Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:1006

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-04-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
14/02477
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1787, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:HR:2012:BX4998. Art. 184 Sr en art. 447e Sr. V.zv. het middel betoogt dat het Hof zijn oordeel dat art. 447e Sr niet heeft te gelden als specialis van art. 184 Sr niet heeft gemotiveerd, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Het middel dat steunt op de opvatting dat in de gegeven omstandigheden de vervolging van verdachte t.z.v. art. 184 Sr als “disproportioneel” moet worden aangemerkt en dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. De vervolgingsbeslissing van het OM leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een n-o verklaring van het OM in de vervolging op de grond dat die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (ECLI:NL:HR:2012:BX4280). Het oordeel van het Hof dat de onderhavige vervolging t.z.v. art. 184 Sr “als niet disproportioneel kan worden aangemerkt” is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Overige middelen: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02477

Zitting: 21 april 2015

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, en 2. “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast” veroordeeld tot een geldboete van € 150,00, subsidiair 3 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“1:
hij op 16 december 2008 te Utrecht, opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [verbalisant 1], brigadier van politie en [verbalisant 2], hoofdagent van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in uniform gekleed en met algemeen toezicht belast in hun tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Vuile kankerfacisten en kankerpolitie", althans woorden van gelijke beledigende aard en strekking;

2:

hij op 16 december 2008 te Utrecht, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht gedaan door [verbalisant 1], brigadier van politie, die was belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd een geldig op zijn naam staand identiteitsbewijs te tonen, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering”.

4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“Ten aanzien van feit 1:

a. Een (als bijlage bij het hiervoor onder 1 genoemde proces-verbaal gevoegd) proces-verbaal van aangifte (p. 4-5) van de politie Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3], brigadier, politie Utrecht, voor zover inhoudende als aangifte van [verbalisant 1], zakelijk weergegeven:

"Ik doe aangifte van opzettelijke belediging. Ik zag en hoorde dat de woorden die de verdachte sprak en die ik hieronder zal verklaren, kennelijk opzettelijk in mijn richting en voor mij bestemd, in het openbaar werden gesproken. Ik voel mij hierdoor beledigd. Deze beledigingen werden tegen mij geuit in de rechtmatige uitoefening van mijn bediening. Ik was namelijk werkzaam als politieagent in politie-uniform gekleed."

b. Een (als bijlage bij het hiervoor onder 1 genoemde proces-verbaal gevoegd) proces-verbaal van aangifte (p. 6-7) van de politie Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3], brigadier, politie Utrecht, voor zover inhoudende als aangifte van [verbalisant 2], zakelijk weergegeven:

"Ik doe aangifte van opzettelijke belediging. Ik zag en hoorde dat de woorden die verdachte sprak en die ik hieronder zal verklaren, kennelijk opzettelijk in mijn richting en voor mij bestemd, in het openbaar werden gesproken. Ik voel mij hierdoor beledigd. Deze beledigingen werden tegen mij geuit in de rechtmatige uitoefening van mijn bediening. Namelijk, ik was werkzaam als politieagent in politie-uniform gekleed."

Ten aanzien van feit 2:

c. Een proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris hiervoor onder 3 genoemd, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1], zakelijk weergegeven:

"Ik weet dat het op 16 december 2008 was. Dat weet ik zo goed omdat dit mijn verjaardag is. Het was een bijeenkomst in het Vechthuys in Utrecht. Mijn collega belde mij op dat er verderop mensen van Groenfront waren. Er stonden 2 of 3 mensen, dat weet ik niet meer zeker. Binnen een paar minuten kwam er een jongen aanlopen. Op hetzelfde bruggetje stond ook politie. Ik weet zeker dat er een mannelijke agent aan die jongen om legitimatie vroeg. Het was een jonge jongen, misschien achttien of zo. Ik kon zien dat hij bij Groenfront hoorde. Hij had een herkenbaar T-shirt aan. Ik hoorde die agent om zijn legitimatie vragen en voor ik mij verder iets realiseerde, zag ik dat diezelfde agent die om legitimatie vroeg, de jongen boeide."

