Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:92

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-02-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
13/02597
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:904, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Vennootschapsrecht. Aansprakelijkheidsverklaring moedermaatschappij voor schulden dochtermaatschappij, art. 2:403 lid 1 onder f BW. Leidt bevoorrechte vordering op dochtermaatschappij tot bevoorrechte vordering op moedermaatschappij? Wettelijke grondslag voorrechten, art. 3:278 lid 2 BW. Richtlijnconforme interpretatie? Art. 57 lid 1 onder c Vierde Richtlijn betreffende de jaarrekening (78/660/EEG). Samenhang met 13/02589.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/199 met annotatie van mr. E.A. van Dooren
JONDR 2014/674
J. van der Kraan annotatie in JIN 2014/108

Conclusie

13/02597

Mr. L. Timmerman

Zitting: 14 februari 2014

Conclusie inzake:

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

(hierna: het UWV)

eiser tot cassatie

tegen

1. mr. A.A.M. Deterink, en

2. mr. W.J.M. van Andel,

beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van Econcern N.V.

(hierna gezamenlijk: de curatoren)

verweerders in cassatie

1 Feiten en procesverloop

1.1

Op 11 november 2003 heeft Econcern N.V. (hierna: Econcern), destijds handelend onder de naam Econcern B.V., op voet van art. 2:403 lid 1 sub f BW een verklaring gedeponeerd, inhoudende dat zij zich, behoudens tussentijdse intrekking conform de wet, hoofdelijk aansprakelijk stelt voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van onder meer haar dochtermaatschappij Innogrow International B.V. (hierna: Innogrow) (zie rov. 2.1). Deze verklaring van Econcern wordt hierna tevens aangeduid als ‘de aansprakelijkheidsverklaring’ of ‘de 403-verklaring’.

1.2

Econcern is op 18 september 2009 failliet verklaard (zie rov. 2.2).

1.3

Innogrow is op 2 februari 2010 in staat van faillissement verklaard (zie rov. 2.3).

1.4

Het UWV is op de voet van art. 66 lid 1 Werkloosheidswet (WW) getreden in loonaanspraken van werknemers van Innogrow op Innogrow, dit tot een bedrag van € 56.563,92. Deze vordering van het UWV is in het faillissement van Innogrow bevoorrecht op voet van art. 3:288 sub e BW jo. art. 66 lid 1 WW jo. art. 6:142 lid 1 BW (zie rov. 2.3).

1.5

Het UWV heeft de vordering van € 56.563,92 ingediend in het faillissement van Econcern. De curatoren hebben deze vordering voorlopig erkend, met uitzondering van de geclaimde preferentie (zie rov. 3.3).

1.6

Op de verificatievergadering is het geschil tussen partijen verwezen naar de renvooiprocedure.

1.7

In deze renvooiprocedure vordert het UWV erkenning van zijn vordering van € 56.563,92 in het faillissement van Econcern, en wel met inbegrip van het geclaimde voorrecht. Het UWV baseert deze vordering op de aansprakelijkheidsverklaring van Econcern. De curatoren hebben geconcludeerd tot integrale afwijzing van het gevorderde (zie rov. 3.1 t/m 3.3).

1.8

De Rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 30 januari 2013 geoordeeld dat de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering van het UWV, in het faillissement van Econcern erkend wordt als concurrente vordering (voor zover erkenning niet reeds had plaatsgevonden op de verificatievergadering). Naar oordeel van de rechtbank hebben de curatoren de status van concurrente vordering niet afdoende betwist. Het verweer van de curatoren dat de vordering van het UWV op Econcern niet preferent is, werd echter gegrond bevonden. De rechtbank overweegt dat volgens art. 3:278 BW voorrechten slechts ontstaan uit de wet. Art. 3:288 aanhef en sub e BW geeft slechts een voorrecht aan bepaalde vorderingen van de werknemer op (het vermogen van) de werkgever, en Econcern geldt niet als werkgever van de werknemers in de rechten van wie het UWV is gesubrogeerd. De rechtbank overweegt voorts dat art. 2:403 BW (verondersteld dat die bepaling in het onderhavige geval van toepassing zou zijn) noch enige andere wettelijke bepaling een voorrecht verbindt aan aansprakelijkheid die voortvloeit uit een ten behoeve van een dochtervennootschap afgegeven aansprakelijkheidsverklaring. De strekking van art. 2:403 BW kan niet tot een andere uitkomst leiden, aldus de rechtbank. Tevergeefs is ook het beroep van het UWV op de Vierde Richtlijn betreffende de jaarrekening (78/660/EEG). Een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 BW leidt naar oordeel van de rechtbank namelijk niet tot een andere uitkomst (zie rov. 4.1 t/m 4.5).

1.9

Het UWV heeft bij dagvaarding van 26 april 2013 sprongcassatie ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 30 januari 2013. Tegen de curatoren is in cassatie verstek verleend.1

2 Bespreking van het cassatiemiddel

Inleiding

2.1

Graag merk ik op dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de onderhavige cassatieprocedure (beroep tegen Rb Midden-Nederland 30 januari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0334; UWV/curatoren Econcern) en het cassatieberoep dat aanhangig is onder rolnummer 13/02589 (beroep tegen Rb Midden-Nederland 30 januari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0341; [A]/curatoren Econcern). Omdat de aan de orde gestelde rechtsvragen in die parallelle procedure beter tot hun recht komen, beperk ik mij in de onderhavige conclusie tot een korte bespreking van de aangevoerde klachten. Voor een meer uitvoerige bespreking van de aan de orde gestelde rechtsvragen verwijs ik naar mijn conclusie van heden in de parallelle procedure.

