Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:81

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-02-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
13/02543
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:946, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Ontvankelijkheid hoger beroep. Appelgrens indien over het gevorderde in meer (deel)vonnissen is beslist; art. 332 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2014/115 met annotatie van M.C. van Rijswijk
JBPR 2014/37 met annotatie van mr. C.A.M. Lombert en mr. H.W. Wiersma
N. de Boer annotatie in JIN 2014/135

Conclusie

Zaaknr. 13/02543

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 14 februari 2014 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

Esprit Management & IT Services B.V.

In deze arbeidszaak heeft de kantonrechter bij vonnis een aantal vorderingen van de (oud) werknemer afgewezen, een gedeelte van één vordering toegewezen en voor het overige een bewijsopdracht verstrekt. De werknemer gaat van dit deelvonnis in hoger beroep. Na bewijslevering worden ook de laatste vorderingen afgewezen, waarvan de werknemer wederom in appel gaat. Het hof past op dit laatste appel de financiële appelgrens van art. 332 lid 1 Rv. toe. In het tegen laatstgenoemd arrest ingesteld cassatieberoep gaat het om de vraag waarover de kantonrechter had te beslissen.

1. Procesverloop 1

1.1 Eiser tot cassatie, [eiser], heeft verweerster in cassatie, Esprit, bij inleidende dagvaarding van 13 december 2010 gedagvaard voor de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector Kanton, locatie Eindhoven. [eiser] heeft daarbij – zakelijk weergegeven – gevorderd dat Esprit – met het oog op een correcte eindafrekening – wordt veroordeeld tot betaling van:

a een onkostenvergoeding ten bedrage van € 325,- en een extra vergoeding vanwege het afzien van een leaseauto ten bedrage van € 1.100,-;

b achterstallig salaris en vakantiegeld over de maand maart 2009 ten bedrage van € 381,84;

c € 4.200,- ter zake van loondoorbetaling van salaris in de maanden augustus t/m november 2009;

d achterstallig vakantiegeld over 2009 (€ 366,68):

e ten onrechte ingehouden salaris in mei 2009 over januari 2009 (€ 144,-);

f € 3.714,- als uitbetaling van vakantiedagen;

g € 1.025,-, zijnde de wettelijke verhoging van de uitbetaling van de bonus over 2008;

h de wettelijke verhoging op de voet van art. 7:625 BW over de posten a t/m f.

1.2 De kantonrechter heeft Esprit bij vonnis van 18 augustus 2011 veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] een bedrag van € 325,- netto aan onkostenvergoeding en € 176,- netto aan wettelijke verhoging te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over beide bedragen vanaf 1 januari 2010 tot aan de dag der voldoening. Ten aanzien van het resterende deel van vordering a heeft de kantonrechter [eiser] in de gelegenheid gesteld door alle middelen rechtens te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat hij naast het treinabonnement een extra vergoeding van € 100,- netto per maand zou ontvangen omdat hij van een leaseauto had afgezien (hierna: extra vergoeding).

Voorts heeft de kantonrechter bij voornoemd vonnis de vorderingen met betrekking tot de posten b t/m g afgewezen, alsmede de onder h gevorderde wettelijke verhoging van de posten b t/m f en heeft hij iedere beslissing aangehouden ten aanzien van de posten a en h voor zover over die posten nog niet is beslist.

1.3 [eiser] is bij exploot van 17 november 2011 van dit vonnis in hoger beroep gekomen – naar eigen zeggen: voor zover daarin een eindbeslissing is opgenomen2 – bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Deze appelprocedure is nog3 aanhangig bij het hof onder zaaknummer HD 200.098.367.

1.4 Inmiddels was ter uitvoering van de bij vonnis van 18 augustus 2011 gegeven bewijsopdracht al begonnen met bewijslevering door middel van het horen van [eiser] als getuige. Nadien is de statutair directeur van Esprit als getuige gehoord en heeft aktewisseling plaatsgevonden.

1.5 De kantonrechter heeft bij vonnis van 24 mei 2012 “de vordering van in totaal € 1100,00 voor een vergoeding voor het afzien van een leaseauto door [eiser]” afgewezen.