Ten aanzien van beide feiten:

a. Een (als bijlage bij het hiervoor onder 1 genoemde proces-verbaal gevoegd) proces-verbaal van bevindingen (p. 11 t/m 13) van de politie Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], brigadier, politie Utrecht en [verbalisant 2], hoofdagent, politie Utrecht, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

"Nadat de dienst om 14.30 was aangevangen, kreeg ik, [verbalisant 1], de informatie dat er een bijeenkomst werd gehouden in het Vechthuys aan de Jagerskade in Utrecht. De eigenaar van het pand had ons geïnformeerd dat hij informatie had ontvangen dat leden van de actiegroep Groenfront ook zouden komen op deze bijeenkomst en zij zouden de boel gaan verstoren. De actiegroep Groenfront is ons ambtshalve goed bekend. Het is ons bekend dat situaties waar Groenfront zich mee bemoeit, nogal eens uit de hand lopen. Gezien het uiterlijk van de meesten van deze leden noemen wij hen 'krakerstypen'. Zij opereren vaak anoniem en er worden dan strafbare feiten gepleegd. Ik, [verbalisant 1], heb vervolgens het politietoezicht in het algemeen verhoogd op deze locatie. Op 16 december 2008, omstreeks 18.00 uur, hoorden wij dat de collega's van een surveillance-eenheid twee 'krakerstypen' signaleerden op de Jagerskade. Zij namen tevens klimattributen waar. Op voornoemde datum zagen wij bij het Vechthuys een krakerstype, welke gebogen liep met een capuchon over zijn hoofd en zijn gelaat niet in onze richting keerde. Ik, [verbalisant 1], vorderde van deze jongen een geldig en op zijn naam staand identiteitsbewijs. Wij wilden op deze manier deze jongen ook uit de anonimiteit halen en hoopten zo te voorkomen dat de orde zou worden verstoord. Wij zagen dat hij ons totaal negeerde en zijn pas versnelde weg van ons. Direct hield ik, [verbalisant 1], hem daadwerkelijk staande door hem aan een draagband van zijn rugzak, ter hoogte van zijn borst vast te pakken. Wij zagen en voelden dat hij zich onmiddellijk verzette door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld. Wij hoorden dat hij vervolgens riep: 'Vuile kankerfacisten. Ik hoef dat helemaal niet te doen.'. Ik, [verbalisant 1], zei: Ik wil nu toch echt je ID zien'. Wij zagen en ik, [verbalisant 1], voelde dat hij met kracht zich uit mijn greep trachtte te onttrekken en zich dus aan zijn identiteitscontrole wilde onttrekken door het met kracht rukken en trekken in een richting tegengesteld. Wij hoorden dat hij vervolgens zei: 'Kankerpolitie, laat me los.' Wij voelden ons in onze goede naam en eer aangetast."

b. Proces-verbaal ter terechtzitting van de Rechtbank Utrecht van 18 november 2009, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1], zakelijk weergegeven:

"Er was een aanwijzing dat de openbare orde zou worden verstoord. Conform de aanwijzing van de procureur-generaal heb ik in het belang van de openbare orde verdachte gevorderd zijn identiteitsbewijs te tonen. Ik heb verdachte vastgepakt toen ik zag dat hij gekleed ging als een krakerstype en een rugzak bij zich had. Daarna heb ik hem om zijn identiteitsbewijs gevraagd. Verdachte toonde deze niet en schold mij uit. Nadat ik hem nogmaals had verzocht om zijn identiteitsbewijs, schold verdachte mij weer uit. Daarop hebben mijn collega en ik verdachte aangehouden."

