeplegen (van hennepteelt) te kunnen worden aangemerkt, hoogstens als medeplichtigheid.

9. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt mijns inziens dat:

- [betrokkene 1] (de toenmalige vriendin van de verdachte) aan de politie heeft verteld dat er zich in de woning aan de [a-straat 1] te Assen een hennepkwekerij van de verdachte bevond;1

- het huurcontract met Enexis voor de elektra op de [a-straat 1] te Assen op naam van de verdachte stond;

- de verdachte de mensen heeft geregeld die de plantage hebben aangelegd;

- de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de hennepplantage, en in grove lijnen wetenschap had van de planning rondom de teelt en de verwachte datum van de oogst;

- de verdachte weleens op de zolder en in het hok voor de plantage is geweest;

- de verdachte wetenschap had van de kennelijke afspraak dat [betrokkene 1] de helft van de opbrengst zou ontvangen;

- na de oogst de betaling van de helft van de opbrengst aan [betrokkene 1] via de verdachte zou lopen.

10. De omstandigheden “dat verdachte de mensen geregeld heeft die voor zijn toenmalige vriendin de plantage hebben aangelegd en dat de betaling voor de hennepplantage aan verdachtes toenmalige vriendin via verdachte liep,” waren voor het hof doorslaggevend voor zijn oordeel dat de verdachte het onderwerpelijke delict heeft medegepleegd.

11. In het licht van de recente rechtspraak van Uw Raad2 omtrent het leerstuk medeplegen en de afgrenzing daarvan met de rechtsfiguur medeplichtigheid, waarvan het hof overigens nog geen kennis had kunnen nemen, meen ik echter dat ’s hofs oordeel lijdt aan een motiveringsgebrek. Bewezenverklaard is immers het medeplegen van het telen van hennep, welk delict een bewuste en nauwe samenwerking met een ander vergt, gericht op dit telen van hennep.

12. Ten eerste is van belang dat uit de bewijsmiddelen niet van enige uitvoeringshandelingen (d.w.z. telen) blijkt. Wil het onderwerpelijke handelen van de verdachte kunnen worden bestempeld als ‘medeplegen’, moet dit ontbreken van enige uitvoeringshandelingen - indachtig genoemde rechtspraak - gecompenseerd worden door een grotere rol in de voorbereiding van het delict. In de onderhavige casus bestond die rol uit het regelen van de mensen die de plantage hebben opgebouwd. Prima facie is deze gedraging een bij uitstek faciliterende handeling, gericht op het vergemakkelijken van het delict, hetgeen kenmerkend is voor medeplichtigheid.

13. De vraag die het middel derhalve terecht aan de orde stelt is of het (voorgenomen) ‘doorsluizen’ van een deel van de opbrengst door de verdachte naar zijn toenmalige vriendin tezamen met de voornoemde voorbereidingshandeling ’s hofs oordeel over het medeplegen alsnog begrijpelijk maakt. Ik ben geneigd deze vraag ontkennend te beantwoorden.

14. Beide handelingen zijn faciliterend van aard. Voorts kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de verdachte anderszins substantieel heeft bijgedragen aan het delict, of zou delen in de opbrengst van de plantage.3 Daarmee heeft het hof onvoldoende duidelijk gemaakt welke gronden de kwalificatie dragen.4

15. Het middel slaagt.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. bewijsmiddel 1. Haar verklaring zoals daarnaar verwezen wordt, maakt overigens niet als zelfstandige verklaring deel uit van de bewijsmiddelen en bevindt zich als zodanig ook niet bij de stukken.

2 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:3474 en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637.

3 Een blik over de papieren muur wijst uit dat de verdachte in zijn verhoor van 7 juni 2010 bij de politie heeft verklaard dat hij - vanwege het verbreken van zijn relatie met [betrokkene 1] - voornemens was om het geld dat hij uit de opbrengst van de plantage zou ontvangen en aan [betrokkene 1] zou moeten geven, niet aan haar zou afstaan (en – zo meen ik te moeten begrijpen - derhalve voor zichzelf zou houden). Dat had hij haar ook al met zoveel woorden medegedeeld. (Vgl. de verklaringen verdachte op pagina 71-72 van het proces-verbaal met nummer PL031S 2010029008-44.) Nu dit gegeven evenwel niet in de bewijsmiddelen is opgenomen, moet het in cassatie worden genegeerd.

4 Zie ook HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2967. In deze zaak ging het om een hennepplantage die was aangetroffen in de echtelijke woning met winkel van de verdachte en haar echtgenoot. De verdachte had met haar echtgenoot gesproken over zijn plan om door middel van hennepteelt een deel van hun gezamenlijke schulden af te lossen, en met haar instemming is de plantage geïnstalleerd in hun beider woning. Vervolgens is met de opbrengst een deel van de gezamenlijke schulden afgelost. De verdachte kwam evenwel nooit in de kwekerij en had verder geen enkele actieve bijdrage geleverd aan de inrichting en de exploitatie. Het hof had doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte op de hoogte was van het plan en ingestemd had met de kwekerij, en dat de opbrengst van de oogst ook aan de verdachte ten goede was gekomen. Dat was voor Uw Raad niet genoeg om (zonder meer) van medeplegen te kunnen spreken.