1.6 [eiser] is bij exploot van 13 augustus 2012 van de vonnissen van 18 augustus 2011 en 24 mei 2012 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Esprit is op de aangezegde roldatum van 9 oktober 2012 niet verschenen.

1.7 De rolraadsheer heeft bij rolbeslissing van 13 november 2012 de zaak ambtshalve naar de rol van 27 november 2012 verwezen voor akte aan de zijde van [eiser] over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. [eiser] heeft op die roldatum een akte genomen.

1.8 Het hof heeft [eiser] bij arrest van 5 februari 2013 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

1.9 [eiser] heeft tegen dit arrest tijdig4 beroep in cassatie ingesteld.

Tegen Esprit is verstek verleend.

[eiser] heeft afgezien van het geven van schriftelijke toelichting.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel, dat twee onderdelen bevat, is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.3, 3.4 en het dictum, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld en beslist:

“3.3. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voor wat de appellabiliteitsgrens betreft is op grond van artikel 332 lid 1 Rv bepalend de vordering waarover de eerste rechter, al dan niet na wijziging van eis, heeft geoordeeld. De tot de dag van dagvaarding verschenen rente moet worden meegeteld.

Bij deelvonnis van 18 augustus 2011 heeft de kantonrechter op nagenoeg alle vorderingen van [eiser] beslist. Ten aanzien van de extra vergoeding van € 100,00 per maand heeft de kantonrechter bij dat vonnis [eiser] een bewijsopdracht gegeven. Bij eindvonnis van 24 mei 2012 diende de kantonrechter nog slechts te oordelen over hetgeen [eiser] op dit onderdeel had gevorderd. De kantonrechter diende derhalve te beslissen over de volgende gevorderde bedragen:

elf maal € 100,00 per maand: € 1.100,00

50% wettelijke verhoging: € 550,00

wettelijke rente over € 1.650,00 van 1 januari 2010

tot de dag van de dagvaarding, zijnde 13 december 2010 € 47,06

Totaal € 1.697,06

Genoemd bedrag ligt onder de appelgrens zodat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn appel. De omstandigheid dat de kantonrechter met het eerdere deelvonnis al een einde had gemaakt aan de rechtsstrijd ten aanzien van de overige vorderingen brengt geen wijziging in de omstandigheid dat de kantonrechter in het thans bestreden eindvonnis had te oordelen over een geringer bedrag dan € 1.750,00.

3.4.

Het hof zal [eiser] daarom niet-ontvankelijk verklaren. [eiser] zal tevens worden veroordeeld in de kosten van deze procedure die aan de zijde van Esprit worden begroot op nihil.”

5 De uitspraak

Het hof:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn appel;

(…)

2.2

Het middel klaagt dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de vraag hoe de berekening van de appellabiliteitsgrens van artikel 332 lid 1 Rv. geschiedt, dan wel dat zijn oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende is gemotiveerd5.

Volgens onderdeel 1 moeten ingeval van objectieve cumulatie voor de vraag naar de hoogte van de vordering waarover de rechter in eerste instantie diende te oordelen, de vorderingen bij elkaar worden opgeteld en is dus het totale beloop van de vorderingen beslissend. Voor de vraag of de onderhavige vordering appellabel is dienen, aldus het onderdeel, de bij deelvonnis verworpen vorderingen (die meer dan € 10.000,- bedragen) te worden betrokken, zodat de onderhavige vordering wel degelijk appellabel is en het hof [eiser] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ware dit anders, zo betoogt het onderdeel, dan zou een in aanvang appellabele vordering door splitsing van de afdoening door de kantonrechter vervolgens niet langer appellabel zijn.

2.3

Alvorens op het onderdeel in te gaan, wijs ik terzijde op het volgende.

Zoals ik bij het procesverloop heb gemeld, is [eiser] van het deelvonnis in hoger beroep gegaan op het moment dat de op grond van het tussenvonnisgedeelte voortvloeiende bewijslevering gaande was. Die bewijslevering is na het instellen van hoger beroep doorgegaan in de vorm van het horen van de statutair directeur van Esprit in contra-enquête en conclusiewisseling na enquête. Nu het deelvonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, komt de vraag op of de schorsende werking van het appel (art. 350 Rv.) hier een rol speelt6.