5. Het Hof heeft voorts – met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten – overwogen:

“Gelet op de inhoud van het dossier waren de verbalisanten op het moment van de aanhouding doende met een hen opgedragen geuniformde taak in het kader van de openbare orde, te weten het ordelijk laten verlopen van een openbare informatiebijeenkomst van Rijkswaterstaat. Verbalisanten deden dit op basis van informatie van de eigenaar van het pand waar de bijeenkomst plaats zou vinden, het Vechthuys, dat leden van de actiegroep GroenFront ook zouden komen en dat zij de boel zouden gaan verstoren. GroenFront is bij verbalisanten ambtshalve bekend met situaties die nog wel eens uit de hand lopen. Zij opereren anoniem en er worden strafbare feiten gepleegd. Gezien het uiterlijk van de meeste leden noemt de politie hen "krakerstypen".

De verbalisanten zagen bij het Vechthuys een "krakerstype" die gebogen liep met een capuchon over zijn hoofd en die zijn gelaat niet in de richting van verbalisanten keerde. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart dat hij van deze jongen een legitimatiebewijs vorderde, dat deze jongen, naar later blijkt verdachte, verbalisanten totaal negeerde en zijn pas versnelde. [verbalisant 1] hield hem staande en pakte hem daartoe vast. Op grond van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering is het een opsporingsambtenaar toegestaan de verdachte daadwerkelijk te dwingen te blijven staan voor de duur van de vragen. Dit kan gepaard gaan met proportioneel geweld. Voor het vastpakken door de verbalisanten van verdachte is derhalve een wettelijke basis aanwezig.

De verbalisant verklaart dat de jongen zich verzette en luid riep "vuile kankerfascisten. Ik hoef dat helemaal niet te doen". [verbalisant 1] verklaart dat hij zei: "ik wil nu toch echt je ID zien", waarna de jongen zich andermaal fysiek verzette en zei: "kankerpolitie, laat me los". Voor de uitoefening van hun taak ter plaatse achtten verbalisanten het geraden om de identiteit van betrokkenen na te trekken. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden bestond daarvoor naar het oordeel van het hof voldoende reden. Verbalisanten handelden derhalve in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

Op grond van voormelde verklaring van [verbalisant 1] heeft deze een legitimatiebewijs gevorderd. Nadat verdachte weigerde, heeft hij gezegd dat ze 'nu toch echt het identiteitsbewijs wilden zien', zodat het voor verdachte redelijkerwijs buiten twijfel moet zijn geweest dat verbalisanten een formele vordering deden.

De verbalisanten hebben als taak het bewaken van de openbare orde. Uit de omstandigheden van het geval is gebleken dat de verbalisanten op goede gronden en niet disproportioneel hebben gehandeld. Het vorderen van het legitimatiebewijs was noodzakelijkerwijs nodig voor het vervullen van deze taak.

Ten aanzien van het verweer dat geen sprake is van een klacht overweegt het hof dat gelet op artikel 269 jo. 267 van het Wetboek van Strafrecht bij een belediging zoals het hof die bewezen acht geen klacht vereist wordt. Het hof verwerpt het verweer.”

6. Het eerste middel houdt in dat het Hof heeft verzuimd te motiveren waarom het is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van verdachte, dat de ambtenaren niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren.

7. Het middel heeft het oog op het volgende bij pleidooi gevoerde verweer, met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten luidende:

“1. De ambtenaren waren niet werkzaam in de rechtmatige, uitoefening van hun bediening toen zijn cliënt vroegen een legitimatiebewijs te tonen.

2. Niet blijkt dat specifiek een vordering werd gedaan tot het overleggen van een identiteitsbewijs. Er kan pas sprake zijn van een vordering indien deze als zodanig kenbaar is. Ter vergelijking wijs ik op een arrest van de Hoge Raad waarin ter discussie stond ot een rechtsgeldig bevel zoals bedoeld in artikel 164 WVW was gegeven, aangezien de politie aan de verdachte had verzocht medewerking te verlenen aan een onderzoek zoals bedoeld in artikel 8 WVW. De hoge raad oordeelde dat een verzoek niet de verplichting schept: om medewerking te verlenen.

