Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:82

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-02-2014
Datum publicatie
04-04-2014
Zaaknummer
14/00641
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:833, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Geen ondertekening cassatieverzoekschrift door advocaat, art. 426a lid 1 Rv. Ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

14/00641

Mr. F.F. Langemeijer

21 februari 2014

Conclusie inzake:

[verzoeker]

tegen

Ontvanger van de Belastingdienst/Rivierenland

1. Verzoeker tot cassatie is door de Ontvanger op grond van art. 36 Invorderingswet aansprakelijk gesteld voor belastingschulden van een vennootschap. De procedure is geëindigd met de verwerping van het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 30 oktober 20071.

2. Bij arrest van 24 september 2013 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot herroeping van het arrest van 30 oktober 2007.

3. Bij brief van 30 november 2013, gericht aan de Hoge Raad, heeft verzoeker bezwaren ingebracht tegen het arrest van 24 september 2013 en verzocht deze zaak (in cassatie) te behandelen. De griffier heeft verzoeker bij brief van 12 december 2013 gewezen op de noodzaak van procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad. Verzoeker heeft dit verzuim niet hersteld. Gelet op het bepaalde in art. 426a lid 1 (en art. 407 lid 3) Rv, is het verzoek niet ontvankelijk.

4. In zijn toelichting en in opeenvolgende brieven van 2 december 2013, 18 december 2013 en 23 januari 2014 heeft verzoeker te kennen gegeven, geen advocaat bij de Hoge Raad bereid te hebben gevonden om zijn zaak in cassatie te behandelen. Dit argument kan de wettelijke bepalingen over verplichte procesvertegenwoordiging niet opzij zetten. Op grond van art. 13 Advocatenwet kan de Deken van de Orde van Advocaten een advocaat aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn om dit niet te doen. Indien verzoeker voor een toevoeging in aanmerking komt, kan rechtsbijstand worden verleend op de voet van art. 12 Wet op de rechtsbijstand door toevoeging van een advocaat bij de Hoge Raad.

5. In het onderhavige geval doet zich de complicatie voor, dat tevens een verkeerde rechtsingang is gekozen: cassatieberoep had in dit geval bij dagvaarding moeten worden ingesteld (art. 385 Rv). Art. 69 lid 1 Rv, ook in cassatie van toepassing2, schrijft voor dat indien een procedure met een verzoekschrift is ingeleid in plaats van met een dagvaarding (of omgekeerd), de rechter zo nodig de aanlegger beveelt binnen een door de rechter te bepalen termijn, op kosten van de aanlegger, het stuk waarmee de procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen. De procedure geldt dan als aanhangig vanaf de oorspronkelijke dag van indiening. Het is niet helemaal duidelijk hoe, ingeval van cumulatie van fouten, de “wissel”-bepaling van art. 69 lid 1 Rv zich verhoudt tot de hersteltermijn van 14 dagen, zoals deze volgt uit de jurisprudentie over gevallen waarin de juiste rechtsingang was gekozen (een verzoekschrift) maar ondertekening door een advocaat (hier: een advocaat bij de Hoge Raad) was nagelaten3. In herinnering wordt gebracht dat art. 123 Rv voor het verzuim om een advocaat te stellen voor de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg (titel 2 van Boek 1 Rv) een bijzondere regel geeft4.

6. Het komt mij voor, dat de cassatierechter aan toepassing van de “wissel”-bepaling in art. 69 Rv, waarmee de zaak “op het juiste spoor wordt gezet”, eerst toekomt nadat het verzoekschrift in cassatie op de juiste wijze is ingediend. Deze volgtijdelijke uitleg brengt mee dat eerst aan alle vereisten voor indiening van een verzoekschrift in cassatie moet zijn voldaan (zoals de ondertekening door een advocaat, betaling griffierecht enz.). Indien het cassatieverzoekschrift reeds afstuit op een van die ontvankelijkheidsvereisten, zoals in dit geval, komt de cassatierechter niet meer toe aan toepassing van art. 69 Rv.

7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6017, NJ 2006/30, gevolgd door HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0855.

2 Vgl. Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 2 en 6 bij artikel 69 (A. Knigge). Zie ook: HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5824, NJ 2005/348.

3 HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders; HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7586.

4 Deze bepaling is in hoger beroep van overeenkomstige toepassing: zie art. 353 Rv. Zie voor de verzoekschriftprocedure: art. 281 resp. art. 362 Rv.