Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2014:724

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-02-2014
Datum publicatie
14-07-2014
Zaaknummer
13/02837
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1694, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening geurproef. Afwijzing aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/02837H

Zitting: 11 februari 2014

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[aanvrager]

I De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd

1.

De Rechtbank te Zwolle heeft bij strafvonnis van 6 augustus 2001 de aanvrager wegens 1. poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, 2. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en 3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren.

2.

Het strafvonnis is onherroepelijk geworden doordat daartegen geen hoger beroep is ingesteld.

3.

Het strafvonnis betreft een verkort vonnis als bedoeld in art. 138b Sv. Het bevat derhalve niet de door de Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. Voorts is niet opgemaakt een aanvulling met bewijsmiddelen in de zin van art. 365a, tweede lid, Sv. Daarom is niet kenbaar op welke bewijsmiddelen de bewijsconstructie steunt.

II De aanvraag tot herziening

4.

De aanvraag tot herziening (verder: de aanvraag) is ingediend door mr. R.C. Fransen, advocaat te Amsterdam, daartoe bepaaldelijk gemachtigd door de aanvrager.

5.

De aanvraag berust op de stelling dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 sprake is van een gegeven als bedoeld in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Daartoe wordt – met verwijzing naar een brief van de rechercheofficier van Justitie mr. H.A. Hoogland d.d. ‘juni 2007’ en het arrest van HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8789, NJ 2008/591 m.nt. Schalken – aangevoerd dat in de onderhavige zaak de resultaten van de geuridentificatieproeven d.d. 17 april 2001 niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden en dat het zonder deze uitkomsten niet aannemelijk is dat de Rechtbank op grond van het (overig) beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, zodat sprake is van een ernstig vermoeden dat de Rechtbank de aanvrager van de feiten 1 en 2 zou hebben vrijgesproken.

6.

Als bijlagen bij de aanvraag zijn gevoegd:

(i) een fotokopie van het in de aanvraag vermelde strafvonnis;

(ii) een fotokopie van de genoemde brief d.d. ‘juni 2007’ van de rechercheofficier van Justitie.

III De wettelijke grondslag van de aanvraag

7.

De aanvraag is gegrond op art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Deze bepaling luidt:

“1. Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien:

(…)

c. indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.”

8.

Artikel 457 Sv is gewijzigd bij de Wet van 18 juni 2012 (Stb. 275), in werking getreden op 1 oktober 2012. De grond voor herziening ten voordele van een aanvrager zoals omschreven in het eerste lid aanhef en onder c wordt kort aangeduid ook wel het ‘novum’ genoemd. Uit de wettekst blijkt dat het daarbij moet gaan om een gegeven dat (i) aan de eerder oordelende rechter niet bekend was tijdens het onderzoek ter terechtzitting, (ii) op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, en wel (iii) zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot – voor zover hier relevant – vrijspraak.

IV De achtergrond van de aanvraag

9.

Naar uit onderzoek door de Rijksrecherche is gebleken, zijn in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 diverse geuridentificatieproeven niet volgens het toen geldende protocol uitgevoerd. Over deze kwestie heeft het Openbaar Ministerie gewezen verdachten die daarvoor in aanmerking kwamen bij schrijven geïnformeerd. De aanvrager ontving in dit verband de meergenoemde brief van ‘juni 2007’. Deze brief kent onder meer de volgende inhoud:

“Bij het opsporingsonderzoek in uw zaak is destijds gebruik gemaakt van de geuridentificatieproef. Deze proef is uitgevoerd door de gezamenlijke oefengroep speurhondengeleiders van de politiekorpsen in Noord- en Oost Nederland. Uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet overeenkomstig het daarvoor geldend protocol is gewerkt. In sommige gevallen was de speurhondengeleider, in strijd met het protocol, op de hoogte van de sorteervolgorde van de geurbuisjes.

In uw zaak heeft eveneens een dergelijke geuridentificatieproef plaatsgevonden. Dat betekent evenwel niet, dat het resultaat daarvan ook daadwerkelijk een factor heeft gevormd in de bewijsvoering. Het openbaar ministerie heeft uw zaak niet inhoudelijk herbeoordeeld.