Vgl. HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR: 2006:AV617S, NJ 2006, 564 m.nc. J.M. Reijntjes

3. Kortom: de politie dient hier te vorderen, te eisen, en niet slechts te verzoeken.

4. Verbalisant [verbalisant 1] heeft ter zitting in eerste aanleg uitdrukkelijk verklaard cliënt om zijn identiteitsbewijs te hebben gevraagd. Daarna verzocht hij dat nogmaals. Die betreffen derhalve geen vorderingen in de zin van artikel 2 Wet identificatieplicht of artikel 8a Politiewet.

5. Daaraan doet niet af dat [verbalisant 1] deze handelingen in diezelfde zitting zelf kwalificeert als vorderingen:

'Conform de aanwijzing (..) heb ik (..) gevorderd.'

6. Het gaat immers om wat kenbaar is. En wat kenbaar was voor cliënt, was niet meer dan een vraag, een verzoek.

7. Reeds om deze reden waren de ambtenaren niet in de rechtmatige uitoefening hunner bediening en dient vrijspraak te volgen.”

8. Artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht luidt:

“Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8 van de Politiewet 2012 of artikel 6a van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden. Deze verplichting geldt ook indien de vordering wordt gedaan door een toezichthouder.”

9. Het namens verdachte bij wege van verweer ingenomen standpunt dat de brigadier van politie [verbalisant 1] niet handelde in de rechtmatige uitoefening van de bediening, berust – voor zover hier van belang – op de stelling dat [verbalisant 1] – alvorens hij de verdachte vastpakte – niet heeft gevorderd hem het identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden maar dit slechts heeft gevraagd. Deze stelling vindt weerlegging in de overwegingen van het Hof voor zover inhoudende

“Op grond van voormelde verklaring van [verbalisant 1] heeft deze een legitimatiebewijs gevorderd. Nadat verdachte weigerde, heeft hij gezegd dat ze 'nu toch echt het identiteitsbewijs wilden zien', zodat het voor verdachte redelijkerwijs buiten twijfel moet zijn geweest dat verbalisanten een formele vordering deden.”

Daar komt nog bij dat deze overweging steun vindt in de onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van [verbalisant 1].

10. Voor zover bij pleidooi is gesteld dat [verbalisant 1] ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij om het identiteitsbewijs heeft gevraagd stuit het verweer af op de vrijheid van de rechter bij de selectie en waardering van de bewijsmiddelen, die slechts in – zich hier niet voordoende – bijzondere gevallen motivering behoeft.1 Daarom hoefde het Hof zich over zijn keuze niet uit te laten.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel richt zich tegen de verwerping van het verweer ter zake van feit 2 dat het bewezenverklaarde feit niet als overtreding van artikel 184 Sr kan worden gekwalificeerd omdat artikel 447e Sr in dit geval moet worden aangemerkt als een specialis van artikel 184 Sr.

13. Het middel heeft het oog op de volgende overweging van het Hof:

“Het hof is van oordeel dat het antwoord op de vraag of artikel 447e Sr moet worden beschouwd als een specialis van 184 Sr afhangt van de omstandigheden van het geval. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de wetgever uitdrukkelijk de mogelijkheid heeft open gelaten dat de bepalingen naast elkaar bestaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat vervolging op grond van het misdrijf van artikel 184 Sr. in theorie mogelijk is, maar als justitiële reactie "veelal" disproportioneel, vooral als de aanleiding aanhouding voor een overtreding of optreden in het kader van de openbare orde was. Van uitsluiting van vervolging voor artikel 184 Sr lijkt echter geen sprake in die gevallen dat vervolging terzake artikel 184 Sr als niet disproportioneel kan worden aangemerkt. Gelet op hetgeen door verbalisanten is omschreven omtrent de gang van zaken ter plaatse alsmede de agressieve en beledigende reactie van verdachte op de eerste vordering en vervolgens zijn reactie op de herhaalde vordering acht het hof dat er in dit geval sprake is van een proportionele keuze voor art 184 Sr in plaats van art 447e Sr.”

14. De parlementaire geschiedenis over de verhouding tussen art. 184 en 447eSr houdt in:

7. Sanctionering

Nagegaan is op welke wijze het best kan worden opgetreden tegen het niet nakomen van de identificatieplicht. Het betreft in het bijzonder de vraag of een nieuwe strafbaarstelling moet worden geïntroduceerd of dat met de huidige strafbedreiging van artikel 184 Sr kan worden volstaan.