Dat is m.i. niet het geval. [eiser] is m.i. (zie noot 2 over de uitleg van het appelexploot) slechts van het eindvonnisgedeelte van het deelvonnis in appel gegaan, zodat de verrichtingen op basis van het interlocutoire gedeelte doorgang konden vinden7. Overigens behoeft de rechter de schorsende werking niet ambtshalve toe te passen indien partijen doorprocederen en zich niet op de schorsende werking van het tussentijds appel beroepen. Ook is een vonnis dat is gewezen tijdens de schorsing niet van rechtswege nietig maar heeft zij rechtskracht zolang zij niet op grond van de aanwending van rechtsmiddelen daartegen gericht is vernietigd8.

2.4

Bij de beoordeling van onderdeel 1 zijn de volgende aspecten van belang9.

Uitgangspunt van art. 332 lid 1 Rv. is dat in eerste aanleg gewezen vonnissen vatbaar zijn voor hoger beroep, tenzij het tegendeel uit de wet voortvloeit.

De in art. 332 lid 1 Rv. neergelegde financiële appelgrens van € 1750,- is zo’n tegendeel en heeft als ratio dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die zijn gemoeid met de behandeling van de zaak in hoger beroep. Het is vaste rechtspraak dat vonnissen beneden de financiële appelgrens ook niet kunnen worden aangetast via de zogeheten doorbrekingsgronden.

2.5

De appellabiliteit, die de appelrechter zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken, moet, zoals de eerste zin van art. 332 Rv. bepaalt, worden beoordeeld aan de hand van de vordering waarover de rechter in eerste aanleg, na eventuele vermindering van eis, had te beslissen10. De appelrechter is daarbij gebonden aan hetgeen de rechter in eerste aanleg heeft vastgesteld omtrent het beloop van de aan hem voorgelegde vordering, tenzij daartegen een grief is gericht11. De waarde (hoogte) van de vordering waarover de rechter in eerste aanleg diende te beslissen, behoeft niet gelijk te zijn aan de waarde van de vordering die aan de appelrechter wordt voorgelegd, omdat in hoger beroep een vermeerdering of vermindering van eis kan plaatsvinden dan wel slechts van een gedeelte van het vonnis wordt geappelleerd.

2.6

Sinds 2002 geeft art. 332 lid 2 Rv. een voorschrift voor de appellabiliteit indien tussen dezelfde partijen meer dan één vordering wordt berecht, de zogeheten objectieve cumulatie. In dat geval wordt het totale beloop of de totale waarde van deze vorderingen als uitgangspunt genomen voor de beoordeling van de appellabiliteit.

Zoals gemeld, heeft de werknemer in deze zaak acht vorderingen in zijn inleidende dagvaarding opgenomen.

2.7

Een optelregel is ook van toepassing in geval van conventie en reconventie. Indien sprake is van een vordering in conventie en een vordering in reconventie geldt de bijzondere regel van appellabiliteit van art. 332 lid 3 Rv. op grond waarvan voor de beoordeling van de appellabiliteit de waarde van beide vorderingen dient te worden opgeteld. Achtergrond van de optelregel in dit soort gevallen is de strekking van het voorschrift, die in de bewoordingen van de Hoge Raad is dat vorderingen in conventie en in reconventie, welke in eerste aanleg tezamen door dezelfde rechter zijn berecht, ook in hoger beroep tezamen kunnen worden behandeld, en dat niet ten gevolge van de regelen omtrent de appelgrens in verband met het beloop van de eis, een gedeelte van de geschilpunten aan de beoordeling in hoger beroep zou worden onttrokken.

2.8

Het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2011 is, zoals in de inleiding al aangeduid, een zogenoemd deelvonnis, waarin door een uitdrukkelijk dictum een einde aan het geschil is gemaakt voor wat betreft een deel van vordering a, de vorderingen b t/m g, alsmede vordering h voor zover betrekking hebbend op de posten b t/m g en de kantonrechter voor het overige een bewijsopdracht heeft gegeven.