Omdat in uw zaak de uitspraak onherroepelijk is, is een herzieningsprocedure mogelijk. In zo'n procedure kan de Hoge Raad der Nederlanden gelasten dat de rechter de zaak opnieuw behandelt, in het geval een feit bekend is geworden dat, indien de rechter die het vonnis heeft gewezen daarmee destijds bekend was geweest, zou hebben geleid tot een voor de veroordeelde gunstiger uitspraak, bijvoorbeeld een vrijspraak.

Indien u van mening bent dat u destijds niet zou zijn veroordeeld als de rechter had geweten dat de geuridentificatieproef niet geheel volgens de regels was uitgevoerd, kunt u in overweging nemen een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad in te dienen.”

10.

Aan de betrouwbaarheid van het resultaat van een geuridentificatieproef uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost Gelderland in de periode van september 1997 tot en met maart 2006, heeft Uw Raad in de herzieningszaak die heeft geleid tot het arrest van 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8789, NJ 2008/591 m.nt. Schalken al uitgebreide overwegingen gewijd, met een aan de beoordeling van de aanvraag voorafgaande beschouwing.1 Ik meen hier met de aanhaling van de volgende overwegingen van Uw Raad te kunnen volstaan:

“5.2.1. Het bedoelde protocol beoogt, mede blijkens de hiervoor onder 5.1 weergegeven doelstelling van het Keuringsreglement, onder meer het risico van het maken van fouten zoveel mogelijk uit te sluiten. Daarin ligt besloten dat wordt beoogd de betrouwbaarheid van een geuridentificatieproef te bevorderen door zo veel mogelijk te voorkomen dat de hondengeleider het gedrag van de hond beïnvloedt of verkeerd interpreteert. Het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, moet worden gerekend tot de met het oog op de betrouwbaarheid van de uitkomst van de geuridentificatieproef gegeven voorschriften.

5.2.2. Uit het in de onder 4.1 vermelde brief genoemde onderzoek is volgens het openbaar ministerie gebleken dat in de periode september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt, waarbij in het bijzonder niet is voldaan aan het in het Keuringsreglement opgenomen voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Ook al is bij dat onderzoek niet vastgesteld dat dit geldt voor alle door de genoemde geurhondendienst in de vermelde periode uitgevoerde geuridentificatieproeven en heeft het openbaar ministerie geen opgave gedaan van concrete geuridentificatieproeven die op de bedoelde onjuiste wijze zijn uitgevoerd, het openbaar ministerie heeft de kans dat de bedoelde onregelmatigheid zich in het onderhavige geval daadwerkelijk heeft voorgedaan klaarblijkelijk groot geacht.

5.2.3. Tegen deze achtergrond neemt de Hoge Raad aan dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - heeft plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dat brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden.

5.2.4. Daarom moet in deze gevallen worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de daarbij opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest.

5.3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 [inmiddels oud, EH] Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

5.3.2. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.”

V De beoordeling van de aanvraag

11.

Ten laste van de aanvrager is onder meer bewezenverklaard dat:

“1.

hij op of omstreeks 14 april 2001 in de gemeente Zeewolde ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een woning (aan de [a-straat]), terwij1 daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten was, met dat opzet een gaspit heeft opengedraaid en kaarsen heeft aangestoken en die brandende kaarsen in de nabijheid van een gordijn en een bankstel heeft gezet en een koffiezetapparaat heeft aangezet en een werkende strijkbout op de vloerbedekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

hij op of omstreeks 14 april 2001 in de gemeente Zeewolde met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (aan de [a-straat]) heeft weggenomen enig geldbedrag, sleutels, een PlayStation-spelletje, een fototoestel en een beeldje, toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming.”

12.