In de motie Nicolai, Kamerstukken II 2000/01, 27 400 VI, nr. 30, werd ervan uitgegaan dat overtreding van een identificatieplicht niet zou moeten leiden tot aparte strafbaarstelling, maar als strafverzwarende omstandigheid zou kunnen meetellen bij de afdoening van het strafbaar feit, waarvoor de staande- of aanhouding had plaatsgevonden. Dit sloot aan bij de bestaande aanwijzing van het College van procureurs-generaal, die ervan uitgaat dat handhaving van de identificatieplicht geen doel op zich is en maar dient bij te dragen aan de handhaving in het algemeen. Daaraan is bij voorbeeld uitdrukking gegeven in de Wet personenvervoer, waarin bij een eerdere wijziging is afgestapt van een afzonderlijke strafbaarstelling van de identificatieplicht. Het niet voldoen aan de identificatieplicht indien men wordt verdacht van zwart rijden in het openbaar vervoer wordt nu als strafverzwarende omstandigheid meegeteld bij de afdoening van de overtreding op het zwart rijden en niet als afzonderlijke overtreding. De NOVA bepleit eveneens het laten meetellen van het niet voldoen aan de identificatieplicht als strafverzwarende omstandigheid, maar gaat eraan voorbij dat er dan altijd sprake moet zijn van een vervolgbaar strafbaar feit. Dat behoeft slechts ten dele aan de orde te zijn. Ook het niet kunnen voldoen aan de identificatieplicht ten opzichte van toezichthouders zou in deze optiek niet strafbaar zijn. Een andere optie is dat het niet voldoen aan de identificatieplicht wordt opgevat als het opzettelijk niet nakomen van een bevel of een vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een toezichthoudende ambtenaar of een ambtenaar belast met opsporing of het onderzoek van strafbare feiten. Dat is reeds in artikel 184 Wetboek van Strafrecht als misdrijf strafbaar gesteld met maximaal 3 maanden gevangenisstraf of geldboete van de tweede categorie.

De regering geeft de voorkeur aan een aparte strafbaarstelling, waarin de relatieve ernst van het strafbaar feit beter tot uitdrukking wordt gebracht. In het voorstel dat is gepresenteerd in de hiervoor genoemde motie Nicolai heeft overtreding van de identificatieplicht een accessoir karakter; vervolging vindt plaats in aansluiting op een hoofdfeit. Vervolging op grond van het misdrijf van artikel 184 Sr is in theorie weliswaar mogelijk, maar is als justitiële reactie veelal disproportioneel, vooral als de aanleiding aanhouding voor een overtreding of optreden in het kader van de openbare orde was. Met de specifieke strafbaarstelling van het niet voldoen aan de identificatieplicht kan een betere proportionele reactie worden gegeven. Een nieuwe strafbepaling kan in het Wetboek van Strafrecht worden opgenomen in de titel: overtredingen van de openbare orde en op gelijke wijze worden bestraft als het opgeven van een valse naam aan het bevoegd gezag met een maximale geldboete van de tweede categorie, 2250 euro. Het College van procureurs-generaal heeft erop gewezen dat de hoogte van de aanvankelijk voorgestelde strafbedreiging die tevens maximaal twee maanden hechtenis inhield, niet geheel congruent was met de strafbaarstelling van artikel 435, onder 4° Sr (het opgeven van een valse naam bij staandehouding), waarin geen hechtenis is bedreigd. Bij het opstellen van de voorgestelde bepaling is eerst aansluiting gezocht bij de reeds bestaande identificatieplicht bij voetbalwedstrijden, maar bij nadere afweging kan, gelet op de bredere adressering van de norm aan alle burgers en niet alleen aan bezoekers van voetbalwedstrijden ter voorkoming van vandalisme, worden volstaan met de enkele bedreiging van een geldboete. Een ander alternatief is handhaving van de voorgestelde bepaling en aanvulling van art. 435 onder 4° Sr met twee maanden hechtenis. Omdat de noodzaak daarvan evenwel in het geheel niet is gebleken, terwijl het opleggen van hechtenis voor de bestaande bepaling van artikel 435f Sr. niet heeft plaatsgevonden, verdient dit niet de voorkeur.