Van het eindvonnisgedeelte van een deelvonnis moet direct hoger beroep worden ingesteld, bij gebreke waarvan dit in kracht van gewijsde gaat. In het geval van een deelvonnis mag bij beroep van het eindvonnisgedeelte tevens – in zoverre in afwijking van het bepaalde in art. 337 lid 2 Rv. – (direct) beroep worden ingesteld van het tussenvonnisgedeelte. Een ander stelsel zou tot gevolg kunnen hebben dat de berechting van met elkaar samenhangende vorderingen zou worden gesplitst, hetgeen onwenselijk is, onder andere omdat dit kan leiden tot tegenstrijdige beslissingen12. In dat geval dient de appellant – om niet-ontvankelijkheid te voorkomen – niet enkel grieven te richten tegen het tussenvonnis13.

2.9

[eiser] heeft bij exploot van 13 augustus 2012 appel ingesteld, weliswaar van zowel het vonnis van 18 augustus 2011 als dat van 24 mei 2012, maar blijkens het petitum richt dit tweede appel zich uitsluitend tegen de afwijzing van (het restant van) vordering a – de extra vergoeding – en de daarmee samenhangende vordering h. Het hof heeft met betrekking tot de hoogte van deze vordering in rechtsoverweging 3.3 vastgesteld dat deze € 1.697,06 bedraagt.

Het totaal van alle acht in eerste aanleg ingestelde vorderingen is ruim € 11.000,-.

2.10

Zoals hiervoor vermeld, is het criterium voor de beoordeling van de appellabiliteit de vordering waarover de rechter in eerste aanleg, na eventuele vermindering van eis, had te beslissen. Dit komt in het geval van objectieve cumulatie neer op begroting van het totaal van de bij inleidende dagvaarding ingestelde vorderingen en de beoordeling van de invloed daarop van eventuele eisverminderingen of (gedeeltelijke) intrekking van vorderingen.

Aan de kantonrechter zijn bij inleidende dagvaarding acht vorderingen ter beoordeling voorgelegd, die nadien niet zijn gewijzigd. Deze vorderingen tezamen gaan ver boven de financiële appelgrens uit. Het oordeel van het hof maakt het mogelijk dat de kantonrechter een geheel van – gelet op de financiële grens – appellabele vorderingen door zijn wijze van afdoening in verschillende eindvonnissen, in een appellabel en een niet-appellabel deel splitst. Dit is in strijd met het uitgangspunt van art. 332 Rv. dat hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij het tegendeel uit de wet voortvloeit. Net zo min als partijen verandering kunnen aanbrengen in de appellabiliteit van een vonnis door de wijze van appelleren14, moet het mogelijk kunnen zijn dat de rechter door de wijze van afdoening van de zaak in verschillende vonnissen de appellabiliteit beïnvloedt. Als de kantonrechter geen deelvonnis had gewezen, maar een tussenvonnis en bij eindvonnis had beslist overeenkomstig het dictum van de vonnissen van 18 augustus 2011 en 24 mei 2012, had het antwoord op de vraag over welke vorderingen de kantonrechter had te beslissen, voor de hand gelegen. Het antwoord behoort dan ook niet anders te luiden indien de beslissing op het gevorderde in verschillende dicta in verschillende vonnissen wordt vastgelegd.

2.11

Van een partij kan niet gevergd worden dat zij de door de rechter gesplitste vorderingen in appel weer bijeenbrengt door tegelijk met het hoger beroep van een eindvonnisgedeelte van het deelvonnis te appelleren van het interlocutoire gedeelte. In de onderhavige zaak had [eiser], toen hij bij exploot van 17 november 2011 appel instelde – en moest instellen – van het vonnis van 18 augustus 2011, de bevoegdheid tevens van het interlocutoire gedeelte van dit vonnis in appel te komen, waardoor de berechting van alle vorderingen naar het hof zouden zijn overgeheveld. Dit is echter een bevoegdheid, geen plicht van een procespartij, die bovendien met betrekking tot het interlocutoire gedeelte een instantie verliest. De omstandigheid dat [eiser] alleen van het eindvonnisgedeelte van het deelvonnis in hoger beroep is gekomen, kan dan ook niet tegen hem worden gebruikt.