In de onderhavige zaak zijn in het opsporingsonderzoek naar de pogingen tot brandstichting en de diefstal door inklimming twee geuridentificatieproeven (met verschillende honden en hondengeleiders) uitgevoerd op geurmonsters die afgenomen waren van onderscheidenlijk een kaars en een knop van een kast in de woning van de aangeefster. De wijzen van uitvoering – waarover aanstonds meer - en de bevindingen zijn in afzonderlijke processen-verbaal beschreven. Gezien de daarin opgenomen conclusies, leveren beide geuridentificatieproeven een voor de aanvrager belastend resultaat op; hij wordt wat de geurovereenkomst betreft aan zowel het geurmonster van de kaars als aan het geurmonster van de knop van de kast gelinkt.2Ongetwijfeld hebben deze uitslagen aan de bewijsvoering van de Rechtbank bijgedragen, in aanmerking genomen dat de aangever de tenlastegelegde feiten 1 en 2 steeds heeft ontkend en dat de in processen-verbaal opgenomen getuigenverklaringen geen waarnemingen inhouden betreffende de aanwezigheid van de aanvrager in de woning van de aangeefster ten tijde van de tenlastegelegde feiten 1 en 2.

13.

De eerste vraag is nu of met de aanvrager kan worden gezegd dat (ook) in de onderhavige zaak ernstige reden is om aan de regelmatige uitvoering van de geurproeven, die als gezegd de betrouwbaarheid van het bewijs raakt, te twijfelen.

14.

Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Weliswaar wordt in beide processen-verbaal betreffende het uitvoeren van de geuridentificatieproef vermeld dat de speurhondengeleider niet op de hoogte was van de posities van de geurdragers en dat de geuridentificatieproef is uitgevoerd volgens de voorschriften als bedoeld in supplement 2 van het Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur (sept. 1997), maar daaraan kan in de onderhavige zaak geen betekenis worden toegekend. Het punt is nu juist dat uit het onderzoek van de Rijksrecherche naar boven kwam dat de onregelmatigheden hierin bestonden dat verschillende begeleiders van speurhonden verbonden aan de speurhonden-oefengroep van de politiekorpsen in Noord – en Oost Nederland tussen 1997 en 2006 in strijd met de waarheid op ambtseed in processen-verbaal hebben gerelateerd dat zij overeenkomstig de toen geldende voorschriften hadden gehandeld.3 Op grond van de gedingstukken kan niet worden vastgesteld of in deze herzieningszaak de geuridentificatieproeven wel ‘blind’ en dus overeenkomstig het protocol zijn uitgevoerd. Omdat van concrete aanwijzingen van het tegendeel niet blijkt, zal er dus vanuit moeten worden gegaan dat ook deze proeven niet op de juiste wijze zijn afgenomen.

15.

Met de aanvrager acht ik het dan ook aannemelijk dat wanneer de Rechtbank bekend was geweest met de veelvuldige onregelmatigheden bij het uitvoeren van de geuridentificatieproeven door de betrokken hondengeleiders en met het arrest van HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8789, NJ 2008/591, zij de resultaten van deze proeven niet voor het bewijs zou hebben gebezigd. Deze onregelmatigheden raken immers ook in de onderhavige zaak rechtstreeks de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal, nu beide geuridentificatieproeven op 17 april 2001 zijn uitgevoerd door een speurhondengeleider van de regiopolitie Twente respectievelijk door een speurhondengeleider van de regiopolitie Ijsselland.

16.

Daarmee is nog niet gezegd dat zich hier dus een novum in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv voordoet. Daar is meer voor nodig. Het nieuwe gegeven dient immers, voor zover hier relevant, tot een vrijspraak van de gewezen verdachte te hebben geleid.

17.

Dit betekent dat thans tevens moet worden nagegaan of de bewijsvoering van de Rechtbank ook met weglating van de resultaten van de beide geuridentificatieproeven nog voldoende houdbaar is. Dat is hier een lastige kwestie, want vraagt niet alleen om een feitelijke beoordeling van de processtukken op de aanwezigheid van andere bewijsmiddelen, maar in het verlengde daarvan ook om een reconstructie van de bewijsvoering die aan de veroordeling van de aanvrager ten grondslag zal hebben gelegen en om een toetsing van het eventueel aanwezige bewijsmateriaal aan de regels die gelden ten aanzien van het strafvorderlijk bewijsminimum.

18.

Uit de in cassatie voorhanden gedingstukken komen aan mogelijk bewijsmateriaal de navolgende, in proces-verbaalvorm gerelateerde getuigenverklaringen in beeld. Om de objectiviteit geen geweld aan te doen, zal ik deze verklaringen betrekkelijk uitgebreid in een door mij samengevatte vorm weergeven.