In verschillende adviezen is verzocht om een toelichting op mogelijke samenloop van het niet voldoen aan de voorgestelde identificatieplicht en overtreding van specifieke bepalingen van de WVW 1994 en de Vw 2000, respectievelijk in de gevallen waarin men geen rijbewijs kan tonen dan wel niet beschikt over de noodzakelijke vreemdelingendocumenten. Indien men als bestuurder van een motorrijtuig geen geldig rijbewijs kan tonen, ligt het voor de hand dat vervolging terzake van overtreding van artikel 107 j° 177, eerste lid, van de WVW 1994 plaats vindt. Ook in het geval van het aantreffen van personen die niet over de benodigde vreemdelingendocumenten beschikken, zullen de gebruikelijke vreemdelingenrechtelijke maatregelen worden toegepast. Een afzonderlijke vervolging voor het niet voldoen aan de identificatieplicht in aanvulling op het bestaande handhavingniveau lijkt in het algemeen niet wenselijk, ook al behoeft niet in alle gevallen sprake te zijn van eendaadse samenloop. Vooral in het geval van illegaal in Nederland verblijvende personen, die veelal niet beschikken over noemenswaardige middelen van bestaan, zal een afzonderlijke vervolging voor het niet voldoen aan de identificatieplicht geen toegevoegde waarde hebben. Het beleid moet erop gericht blijven een eind te maken aan het illegaal verblijf.2

15. Art. 55 lid 2 Sr luidt:

“Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.”

Art. 184 lid 1 Sr luidt:

“Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”

Art. 447e Sr luidt:

“Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden of medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht, de Overleveringswet, de Uitleveringswet, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.”

16. Van een bijzondere strafbepaling ten opzichte van een algemene strafbepaling is in de eerste plaats sprake wanneer de bijzondere strafbepaling alle bestanddelen van de algemene bevat plus nog één of meer andere bestanddelen.3 Zoals vergelijking van de tekst van de art 184 en 447e Sr laat zien doet die situatie zich hier niet voor. Dit is niet anders wanneer in het begrip verplichting van art. 447e Sr het bepaalde in art. 2 Wet op de identificatieplicht wordt ingelezen in die zin dat daarvoor wordt gelezen “de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8 van de Politiewet 2012 of artikel 6a van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten”. Art. 184 Sr eist immers dat het niet voldoen aan de vordering opzettelijk geschiedt, art 447e Sr kent die eis niet. Art. 447e Sr vormt dus niet een logische specialis van art. 184 Sr.

17. Specialiteit kan ook worden aangenomen op grond van het wettelijk stelsel en de bedoeling van de wetgever.4 Ook in die zin vormt art. 447e Sr niet een bijzondere bepaling ten opzichte van art. 184 Sr.

18. Zoals HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3639 laat zien staat de parlementaire geschiedenis van art. 184 Sr er niet aan in de weg dat naast art. 184 Sr, behelzende strafbaarheid van het opzettelijk niet voldoen aan een vordering, een bepaling bestaat die straf stelt op het louter niet voldoen aan een vordering. Enig aanknopingspunt voor de opvatting dat het wettelijk stelsel meebrengt dat die niet-opzettelijke variant van het niet voldoen aan een vordering als bijzondere bepaling ten opzichte van de opzettelijke variant zou moeten gelden zie ik niet.