2.12

Een argument ten faveure van het oordeel van het hof kan ook niet worden gevonden in de regel van de slotzin art. 332 lid 3 Rv., waarin is bepaald dat de optelregel (zie hiervoor onder 2.7) niet geldt indien de gedingen in conventie en reconventie zijn gesplitst en daarin afzonderlijk vonnis is gewezen. Reden daarvan is dat bij splitsing procesrechtelijk gezien geen sprake meer is van één vonnis, maar van twee verschillende vonnissen waarin op vorderingen van twee verschillende partijen is beslist. Dat doet zich niet voor bij objectieve cumulatie. Bij splitsing van de afdoening van de vorderingen over verschillende vonnissen blijft het gaan om vorderingen van één procespartij tegen een wederpartij.

2.13

Gelet op het hiervoor meen ik dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat onderdeel 1 slaagt.

2.14

Onderdeel 2 klaagt dat ook indien uitsluitend de waarde van vordering a in samenhang met vordering h (de wettelijke verhoging en de wettelijke rente) in aanmerking wordt genomen, het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, nu de initiële vordering a € 1.425,- bedroeg, waarvan de kantonrechter bij tussenvonnis van 18 augustus 2011 al € 325,- heeft toegewezen.

Nu het eerste onderdeel slaagt, behoeft dit tweede onderdeel geen bespreking meer.

2.15

Nu het hoger beroep van het deelvonnis van 18 augustus 2011 aanhangig is bij het hof ’s-Hertogenbosch en dat [eiser] beide procedures wenst te voegen, is terugwijzing naar dit hof m.i. aangewezen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2013 en tot terugwijzing naar dit hof voor verdere behandeling en afdoening.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Gelet op de in cassatie voorliggende vraag vermeld ik slechts het procesverloop. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de vonnissen van de kantonrechter van 18 augustus 2011 onder “1. De procedure” en 24 mei 2012 onder “1. De verdere procedure”. Zie voor het procesverloop in hoger beroep het bestreden arrest van 5 februari 2013, rov. 2.1-2.5.

2 Zie zijn akte van 27 november 2012, onder 5. Uit het petitum van de appeldagvaarding van 17 november 2011 leid ik af dat [eiser] slechts hoger beroep heeft ingesteld van het eindvonnisgedeelte van het vonnis van 18 augustus 2011 voor zover zijn vorderingen daarin zijn afgewezen.

3 [eiser] stelt in zijn akte van 27 november 2012 dat hij in dat appel nog niet van grieven heeft gediend in afwachting van het eindvonnis van de kantonrechter.

4 De cassatiedagvaarding is op 2 mei 2013 uitgebracht.

5 Cassatiedagvaarding, p. 4.

6 Zie over art. 350 Rv.: Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 51; Snijders, Klaassen en Meijer, nr. 244; Burgerlijke Rechtsvordering, Van Geuns & Jansen, art. 350, aant.1-5; H.W. Wiersma, Tussenoordelen en eindbeslissingen, 1998, nr. 112 en 114; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/149.

7 Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/149 met verwijzing naar HR 10 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0468, (NJ 1992/576).

8 HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4275, (NJ 1983/738, m.nt. W.H. Heemskerk) waarover Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/150.; Snijders, Klaassen en Meijer, nr. 244.

9 Ik verwijs hierbij naar: Snijders/Wendels, a.w., nr. 35-37 en 59-61; Snijders, Klaassen en Meijer, nrs. 178, 255-256; W.H. Heemskerk, De eis in reconventie, diss. 1972, nr. 87, 93 en 109; Burgerlijke Rechtsvordering, Ynzonides, art. 136, aant. 3 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/11, 2012/13, 2012/15, 2012/20 -21, 2012/25 en 2012/36, allen met verdere verwijzingen.

10 Vaste rechtspraak, zie o.m. HR 24 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5583, (NJ 1988/133, m.nt. W.H. Heemskerk); HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0229, (NJ 1991/441); HR 5 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1948, (NJ 1996/333); HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6529, (NJ 2007/244).

11 HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8069, (NJ 2004/271).

12 HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051, (NJ 2005/510).

13 HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3168, (RvdW 2005/7); HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1605, (NJ 1995/482).

14 Zie Heemskerk, a.w., nr. 109 onder c.