- De (drie) verklaringen van de aangeefster

De aangeefster is een ex-vriendin van de aanvrager. Zij had al geruime tijd problemen met hem. Omdat de sfeer tussen hen steeds grimmiger werd en de aanvrager haar begon te bedreigen, had zij het contact met hem geheel verbroken. Op 31 maart 2001 kwam de aanvrager bij de aangeefster zijn slijptol ophalen. De aangeefster durfde de deur niet te openen. Zij zag dat de aanvrager een zwaaiende beweging met zijn arm maakte en hoorde glasgerinkel. Uit angst sloot zij zich op in haar toilet en belde zij 112. Toen de aanvrager weg was en zij van het toilet was gekomen, zag zij dat het raam aan de voorzijde van haar woning totaal vernield was.4 Op vrijdagavond 13 april 2001 werd zij gebeld door [betrokkene 3], de vrouw van [betrokkene 2], een broer van de aanvrager. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] waren toen de beste vrienden van de aangeefster. [betrokkene 3] vertelde haar dat de aanvrager zijn broer [betrokkene 2] had gebeld en dat [betrokkene 2] aan de stem van de aanvrager kon horen dat de aanvrager plannen had om wat te gaan uitvoeren. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] wilden daarom dat de aangeefster bij hen kwam slapen. De aangeefster verliet op vrijdagavond 13 april 2001 haar woning, die zij had afgesloten behoudens het zolderraam omdat haar wasdroger op dat moment nog niet klaar was. Op 14 april 2001 werd zij in de ochtend gebeld door haar buurman die haar vertelde dat de gordijnen van haar woning, die de vorige avond nog open waren, nu gesloten waren. Toen zij bij haar woning aankwam, zag zij nergens een verbreking. Binnen rook zij meteen een sterke gaslucht en zag zij dat de pitten van het fornuis waren geopend en dat er twee kaarsen brandden, één voor het gordijn en één naast het bankstel. Verder zag zij dat een fles cola in haar TV was gegoten, dat het koffiezetapparaat aanstond, dat in de studeerkamer een strijkbout op de grond stond, waarbij zij een sterke brandlucht rook, dat van de twee zakken met kleding van haar ex er één was weggenomen, dat een “kiepraam” op de zolder geopend was en dat er een keukentrap, die (normaal gesproken, zo begrijp ik, EH) in de tuin stond, op het platte dak was geplaatst. De aangeefster nam waar dat alle foto’s waar de aanvrager op staat, weg waren, en zo ook: het fototoestel, de sleutel van de kelderkast waaruit zij een aantal plastic tasjes miste, het uit 25 à 30 stuks bestaande Swarovski kristal, op advies van de verzekeringsmaatschappij gemaakte foto’s van dit kristal, van welke foto’s en de betekenis daarvan de aanvrager wist, een briefje van f. 25,-, wat kleingeld, een agenda, een acceptgirokaart en een playstationspelletje. Voorts was één van de speciale sleutels die op het veiligheidsslot van de achterdeur pasten, weggenomen. Degeen die deze sleutel had weggehaald, moet geweten hebben waar deze lag, te weten in de keukenla. Verder ontbrak in de onderste lade van haar nachtkastje een aangebroken pak condooms waarin er nog een stuk of tien zaten. Het vreemde daarvan was, aldus de aangeefster, dat zij op 19 april 2001 van [betrokkene 3] had gehoord dat de aanvrager die avond daarvoor naar zijn broer [betrokkene 2] had gebeld met het verzoek hun zus [betrokkene 4] te bellen omdat de aanvrager kennelijk iets wilde weten over TBS. Deze [betrokkene 4] vertelde [betrokkene 2] dat de aangeefster een pak condooms uit de woning van de aanvrager zou hebben gehaald, hetgeen voor [betrokkene 2] doorslaggevend was dat “[aanvrager]”, de aanvrager, er toch meer van moest weten, dat wil zeggen van wat er in de woning van de aangeefster was gebeurd.

In de tuin zag de aangeefster dat de slang van de vijverpomp op de kant was gelegd, zodat al het water uit de vijver was gelopen, kennelijk met de bedoeling de vissen te laten stikken.