2.2

In deze cassatieprocedure staat vast dat het UWV in het faillissement van Econcern een op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering heeft van € 56.563,92, en dat deze vordering van het UWV in elk geval de status van concurrente vordering heeft. Het cassatieberoep van het UWV richt zich enkel tegen het oordeel van de rechtbank dat er aan die vordering geen voorrecht verbonden is.

Onderdeel 1

2.3

Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank miskend heeft dat er aan de vordering van het UWV op Econcern een voorrecht verbonden is op grond van het bepaalde in art. 3:288 sub e BW jo. art. 6:142 BW jo. art. 66 lid 1 WW. De rechtbank zou ook uit het oog hebben verloren dat een vordering die gebaseerd is op een 403-verklaring, een accessoir en subsidiair karakter heeft. Dat karakter zou duiden op een dusdanig nauwe verbondenheid van de aanspraak uit de 403-verklaring met de vordering op de dochtermaatschappij, dat de aanspraak uit de 403-verklaring te beschouwen is als een nevenrecht van de vordering op de dochtermaatschappij.

2.4

Het onderdeel betoogt voorts: “Aangenomen moet dan ook worden dat bij de overgang van de betreffende loonvorderingen van de werknemers van Innogrow op Innogrow aan UWV ex art. 66 WW de daaraan verbonden nevenrechten krachtens artikel 6:142 lid 1 BW mee zijn overgegaan, waartoe zowel het aan die vorderingen verbonden voorrecht van artikel 3:288 sub e BW alsook het nevenrecht van de aanspraak op Econcern uit de 403-verklaring behoren.” Mocht de aanspraak uit de 403-verklaring niet aangemerkt kunnen worden als een nevenrecht, dan dient volgens het onderdeel aangenomen te worden dat die aanspraak op grond van analoge toepassing van art. 6:142 lid 1 BW op het UWV is overgegaan. Het onderdeel komt tot de slotsom dat “[d]e betreffende loonvorderingen […] dan ook in het faillissement van Econcern, evengoed als in dat van Innogrow, op de voet van artikel 3:288 sub e BW jo. art. 6:142 lid 1 BW jo. 66 lid 1 WW als bevoorrecht [hebben] te gelden.”

2.5

De klachten van onderdeel 1 kunnen niet slagen. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat voorrechten alleen ontstaan uit de wet (vgl. art. 3:278 lid 2 BW) (zie rov. 4.3). Het daarop aansluitende oordeel van de rechtbank (in rov. 4.3 t/m 4.5) dat er geen gronden zijn om aan te nemen dat het UWV in het faillissement van Econcern aanspraak kan maken op een voorrecht, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.6

Ten overvloede merk ik op dat het cassatiemiddel geen klachten richt tegen de vaststelling van de rechtbank dat Econcern in dezen niet kan worden aangemerkt als de werkgever als bedoeld in art. 3:288 sub e BW (zie rov. 4.3). Verder merk ik op dat een 403-verklaring als zodanig niet meebrengt dat een werknemer die op de voet van art. 3:288 aanhef en sub e BW een bevoorrechte vordering heeft op de dochtermaatschappij, bij een op een 403-verklaring gebaseerde vordering op de moedermaatschappij eveneens bevoorrecht is (zie in dit verband mijn conclusie van heden in de parallelle cassatieprocedure met rolnummer 13/02589).

Onderdeel 2

2.7

Onderdeel 2 richt zich tegen de overweging van de rechtbank in rov. 4.4, inhoudende – kort samengevat – dat de wettelijke regeling van de 403-verklaring niet de strekking heeft om de (potentiële) crediteur van de dochtermaatschappij een bepaalde mate van zekerheid te bieden dat hij voldaan wordt, en dat de regeling er om die reden ook niet toe noopt om crediteuren met een bevoorrechte vordering op de dochtermaatschappij tevens een voorrecht toe te kennen bij hun vordering op de moedermaatschappij. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel en de in dat kader vermelde redengeving onbegrijpelijk zijn, en dat het betreffende oordeel in elk geval onvoldoende is gemotiveerd.

2.8

De klachten van onderdeel 2 zijn ongegrond. De rechtbank heeft aangenomen dat de strekking van art. 2:403 BW niet meebrengt dat crediteuren die een bevoorrechte vordering hebben op de dochtermaatschappij, tevens aanspraak kunnen maken op een voorrecht bij de op de 403-verklaring gebaseerde vordering jegens de moedermaatschappij. Dat rechtsoordeel is mijns inziens juist (zie voor een nadere bespreking mijn conclusie van heden in de parallelle procedure met rolnummer 13/02589). Het genoemde rechtsoordeel kan ook niet met vrucht met motiveringsklachten worden bestreden. Reeds om deze redenen kunnen de klachten van onderdeel 2 niet slagen.

Onderdeel 3

2.9

Onderdeel 3 betoogt dat een richtlijnconforme interpretatie van art. 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW meebrengt dat de moedervennootschap zich aansprakelijk dient te stellen voor de verplichtingen van de dochtervennootschap, inclusief de aan die verplichtingen verbonden voorrechten. Het onderdeel beroept zich in dit verband onder meer op de tekst van art. 57 van de Vierde Richtlijn betreffende de jaarrekening (78/660/EEG). Volgens het onderdeel getuigt het oordeel van de rechtbank op het betreffende punt van een onjuiste rechtsopvatting.

2.10

Ook de klacht van dit derde en laatste onderdeel is ongegrond. Het door het onderdeel bestreden oordeel van de rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting; zie in dit verband ook mijn conclusie in de parallelle cassatieprocedure met rolnummer 13/02589. Een en ander behoeft hier geen nadere bespreking.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De cassatieadvocaat van het UWV heeft een brief overgelegd, gedateerd op 12 april 2013, waaruit kan worden afgeleid dat de curatoren instemmen met het instellen van sprongcassatie in de onderhavige zaak.