Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:97

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-01-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
12/02775
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:481, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. De vaststelling dat verdachte blijkens “een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 april 2012 (...) eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit en andersoortige feiten” is niet zonder meer begrijpelijk aangezien voormeld uittreksel daarvoor geen steun biedt. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 12/02775

Zitting: 7 januari 2014

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 21 mei 2012 de verdachte (in de zaak met parketnummer 11-046484-11) wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” en (in de zaak met parketnummer 11-163097-11) wegens “diefstal” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat de strafmotivering onbegrijpelijk is gemotiveerd, aangezien het hof ten onrechte rekening heeft gehouden met een onherroepelijke veroordeling voor een soortgelijk feit, terwijl die veroordeling en dat feit dateren van na de pleegdata van de onderhavige feiten, en het hof voorts rekening heeft gehouden met niet onherroepelijke veroordelingen voor niet soortgelijke feiten, die eveneens dateren van na de pleegdata van de onderhavige feiten.

4. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 11-046484-11 bewezen verklaard dat hij op 13 juli 2010 in Zwijndrecht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening aluminium zuigers heeft weggenomen, die toebehoren aan [A]. Voorts is ten laste van de verdachte in de zaak met parketnummer 11-163097-11 bewezen verklaard dat hij op 1 juli 2011 in Hendrik-Ido-Ambacht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening meerdere pallets heeft weggenomen, die toebehoren aan [B] B.V.

5. Het middel keert zich tegen het volgende onderdeel van de strafmotivering van het hof:

“Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 april 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit en andersoortige feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.”

6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een uittreksel justitiële documentatie van 24 april 2012 betreffende de verdachte. Dit uittreksel houdt wat betreft “volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” in dat de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam bij vonnis van 21 september 2011 de verdachte wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen” (gepleegd op 2 juli 2011) heeft veroordeeld tot een werkstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, en dat dit vonnis op 21 september 2011 onherroepelijk is geworden. Daarnaast vermeldt dit uittreksel - afgezien van de onderhavige feiten - ten aanzien van “openstaande zaken betreffende misdrijven” dat de verdachte op 20 februari 2012 is gedagvaard ter zake van rijden onder invloed op 13 september 2009 en dat de verdachte op 14 februari 2012 is gedagvaard voor rijden onder invloed op 19 december 2010. Het uittreksel houdt ten aanzien van “openstaande zaken betreffende overtredingen” in dat aan de verdachte op 3 augustus 2011 ter zake van rijden zonder rijbewijs op 4 oktober 2010 een strafbeschikking is aangeboden en dat de Kantonrechter in de Rechtbank te Dordrecht bij vonnis van 5 december 2011 de verdachte wegens rijden zonder rijbewijs op 6 oktober 2010 heeft veroordeeld tot een geldboete van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis, welk vonnis op 5 december 2011 onherroepelijk is geworden.1 Ten slotte vermeldt het uittreksel ten aanzien van “volledig afgedane zaken betreffende overtredingen” dat op 31 maart 2008 de zaak tegen de verdachte betreffende rijden zonder rijbewijs op 3 februari 2007 is geseponeerd.

7. In het hiervoor onder 5 weergegeven onderdeel van de strafmotivering heeft het hof vastgesteld dat de verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel justitiële documentatie van 24 april 2012 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit en andersoortige feiten en dat dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Daarmee heeft het hof kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte vóór de pleegdata van de onderhavige feiten (13 juli 2010 en 1 juli 2011) onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit (diefstal) en voor andersoortige feiten en dat het hof deze omstandigheid als strafverzwarend heeft aangemerkt. In het licht van de hiervoor onder 6 weergegeven inhoud van het uittreksel justitiële documentatie, zijn deze vaststelling en het daarop gebaseerde oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk, aangezien daarvoor geen steun is te vinden in voornoemd uittreksel. Wat betreft de veroordeling voor het plegen van een soortgelijk feit blijkt uit het uittreksel dat de daarin genoemde veroordeling voor (poging tot gekwalificeerde) diefstal pas na de pleegdata van de onderhavige feiten onherroepelijk is geworden (op 21 september 2011). Ten aanzien van het plegen van andersoortige feiten bevat het uittreksel enkel een veroordeling voor een verkeersdelict, die eveneens na de pleegdata van de onderhavige feiten onherroepelijk is geworden (op 5 december 2011), twee verkeerszaken waarvoor de verdachte is gedagvaard, een verkeerszaak waarvoor aan de verdachte een strafbeschikking is aangeboden en een verkeerszaak die is geseponeerd. Gelet hierop is de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd.2

8. Het middel slaagt.

9. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Ingevolge art. 27, eerste lid, Sr dient de rechter bij het opleggen van een werkstraf te bevelen dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. De stukken van het geding houden in dat de verdachte in verband met de zaak met parketnummer 11-163097-11 op 7 juli 2011 in verzekering is gesteld en dat hij op 8 juli 2011 is heengezonden, zodat hij kennelijk op die datum in vrijheid is gesteld. Voorts houden die stukken in dat de verdachte in verband met de zaak met parketnummer 11-046484-11 op 7 september 2010 in verzekering is gesteld en dat hij op 8 september 2010 is heengezonden, zodat kan worden aangenomen dat hij op die datum in vrijheid is gesteld. Het hof heeft nagelaten het in art. 27, eerste lid, Sr bepaalde in acht te nemen, voor zover het deze inverzekeringstellingen betreft. In aanmerking genomen dat de verdachte niet voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak op deze grond, behoeft dit verzuim - anders dan in eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad is bepaald - niet tot cassatie te leiden.3 Bovendien brengt het slagen van het middel met zich dat de zaak dient te worden teruggewezen om wat betreft de strafoplegging opnieuw te worden berecht en afgedaan. De aftrek van het voorarrest kan derhalve bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde komen.

10. Het middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In aanmerking genomen dat het uittreksel justitiële documentatie inhoudt dat het vonnis van de kantonrechter op 5 december 2011 onherroepelijk is geworden, is deze veroordeling daarin bij kennelijke vergissing geplaatst onder het kopje “openstaande zaken betreffende overtredingen”. Het vonnis hoort namelijk thuis in de categorie “volledig afgedane zaken betreffende overtredingen”.

2 Vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1553, rov. 3, HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1065, rov. 3, HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:887, rov. 2, HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:883, rov. 2, HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8168, rov. 2, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1441, rov. 3 en HR 25 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4274, rov. 4.

3 Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, NJ 2013/246 m.nt. Bleichrodt, rov. 3. In dit arrest heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een middel geoordeeld dat het verzuim om toepassing te geven aan de in art. 27 Sr bedoelde aftrek niet langer noopt tot cassatie.