Tot slot houden deze verklaringen in dat de aanvrager de aangeefster heeft verteld dat hij 5 ½ jaar had vastgezeten omdat hij, onder invloed van drank, zijn toenmalige schoonvader had doodgestoken, dat de aanvrager eerder een korte relatie heeft gehad met een vrouw en dat hij, toen de relatie uitging, samen met een zwager de hele boel bij haar heeft kapotgeslagen, en dat de aanvrager dit aanvankelijk had ontkend maar dat de zaak na de bekentenis van die zwager toch was uitgekomen.

- De verklaringen van de aanvrager

De aanvrager verklaart het volgende. Hij is op zijn vijftiende jaar met politie in aanraking geweest vanwege een steekpartij. In 1989 heeft hij zijn schoonvader vermoord. In 1993 is hij veroordeeld voor een straatroof. In 2000 heeft hij samen met een zwager bij een ex-vriendin in huis de boel kort en klein geslagen en binnen met chloor, ammoniak en terpentine lopen gooien. Op 30 maart heeft hij met zijn “dronken kop” bij de aangeefster thuis een ruit bij haar stukgeslagen met zijn helm en is hij door het raam naar binnen geklommen. Wat hij daar precies heeft gedaan, weet hij niet meer.

Op vrijdag 13 april 2001 was hij de hele dag vrij, maar geen seconde de deur uit geweest. Tot twee uur ’s nachts heeft hij naar de film ‘vrijdag de dertiende’ gekeken en is daarna tot de volgende dag 15.00 uur voornamelijk in slaap gevallen. Tussendoor heeft hij zijn broer [betrokkene 2] gebeld met de vraag of deze hem honderd gulden kon lenen. Hij is die dag en de dagen ervoor niet in de buurt van de [a-straat 1] te Zeewolde geweest. Hij heeft contact gehad met de aangeefster in verband met het ophalen van zijn spullen die nog bij aangeefster stonden.

- de verklaring van Nicole de Kruijf

Toen zij op zaterdag 14 april om 09.45 uur haar krantenwijk wilde gaan lopen, zag zij dat de kliko van de aangeefster aan de binnenkant van de poort stond, dat een houten pallet tegen de muur van de schuur van de aangeefster was geplaatst, dat op de uitbouw van de woning een keukentrap tegen de gevel stond en dat het zolderraam wagenwijd openstond, hetgeen allemaal niet normaal was.

- de verklaringen van [betrokkene 2] (een broer van de aanvrager)

De aanvrager heeft professionele hulp nodig omdat er iets niet goed met hem is en er veel agressie in hem zit. Op een vrijdag werd hij, [betrokkene 2], door de aangeefster huilend vanaf het toilet van haar woning gebeld omdat de aanvrager een wilde blik in zijn ogen had en een raam had ingeslagen. Dit was gebeurd omdat de aanvrager naar zijn zeggen drank op had.

Op vrijdagmiddag 13 april 2001 belde de aanvrager hem op om te vertellen dat hij 50 uur dienstverlening had gekregen voor het kort en klein slaan van de woonkamer van een ex-vriendin. Omdat de getuige (in dat telefoongesprek, zo begrijp ik, EH) hoorde dat zijn broer zich weer liet opnaaien, regelde hij via zijn vrouw dat de aangeefster bij hen zou slapen. Hij was bang dat het raam van de woning van de aangeefster er weer ‘uit zou gaan’.

Op 15 april had hij contact met zijn zus [betrokkene 4]. Deze vertelde hem dat zij de aanvrager ook op die vrijdag de 13e april door de telefoon had gesproken; de aanvrager had haar huilend gebeld en gezegd dat hij naar het buitenland wilde, omdat hij het niet meer zag zitten.

Zaterdagochtend 14 april 2001 heeft de aanvrager hem gebeld of hij geld van hem kon lenen.

Gevoelsmatig weet hij dat de aanvrager het heeft gedaan. Er zijn ook treiterijdingetjes gebeurd, zoals foto’s weg en dat kristal. Een ‘normale’ inbreker steelt geld of televisies maar doet niet van die rare dingen.