19. Blijkens voorgaand citaat uit de memorie van toelichting houdt de regering de mogelijkheid van vervolging ter zake van art. 184 Sr in geval iemand zijn identiteitsbewijs niet ter inzage geeft uitdrukkelijk open. Het moge zo zijn dat hij naar het inzicht van de regering een aparte strafbaarstelling, waarin de relatieve ernst van het strafbaar feit beter tot uitdrukking wordt gebracht, de voorkeur verdient, deze overweging heeft de regering er niet toe gebracht vervolging ter zake van art. 184 Sr uit te sluiten. Volgens de regering is vervolging ter zake van art. 184 Sr bij niet voldoen aan de identificatieplicht als justitiële reactie veelal disproportioneel, vooral als de aanleiding aanhouding voor een overtreding of optreden in het kader van de openbare orde was. Daarin ligt besloten dat de regering vervolging ter zake van art. 184 Sr niet steeds disproportioneel acht.

20. Of van die disproportionaliteit sprake is zal bij de vervolgingsbeslissing aan de orde moeten komen. Met de vraag of art. 447e Sr een specialis is van art. 184 Sr heeft de vraag van de (dis)proportionaliteit niet van doen.5 Hetgeen het Hof te dier zake heeft overwogen en hetgeen daartegen bij de toelichting op het middel is ingebracht kan hier dus buiten beschouwing blijven.

21. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat art. 447e Sr geen specialis vormt van art. 184 Sr, wat het Hof te dier zake ook heeft overwogen.

22. Het middel faalt.

23. Het derde middel klaagt dat het Hof bewezen heeft verklaard dat van de verdachte is gevorderd een identiteitsbewijs te tonen terwijl uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [getuige 2] slechts blijkt dat verdachte is gevraagd dat identiteitsbewijs te laten zien.

24. Volgens de toelichting op het middel had het Hof dienen te motiveren waarom het voor het bewijs heeft gebruikt het bewijsmiddel dat is opgenomen onder “Ten aanzien van beide feiten onder b”. Daartoe wordt gesteld dat uit dat bewijsmiddel slechts blijkt dat [verbalisant 1] aan de verdachte heeft gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen, niet dat hij dat heeft gevorderd.

25. Het middel berust op onjuiste lezing van bedoeld bewijsmiddel. Dit houdt immers in voor zover hier van belang:

“Conform de aanwijzing van de procureur-generaal heb ik in het belang van de openbare orde verdachte gevorderd zijn identiteitsbewijs te tonen. Ik heb verdachte vastgepakt toen ik zag dat hij gekleed ging als een krakerstype en een rugzak bij zich had. Daarna heb ik hem om zijn identiteitsbewijs gevraagd.”

26. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof deze passage uit de verklaring van [verbalisant 1] aldus verstaan, dat [verbalisant 1] eerst van de verdachte heeft gevorderd zijn identiteitsbewijs te tonen, dat [verbalisant 1], toen verdachte aan die vordering niet voldeed, deze heeft vastgepakt, en dat hij hem daarna heeft gevraagd zijn identiteitsbewijs ter inzage te geven.

27. In zoverre mist het middel dus feitelijke grondslag.

28. Voorts wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het Hof voor de vraag of [verbalisant 1] een vordering deed doorslaggevend heeft geacht of hetgeen [verbalisant 1] uitsprak op hem de indruk van een vordering maakte en niet of [verbalisant 1] naar objectiveerbare maatstaven een vordering deed. Daartoe wijst het middel op de volgende overweging van het Hof:

“Nadat verdachte weigerde, heeft hij gezegd dat ze 'nu toch echt het identiteitsbewijs wilden zien', zodat het voor verdachte redelijkerwijs buiten twijfel moet zijn geweest dat verbalisanten een formele vordering deden.”

29. Hetgeen het Hof hier overweegt heeft niet betrekking op de vraag of [verbalisant 1] een vordering deed maar of dit voor verdachte duidelijk was, en dus op de vraag of verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering als bewezenverklaard. Ook in zoverre mist het middel dus feitelijke grondslag.

30. Het middel faalt.

31. Het eerste en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 O.a. HR 1 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3121, NJ 2003/553, rov. 3.3.

2 Kamerstukken II 2003–2004, 29 218, nr. 3, p. 16, 17.

3 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2012, vijfde druk, p. 508.

4 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2012, vijfde druk, p. 509.

5 Zie voor het vervolgingsbeleid Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht (2009A024) van 14 december 2009.