Als de relaties met zijn vriendinnen uitgingen, reageerde de aanvrager agressief en verbouwde hij de boel. Wat er nu gebeurd is, strookt niet met het agressieve karakter van zijn broer, het lijkt wel, als hij dit gedaan heeft, dat hij een andere persoon is geweest. Vreemd is ook dat de persoon die het gedaan heeft door het zolderraam naar binnen is gegaan. De aanvrager heeft echter last van hoogtevrees en je zou dan eerder verwachten dat hij gewoon het raam zou inslaan. Maar misschien dat hij dusdanig dronken was, dat hij geen last had van hoogtevrees.

Op de dag dat de aanvrager was aangehouden, is de getuige naar de woning van zijn broer gegaan. Hij zag bij het bed van zijn broer een stuk of 6 à 7 condooms op de grond liggen. Hij had van de aangeefster gehoord dat er bij haar condooms in aaneengeschakelde verpakking waren gestolen. Van zijn zus [betrokkene 4] hoorde de getuige dat het onderwerp condooms ter sprake was geweest in het telefoongesprek tussen haar en de aanvrager op vrijdag 13 april. De aanvrager had haar toen verteld dat de aangeefster bij hem condooms weggehaald zou hebben. Volgens de getuige kon de aangeefster echter niet meer in de woning van de aanvrager omdat zij daarvan geen sleutel (meer) had.

19.

Anders dan de aanvrager ben ik er allerminst van overtuigd dat de Rechtbank tot een vrijspraak zou zijn gekomen indien zij het bewijs dat door de geuridentificatieproeven is verkregen niet mee had genomen in haar bewijsvoering. Weliswaar is de aanvrager ten tijde van de tenlastegelegde feiten 1 en 2 niet in de woning van de aangeefster gesignaleerd, maar ik neem aan dat de Rechtbank niettemin tevens bewijswaarde heeft gehecht aan met name de verklaringen van de aangeefster en de broer van de aanvrager, mede in het licht van het eerdere incident op 31 maart 2011 (het door de aanvrager bekende feit 3).5 Daarbij neem ik in het bijzonder het volgende uit hun verklaringen in aanmerking:

- op 31 maart 2001 had de aanvrager een raam aan de voorzijde van de woning van de aangeefster totaal vernield;

- nog geen twee weken later, op 13 april, kon aanvragers broer [betrokkene 2] aan de stem van de aanvrager, die zich liet opnaaien, horen dat hij plannen had om wat te gaan uitvoeren, kennelijk met betrekking tot de aangeefster, nu deze broer [betrokkene 2] en zijn vrouw wilden dat de aangeefster die nacht bij hen kwam slapen, hetgeen zij ook heeft gedaan;

- de volgende ochtend zag de aangeefster aan haar woning geen verbreking, rook zij beneden een sterke gaslucht, zag zij dat de pitten van het fornuis waren geopend en dat er twee kaarsen brandden, en zag zij dat het koffiezetapparaat aanstond en een strijkbout op de grond stond waarbij zij een sterke brandlucht rook;

- verschillende voorwerpen waarvan (alleen) de aangever weet had (zoals de speciale sleutel van een veiligheidsslot) respectievelijk spullen die enkel met de aanvrager te maken hadden (alle foto’s met zijn afbeelding daarop, een zak met zijn kleding erin) waren weggenomen;

- ook was een pak condooms waarin er nog een stuk of tien zaten uit een nachtkastje van de aangeefster weggenomen, had de aanvrager het onderwerp condooms in een telefoongesprek met zijn zus ter sprake gebracht en zag zijn broer [betrokkene 2] in de woning van de aanvrager zes of zeven condooms los op de grond liggen.

20.

Het beeld dat in zijn totaliteit uit deze verklaringen opkomt, past niet bij de handelwijze van een inbreker doch wel bij het gedrag van de aanvrager. Het is nog denkbaar dat een willekeurige inbreker het tuimelraam op zolder open ziet staan en de gelegenheid te baat neemt om nu eens niet iets te verbreken maar eenvoudigweg met behulp van een ladder via dat open raam naar binnen te klimmen, ook al is er een kans dat hij daarbij gezien wordt. Voorstelbaar is ook nog dat deze inbreker zijn oog begerig laat vallen op het kristalwerk van het merk Swarovski. Evenmin valt uit te sluiten dat hij bij toeval op de speciale sleutel van het veiligheidsslot van de achterdeur in de keukenla stuit en deze bij zich steekt. Minder waarschijnlijk is al dat hij geïnteresseerd zou zijn in een zak met kleding van de aanvrager, alle foto’s waarop de aanvrager staat afgebeeld en een aangebroken pak condooms. Onwaarschijnlijk wordt het scenario van de inbreker die tijdens zijn werkzaamheden een tweetal kaarsen aansteekt, de pitten van het gasfornuis opendraait, een koffiezetapparaat aanzet en een (naar ik aanneem werkende, de aangeefster rook immers een brandlucht) strijkbout op de grond zet en dan ook nog op enig moment een fles cola in de televisie leeggiet en het water uit de vijver in de tuin laat leeglopen. Deze laatste handelingen, en daarmee ook al het andere, past in het profiel van iemand die het met treiterijen welbewust op de aangeefster heeft gemunt, die haar doelbewust in haar private eigendommen heeft willen treffen en die maar meteen zijn eigen persoonlijke spullen heeft willen meenemen en veilig stellen. Niemand anders dan de aanvrager komt daarvoor in aanmerking. Dat hij daartoe in staat is, blijkt wel uit zijn eigen verklaring dat hij het jaar daarvoor met zijn “dronken kop” samen met een zwager in de woning van een ex-vriendin niet alleen de boel kort en klein heeft geslagen, maar ook binnen met chloor, ammoniak en terpentine heeft lopen gooien. En dat hij zijn beheersing in de richting van de aangeefster al eens had verloren, toont het incident op 31 maart 2001 wel aan.

21.

Het hiervoor geschetste beeld vindt voorts houvast in de volgende redengevende feiten en omstandigheden: het telefoongesprek daags voordat de feiten 1 en 2 zouden plaatsvinden tussen de aanvrager en zijn broer [betrokkene 2] die daaruit kon opmaken dat de aanvrager plannen had om iets uit te voeren, kennelijk in de richting van de aangeefster, en daarom samen met zijn vrouw regelde dat de aangeefster in hun huis kwam slapen; het weggenomen pak condooms waarin er nog een stuk of tien zaten in samenhang met het telefoongesprek tussen de aanvrager en diens zus over condooms en de zes of zeven condooms die zijn broer [betrokkene 2] op de dag van aanhouding van de aanvrager in diens woning op de grond zag liggen; het bewezenverklaarde feit 3, inhoudende dat de aanvrager twee weken daarvoor (op 31 maart 2001) een raam van de woning van de aangeefster had ingeslagen.

VI Slotsom

22.

Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat - ook als de resultaten van de geuridentificatieproeven buiten beschouwing worden gelaten - het niet anders kan zijn dan dat het de aanvrager is geweest die de tenlastegelegde feiten 1 en 2 heeft begaan. Bijzonder is bovendien dat de aanvrager, die samen met zijn advocaat op de terechtzitting van de Rechtbank aanwezig was, geen hoger beroep tegen het veroordelend vonnis van de Rechtbank heeft aangetekend.

23.

Naar het mij voorkomt doet het voorgaande aldus niet het ernstige vermoeden ontstaan dat de Rechtbank zou hebben vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten 1 en 2 (of tot één van de andere in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv genoemde beslissingen zou zijn gekomen) als zij ermee bekend was geweest dat er gegronde reden was om aan de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de uitgevoerde geuridentificatieproeven te twijfelen.

24.

Ik concludeer dat Uw Raad de aanvraag tot herziening ongegrond zal verklaren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Waarin de van 25 september 1997 tot 13 april 2006 geldende Regeling politiespeurhonden 1997 (Stcrt. 1997, 183) en het Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur 1997 met supplement 2 worden aangehaald.

2 Zie de processen-verbaal met de nummers 17.04.01.12.15. JACSMI en 17.04.01.13.10.PAUMAR.

3 Zie de annotatie van J. Silvis onder HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8789, NJ 2008/591 in VA 2009/19. Zie ook het desbetreffende bericht in de Volkskrant van 4 augustus 2007: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/detail/871063/2007/08/14/OM-vervolgt-begeleiders-speurhonden-voor-meineed.dhtml.

4 Dit betreft het bewezenverklaarde feit 3.

5 Ik merk daarbij op dat de aanvrager toen wel door zowel de aangeefster als door getuigen is gezien. Ook één van deze getuigen herkende de aanvrager.